HR, 03-10-2025, nr. 22/00425, nr. 23/02908, nr. 23/02909, nr. 22/01741, nr. 22/02805, nr. 23/02911, nr. 22/03099
ECLI:NL:HR:2025:1472
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-10-2025
- Zaaknummer
22/00425
23/02908
23/02909
22/01741
22/02805
23/02911
22/03099
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1470, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑10‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1213
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1223
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:1427
ECLI:NL:HR:2025:1474, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑10‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1223
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:1895
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1216
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑10‑2025
ECLI:NL:HR:2025:1472, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑10‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:1894
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1216
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1223
ECLI:NL:HR:2025:1409, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑09‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:2185
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1223
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1215
ECLI:NL:HR:2025:1411, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑09‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:2184
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1223
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1215
ECLI:NL:HR:2025:1412, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑09‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1214
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:2186
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1223
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑07‑2025
ECLI:NL:HR:2025:1134, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑07‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1215
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2021:4327
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1223
ECLI:NL:PHR:2023:1213, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑12‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1470
ECLI:NL:PHR:2023:1223, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑12‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1470
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1134
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1472
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1474
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1409
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1412
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1411
ECLI:NL:PHR:2023:1214, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑12‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1412
ECLI:NL:PHR:2023:1215, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑12‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1411
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1134
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1409
ECLI:NL:PHR:2023:1216, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑12‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1474
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1472
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2025100307
NDFR Nieuws 2025/1537
FutD 2025-1955
NTFR 2025/1591 met annotatie van mr. R. Zeldenrust
NLF 2025/2083
V-N 2025/44.16 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD) 2025100307
FutD 2025-1955
NLF 2025/2096
Viditax (FutD) 2025100317
NDFR Nieuws 2025/1533
FutD 2025-1954
V-N 2025/44.15 met annotatie van Redactie
NTFR 2025/1642 met annotatie van mr. R. Zeldenrust
NLF 2025/2242 met annotatie van Heleen Elbert
BNB 2026/23 met annotatie van W.J. Blokland
Viditax (FutD) 2025092607
FutD 2025-1901
NDFR Nieuws 2025/1491
NLF 2025/2018
V-N 2025/42.13 met annotatie van Redactie
NTFR 2025/1587 met annotatie van mr. R. Zeldenrust
Viditax (FutD) 2025092607
FutD 2025-1901
NLF 2025/1986
NTFR 2025/1588
Viditax (FutD) 2025092607
FutD 2025-1901
NLF 2025/2019
NTFR 2025/1589
Viditax (FutD) 2025071122
NDFR Nieuws 2025/1118
FutD 2025-1413
NLF 2025/1477
V-N 2025/33.17 met annotatie van Redactie
NTFR 2025/1285 met annotatie van mr. R. Zeldenrust
BNB 2025/118 met annotatie van W.J. Blokland
NTFR 2024/369
NLF 2024/0485
Viditax (FutD) 2024011906
FutD 2024-0192
NTFR 2024/368
NLF 2024/0451 met annotatie van Heleen Elbert
NTFR 2024/370
NLF 2024/0486
Viditax (FutD) 2024011906
FutD 2024-0192
NDFR Nieuws 2024/127
NTFR 2024/367 met annotatie van mr. R. Zeldenrust
NLF 2024/0487
Viditax (FutD) 2024011906
FutD 2024-0192
V-N 2024/8.17 met annotatie van Redactie
NTFR 2024/371
NLF 2024/0452 met annotatie van Heleen Elbert
Viditax (FutD) 2024011906
FutD 2024-0192
Uitspraak 03‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Belasting van personenauto's en motorrijwielen; procesrecht; onderdeel B van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht; proceskosten hoger beroep; waarde per punt.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/01741
Datum 3 oktober 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 april 2022, nrs. BKDH-21/00261, BKDH-21/00262 tot en met BKDH-21/00268, BKDH21/00270, BKDH-21/00271, BKDH-21/00273 tot en met BKDH-21/00281, BKDH21/00285 tot en met BKDH-21/00299, BKDH-21/00338, en BKDH-21/00340 tot en met BKDH-21/003551., op het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 17/7490, BRE 18/803, BRE 18/7732 tot en met BRE 18/7736, BRE 17/7221, BRE 18/7678, BRE 18/7680, BRE 18/7681, BRE 17/7222, BRE 18/7682 tot en met BRE 18/7687, BRE 18/608, BRE 18/7714 tot en met BRE 18/7727, BRE 18/882, BRE 18/7745 tot en met BRE 18/7752, BRE 18/864, en BRE 18/7737 tot en met BRE 18/7744) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 22 december 2023 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.2.
1.3
Belanghebbende heeft op 12 augustus 2024 verzocht om de Minister van Justitie en Veiligheid te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2. Beoordeling van de klachten
Proceskostenvergoeding hoger beroepsfase
2.1
Voor zover erover wordt geklaagd dat het Hof de aan belanghebbende toegekende vergoeding van proceskosten voor het hoger beroep te laag heeft vastgesteld, slagen zij op de gronden vermeld in onderdelen 4.22 en 4.23 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
Overige klachten
2.2
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Slotsom
2.3
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.De Inspecteur zal worden veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende voor het hoger beroep, bestaande uit kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en reis- en verletkosten. De Hoge Raad stelt de vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in verband met de behandeling van het hoger beroep vast op € 1.814, uitgaande van (i) twee proceshandelingen (hogerberoepschrift en verschijnen ter zitting) en daarmee dus van twee punten, de door het Hof in aanmerking genomen, in cassatie niet bestreden, (ii) factor 1 wegens het gewicht van de zaak, en (iii) berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt. De vergoeding voor de reis- en verletkosten wordt vastgesteld op € 762,64, overeenkomstig hetgeen het Hof, in cassatie niet bestreden, heeft vastgesteld.
3. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
3.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
3.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 10 mei 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan 12 maanden maar minder dan 18 maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 1.500.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof maar uitsluitend wat betreft de beslissing over de vergoeding van kosten voor de fase van hoger beroep,
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 2.577 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en reis- en verletkosten,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 1.500,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 548, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 5.442 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑10‑2025
ECLI:NL:PHR:2023:1213, met gemeenschappelijke bijdrage ECLI:NL:PHR:2023:1223.
Uitspraak 03‑10‑2025
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/02805
Datum 3 oktober 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 15 juni 2022, nrs. 20/00362 tot en met 20/003721., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 17/7276 en BRE 18/7688 tot en met BRE 18/7696) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 22 december 2023 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.2.
1.3
Belanghebbenden heeft op 12 augustus 2024 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2. Beoordeling van de klachten
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
3.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
3.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 20 juli 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan 12 maanden maar minder dan 18 maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 1.500.
4. Proceskosten
4.1
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
4.2
In de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.3.
4.3
Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad tot uitgangspunt dat (i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en (ii) op een dergelijk verzoek wegingsfactor 0,25 (zeer licht) van toepassing is, zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.4.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 1.500, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 227 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑10‑2025
ECLI:NL:PHR:2023:1216, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2023:1223.
Zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.14.1.
Zie HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.
Beroepschrift 03‑10‑2025
Onderwerp: Aanvulling gronden
Geachte heer, mevrouw,
Bij deze vul ik de gronden aan van het beroep in cassatie, gericht tegen de uitspraak van het gerechtshof Den Bosch van 15-06-2022 met kenmerk BK-SHE 20/00326 t/m 20/00333.
1. Feiten en procesverloop
Voor dit onderdeel verwijs ik naar de gedingstukken.
2. Geschil
In geschil is de vraag of de naheffingsaanslagen terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.
Meer specifiek zijn de volgende rechtsvragen in geschil:
- 1.
Dient de uitspraak van het gerechtshof te worden vernietigd, omdat er fouten zijn gemaakt bij de beëdiging van de raadsheren?
- 2.
Kan voor de bepaling van de verschuldigde BPM ter zake van de registratie van een auto aansluiting worden gezocht bij de belasting die nog rust in reeds eerder ingevoerde referentievoertuigen (de kentekenregistermethode)?
- 3.
Als een auto niet voorkomt in de koerslijst, kan de afschrijving dan worden vastgesteld aan de hand van een vergelijkbare auto die wel in de koerslijst voorkomt?
- 4.
Dient de naheffingsaanslag tijdsevenredig te worden vastgesteld als gedurende de procedure de auto wordt geëxporteerd?
- 5.
Komt belanghebbende een beroep toe op de Bruto BPM die geldt bij een CO2-uitstoot van 350 gr/km (het CO2-plafond)/ omdat eerder soortgelijke referentievoertuigen op die manier in de heffing werden betrokken?
- 6.
Heeft het gerechtshof de nieuwprijs tot het juiste bedrag vastgesteld?
- 7.
Heeft het gerechtshof de afschrijving terecht in goede justitie vastgesteld?
- 8.
Heeft het gerechtshof terecht geoordeeld dat belanghebbendes taxateur geen rekening heeft gehouden met het verschil tussen een ‘kale’ BMW en een ‘rijke’ Alpina?
3. Overwegingen
3.1. Fouten bij de beëdiging van de raadsheren bij het hof
Bij brief van 19-07-2022 informeerde het gerechtshof Den Bosch mij dat er fouten zijn gemaakt bij de beëdiging van de raadsheren, zie bijlage 1.
Als de raadsheren niet op de juiste wijze zijn beëdigd, dan is er geen sprake geweest van een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM. Ik verzoek uw college de uitspraak van het hof nietig te verklaren of te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar een ander hof voor een nieuwe behandeling.
Als uw college van mening is dat de vormfout niet tot nietigverklaring of vernietiging van de uitspraak kan leiden, dan overweeg ik als volgt.
3.2. De kentekenregistermethode
De beslissende vergelijkingsmaatstaf voor de toepassing van artikel 110 VWEU is de daadwerkelijke invloed van elke belasting op de nationale productie enerzijds en op de ingevoerde producten anderzijds. Ook bij een gelijk tarief kan de invloed van deze last toch verschillen naar gelang van de berekeningsmethode van de grondslag en de heffingsmodaliteiten, die op de nationale productie en de ingevoerde producten worden toegepast.
Hierna schets ik het systeem van de Wet BPM en zal ik uitleggen wat de daadwerkelijke invloed is van de BPM die rust op Nederlandse auto's. Anders gezegd; op welke wijze in het systeem van de Wet de BPM die op Nederlandse auto's rust daadwerkelijk wordt verminderd. Daarna zal ik betogen dat de methode waarop belanghebbende aangifte deed ter registratie van de ingevoerde auto bij dat systeem aansluit, en dat de weigering van het gerechtshof van deze methode tot een schending van artikel 110 WVEU leidt.
Ter zake van de invoer in Nederland van gebruikte auto's wordt BPM geheven. Centraal daarbij is het begrip ‘herrekende Bruto BPM’. Dit is het belangrijkste getal in het systeem van de Wet BPM, omdat dit het getal is dat enerzijds dient ter berekening van de verschuldigde BPM bij import en anderzijds dient ter berekening van het bedrag aan BPM dat na verloop van tijd nog daadwerkelijk rust in de eerder ingevoerde auto. Dit laatste staat ook beschreven in de toelichting bij het aangifteformulier:
‘Zijn wij akkoord met toepassing van de regeling? Dan stellen wij het zogenoemde herrekende bruto bpm-bedrag vast door het netto bpm bedrag (dat is vastgesteld op basis van de inkoopwaarde) terug te rekenen naar een fictief (lager) bruto bpm-bedrag, met toepassing van de kortingstabel. Dit bedrag vervangt het bruto bpm-bedrag voor bergelijkbare motorrijtuig die al in Nederland zijn geregistreerd. Is de afschrijving later van belang? Dan kunt u de kortingstabel weer toepassing op het bedrag.’
De herrekende Bruto BPM dient als maatstaf van heffing in de onderstaande situaties:
- 1.
Bij import van een tweedehands auto, zie het Besluit van 16-06-2015, nr. BLKB2015/642M, Staatscourant 25-06-2015, nr. 17269.
- 2.
Bij export van een tweedehands auto, zie artikel 14a Wet BPM jo artikel 8d, vierde lid, Uitvoeringsregeling Wet BPM.
- 3.
Bij verkoop van een tweedehands auto binnen Nederland, zie artikel 8, vijfde lid, onderdeel d Wet OB jo artikel 4, tweede lid, Uitvoeringsbesluit OB.
In deze drie situaties geldt dat het bedrag aan BPM dat nog rust in de auto wordt berekend aan de hand van de herrekende Bruto BPM, verminderd met de forfaitaire afschrijvingstabel van artikel 8, vijfde lid, Uitvoeringsregeling Wet BPM.
Belanghebbende past deze methodiek ook toe in haar aangiften; zij bepaalt door middel van een historische koerslijstuitdraai van AutotelexPro de herrekende Bruto BPM die zou gelden als een soortgelijke auto op een bepaald moment in tijd zou zijn ingevoerd. De aldus verkregen herrekende Bruto BPM wordt verminderd met het tabelpercentage, zoals dat geldt op het moment van belanghebbendes aangifte. Daarmee handelt belanghebbende geheel in lijn met het systeem van de Wet, op grond waarvan het bedrag aan BPM dat nog in een eerder ingevoerd referentievoertuig rust wordt berekend aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel.
Artikel 110 van het Verdrag strekt ertoe de volstrekte neutraliteit van de binnenlandse belastingen te waarborgen ten aanzien van de mededinging tussen auto's die zich reeds op de binnenlandse markt bevinden en ingevoerde auto's. Volgens vaste rechtspraak wordt dit artikel geschonden wanneer de belasting op ingevoerde auto's en die op het vergelijkbare binnenlandse auto's op verschillende wijze en volgens verschillende modaliteiten worden berekend, waardoor de ingevoerde auto, al is het maar in enkele gevallen, hoger wordt belast. Het maximumbedrag van de op ingevoerde gebruikte auto's te heffen belasting wordt derhalve bepaald door het bedrag van de belasting die nog rust in vergelijkbare gebruikte auto's die reeds op het nationale grondgebied zijn geregistreerd. Aangezien volgens het systeem van de Wet de BPM die nog rust in de reeds eerder in Nederland ingevoerde auto's wordt berekend aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, mag belanghebbende bij import ook gebruik maken van die berekeningsmethode. Gelet op het arrest van het HvJ van 17 juni 1998, Grundig Italiana wordt artikel 110 van het Verdrag namelijk geschonden door een nationale regeling waarbij een verbruiksbelasting wordt ingevoerd, voor zover alleen voor de nationale producten een forfaitaire aftrek ter berekening van de belastbare grondslag mogelijk is. Artikel 110 van het Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen de invoering en heffing van de BPM bij import, voor zover de grondslag en de heffingsmodaliteiten daarvan bij import afwijken van de grondslag die geldt voor auto's die eerder in Nederland zijn ingevoerd.
Het voorgaande licht ik toe aan de hand van een voorbeeld. Er waren eens 2 auto's (auto X en Y). Het zijn identieke auto's en ze hebben ook dezelfde datum eerste toelating op 01-01-2012. De auto's rijden beide rond in Duitsland.
- —
Op 01-01-2013 wordt auto X geïmporteerd in Nederland met 10.000 KM. Auto Y rijdt op dat moment nog steeds in Duitsland en heeft ook 10.000 KM gereden. Ter zake van de import van auto X, wordt € 10.000 aan BPM geheven. De herrekende Bruto BPM bedraagt € 15.000.
- —
Stel dat auto X op 01-01-2014 met 50.000 KM op de teller wordt geëxporteerd. Daarbij wordt om een teruggaaf van BPM verzocht. In het kader van de berekening van het bedrag aan BPM dat nog in de auto rust, geldt de formule ‘herrekende Bruto BPM minus afschrijvingstabel’, zie artikel 14a Wet BPM jo artikel 8d, vierde lid, Uitvoeringsregeling Wet BPM. Er rust op dat moment nog € 7.887 aan BPM in de auto (1 − 0,47415 × 15.000), welk bedrag wordt teruggegeven aan de exporteur.
- —
Stel dat auto X op 01-01-2014 met 50.000 KM op de teller wordt verkocht in Nederland. Op de verkoopfactuur moet BTW worden vermeld. BTW wordt niet berekend over het bedrag van de BPM dat nog in de auto rust, zodat dat bedrag moet worden vastgesteld. Dit gebeurt aan de hand van de formule ‘herrekende Bruto BPM minus afschrijvingstabel’, zie artikel 8, vijfde lid, onderdeel d Wet OB jo artikel 4, tweede lid, Uitvoeringsbesluit OB. Er rust op dat moment nog € 7.887 aan BPM in de auto (1 − 0,47415 × 15.000), welk bedrag ten behoeve van de berekening van de BTW in mindering wordt gebracht op de factuurwaarde van de auto.
- —
Stel dat auto X op 01-01-2014 voor het eerst wordt geregistreerd in het kentekenregister zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, Wet BPM. De aangifte was al op 01-01-2013 gedaan en betaald, maar de auto was nog niet verkocht en ook niet geregistreerd. Of voor een vergunninghouder: de melding was al gedaan op 01-01-2013, maar de auto werd eerst op 01-01-2014 verkocht en tenaamgesteld. Dan moet de moet de verschuldigde BPM worden berekend. Dan geldt ingevolge het Besluit van 16-06-2015, nr. BLKB2015/642M, Staatscourant 25-06-2015, nr. 17269, de formule ‘herrekende Bruto BPM minus afschrijvingstabel’. De verschuldigde BPM ter zake van de eerste tenaamstelling in Nederland bedraagt dan € 7.887 (1 − 0,47415 × 15.000). Stel dat auto Y op 01-01-2014 met 50.000 KM voor het eerst wordt geregistreerd in het kentekenregister, zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, Wet BPM. Op dat moment moet voor deze auto de verschuldigde BPM worden vastgesteld. Op auto Y mag niet meer BPM geheven worden, dan de BPM die nog rust in auto X. Aangezien de BPM die nog in auto X rust ingevolge het systeem van de Wet wordt berekend aan de hand van de formule ‘herrekende Bruto BPM minus afschrijvingstabel’, mag op auto Y niet meer belasting worden geheven dan het restant van de BPM die nog rust in auto X. Voor auto Y mag dan maximaal € 7.887 aan BPM worden geheven.
De voorgaande (reken)voorbeelden tonen aan dat het bedrag aan BPM dat nog rust in een eerder ingevoerd referentievoertuig wordt berekend aan de hand van de formule ‘herrekende Bruto BPM minus afschrijvingstabel’. Ik zal de theorie hierna wat concreter maken met een praktijkvoorbeeld.
In bijlage 2 treft u de factuur aan van de aankoop van een tweedehands auto in Nederland (een BMW 540, kenteken [kenteken 1]). Deze auto is ingevoerd vanuit een andere lidstaat van de Europese Unie. Dat volgt uit de in het kentekenregister genoemde verschillende datums eerste toelating en eerste afgifte Nederland. Blijkens het kentekenregister bedraagt de herrekende Bruto BPM van

Op de factuur staat de post ‘Rest BPM € 2.571’. Dat is het bedrag aan BPM dat feitelijk nog rust in de auto. Dit bedrag wordt als volgt vastgesteld:
Tussen de datum eerste toelating (26-04-2017) en de datum van de factuur (25-09-2020) zijn 40 maanden en een gedeelte van een maand verstreken. Het ingevolge artikel 8d, vierde lid, UR BPM afschrijvingspercentage bedraagt 61,163%. Dit vermenigvuldigd met de herrekende Bruto BPM, leidt tot een verschuldigde BPM van € 2.571:
1 − 0,61163 × € 6.620 = € 2.571.
Als de koper van de auto deze op 20-01-2021 zou verkopen verkoopt, dan rustte er nog € 2.366 aan BPM in de auto:
1 − 0,64246 × € 6.620 = € 2.366.
Dit bedrag moet op de verkoopfactuur worden vermeld, zie artikel 8, vijfde lid, onderdeel d Wet OB jo artikel 4, tweede lid, Uitvoeringsbesluit OB en het Besluit van 23-11-2020, nr. 2020-22956, Staatscourant 27-11-2020, nr. 62745.
Als de koper van de auto deze op 20-01-2021 zou exporteren, dan rustte er ook nog € 2.366 aan BPM in de auto, zie artikel 14a Wet BPM jo artikel 8d, vierde lid, UR BPM.
Als de importeur van deze auto deze niet op 25-09-2020 had verkocht, maar op 20-01-2021, dan zou er ook nog € 2.366 aan BPM in de auto rusten, zie het Besluit van 16-06-2015, nr. BLKB2015/642M, Staatscourant 25-06-2015, nr. 17269.
Het voorgaande toont nogmaals aan dat de BPM die nog rust op Nederlandse tweedehands auto's wordt vastgesteld aan de hand van het uitgangspunt ‘herrekende Bruto BPM minus afschrijvingspercentage’. Dat is ook de methode die belanghebbende toepast in haar aangifte. Hiermee volgt belanghebbende het systeem van de Wet.
Op de inkoopfactuur van de BMW 540 staat ook een inruilauto (BMW 420, kenteken [kenteken 2]). Deze auto is als nieuwe auto in Nederland afgeleverd. Dat betekent dat de datum eerste toelating en eerste afgifte in Nederland gelijk zijn. Voor deze auto werd op aangifte de Bruto BPM afgedragen. Om de BPM te berekenen die naar verloop van tijd nog in deze auto rust geldt dezelfde methodiek, namelijk ‘Bruto BPM minus afschrijvingspercentage’.
Het kenmerkende verschil tussen de berekeningswijze van de BMW 540 en de BMW 420, is de volgende. Bij de BMW 540 wordt de herrekende Bruto BPM als uitgangpunt gebruikt bij de vaststelling van de BPM die nog in de auto rust. Bij de BMW 420 geldt de Bruto BPM als maatstaf.
In casu verdedigt de inspecteur deze laatste maatstaf en het hof volgt de inspecteur daarin. Ze zijn van mening dat bij invoer van auto's uit andere lidstaten een afschrijving mag worden toegepast, die uitsluitend mag worden vermenigvuldigd met de Bruto BPM.
Ik ben van mening dat dit van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. In dit kader verwijs ik naar de uitspraak van het gerechtshof Leeuwarden van 21-02-2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BV7735. Hierin wordt onder andere het volgende overwogen:
‘4.6
Gelet op het in 4.1 tot en met 4.5 overwogene dient te worden vastgesteld dat artikel 110 VWEU zich alleen dan niet verzet tegen de invoering van een heffing van BPM over de toeslag voor CO2-uitstoot, indien wordt gewaarborgd dat een ingevoerde auto niet wordt onderworpen aan een hogere belasting dan de belasting die nog rust op gelijksoortige, reeds in Nederland geregistreerde auto's. Het standpunt van de Inspecteur dat de vergelijking zich beperkt tot gelijksoortige auto's die op het tijdstip van eerste ingebruikname in Nederland zijn geregistreerd, is onjuist. Immers ook gelijksoortige auto's die in latere jaren in Nederland zijn ingevoerd en geregistreerd, zijn in Nederland in de handel zijnde voertuigen en derhalve nationale producten in de zin van artikel 110 VWEU.’
De inspecteur betwist belanghebbendes aangiftemethodiek, omdat volgens de inspecteur het percentage van de afschrijving van een tweedehands ingevoerde auto moet worden toegepast op de Bruto BPM. De inspecteur beperkt de groep van referentievoertuigen dus tot nieuw geleverde auto's, waarvoor ter zake van de eerste registratie in Nederland de Bruto BPM werd betaald.
Het standpunt van de inspecteur, dat de vergelijking zich beperkt tot gelijksoortige auto's die als nieuwe auto in Nederland geleverd zijn, dat wil zeggen auto's die op het tijdstip van eerste ingebruikname in Nederland geregistreerd werden, is onjuist. Want er zijn in Nederland ook parallel ingevoerde auto's in de handel. Immers ook gelijksoortige auto's die in latere jaren in Nederland zijn ingevoerd en geregistreerd, zijn in Nederland in de handel zijnde voertuigen en derhalve nationale producten in de zin van artikel 110 VWEU.
Het zijn specifiek deze parallel ingevoerde auto's, zoals bijvoorbeeld de hiervoor genoemde BMW 540, die belanghebbende in haar vergelijking betrekt. Belanghebbende toetst of de door haar ingevoerde auto niet wordt onderworpen aan een hogere heffing van BPM dan het bedrag aan BPM dat nog feitelijk rust in het reeds eerder parallel ingevoerde referentievoertuig. Dit is ook de toets die recent door de Hoge Raad werd bevestigd, zie de uitspraak van 16-10-2020, ECLI:NL:HR:GHARL:2018:6489, r.o. 2.4.3:
‘Bij toepassing van artikel 110 VWEU komt het erop aan vast te stellen dat ter zake van de registratie van een uit een andere lidstaat afkomstig motorvoertuig niet méér bpm wordt geheven dan terzake van gelijksoortige motorvoertuigen die in Nederland op het tijdstip van de registratie in de handel zijn. […]’
Belanghebbende vergelijkt de door haar ingevoerde auto's dus met gelijksoortige reeds in de handel zijnde parallel ingevoerde referentievoertuigen en dat is correct. In haar aangifte bepaalt belanghebbende door middel van een historische koerslijstuitdraai de herrekende Bruto BPM van een eerder ingevoerde auto. De aldus verkregen herrekende Bruto BPM wordt verminderd met het tabelpercentage, zoals dat geldt op het moment van aangifte. Deze aangiftemethode is de herleidingsmethode.
In de loop van de onderhavige procedure stelde ik me namens belanghebbende op het standpunt dat de in de BPM-aangifte toegepaste herleidingsmethode niet slecht hypothetisch is, met andere woorden dat niet slechts de kans bestaat dat eerder soortgelijke referentievoertuigen werden ingevoerd met gebruikmaking van een koerslijst, ten gevolge waarvan de herrekende Bruto BPM tot een bepaald (lager) bedrag werd vastgesteld dan het bedrag dat de inspecteur verdedigt bij het opleggen van de naheffingsaanslag, maar dat dit ook daadwerkelijk is gebeurd. Dit kan worden aangetoond door middel van gegevens uit het Nederlandse kentekenregister. Daarin staan namelijk alle gegevens vermeld van referentievoertuigen en op basis daarvan kan precies worden bepaald tegen welke inkoopwaarde en tegen welk bedrag aan BPM deze auto's in de heffing werden betrokken. Dit is de kentekenregistermethode. In het kader hiervan is het volgende van belang.
In de BPM zijn twee categorieën te onderscheiden. Dat zijn de officiële import en de parallelle import. De officiële import bestaat uit nieuwe auto's die worden ingevoerd vanuit andere landen en voor het eerst in Nederland geregistreerd, tenaamgesteld en in gebruik worden genomen. De heffing van BPM op deze groep is betrekkelijk eenvoudig; namelijk gebaseerd op de CO2-uitstoot en het daarbij horende tarief. Als je in het kentekenregister zoekt naar bijvoorbeeld Volkswagen Polo's, dan vind je er tienduizenden die officieel zijn ingevoerd en waarvan de Bruto BPM gelijk is. Al deze auto's zijn in de belastingheffing betrokken tegen deze Bruto BPM.
De parallelle import bestaat uit auto's die in andere landen voor het eerst geregistreerd, tenaamgesteld en in gebruik zijn genomen en nadien in Nederland worden ingevoerd. De heffing van BPM op deze groep auto's is tamelijk ingewikkeld, omdat er naast de CO2-uitstoot nog veel meer parameters van invloed zijn op de hoogte van de belasting. Één van die parameters is de inkoopwaarde. Die kan worden vastgesteld aan de hand van tenminste 5 verschillende koerslijsten. Of een taxatierapport. Een andere parameter is het tarief. Je kan kiezen voor het historische tarief van de datum eerste ingebruikname. Of een tussengelegen tarief. Of het actuele tarief van de datum van de BPM-aangifte. En afhankelijk van de toelatingsdatum mag je ook nog een keuze maken tussen verschillende CO2-uitstoten en de daarbij horende tarieven. Nog een andere parameter is het tijdstip waarop de BPM wordt bepaald. Je mag onder het oude recht kiezen voor het moment van de BPM-aangifte, maar ook het moment van de registratie in het kentekenregister.
Dit wettelijke systeem, waarin een veelvoud van parameters van invloed zijn op de hoogte van de BPM, heeft het gevolg dat binnen dezelfde groep (de parallelle import dus), de auto's verschillend worden belast. Dit zie je duidelijk terug in het kentekenregister. Als je bijvoorbeeld zoekt naar Volkswagen Polo's, dan vind je er duizenden die parallel zijn ingevoerd. En van al deze auto's verschilt de Herrekende Bruto BPM. Ze zijn allemaal tegen verschillende bedragen in de belastingheffing betrokken en het bedrag van de BPM dat in deze auto's blijft rusten zolang ze in Nederland geregistreerd zijn, verschilt van elkaar.
In de onderstaande puntenwolk treft u een voorbeeld aan van honderden Volkswagen Polo's die officieel zijn ongevoerd (de horizontale lijn helemaal bovenaan) en parallel zijn ingevoerd (alle losse puntjes daaronder):

leder puntje is een auto met een verschillend bedrag aan Herrekende Bruto BPM en dus verschuldigde BPM, althans bedrag aan rest-BPM dat na verloop van tijd nog rust in de auto.
Belanghebbende voerde auto's in vanuit andere lidstaten van de Europese Unie en de inspecteur legde naheffingsaanslagen op. In haar verweer hiertegen verwijst belanghebbende naar soortgelijke referentieauto's die reeds in Nederland waren geregistreerd, waarvan is aangetoond dat er minder BPM rust in de restwaarde ervan. Uit de gegevens in het kentekenregister, zoals de Herrekende Bruto BPM, de CO2-uitstoot en de datum eerste toelating, kan worden vastgesteld a) tegen welke inkoopwaarde de referentieauto in de heffing werd betrokken1. en b) welk bedrag aan BPM er nog in die referentieauto rust op het moment van registratie van de door belanghebbende ingevoerde auto.
En omdat op grond van artikel 110 VWEU belanghebbendes auto niet zwaarder mag worden belast dan de belasting die nog rust in de soortgelijke auto die onderdeel uitmaakt van de nationale markt, zijn de naheffingsaanslagen ten onrechte opgelegd.
De inspecteur erkent dat de reeds in Nederland geregistreerde referentieauto's een lagere Herrekende Bruto BPM hebben, en er inderdaad minder BPM in rust. Maar belanghebbende kan hier geen beroep op doen, omdat de referentieauto's niet noodzakelijk soortgelijk zijn. Weliswaar zijn het auto's van hetzelfde merk en type, en hebben ze dezelfde CO2-uitstoot, maar de datum van de BPM-aangifte van deze auto's is anders. Of de datum eerste toelating of de nieuwprijs wijkt af. Ik ben van mening dat dit niet relevant is. Een consument die een auto in Nederland koopt, vraagt zich niet af wanneer de BPM-aangifte is gedaan. Ook een gering verschil in datum eerste toelating maakt de particulier niet uit. Als de toelatingsdatum 3 maanden verschilt, dan kunnen auto's in de ogen van de consument nog steeds concurreren. Hetzelfde geldt voor de nieuwprijs: dat de opties net iets anders zijn, betekent niet dat de auto's niet in eenzelfde concurrentiepositie kunnen staan.
In de procedures bij de rechtbank en het gerechtshof heeft belanghebbende voor iedere door haar ingevoerde auto uitgebreide informatie overgelegd van reeds in Nederland geregistreerde referentievoertuigen waarvan toelatingsdatum, catalogusprijs en CO2-uitstoot voldoende vergelijkbaar zijn. Het zijn auto's van hetzelfde merkt, type, uitvoering, variant, etc. etc.
Gelet op dit overgelegde bewijs is het aan de inspecteur om gemotiveerd, per aangedragen referentieauto, aan te geven waarom die auto niet als referentieauto zou kunnen dienen. Dat heeft hij onvoldoende gedaan. Volgens de inspecteur kan geen rekening worden gehouden met deze referentievoertuigen, want daarvan kan bijvoorbeeld de kilometertand (en daarmee de inkoopwaarde) verschillen. Dat is volgens de inspecteur ook een verklaring en tevens rechtvaardiging voor de lagere belastingheffing van die referentieauto's. In het voorbeeld dat ik hierna geef, leg ik uit waarom ik het niet eens ben met dit standpunt.
Stel [A] en ik kopen bij dezelfde dealer in Duitsland een gebruikte auto van hetzelfde merk, type en bouwjaar. De auto's hebben ook dezelfde kilometerstand. Het zijn DEMO's. [A] en ik voeren deze auto's op hetzelfde moment in en we gebruiken daarbij dezelfde koerslijst (X-Ray). De inkoopwaarde is gelijk, evenals de belastingdruk. De Herrekende Bruto BPM bedraagt
€ 10.000 en de verschuldigde BPM € 8.000.
[A] rijdt uitsluitend als de zon schijnt (het is een cabriolet) Hij rijdt in één jaar 5.000 kilometer. Ik rijd in één jaar 100.000 kilometer.
Na een jaar besluiten mijnheer Jansen en ik onze auto's te verkopen. Op de verkoopfactuur staat de netto prijs, de BTW en de rest-BPM vermeld. De rest-BPM wordt vastgesteld aan de hand van de formule ‘Herrekende Bruto BPM x forfaitaire afschrijvingstabel’ en bedraagt in dit voorbeeld € 5.000.
In beide auto's rust aldus nog € 5.000 aan rest-BPM en de kilometerstand heeft hierop geen enkele invloed.
Als [A] en ik onze auto's hadden geëxporteerd naar Duitsland, dan hadden we beide ingevolge artikel 14a Wet BPM € 5.000 aan BPM teruggekregen. Ook hier heeft de kilometerstand geen enkele invloed op de hoogte van het BPM-bedrag dat na verloop van tijd nog in de auto rust.
Dit voorbeeld toont aan dat het systeem van de heffing van BPM in Nederland zodanig is ingericht, dat zodra in de groep van parallel ingevoerde auto's de Herrekende Bruto BPM eenmaal is vastgesteld, het bedrag aan BPM dan nog in die auto rust slechts afhankelijk is van één parameter, namelijk de forfaitaire afschrijvingstabel, en dat andere omstandigheden, zoals de kilometerstand en daarmee in de inkoopwaarde, niet meer relevant zijn. In zoverre wijkt het Nederlandse stelsel van de registratiebelasting bijvoorbeeld af van het Ierse stelsel,2. waarin het bedrag van de rest-BPM op binnenlandse voertuigen wel afhankelijk is van de inkoopwaarde. Als je in Ierland een auto exporteert, dan wordt de teruggaaf van de registratiebelasting berekend aan de hand van de op dat moment geldende waarde van de auto.
Belanghebbende beroept zich ter zake van de invoer van haar auto's uit andere lidstaten primair op het Nederlandse belastingstelsel en het daarin vervatte systeem, dat het bedrag aan BPM van referentieauto's daalt — niet op basis van de inkoopwaarde — maar op basis van de Herrekende Bruto BPM x de forfaitaire afschrijvingstabel.
Het gerechtshof oordeelt dat uit het wettelijke systeem, zoals ook uitgelegd door uw college, volgt dat de verschuldigde BPM bij invoer van een auto wordt berekend door het afschrijvingspercentage (gebaseerd op de inkoopwaarde van de referentieauto) te vermenigvuldigen met de Bruto BPM. De herrekende Bruto BPM van referentieauto's speelt in deze berekening geen enkele rol, aldus het hof.
In dit wettelijke systeem wordt de belasting berekend aan de hand van de Bruto BPM, dat wil zeggen de BPM die is geheven ter zake van een officieel ingevoerde auto. Maar belanghebbende beroept zich niet op die categorie. Belanghebbende verzocht het hof niet te toetsen of op haar auto's meer BPM rust dan de rest-BPM die is vervat in de waarde van officieel ingevoerde auto's.
Belanghebbende verzocht het hof te toetsen of op haar auto's meer BPM wordt geheven dan de rest-BPM die is vervat in de waarde van parallel ingevoerde auto's. Het is deze categorie auto's die ook onderdeel uitmaakt van de nationale markt (deze auto's waren al in Nederland geregistreerd ten tijde van de invoer van belanghebbendes auto's) en het is deze categorie auto's die tot een lager bedrag in de heffing is betrokken dan belanghebbendes auto's.
De Herrekende Bruto BPM speelt geen rol bij officieel ingevoerde auto's, maar wel bij parallel ingevoerde auto's. Het hof miskent dit. Volgens het hof is de herrekende Bruto BPM uitsluitend van belang bij het vaststellen van het bedrag dat bij doorverkoop buiten de grondslag van de BTW mag blijven, het bedrag dat bij export wordt teruggegeven en het bedrag van de extra leeftijdskorting. Het hof miskent dat bij vergunninghouders in de zin van artikel 8 Wet BPM de Herrekende Bruto BPM weldegelijk een rol speelt bij het vaststellen van de verschuldigde belasting.
Het hof vervolgt dat de in het kentekenregister genoteerde Bruto BPM niet altijd de daadwerkelijk betaalde BPM is, maar een rekenkundig herleid bedrag. Dergelijke gegevens kunnen niet worden gebruikt om aan te tonen dat in strijd met artikel 110 VWEU te veel BPM wordt geheven. Een daadwerkelijke benadeling van uit andere lidstaten ingevoerde auto's blijkt hieruit immers niet, aldus het hof.
Het klopt dat de Herrekende Bruto BPM niet de daadwerkelijk betaalde BPM is. Maar vanuit de Herrekende Bruto BPM kan weldegelijk de betaalde BPM worden herleid. Evenals de handelsinkoopwaarde. En ook kan de verschuldigde BPM hieruit worden herleid (zie de artikel 8 vergunninghouder). En tenslotte kan hieruit ook worden herleid wat het bedrag aan BPM is dat na verloop van tijd nog vervat is in een auto. De daadwerkelijke invloed van de registratiebelasting en de wijze waarop deze op een auto rust kan dus weldegelijk worden bepaald op basis van de Herrekende Bruto BPM. En in het verlengde daarvan kan ook worden vastgesteld of en in hoeverre sprake is van een daadwerkelijke benadeling van uit andere lidstaten ingevoerde auto's.
Als ik een auto wil kopen, dan zoek ik in Nederland en in Duitsland. Ik vind er een in Nederland; die is parallel ingevoerd. En hij heeft een kenteken. Op RDW.nl kan ik exact zien hoeveel BPM er nog in deze auto rust. De prijs van de auto wordt mede bepaald door dat bedrag (hoe meer BPM er in de auto zit, hoe duurder hij is). Ik vind ook een auto in Duitsland. Met gebruikmaking van de koerslijst, en het wettelijke systeem zoals de inspecteur dat verdedigt, kan ik exact bepalen hoeveel BPM is verschuldigd als ik deze auto invoer. Zodra ik vaststel dat ik voor de Duitse auto, met gebruikmaking van de koerslijst, meer BPM moet betalen dan het bedrag aan BPM dat nog rust in de Nederlandse auto, is mijn keuze snel gemaakt. Ik kies voor de Nederlandse auto. Doordat deze een lagere BPM-component heeft, is deze goedkoper. In zoverre wordt de Nederlandse markt bevoordeeld, althans de Duitse markt benadeeld.
In de voorgaande feitelijke instanties heeft belanghebbende stukken overgelegd die dienen ten bewijze van de stelling dat:
- a.
Er in Nederland referentievoertuigen geregistreerd zijn;
- b.
Die soortgelijk zijn aan de door belanghebbende ingevoerde auto's;
- c.
In welke auto's een lager bedrag aan BPM is vervat dan door belanghebbende op aangifte afgedragen BPM;
- d.
Zodat de naheffingsaanslag is opgelegd in strijd met artikel 110 VWEU.
Ik ben van mening dat het gerechtshof het recht heeft geschonden, omdat het de kentekenregistermethode heeft verworpen en bovendien heeft nagelaten te toetsen of de door belanghebbende ingevoerde auto's en de aangedragen referentieauto's soortgelijk zijn en zo ja, of belanghebbendes auto's dan tot een hoger bedrag in de heffing werden betrokken. Uit niets blijkt dat het hof een toetsing heeft verricht. Ik verzoek uw college dan ook de zaken terug te verwijzen naar een ander gerechtshof.
3.3. Individuele argumenten per auto
De hiervoor beschreven kentekenregistermethode geldt voor alle auto's en leidt tot vernietiging van de naheffingsaanslag. Als uw college anders oordeelt, dan voer ik hierna voor een aantal auto's subsidiaire standpunten aan die tot vernietiging of vermindering van de naheffingsaanslag moeten leiden.
InzakeIaanslagnummer […]
— Auto 1 — Ferrari F12, […], [kenteken 3], 17/7881, 20/326
Inzake de toepassing van een koerslijst van een vergelijkbare auto om het afschrijvingspercentage vast te stellen
De door belanghebbende ingevoerde auto komt niet voor op een koerslijst. Om die reden heeft belanghebbende het afschrijvingspercentage bepaald aan de hand van de koerslijstwaarde van een vergelijkbare auto.
Het gerechtshof oordeelt dat dit niet is toegestaan. Als een auto niet voorkomt in een koerslijst, dan moet een taxatierapport worden opgesteld. Als dat niet gebeurt, dan kan de afschrijving uitsluitend worden vastgesteld aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, aldus het gerechtshof. Ik ben van mening dat dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Je mag, net als bij een afschrijvingstabelaangifte, altijd gebruik maken van een koerslijstaangifte. Ik licht toe:
In de Wet BPM: van artikel 10 lid 6 (de afschrijvingstabel) kun je altijd gebruik maken. Er staat immers nergens dat dit lid in een bepaalde situatie niet zou gelden of gebruikt mag worden. Bij artikel 10 lid 8 (een taxatierapport) is dat anders: daarvan mag je juist alleen gebruik van maken wanneer (i) je auto beschadigd is of (ii) je auto niet voorkomt op de koerslijst. Bij artikel 10 lid 7 staat nergens dat je alleen een beroep mag doen op een koerslijstaangifte als je auto ook exact in de koerslijst staat. Noch vind ik een andere voorwaarde om lid 7 te mogen gebruiken. Volgens mij mag je lid 7 altijd gebruiken. Dus ook als de auto niet precies voorkomt in de koerslijst.
In ECLI:NL:HR:2020:323 wordt, volgens mij, in r.o. 3.1.3. nogmaals bevestigd datje ook een koerslijstaangifte mag doen wanneer je auto niet in de koerslijst staat. Ik citeer:
‘… de belastingplichtige die … ervoor kiest de afschrijving van het te registreren motorvoertuig te berekenen aan de hand van een door hem gekozen, in de handel algemeen toegepaste koerslijst, moet binnen die koerslijst de handelsinkoopwaarde nemen van het motorvoertuig waarvan de eigenschappen en de kenmerken (zoals merk en model, type aandrijving, uitrusting, leeftijd en kilometrage, en de staat van onderhoud) het dichtst aanleunen bij die van het uit een andere lidstaat afkomstige motorvoertuig waarvan de afschrijving moet worden bepaald.’
Ook de annotaties bij ECLI:NL:HR:2020:323 bevestigen dat een koerslijstaangifte ook mogelijk is indien de auto niet exact in de koerslijsten staan.
Ik citeer uit V-N 2020/11.14:
‘Ais de belastingplichtige er om wat voor reden dan ook voor kiest om bij de berekening van de vermindering zich te baseren op een in de koerslijst opgenomen referentievoertuig dat afwijkt van het in te voeren voertuig, dan loopt hij het risico dat de inspecteur deze berekening corrigeert als hij in de gebruikte koerslijst of zelfs in een andere koerslijst een referentievoertuig aantreft dat meer overeenkomsten heeft met het te registreren voertuig.’
Ik citeer B.A. van Brummelen:
‘Het staat belastingplichtigen ook na het verschijnen van het onderwerpelijke arrest nog altijd vrij om de voor hen gunstigste koerslijst te kiezen, dat wil zeggen de koerslijst waarin de laagste handelsinkoopprijs is vermeld. Indien evenwel in diezelfde koerslijst óf in een andere koerslijst een auto is vermeld waarvan de eigenschappen en kenmerken dichter aanleunen tegen die van de te registreren auto, dan is dat de ‘referentieauto’ en dient voor de berekening van de afschrijving daarom te worden uitgegaan van de handelsinkoopwaarde van die auto.’
Het verzamelen van waardes is precies wat koerslijsten doen (zie onder andere de rechtspraak rondom het accepteren van X-Ray als koerslijst, ECLI:NL:GHARN:2010:BN4420). Als er niet genoeg waardes van een bepaald merk/type zijn krijg je daarvan een melding:

Bron: Autotelexpro
Dat je verplicht een taxatierapport moeten gebruiken als een auto niet exact voorkomt in een van de koerslijstprogramma's zou ook getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, want dat druist in tegen de vrije bewijsleer. De inspecteur maakt (zie ECLI:NL:GHSHE:2020:2355 en zaaknummer 17/7517) hier zelf ook gebruik van door waardes te willen bewijzen op basis van telefonisch verkregen inlichtingen.
In casu heeft de inspecteur helemaal geen onderzoek gedaan naar de waarde van de auto. Hij heeft simpelweg geconstateerd dat de auto niet voorkomt in de koerslijst en vervolgens de afschrijvingstabel toegepast. De rechtbank en het gerechtshof hebben deze methode gevolgd. Door geen onderzoek te doen heeft de inspecteur naar mijn mening de door belanghebbende bepleite inkoopwaarde onvoldoende gemotiveerd betwist en bovendien niet aan zijn verplichting voldaan ervoor te waken dat niet te veel belasting wordt geheven.
Uit al het bovenstaande blijkt dat het juist is om uit te gaan van een koerslijst van een referentievoertuig van een ander merk/type wanneer er van het onderhavige type geen koerslijst beschikbaar is. Dat volgt ook uit het recente arrest HR 20-05-2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 4.3.2. In dit arrest wordt weliswaar gesproken van de taxatiemethode, maar niet is in te zien waarom de vergelijkbare-koerslijst-methode niet kan worden toegepast ingeval van een koerslijstaangifte. Immers, in HR 21-02-2020, ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.4 staat uitdrukkelijk dat gebruik mag worden gemaakt van een koerslijstwaarde van een vergelijkbare auto en dat de koerslijst waarin de meest vergelijkbare auto voorkomt de voorkeur geniet.
Door anders te oordelen, heeft het gerechtshof het recht geschonden. Ik verzoek uw college deze zaak terug te verwijzen naar een ander gerechtshof, zodat kan worden beoordeeld of belanghebbendes keuze van een vergelijkbaar voertuig juist is en daarmee de afschrijving van de ingevoerde auto kan worden vastgesteld.
— Inzake de export en het tijdsevenredig vaststellen van de naheffingsaanslag
Op 21-01-2020 is deze auto geëxporteerd:

Ter zake daarvan is een teruggaaf van BPM verleend aan de laatst geregistreerde kentekenhouder. Bij die teruggaaf is geen rekening gehouden met de naheffingsaanslag, die na de uitspraken van de rechtbank en het gerechtshof nog openstaat voor het bedrag van € 20.635. Als belanghebbende uiteindelijk dit bedrag, of een gedeelte daarvan, moet betalen, dan verleent de Belastingdienst geen aanvullende teruggaaf van BPM wegens export.
Ik ben van mening dat als de naheffingsaanslag na deze procedure in stand blijft, de naheffingsaanslag alsnog moet worden verminderd op de grond dat de Belastingdienst anders ten onrechte is verrijkt, aangezien ter zake van de teruggaaf van BPM wegens export het nageheven bedrag niet zal worden terugbetaald. Steun voor deze opvatting vind ik in het arrest van de Hoge Raad van 13-11-2020, ECLI:NL:HR:2020:1779.
De inspecteur stelt dat belanghebbende de BPM weliswaar op aangifte heeft betaald en de naheffingsaanslag ook aan hem is opgelegd, maar hij niet degene is geweest die de auto heeft geëxporteerd en om een teruggaaf van BPM heeft verzocht. In zoverre is belanghebbende niet benadeeld, aldus de inspecteur. Ik ben van mening dat dit argument geen hout snijdt. Het is niet relevant dat de auto door een ander werd geëxporteerd en de teruggaaf wegens export aan hem werd verleend. Waar het om gaat is dat de uiteindelijke belastingdruk op de auto niet te hoog mag zijn. En daarvan is in het onderhavige geval wel sprake als de naheffingsaanslag voor een x-bedrag in stand blijft, maar dit x-bedrag niet meer wordt teruggegeven in verband met de export van de auto en/of de naheffingsaanslag niet tijdsevenredig wordt vastgesteld.
Ik hecht eraan te benadrukken dat tegen het besluit dat strekt tot een teruggaaf wegens export in casu geen bezwaar- of beroep openstond. Het teruggaafverzoek werd namelijk door een ander dan belanghebbende gedaan. Belanghebbende zou niet-ontvankelijk worden verklaard, als hij bezwaar zou indienen tegen de teruggaafbeschikking. De exporteur heeft ook geen bezwaar ingediend tegen de teruggaafbeschikking. Hij was immers niet op de hoogte van de procedure gericht tegen de naheffingsaanslag.
Tegenwoordig dient belanghebbende, als hij een auto exporteert en verzoekt om een teruggaaf van BPM, standaard bezwaar in tegen de teruggaafbeschikking. Want als na het moment van de export een naheffingsaanslag wordt opgelegd (aan hem of aan een ander), dan kan belanghebbende uitsluitend in het kader van het bezwaar tegen de exportbeschikking een aanvullende teruggaaf van BPM krijgen. Het probleem van deze route is dat op het moment waarop belanghebbende bezwaar indient tegen de teruggaafbeschikking de naheffingsaanslag nog niet is opgelegd. Dat kan wel 5 jaar duren. Dat betekent dat er op het moment van het indienen van een bezwaar nog geen belang is. En dan wordt belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
Het voorgaande toont aan dat er niet een met voldoende waarborgen omkleed rechtsmiddel openstaat. De enige manier om rechtsbescherming te bieden tegen de onevenredige belastingheffing in geval van export gedurende een procedure tegen een opgelegde naheffingsaanslag, is om deze tijdsevenredig vast te stellen.
Dat in casu het bedrag van de naheffingsaanslag nog niet is betaald, kan ook niet aan belanghebbende worden tegengeworpen. Het kan moeilijk van belanghebbende worden verlangd dat hij de naheffingsaanslag betaalt, waarna de derde-exporteur met het geld heen gaat. En als de naheffingsaanslag dan wordt verminderd of vernietigd, vist belanghebbende achter het net.
Gelet hierop is de enige mogelijkheid om rechtsherstel te beiden dat de naheffingsaanslag, nadat komt vast te staan of en in hoeverre deze tot het juiste bedrag is opgelegd, tijdsevenredig wordt vastgesteld als gedurende de procedure de auto wordt geëxporteerd. Dit standpunt is alleszins redelijk en volgt ook uit het recht. Niet voor niets legt de inspecteur in dergelijke gevallen de naheffingsaanslag tijdsevenredig op. Door anders te oordelen, heeft het gerechtshof het recht geschonden. Nadat in rechte komt vast te staan of en tot welk bedrag de naheffingsaanslag wordt vastgesteld, kan de het bedrag van de naheffingsaanslag tijdsevenredig worden vastgesteld.
— Inzake de op een CO2-uitstoot van 350 gr/km gebaseerde Bruto BPM
In haar aangifte stelde belanghebbende de Bruto BPM vast op basis van een gecombineerde CO2-uitstoot van 350 gr/km.
Volgens artikel 110 van het Verdrag van de werking van de Europese Unie moet het systeem van de Wet zodanig zijn ingericht, dat in alle gevallen is uitgesloten dat een auto zwaarder wordt belast in relatie tot belasting die nog rust in de restwaarde van eerder ingevoerde referentievoertuigen.
Als de CO2-uitstoot van deze auto niet bekend zou zijn geweest, bijvoorbeeld omdat deze zonder kentekenbewijs was ingevoerd en/of geen CVO aanwezig was, dan zou de CO2-uitstoot op het maximum van 350 gr/km zijn gesteld op grond van het bepaalde in artikel 9, elfde lid Wet BPM. Belanghebbende hoeft niet met concrete voorbeelden aannemelijk te maken dat sprake is van een hogere belastingdruk ten opzichte van een referentieauto, met andere woorden dat eerder een referentievoertuig is ingevoerd zonder CVO, waarvan de CO2-uitstoot aldus op 350 gr/km is gemaximeerd. Het gaat erom dat het systeem van heffing zodanig is ingericht, dat dit in alle gevallen in uitgesloten.
Aangezien de mogelijkheid bestaat dat eerder soortgelijke auto's als die van belanghebbende zijn ingevoerd, waarbij geen CVO werd overgelegd, en de auto voorts niet door de RDW is gewogen, is niet uitgesloten dat eerder soortgelijke auto's in de heffing van de BPM zijn betrokken met een CO2-uitstoot van 350 gr/km. Het systeem van de Wet sluit niet dus uit dat eerder referentievoertuigen zijn ingevoerd met een CO2-uitstoot van 350 gr/km, zodat belanghebbende ook gebruik mag maken van dit gegeven, zie de uitspraken van uw gerechtshof van 07-01-2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:15 en 06-04-2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1530.
In casu is het niet slechts louter theoretisch, dat een referentievoertuig in de heffing is betrokken naar het ‘plafond’ van 350 gr/km. Dit is daadwerkelijk gebeurd. Bijvoorbeeld ten aanzien van referentievoertuig met kenteken [kenteken 4]. Van deze auto staat dat deze in de heffing werd betrokken tegen een op een CO2-uitstoot van 350 gr/km gebaseerde Bruto BPM, terwijl de auto in werkelijkheid een CO2-uitstoot van 380 gr/km had. De inspecteur heeft dit erkend en gesteld dat het om een éénmalige fout gaat. Naar het oordeel van het hof kan om deze reden belanghebbende niet ingevolge artikel 110 VWEU een beroep doen op de lagere Bruto BPM.
Ik ben van mening dat het hof het recht hier heeft geschonden. Het is niet relevant of de inspecteur wel of niet naheft. Het gaat erom of belanghebbendes auto zwaarder wordt belast. Als daarvan sprake is, dan is dit verboden en dient de belastingdruk van belanghebbendes auto worden verlaagd naar het zelfde niveau als de referentieauto. De vraag of de inspecteur voor auto [kenteken 4] bewust geen naheffingsaanslag heeft opgelegd is in het kader van artikel 110 VWEU niet relevant. Bovendien kan niet van belanghebbende het bewijs worden verlangd dat hij stelt en aannemelijk maakt dat de inspecteur bewust het opleggen van een naheffingsaanslag achterwege heeft gelaten. Belanghebbende kan nu eenmaal niet in het hoofd van de inspecteur kruipen. Belanghebbende kan die reden niet weten, laat staan aannemelijk maken.
Omdat belanghebbendes auto ingevolge artikel 110 VWEU niet zwaarder mag worden belast dan het referentievoertuig, doet belanghebbende ook een beroep op de CO2-uitstoot van 350 gr/km en het daarbij horende lagere Bruto BPM tarief. Uitgaande van de afschrijvingstabel, leidt dit tot een verschuldigde BPM van € 34.014, zodat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot € 14.499. Dit is een meer subsidiair standpunt, met name ook omdat hier nog geen rekening is gehouden met de tijdsevenredigheid vanwege de export.
Auto 2 — BMW 2-series, […], [kenteken 5], 18/7707, 20/327
Voor auto 2 geldt hetzelfde als hiervoor. Deze auto is op 23-09-2021 uitgevoerd:

Als de naheffingsaanslag voor deze auto in stand blijft, dan moet deze in ieder geval tijdsevenredig worden vastgesteld.
— Auto 3 — Ferrari 458, […], [kenteken 6], 18/7708, 20/328
Ik stel vast dat het gerechtshof de nieuwprijs onjuist heeft vastgesteld, althans niet heeft geoordeeld op mijn klacht hieromtrent.
Tussen partijen is niet in geschil dat de netto catalogusprijs € 240.945 bedraagt. Daarmee komt de nieuwprijs op € 356.904
Netto catalogusprijs: | € 240.945 |
BTW: | € 50.598 |
Bruto BPM: | €65.361 |
Nieuwprijs: | € 356.904 |
Uitgaande van de door de inspecteur verdedigde inkoopwaarde van € 138.378 en de nieuwprijs van € 356.904, komt de verschuldigde BPM op € 24.947, zodat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.
Het gerechtshof is van mening dat beide partijen de afschrijving niet aannemelijk hebben gemaakt en stelt deze in goede justitie vast op 54%. Dit getuigt naar mijn mening van een onjuiste rechtsopvatting. Het niet toegestaan het afschrijvingspercentage in goede justitie vast te stellen. Het is uitsluitend mogelijk de handelsinkoopwaarde in goede justitie vast te stellen, zie HR 20-05-2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 4.3.3. Dat laatste is niet nodig, omdat tussen partijen vaststaat dat de inkoopwaarde € 138.378 bedraagt.
— Auto 4 — Land Rover Range Rover, 9943, [kenteken 7], 18/7709, 20/329
Geen aanvullende individuele gronden.
Auto 5 — Audi A6, […], [kenteken 7], 18/7710, 20/330
Geen aanvullende individuele gronden.
— Auto 6 — BMW Alpino, […], [kenteken 8], 18/7711, 20/331
Voor deze auto heeft belanghebbende in de hoger beroepsfase een taxatierapport laten opstellen. Het gerechtshof oordeelt dat dit mogelijk is, aangezien de auto niet voorkomt in de koerslijst en je dus terecht komt bij een taxatierapport.
Het gerechtshof aanvaardt het taxatierapport evenwel niet, omdat volgens het gerechtshof, ik citeer uit r.o. 4.13:
‘Het hof gaat echter voorbij aan de getaxeerde waarde, aangezien de getaxeerde waarde zonder een correctie toe te passen voor de verschillen tussen een BPM Alpina en een BMW 750iL één op één gebaseerd is op de handelsinkoopwaarde zoals die volgt uit een voor laatstgenoemde type voertuig uitgegeven koerslijst.’
Dit oordeel is feitelijk onjuist en daarmee onbegrijpelijk. De uitspraak van het hof kan niet in stand blijven. Belanghebbendes taxateur heeft namelijk weldegelijk rekening gehouden met de verschillen tussen een ‘kale’ BMW en de ‘rijke’ Aplina. De inkoopwaarde van de Alpina is niet één-op-één overgenomen uit de koerslijst van de BPM, zoals het gerechtshof ten onrechte beweert. Uit bladzijde 8 van het taxatierapport blijkt namelijk dat de taxateur voor € 63.996 aan extra accessoires heeft opgevoerd in de koerslijst. Daarmee houdt de koerslijst dus rekening met een hogere inkoopwaarde ten opzichte van de normale BMW 750.
Ik verzoek uw college de zaak terug te verwijzen naar een ander gerechtshof. Die moet toetsen of de door de taxateur opgevoerde meerwaarde van € 63.996 recht doet aan de verschillen tussen de BMW en de Alpina en of belanghebbende daarmee een hogere afschrijving aannemelijk heeft gemaakt dan de door de inspecteur toegepaste afschrijving.
U kunt de zaak ook zelf afdoen. Met toepassing van het taxatierapport bedraagt de verschuldigde BPM € 10.447, zodat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot € 2.545. Dit is een subsidiair standpunt.
— Auto 7 — Mercedes-Benz 515, […], [kenteken 9], 18/7712, 20/332
Deze auto maakt geen onderdeel uit van het geschil. De inspecteur vernietigde de naheffingsaanslag voor deze auto.
— Auto 8-Ferrari F12, […], [kenteken 10], 18/7712, 20/333
Voor deze auto geldt hetzelfde als hiervoor bij auto 1. Dus een beroep op de koerslijstwaarde van een vergelijkbaar voertuig en de toepassing van de op een CO2-uitstoot van 350 gr/km gebaseerde Bruto BPM.
4. Conclusie
Op grond van het voorgaande verzoek ik uw college, namens belanghebbende:
Dit beroep in cassatie gegrond te verklaren;
De uitspraak van het gerechtshof nietig te verklaren of te vernietigen en de zaak naar een ander gerechtshof te verwijzen voor een nieuwe behandeling vanwege de fouten bij de beëdiging van de raadsheren;
Primair: de naheffingsaanslagen te vernietigen;
Subsidiair: de zaak terug te verwijzen naar een ander gerechtshof voor de beoordeling van de vraag of de door belanghebbende ingevoerde voertuigen en de aangedragen referentievoertuigen voldoende vergelijkbaar zijn en op basis van de kentekenregistermethode de naheffingsaanslag dient te worden verminderd dan wel vernietigd;
Meer subsidiair: de naheffingsaanslagen te vernietigen of te verminderen op basis van de onder punt 3.3. voor de individuele auto's aangevoerde gronden en de berekeningen in de bijlagen;
De inspecteur te veroordelen in de proceskosten in de cassatiefase.
Hoogachtend,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 03‑10‑2025
In deze film legt belanghebbende uit hoe de inkoopwaarde van een auto kan worden herleid uit het kentekenregister: https://www.youtube.com/….
Meer over het Ierse stelsel van registratiebelastingen en de achtergronden daarvan: HvJ EU, C-552/15, ECLI:EU:C:2017:698.
Uitspraak 03‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; art. 9, leden 4, 9 en 11, art. 10, leden 2, 7 en 8, van de Wet bpm 1992; art. 8, lid 4, Uitvoeringsregeling bpm 1992; art. 110 VWEU; voorwaarden toepassing koerslijstmethode; voorwaarden toepassing taxatiemethode, begrip catalogusprijs; bewijslast(verdeling) CO2-uitstoot en gevolgen van invoeren van een plafond bij gebrek aan bewijs van de CO2-uitstoot.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/03099
Datum 3 oktober 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 15 juni 2022, nrs. 20/00326 tot en met 20/003331., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 17/7781 en BRE 18/7707 tot en met BRE 18/7713) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 22 december 2023 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.2.
1.3
Belanghebbende heeft op 24 augustus 2024 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende heeft in de loop van de maand januari 2016 op aangifte bedragen aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan ter zake van de registratie van acht, uit een andere lidstaat afkomstige, gebruikte personenauto’s. De Inspecteur heeft ter zake van deze acht personenauto’s bpm nageheven.
2.2
Voor de feiten en voor de standpunten van belanghebbende en de Inspecteur die hebben geleid tot het ontstaan van het geding bij de Rechtbank, alsmede voor het verloop van het geding bij de Rechtbank wordt verwezen naar rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.18 van de uitspraak van het Hof. In de hierna opgenomen onderdelen van dit arrest zal elk van de personenauto’s op dezelfde wijze worden aangeduid als het Hof in zijn uitspraak heeft gedaan. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het voor auto 7 geheven bedrag aan bpm verminderd tot nihil. Het geding in cassatie heeft alleen betrekking op de auto’s 1 tot en met 6 en auto 8.
3. De oordelen van het Hof
Voorwaarde voor toepassing koerslijstmethode (auto 1, auto 6 en auto 8)
3.1.1 Omdat ten tijde van het doen van de aangifte voor de bpm voor drie personenauto’s (auto 1, auto 6 en auto 8) in de beschikbare koerslijsten als bedoeld in artikel 10, lid 7, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2016; hierna: de Wet) niet een waarde voor een gebruikte personenauto van hetzelfde merk en type was opgenomen, heeft belanghebbende voor het bepalen van de waardedaling van elk van deze personenauto’s gebruikgemaakt van de koerslijstwaarde van een gebruikte personenauto van een ander merk en type die wel in een koerslijst voorkwam en die volgens belanghebbende wat betreft kenmerken en eigenschappen het dichtst aanleunt bij de desbetreffende hiervoor bedoelde personenauto.
3.1.2 Het Hof heeft geoordeeld dat gebruikmaking van de methode als bedoeld in artikel 10, lid 7, van de Wet (hierna: de koerslijstmethode) alleen mogelijk is indien er een koerslijst beschikbaar is die voorziet in een handelsinkoopwaarde voor een voertuig van hetzelfde merk en type. Het Hof acht het daarnaast van belang dat voor het geval voor een motorvoertuig de koerslijstmethode niet beschikbaar is, de belastingplichtige ervoor kan kiezen om de afschrijving met toepassing van de in artikel 10, lid 8, van de Wet voorziene methode (de taxatiemethode) vast te stellen. Daarmee is volgens het Hof in overeenstemming met artikel 110 VWEU gewaarborgd dat voor de heffing van bpm een reële waardedaling in aanmerking kan worden genomen.
Keuze voor toepassing taxatiemethode (auto 6)
3.2.1 Belanghebbende heeft voor het Hof aangevoerd dat wanneer de afschrijving van auto 6 niet kan worden vastgesteld met gebruikmaking van de koerslijstmethode, zij de afschrijving voor die auto alsnog vastgesteld wil hebben op basis van de taxatiemethode. Zij heeft daartoe aan het Hof een taxatierapport voor auto 6 overgelegd. Dat taxatierapport is pas in de fase van hoger beroep opgemaakt.
3.2.2 Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende in hoger beroep ter bepaling van de afschrijving van auto 6 mag kiezen voor de taxatiemethode, omdat – anders dan de Inspecteur stelde – voor het vaststellen van de juistheid van de taxatiewaarde geen controle van het voertuig nodig is en het dossier geen aanwijzingen voor het tegendeel oplevert. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de in het rapport gestelde taxatiewaarde niet bruikbaar is, omdat deze waarde één op één is gebaseerd op de handelsinkoopwaarde van het voertuig waarop belanghebbende zich eerder in het kader van de koerslijstmethode had beroepen (zie hiervoor in 3.1.1) zonder een correctie toe te passen voor de verschillen tussen auto 6 en het voertuig uit de koerslijst. Het taxatierapport is daarmee niet aan te merken als een ter zake van auto 6 opgesteld taxatierapport, aldus het Hof.
Vaststelling afschrijvingspercentage (auto 3)
3.3.1 Belanghebbende heeft voor het Hof aangevoerd dat de Rechtbank het afschrijvingspercentage voor auto 3 te laag heeft vastgesteld. Volgens haar mag de feitenrechter niet het afschrijvingspercentage in goede justitie vaststellen. Volgens belanghebbende moet de feitenrechter de nieuwprijs en/of de handelsinkoopwaarde van een gebruikte personenauto in goede justitie vaststellen, waaruit dan het toepasselijke afschrijvingspercentage volgt.
3.3.2 Het Hof heeft in rechtsoverweging 4.26 van zijn uitspraak de rechtsoverwegingen 2.23 tot en met 2.28 van de uitspraak van de Rechtbank geheel geciteerd. Met die rechtsoverwegingen wordt gemotiveerd waarom de Rechtbank het afschrijvingspercentage in goede justitie heeft vastgesteld. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat beide partijen ook in hoger beroep niet inzichtelijk hebben gemaakt hoe zij het afschrijvingspercentage voor auto 3 hebben berekend. Ook het Hof heeft daarom aanleiding gezien om het afschrijvingspercentage voor auto 3 in goede justitie vast te stellen en daarbij aangesloten bij het door de Rechtbank vastgestelde percentage van 54.
Vaststelling CO2-uitstoot (auto 1 en auto 8)
3.4.1 Belanghebbende heeft ter zake van auto 1 en auto 8 voor het Hof verder aangevoerd dat de Inspecteur voor de naheffing van bpm niet had mogen uitgaan van een CO2-uitstoot van 380 gram per kilometer, omdat in Nederland andere voertuigen van hetzelfde merk en type zijn belast naar een CO2-uitstoot van 350 gram per kilometer.
3.4.2 Het Hof heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat zowel voor auto 1 als voor auto 8 de werkelijke CO2-uitstoot 380 gram per kilometer bedraagt omdat deze CO2-uitstoot blijkt uit de typegoedkeuring die is vermeld op de voor deze personenauto’s afgegeven Duitse kentekenbewijzen. Daarmee is de CO2-uitstoot op een voorgeschreven wijze als bedoeld in artikel 9, lid 11, van de Wet vastgesteld, aangezien een door een andere lidstaat van de Europese Unie uitgegeven typegoedkeuring voldoet aan de eisen gesteld in artikel 6a, aanhef en letter a, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2016; hierna: de Uitvoeringsregeling) in samenhang gelezen met artikel 22 van de Wegenverkeerswet. De in artikel 9, lid 11, van de Wet opgenomen regel dat indien voor toepassing van artikel 9 van de Wet de CO2-uitstoot van een personenauto niet op een bij ministeriële regeling voorgeschreven wijze is aangetoond, de CO2-uitstoot wordt gesteld op een wettelijk vastgestelde maximale hoeveelheid, is daarom voor zowel auto 1 als auto 8 niet van toepassing.
3.4.3 Ook artikel 110 VWEU brengt niet mee, aldus het Hof, dat voor auto 1 en auto 8 een CO2-uitstoot van 350 gram per kilometer moet worden gehanteerd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat op het moment van registratie van deze twee personenauto’s zich gelijksoortige personenauto’s van hetzelfde merk en type op de Nederlandse markt bevonden die in 2014 of 2015 in de heffing van bpm zijn betrokken naar een CO2-uitstoot van 350 gram per kilometer, met uitzondering van één gelijksoortige personenauto. Voor die ene personenauto heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof evenwel aannemelijk gemaakt dat ten onrechte een CO2-uitstoot van 350 gram per kilometer in de aangifte voor de bpm voor die personenauto was vermeld; dit had tot naheffing moeten leiden, hetgeen niet is gebeurd. Het feit dat niet is nageheven, is een eenmalige fout die niet herhaald hoeft te worden wanneer, zoals in dit geval, niet is gesteld noch is gebleken dat het niet opleggen van een naheffingsaanslag het gevolg is van bewust handelen dan wel nalaten van de Inspecteur. Toepassing van het in artikel 9, lid 11, van de Wet bedoelde maximum (van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2014: 350 gram per kilometer) is beperkt tot personenauto’s waarvan de CO2-uitstoot niet op een bij ministeriële regeling voorgeschreven wijze is aangetoond. Niet is gesteld noch is gebleken dat dit voor de referentieauto het geval is geweest, aldus nog steeds het Hof.
4. Beoordeling van de klachten
Voorwaarde voor toepassing koerslijstmethode (auto 1, auto 6 en auto 8)
4.1
De klachten die zich richten tegen het hiervoor in 3.1.2 weergegeven oordeel van het Hof betogen dat wanneer het merk en type van een te registreren gebruikte personenauto niet voorkomt op een koerslijst als bedoeld in artikel 10, lid 7, van de Wet, de waarde van elk ander motorvoertuig dat in zo’n koerslijst voorkomt, mag worden gebruikt, mits binnen de koerslijst de handelsinkoopwaarde wordt genomen van een motorvoertuig dat wat betreft eigenschappen en kenmerken het dichtst aanleunt bij die van het te registreren motorvoertuig. Steun voor deze opvatting ontlenen de klachten aan rechtsoverweging 3.1.3 van het arrest van de Hoge Raad van 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:323 (hierna: het arrest van 21 februari 2020).
4.2.1
Artikel 10, leden 7 en 8, van de Wet (tekst 2016) luiden als volgt:
“7. De afschrijving, bedoeld in het tweede lid, wordt, mits daartoe een verzoek bij de aangifte wordt gedaan, gesteld op de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vierde lid, en de belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen, verminderd met de waarde vermeld in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland.
8. Indien sprake is van:a. een voertuig met meer dan normale gebruiksschade, niet zijnde een schadevoertuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel u, van de Wegenverkeerswet 1994, ofb. een motorrijtuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland,wordt de afschrijving, bedoeld in het tweede lid, mits daartoe een verzoek bij de aangifte wordt gedaan, gesteld op de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vierde lid, en de belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen, verminderd met de taxatiewaarde vermeld in een taxatierapport dat voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.”
4.2.2
Tot en met 31 december 2014 liet de wetgever de belastingplichtige vrij in de wijze waarop hij de in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde vermindering (afschrijving) aannemelijk wilde maken, met dien verstande dat artikel 10, lid 6, van de Wet erin voorzag dat de belastingplichtige in het aangiftebiljet een beroep kon doen op een bij ministeriele regeling vast te stellen tabel. Artikel 10, lid 8, van de Wet bood de mogelijkheid om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen ten behoeve van de uitvoering van artikel 10 van de Wet. Van die mogelijkheid heeft de regelgever gebruikgemaakt in artikel 8, lid 4, van de Uitvoeringsregeling (tekst tot 1 januari 2015) met een regeling over de opgaaf van gegevens, bedoeld in artikel 10, lid 7, van de Wet (tekst tot 1 januari 2015).Over de in artikel 8, lid 4, van de Uitvoeringsregeling (tekst tot 1 januari 2015) opgenomen zinsnede “een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de verkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland” heeft de Hoge Raad geoordeeld dat met een dergelijke koerslijst niet anders kan zijn bedoeld dan een overzicht van in Nederland geregistreerde gebruikte motorvoertuigen van een bepaald merk, model, type aandrijving, leeftijd en uitrusting, waarvoor de samensteller een algemeen geldende reële richtprijs (koers) heeft kunnen vaststellen. De door de gebruikers van een dergelijke koerslijst verlangde betrouwbaarheid van het realiteitsgehalte van de in die lijst opgegeven richtprijs vereist dat die richtprijs is bepaald op de grondslag van daadwerkelijk in Nederland door wederverkopers betaalde inkoopprijzen, en niet door middel van schatting of theoretische benadering van de werkelijke waarde van een bepaald motorvoertuig.3.
4.2.3
Met ingang van 1 januari 2015 voorziet de Wet in drie manieren waaruit de belastingplichtige mag kiezen om de vermindering (afschrijving) bedoeld in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet aannemelijk te maken, te weten gebruikmaking van de in artikel 10, lid 6, van de Wet bedoelde tabel (de forfaitaire afschrijvingstabel), de in artikel 10, lid 7, van de Wet bedoelde koerslijstmethode, en – onder voorwaarden – de in artikel 10, lid 8, van de Wet bedoelde taxatiemethode.4.De wetgever heeft met deze wetswijziging toepassing van de taxatiemethode willen beperken om fraude en misbruik bij gebruikmaking van taxatierapporten te bestrijden. De voornaamste wijziging hield in dat de wetgever de mogelijkheid een taxatierapport voor de waardebepaling te gebruiken, met ingang van 1 januari 2015 heeft beperkt tot (i) schadevoertuigen, met uitsluiting van schadevoertuigen die niet langer deugdelijk van bouw en inrichting zijn (zogenoemde WOK-auto’s), en (ii) voertuigen die, vanwege de geringe mate waarin deze voertuigen in Nederland verhandeld worden, niet op koerslijsten voorkomen. Daarbij is de wetgever ervan uitgegaan dat de koerslijstmethode voor een gebruikt motorvoertuig met normale gebruiksschade een representatieve benadering van de werkelijke waarde zal opleveren. Dit is volgens de wetgever het geval indien gekozen wordt voor het gebruik van een koerslijst waarin onder andere de gemiddelde handelsinkoopwaarden van auto’s naar merk, type, uitvoering en leeftijd zijn opgenomen. Deze gemiddelde handelsinkoopwaarden zijn namelijk gebaseerd op een wezenlijk aantal daadwerkelijk uitgevoerde handelstransacties, aldus de wetgever.5.
4.2.4
Artikel 10, leden 7 en 8, van de Wet moeten, gelet op hun doel en strekking en in onderlinge samenhang gelezen, zo worden uitgelegd dat de wetgever per 1 januari 2015 de mogelijkheid om de afschrijving van een te registreren motorrijtuig te berekenen met gebruikmaking van een koerslijst heeft willen beperken tot een in een koerslijst voorkomend gebruikt motorrijtuig van hetzelfde merk, model, type, uitvoering en leeftijd, zodat ervan kan worden uitgegaan dat de in de koerslijst opgenomen bijbehorende waarde een representatieve benadering van de werkelijke waarde van het te registreren motorrijtuig oplevert. Komt een motorrijtuig van een bepaald merk, model, type, uitvoering en leeftijd niet voor in een algemeen toegepaste koerslijst, dan moet de belastingplichtige kiezen tussen waardering op basis van de afschrijvingstabel en waardering met toepassing van de taxatiemethode.
4.2.5
Anders dan waarvan de klachten uitgaan, doet hieraan niet af hetgeen in rechtsoverwegingen 3.1.3 en 3.1.4 van het arrest van 21 februari 2020 is overwogen. Dat arrest ziet namelijk op de registratie van een gebruikte personenauto in het jaar 2013, toen de hiervoor in 4.2.3 bedoelde wetswijziging nog niet had plaatsgevonden. Bovendien kwam – zoals uit de uitgangspunten in cassatie van dat arrest blijkt – de desbetreffende personenauto wat betreft merk, model, type, uitvoering en leeftijd wel voor in een van de in de handel algemeen toegepaste koerslijsten.
4.2.6
Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat het hiervoor in 3.1.2 weergegeven oordeel van het Hof juist is. De klachten falen daarom.
4.2.7
Naar aanleiding van het middel wordt over de toepassing van de taxatiemethode het volgende opgemerkt. Indien een motorrijtuig van een bepaald merk, model, type, uitvoering en leeftijd, met niet meer dan normale gebruiksschade, niet voorkomt in een algemeen toegepaste koerslijst, sluit dat niet uit dat bij toepassing van de taxatiemethode de taxateur als referentie voor het bepalen van een (bij benadering) reële waardedaling van het te registreren motorrijtuig gebruik kan maken van de handelsinkoopwaarde die is opgenomen in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor een referentievoertuig. In dat geval is de in die koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde slechts een uitgangspunt. De door taxatie berekende waarde zal in dat geval van die koerslijstwaarde verschillen vanwege andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van het te waarderen motorrijtuig ten opzichte van gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht en waarop de koerslijstwaarde is gebaseerd.6.
Keuze voor toepassing taxatiemethode (auto 6)
4.3.1
De klachten richten zich verder tegen het hiervoor in 3.2.2 weergegeven oordeel van het Hof dat het in hoger beroep door belanghebbende overgelegde taxatierapport voor auto 6 niet kan dienen om de afschrijving te bepalen. De klachten voeren aan dat de vaststelling van het Hof dat de inkoopwaarde van auto 6 één op één is overgenomen uit de koerslijst voor het voertuig waarop belanghebbende zich eerder in het kader van de koerslijstmethode had beroepen (zie hiervoor in 3.2.1), feitelijk niet juist is. Uit het taxatierapport, bladzijde 8, blijkt, aldus de klachten, dat de taxateur voor € 63.996 aan extra accessoires heeft opgevoerd ten opzichte van de koerslijstwaarde van het voertuig waarop belanghebbende zich eerder in het kader van de koerslijstmethode had beroepen, zodat de taxateur rekening heeft gehouden met verschillen in handelsinkoopwaarde van auto 6 ten opzichte van dat voertuig uit de koerslijst.
4.3.2
Belanghebbende heeft bij het doen van de aangifte in januari 2016 ter zake van de registratie van auto 6 de afschrijving bepaald met gebruikmaking van de koerslijstmethode. Het hiervoor in 4.3.1 bedoelde taxatierapport dateert van 24 januari 2022. De taxateur schrijft in dat rapport dat “Deze taxatie is opgemaakt naar beste weten en kunnen, om te dienen waar zulks nodig is.”
4.3.3
In rechtsoverweging 2.4.3 van het arrest van 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:421, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij het aanwenden van een rechtsmiddel kan worden gekozen voor een andere in of bij de Wet voorziene methode ter bepaling van de afschrijving dan waarvan bij de aangifte is uitgegaan, dan wel dat een beroep kan worden gedaan op gegevens die bij de aangifte niet zijn gebruikt voor de berekening van de bpm, mits voor het vaststellen van de juistheid ervan geen (tweede) controle van het voertuig nodig is, zodat een vergelijking van de aangedragen gegevens en de bij de aangifte gebruikte gegevens volstaat om vast te stellen of het bij de aangifte gebezigde afschrijvingspercentage te laag is geweest.
4.3.4
De hiervoor in 4.3.3 weergegeven regel dat naderhand mag worden gekozen voor een andere in of bij de Wet voorziene methode ter bepaling van de afschrijving dan waarvan bij de aangifte is uitgegaan, behoeft nuancering voor het geval dat de belastingplichtige, nadat hij bpm op aangifte heeft voldaan, tijdens de bezwaarfase of de fase van (hoger) beroep de afschrijving wil doen vaststellen met gebruikmaking van de taxatiemethode onder verwijzing naar een taxatierapport dat niet voorafgaand aan de registratie van het betrokken motorrijtuig in het Nederlandse kentekenregister is opgemaakt. Een taxatierapport dat niet berust op een fysieke opname van het betrokken motorrijtuig die heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de registratie daarvan kan namelijk binnen de opzet van de Wet niet dienen voor de vaststelling of de daarin gestelde waarde naar het tijdstip van het belastbare feit, dat wil zeggen de registratie, juist is.7.Toepassing van de taxatiemethode kan volgens de Wet alleen aan de orde zijn wanneer de belastingplichtige al bij het doen van de aangifte voor die methode heeft gekozen, onder overlegging van een taxatierapport dat voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 8, lid 4, van de Uitvoeringsregeling en bijlage I bij de Uitvoeringsregeling.
4.3.5
Belanghebbende heeft bij het op aangifte voldoen van de bpm voor auto 6 niet gekozen voor de taxatiemethode. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.3.4 is overwogen, was voor de door het Hof uitgevoerde beoordeling van het overgelegde taxatierapport dus geen plaats. De hiervoor in 4.3.1 bedoelde, tegen die beoordeling gerichte klachten falen daarom.Artikel 10, lid 2, van de Wet; begrip catalogusprijs; bewijslastverdeling (auto 3)
4.4.1
Voor zover de klachten zijn gericht tegen het hiervoor in 3.3.2 weergegeven oordeel van het Hof dat voor auto 3 het afschrijvingspercentage 54 bedraagt, voeren zij aan dat het Hof ofwel de nieuwprijs onjuist heeft vastgesteld ofwel niet heeft geoordeeld over de daartoe door belanghebbende aangevoerde klachten. Tussen partijen is niet in geschil geweest, aldus de klachten, dat de netto catalogusprijs van auto 3 € 240.945 bedraagt en het bedrag aan omzetbelasting € 50.598, hetgeen – bij elkaar opgeteld – een catalogusprijs oplevert van € 291.543. Uitgaande van een – door de Inspecteur niet betwist – verschuldigd bedrag aan bpm van € 65.361 heeft belanghebbende voor het berekenen van het in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde afschrijvingspercentage de nieuwprijs van auto 3 terecht op € 356.904 gesteld, aldus deze klachten.
4.4.2
Bij de behandeling van deze klachten wordt het volgende vooropgesteld.Daar waar de klachten spreken van “de historische nieuwprijs” van de te registreren personenauto wordt – naar de Hoge Raad begrijpt – bedoeld de in artikel 10, lid 2, van de Wet vermelde “som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet, en de bpm op het tijdstip waarop de personenauto’s voor het eerst in gebruik zijn genomen”.De klachten nemen terecht tot uitgangspunt dat met het in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde motorrijtuig wordt gedoeld op het te registreren motorrijtuig.8.De vaststelling van de in artikel 10, lid 2, van de Wet vermelde “catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet” waarop voor een gebruikte personenauto een afschrijving mag plaatsvinden, wordt onderscheiden van de wijze waarop de belastingplichtige het afschrijvingspercentage voor het te registreren motorrijtuig berekent.De catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet van de te registreren personenauto moet in het aangiftebiljet worden vermeld en moet zijn vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in artikel 9, lid 9, van de Wet. Pas nadat die catalogusprijs aldus is vastgesteld, wordt toegekomen aan de berekening van het afschrijvingspercentage. Die berekening vindt plaats volgens een van de drie methoden die in de Wet zijn voorzien.
4.4.3
Onder catalogusprijs wordt volgens artikel 9, lid 4, van de Wet verstaan de door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs welke naar zijn inzicht bij verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. In die geadviseerde verkoopprijs is de bpm niet begrepen. Is een zodanige prijs niet bekend, dan wordt hij door vergelijking bepaald.Wanneer een personenauto een bijzondere uitvoering heeft of is voorzien van extra toebehoren, wordt volgens artikel 9, lid 9, van de Wet de waarde daarvan in de catalogusprijs begrepen, uitgezonderd de waarde van voorzieningen die niet zijn aangebracht door of namens de fabrikant of de importeur.Op de belastingplichtige die bij het op aangifte voldoen van bpm de vermindering (afschrijving) aan bpm heeft berekend, rust de last om de juistheid van de catalogusprijs van de te registreren personenauto te onderbouwen, zo nodig door vergelijking.
4.4.4
Anders dan de klachten aanvoeren, is tussen partijen voor auto 3 de hoogte van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet, wel in geschil geweest. De uitspraak van het Hof en de stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende in hoger beroep – evenals bij de Rechtbank – voor auto 3 een hogere catalogusprijs verdedigde dan de catalogusprijs waarvan de Inspecteur bij de berekening van de méér verschuldigde bpm was uitgegaan en die de Inspecteur had ontleend aan de door belanghebbende overgelegde passage uit een koerslijst waarin naast de handelsinkoopwaarde ook de catalogusprijs van de referentieauto was vermeld.Het geschil over de hoogte van de catalogusprijs hield verband met het antwoord op de vraag of belanghebbende haar stelling aannemelijk heeft gemaakt dat auto 3 – in tegenstelling tot de referentieauto in de koerslijst – is voorzien van extra toebehoren als bedoeld in artikel 9, lid 9, van de Wet (door belanghebbende aangeduid als opties) en daarmee een hogere catalogusprijs had dan waarvan de Inspecteur voor de berekening van de nageheven bpm is uitgegaan.
4.4.5
Het Hof heeft in zijn overwegingen opgenomen hetgeen de Rechtbank over dit geschilpunt heeft geoordeeld. In deze overwegingen, in onderlinge samenhang gelezen met de andere overwegingen van het Hof over dit geschilpunt, liggen besloten de oordelen i) dat op belanghebbende de bewijslast rust van de juistheid van de door haar in de aangifte voor auto 3 vermelde catalogusprijs, en ii) dat belanghebbende de door haar verdedigde extra toebehoren dan wel de waarde van die extra toebehoren ook in hoger beroep niet aannemelijk heeft kunnen maken. In de overwegingen van het Hof ligt verder besloten het – in cassatie niet bestreden – oordeel dat de Inspecteur ter zake van zijn berekening van de catalogusprijs niet aannemelijk heeft gemaakt dat met een waardevermeerdering vanwege extra toebehoren in het geheel geen rekening mag worden gehouden. De klacht dat het Hof geen oordeel heeft gegeven over de juistheid van de catalogusprijs die de Inspecteur voor het berekenen van de naheffing ter zake van auto 3 heeft gebruikt, faalt dan ook.Deze oordelen van het Hof geven in zoverre, gelet op hetgeen hiervoor in 4.4.2 en 4.4.3 is overwogen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting van het in artikel 10 van de Wet voorkomende begrip catalogusprijs. Daarop stuiten de overige, hiervoor in 4.4.1 weergegeven klachten af.
Vaststelling CO2-uitstoot voor auto 1 en auto 8
4.5.1
De klachten richten zich verder tegen het hiervoor in 3.3.3 weergegeven oordeel van het Hof dat de Inspecteur met de naheffing van bpm ter zake van auto 1 en auto 8 niet artikel 110 VWEU heeft geschonden.De klachten voeren aan dat, aangezien vaststaat dat één aan auto 1 en auto 8 gelijksoortige personenauto in Nederland is belast naar een CO2-uitstoot van 350 gram per kilometer, een beroep op artikel 110 VWEU moet worden gehonoreerd in die zin dat ook voor auto 1 en auto 8 van deze uitstoot moet worden uitgegaan, ongeacht of de te lage heffing het gevolg is van een eenmalige fout van de Inspecteur, omdat auto 1 en auto 8 door uit te gaan van een hogere CO2-uitstoot in strijd met artikel 110 VWEU zwaarder worden belast.Verder voeren de klachten aan dat, ongeacht het antwoord op de vraag of er een aan auto 1 en auto 8 gelijksoortige personenauto in Nederland is belast naar een lagere CO2-uitstoot dan 380 gram per kilometer, het wettelijke systeem van heffing van bpm, in het bijzonder het bepaalde in artikel 9, lid 11, van de Wet, niet uitsluit dat aan auto 1 (datum eerste toelating tot het verkeer op de weg: 18 oktober 2012) en auto 8 (datum eerste toelating tot het verkeer op de weg: 16 september 2013) gelijksoortige personenauto’s eerder in de heffing van bpm zijn betrokken naar een CO2-uitstoot van 350 gram per kilometer. Daarom mag belanghebbende met een beroep op artikel 110 VWEU ter zake van auto 1 en auto 8 van dit gegeven gebruikmaken, ook al is er voor deze beide personenauto’s een Duits kentekenbewijs afgegeven waarop een typegoedkeuring is vermeld waaruit volgt dat de CO2-uitstoot van deze personenauto’s 380 gram per kilometer bedraagt. De klachten vinden voor dit standpunt steun in de uitspraken van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 januari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:15, en van 6 april 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1530.
4.5.2
De heffing van bpm is gerelateerd aan de CO2-uitstoot in die zin dat voor personenauto’s het op grond van artikel 9 van de Wet verschuldigde bedrag aan bpm hoger is naarmate de vastgestelde CO2-uitstoot van de personenauto hoger is. Dit betekent dat voor elke te registreren personenauto moet worden bepaald hoeveel CO2 deze uitstoot.De CO2-uitstoot is een objectief vast te stellen, onderscheidend criterium voor motorvoertuigen. Het lijdt geen twijfel dat het Unierecht niet in de weg staat aan het hanteren van een dergelijke objectieve maatstaf van heffing, vooropgesteld dat die maatstaf gelijkelijk geldt voor uit andere lidstaten afkomstige, te registreren motorvoertuigen en voor binnenlandse motorvoertuigen.9.
4.5.3
Het is buiten redelijke twijfel dat de bescherming die belastingplichtigen aan artikel 110 VWEU kunnen ontlenen, niet ziet op situaties als de onderhavige waarin incidenteel van een of meer gebruikte gelijksoortige personenauto’s die in Nederland op het tijdstip van de registratie al in de handel zijn, een bedrag aan bpm is geheven naar een verkeerde CO2-uitstoot, die lager is dan de uitstoot waarvan op grond van de Wet had moeten worden uitgegaan. Zulke gevallen, waarin de maatstaf van heffing dus niet, in overeenstemming met de Wet, objectief is vastgesteld, nopen op grond van artikel 110 VWEU niet tot een dienovereenkomstige vermindering van de belastingheffing ter zake van alle daarna te registreren gelijksoortige personenauto’s. De klachten falen in zoverre.
4.6.1
De klachten stellen verder aan de orde of een regeling als neergelegd in artikel 9, lid 11, van de Wet moet worden beschouwd als een regeling waarvan de belastingplichtige met een beroep op artikel 110 VWEU toepassing kan afdwingen in die zin dat auto 1 en auto 8, waarvan op bij ministeriële regeling voorgeschreven wijze is aangetoond dat zij 380 gram per kilometer aan CO2 uitstoten, toch in de heffing van bpm moeten worden betrokken met inachtneming van een uitstoot van 350 gram per kilometer vanwege het in artikel 9, lid 11, van de Wet (tekst tot 1 januari 2015) gestelde plafond aan CO2-uitstoot van 350 gram per kilometer. In de jaren waarin auto 1 en auto 8 voor het eerst werden toegelaten tot de weg (18 oktober 2012 respectievelijk 16 september 2013), was dat plafond voor personenauto’s waarvoor de CO2-uitstoot niet op bij ministeriële regeling voorgeschreven wijze is aangetoond, op 350 gram per kilometer bepaald.
4.6.2
Artikel 9, lid 11, van de Wet bepaalde tot 1 januari 2015 dat indien de CO2-uitstoot van een personenauto niet op een bij ministeriële regeling voorgeschreven wijze is aangetoond, deze wordt gesteld op 350 gram per kilometer respectievelijk 302 gram per kilometer voor een personenauto die wordt aangedreven door een motor met compressieontsteking.
4.6.3
Artikel 110 VWEU verplicht elke lidstaat de belastingen op motorvoertuigen zo te kiezen en vast te stellen dat zij niet de verkoop van binnenlandse personenauto’s begunstigen en daardoor de invoer van gelijksoortige buitenlandse personenauto’s ontmoedigen. Het op grond van (een) wettelijk(e) voorschrift(en) toepassen van verschillende methoden voor de vaststelling van de CO2-uitstoot die als grondslag dient voor de verschuldigde bpm, kan in strijd komen met artikel 110 VWEU wanneer als gevolg daarvan de verkoop van een buitenlandse personenauto die in elk ander opzicht dan de vastgestelde CO2-uitstoot gelijksoortig is aan een binnenlandse personenauto die, op het tijdstip van registratie van die buitenlandse personenauto, in Nederland in de handel is, wordt afgeremd doordat van die buitenlandse personenauto méér bpm wordt geheven dan het restbedrag aan bpm dat geacht kan worden nog te zijn vervat in de waarde van die gelijksoortige binnenlandse personenauto.10.
4.6.4
Om te voorkomen dat een belastingregeling in strijd komt met artikel 110 VWEU moet een lidstaat in het kader van de heffing van een belasting van enerzijds uit andere lidstaten afkomstige, te registreren motorvoertuigen en anderzijds binnenlandse motorvoertuigen, gelijkelijk objectieve maatstaven hanteren. Buiten redelijke twijfel is dat het Unierecht niet eraan in de weg staat dat een lidstaat met het oog daarop wettelijke regels hanteert die voorzien in een bepaalde bewijslastverdeling ter zake van te registreren personenauto’s. Ook is buiten redelijke twijfel dat het Unierecht niet eraan in de weg staat dat een lidstaat daarbij de bewijsmiddelen aanwijst die de omvang van de CO2-uitstoot kunnen staven, mits met deze bewijsmiddelen naar hun aard de CO2-uitstoot van de personenauto objectief kan worden vastgesteld. Bovendien mag deze bewijsregeling het de belastingplichtige in de praktijk niet uiterst moeilijk of onmogelijk maken om aan de op hem rustende bewijslast ter zake van de omvang van de CO2-uitstoot te voldoen.
4.6.5
Het lijdt verder geen twijfel dat het Unierecht niet eraan in de weg staat dat de hiervoor bedoelde bewijsregeling rekening ermee houdt dat bij het doen van de aangifte voor zo’n belasting, in dit geval de bpm, de omvang van de CO2-uitstoot van een personenauto niet op een van de wettelijk voorgeschreven wijzen kan worden of wordt aangetoond, en dat voor die gevallen bij wetsfictie een bepaalde omvang van de CO2-uitstoot wordt voorgeschreven, mits die omvang proportioneel is aan de door de Wet nagestreefde doelstelling. De Wet beoogt meer bpm te heffen naarmate de personenauto meer CO2 uitstoot. Proportioneel is dat die omvang niet hoger wordt gesteld dan de CO2-uitstoot die voor personenauto’s in het algemeen op officiële wijze is vastgesteld.
4.6.6
Wanneer echter uitsluitend als gevolg van een juiste toepassing van de in artikel 9, lid 11, van de Wet neergelegde bewijsregeling niet valt uit te sluiten dat voor gelijksoortige personenauto’s met eenzelfde typegoedkeuring als bedoeld in artikel 22 van de Wegenverkeerswet, en daarmee voor toepassing van de Wet met eenzelfde CO2-uitstoot, niettemin een verschil in heffing van bpm is bewerkstelligd, dwingt artikel 110 VWEU ertoe dat in zulke gevallen al die gelijksoortige personenauto’s op gelijke wijze in de heffing worden betrokken. Voor auto 1 en auto 8 doet zich deze situatie niet voor, aangezien in cassatie vaststaat dat belanghebbende ter zake van de door haar gestelde ongelijke behandeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat die is terug te voeren op de in artikel 9, lid 11, van de Wet neergelegde bewijsregeling. De klachten falen ook in zoverre.
Overige klachten
4.7
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
5.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
5.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 20 juli 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan 12 maanden maar minder dan 18 maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 1.500.
6. Proceskosten
6.1
Het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard, zodat er geen aanleiding is om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
6.2
In de omstandigheid dat aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.
6.3
Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad tot uitgangspunt dat (i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en (ii) op een dergelijk verzoek wegingsfactor 0,25 (zeer licht) van toepassing is, zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.11.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 1.500, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 227 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑10‑2025
ECLI:NL:PHR:2023:1216, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2023:1223.
Zie HR 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1666, rechtsoverweging 3.2.3, eerste alinea.
Wet van 17 december 2014 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2015), Stb. 2014, 578.
Kamerstukken II 2014/15, 34002, nr. 3, blz. 31 en 32.
Vgl. HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, rechtsoverweging 3.2.3 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Vgl. HR 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310, rechtsoverweging 3.2.4.
Vgl. HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, rechtsoverweging 3.2.2.
Vgl. HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653, rechtsoverweging 5.6.5.
Vgl. HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653, rechtsoverweging 5.6.7.
Zie HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.
Uitspraak 26‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Procesrecht; art. 8:75 Awb; onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst tot 1 juli 2021); waarde per punt voor beroep; Gerechtshof gaat ten onrechte ervan uit dat de Rechtbank het arrest ECLI:NL:HR:2022:752 moest toepassen.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/02908
Datum 26 september 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 juli 2023, nrs. 21/00358 tot en met 21/003631., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 17/6502, BRE 18/7671 tot en met BRE 18/7674 en BRE 18/7785) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 22 december 2023 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het principale beroep in cassatie en tot gegrondverklaring van het incidentele beroep in cassatie.2.
1.3
Belanghebbende heeft op 20 augustus 2025 verzocht om de Minister van Justitie en Veiligheid te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de in het principale beroep in cassatie aangevoerde klacht
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het in het incidentele beroep in cassatie voorgestelde middel
3.1
Het middel is gericht tegen het oordeel van het Hof dat de Rechtbank bij de veroordeling van de Inspecteur in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het geding bij de Rechtbank had moeten uitgaan van een waarde per punt van € 837 per proceshandeling. De Rechtbank heeft op 21 januari 2021 uitspraak gedaan. Volgens het middel heeft het Hof miskend dat de waarde per punt volgens onderdeel B1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst tot 1 juli 2021; hierna: het Besluit) € 534 bedroeg. Het Hof had de beslissing van de Rechtbank over de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase daarom moeten bevestigen, aldus het middel.
3.2
Het middel slaagt op de gronden vermeld in de onderdelen 4.10 tot en met 4.12 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
4. Slotsom
4.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4.2
De Rechtbank is bij het vaststellen van de vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de fase van beroep terecht uitgegaan van een waarde per punt van € 534 zoals vermeld in onderdeel B1 van de Bijlage bij het Besluit. Anders dan belanghebbende in hoger beroep heeft betoogd, moet daarom de beslissing van de Rechtbank om de Inspecteur te veroordelen in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 1.602, uitgaande van 3 punten (beroepschrift en verschijnen op twee zittingen) en wegingsfactor 1, in stand blijven.
5. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
5.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
5.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 27 juli 2023. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met niet meer zes maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 500.
6. Proceskosten
6.1
Het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard, zodat er geen aanleiding is om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
6.2
In de omstandigheid dat aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.
6.3
Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad tot uitgangspunt dat (i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en (ii) op een dergelijk verzoek wegingsfactor 0,25 (zeer licht) van toepassing is, zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2025).3.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het principale beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
- verklaart het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan belanghebbende van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 500, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 227 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 26‑09‑2025
ECLI:NL:PHR:2023:1215, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2023:1223.
Vgl. HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.
Uitspraak 26‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Procesrecht; art. 8:75 Awb; onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst tot 1 juli 2021); waarde per punt voor beroep; Gerechtshof gaat ten onrechte ervan uit dat de Rechtbank het arrest ECLI:NL:HR:2022:752 moest toepassen.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/02909
Datum 26 september 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 juli 2023, nrs. 21/00349 tot en met 21/003571., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 17/6501, BRE 18/7663 tot en met BRE 18/7670) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 22 december 2023 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het principale beroep in cassatie en tot gegrondverklaring van het incidentele beroep in cassatie.2.
1.3
Belanghebbende heeft op 20 augustus 2025 verzocht om de Minister van Justitie en Veiligheid te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de in het principale beroep in cassatie aangevoerde klacht
De Hoge Raad heeft de klacht over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klacht niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klacht is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het in het incidentele beroep in cassatie voorgestelde middel
3.1
Het middel is gericht tegen het oordeel van het Hof dat de Rechtbank bij de veroordeling van de Inspecteur in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het geding bij de Rechtbank had moeten uitgaan van een waarde per punt van € 837 per proceshandeling. De Rechtbank heeft op 21 januari 2021 uitspraak gedaan. Volgens het middel heeft het Hof miskend dat de waarde per punt volgens onderdeel B1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst tot 1 juli 2021; hierna: het Besluit) € 534 bedroeg. Het Hof had de beslissing van de Rechtbank over de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase daarom moeten bevestigen, aldus het middel.
3.2
Het middel slaagt op de gronden vermeld in de onderdelen 4.10 tot en met 4.12 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
4. Slotsom
4.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4.2
De Rechtbank is bij het vaststellen van de vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de fase van beroep terecht uitgegaan van een waarde per punt van € 534 zoals vermeld in onderdeel B1 van de Bijlage bij het Besluit. Anders dan belanghebbende in hoger beroep heeft betoogd, moet daarom de beslissing van de Rechtbank om de Inspecteur te veroordelen in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 1.602, uitgaande van 3 punten (beroepschrift en verschijnen op twee zittingen) en wegingsfactor 1, in stand blijven.
5. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
5.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
5.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 27 juli 2023. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 500.
6. Proceskosten
6.1
Het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard, zodat er geen aanleiding is om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
6.2
In de omstandigheid dat aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.
6.3
Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad tot uitgangspunt dat (i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en (ii) op een dergelijk verzoek wegingsfactor 0,25 (zeer licht) van toepassing is, zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2025).3.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het principale beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
- verklaart het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof maar uitsluitend wat betreft de beslissing over de vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de fase van beroep,
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank maar uitsluitend wat betreft de beslissing over de vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de fase van beroep,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan belanghebbende van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 500, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 227 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 26‑09‑2025
ECLI:NL:PHR:2023:1215, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2023:1223.
Vgl. HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.
Uitspraak 26‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Procesrecht; art. 8:75 Awb; onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst tot 1 juli 2021); waarde per punt voor beroep; Gerechtshof gaat ten onrechte ervan uit dat de Rechtbank het arrest ECLI:NL:HR:2022:752 moest toepassen.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/02911
Datum 26 september 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 juli 2023, nrs. 21/00364 tot en met 21/003731., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 17/7517 en BRE 18/7698 tot en met BRE 18/7706) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 22 december 2023 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het principale beroep in cassatie en tot gegrondverklaring van het incidentele beroep in cassatie.2.
1.3
Belanghebbende heeft op 20 augustus 2025 verzocht om de Minister van Justitie en Veiligheid te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de in het principale beroep in cassatie aangevoerde klachten
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het in het incidentele beroep in cassatie voorgestelde middel
3.1
Het middel is gericht tegen het oordeel van het Hof dat de Rechtbank bij de veroordeling van de Inspecteur in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het geding bij de Rechtbank had moeten uitgaan van een waarde per punt van € 837 per proceshandeling. De Rechtbank heeft op 13 januari 2021 uitspraak gedaan. Volgens het middel heeft het Hof miskend dat de waarde per punt volgens onderdeel B1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst tot 1 juli 2021; hierna: het Besluit) € 534 bedroeg. Het Hof had de beslissing van de Rechtbank over de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase daarom moeten bevestigen, aldus het middel.
3.2
Het middel slaagt op de gronden vermeld in de onderdelen 4.14 tot en met 4.16 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
4. Slotsom
4.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4.2
De Rechtbank is bij het vaststellen van de vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de fase van beroep terecht uitgegaan van een waarde per punt van € 534 zoals vermeld in onderdeel B1 van de Bijlage bij het Besluit. Anders dan belanghebbende in hoger beroep heeft betoogd, moet daarom de beslissing van de Rechtbank om de Inspecteur te veroordelen in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 1.602, uitgaande van 3 punten (beroepschrift en verschijnen op twee zittingen) en wegingsfactor 1, in stand blijven.
5. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
5.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
5.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 27 juli 2023. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 500.
6. Proceskosten
6.1
Het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard, zodat er geen aanleiding is om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
6.2
In de omstandigheid dat aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.
6.3
Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad tot uitgangspunt dat (i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en (ii) op een dergelijk verzoek wegingsfactor 0,25 (zeer licht) van toepassing is, zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2025).3.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het principale beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
- verklaart het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof maar uitsluitend wat betreft de beslissing over de vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de fase van beroep,
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank maar uitsluitend wat betreft de beslissing over de vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de fase van beroep,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan belanghebbende van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 500, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 227 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 26‑09‑2025
ECLI:NL:PHR:2023:1214, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2023:1223.
Vgl. HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.
Beroepschrift 11‑07‑2025
Onderwerp: aanvulling van het beroep in cassatie, gericht tegen de uitspraken gerechtshof Den Haag van 22-12-2021 met kenmerken BK/DH-SGR 21/00246 t/m 21/00248 en 21/00996, BK/DH-SGR 21/00250, BK/DH-SGR 21/00251 t/m 21/00253, BK/DH-SGR 21/00254 en 21/00255
1. Feiten en procesverloop
Voor dit onderdeel verwijs ik naar de gedingstukken.
2. Geschil
In geschil is de vraag of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.
Meer specifiek zijn de volgende rechtsvragen in geschil:
- 1.
Kan voor de bepaling van de verschuldigde BPM ter zake van de registratie van een auto aansluiting worden gezocht bij de belasting die nog rust in reeds eerder ingevoerde referentievoertuigen (de kentekenregistermethode)?
- 2.
Heeft het gerechtshof het recht geschonden, omdat het niet heeft getoetst of de ter registratie aangeboden auto's tot een hoger bedrag in de heffing werden betrokken in relatie tot de aangedragen referentievoertuigen?
- 3.
Is de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag opgelegd, omdat na het opleggen daarvan de auto is uitgevoerd?
3. Overwegingen
3.1. De kentekenregistermethode
In de BPM zijn twee categorieën te onderscheiden. Dat zijn de officiële import en de parallelle import.
De officiële import bestaat uit nieuwe auto's die worden ingevoerd vanuit andere landen en voor het eerst in Nederland geregistreerd, tenaamgesteld en in gebruik worden genomen. De heffing van BPM op deze groep is betrekkelijk eenvoudig; namelijk gebaseerd op de C02-uitstoot en het daarbij horende tarief. Als je in het kentekenregister zoekt naar bijvoorbeeld Volkswagen Polo's, dan vind je er tienduizenden die officieel zijn ingevoerd en waarvan de Bruto BPM gelijk is. Al deze auto's zijn in de belastingheffing betrokken tegen deze Bruto BPM.
De parallelle import bestaat uit auto's die in andere landen voor het eerst geregistreerd, tenaamgesteld en in gebruik zijn genomen en nadien in Nederland worden ingevoerd. De heffing van BPM op deze groep auto's is tamelijk ingewikkeld, omdat er naast de C02-uitstoot nog veel meer parameters van invloed zijn op de hoogte van de belasting.
Één van die parameters is de inkoopwaarde. Die kan worden vastgesteld aan de hand van tenminste 5 verschillende koerslijsten. Of een taxatierapport. Een andere parameter is het tarief. Je kan kiezen voor het historische tarief van de datum eerste ingebruikname. Of een tussengelegen tarief. Of het actuele tarief van de datum van de BPM-aangifte. En afhankelijk van de toelatingsdatum mag je ook nog een keuze maken tussen verschillende C02-uitstoten en de daarbij horende tarieven.
Nog een andere parameter is het tijdstip waarop de BPM wordt bepaald. Je mag onder het oude recht kiezen voor het moment van de BPM-aangifte, maar ook het moment van de registratie in het kentekenregister.
Dit wettelijke systeem, waarin een veelvoud van parameters van invloed zijn op de hoogte van de BPM, heeft het gevolg dat binnen dezelfde groep (de parallelle import dus), de auto's verschillend worden belast. Dit zie je duidelijk terug in het kentekenregister. Als je bijvoorbeeld zoekt naar Volkswagen Polo's, dan vind je er duizenden die parallel zijn ingevoerd. En van al deze auto's verschilt de Herrekende Bruto BPM. Ze zijn allemaal tegen verschillende bedragen in de belastingheffing betrokken en het bedrag van de BPM dat in deze auto's blijft rusten zolang ze in Nederland geregistreerd zijn, verschilt van elkaar:
Datum eerste afgifte NL
Belanghebbende voerde auto's in vanuit andere lidstaten van de Europese Unie en de inspecteur legde naheffingsaanslagen op. In haar verweer hiertegen verwijst belanghebbende naar soortgelijke referentieauto's die reeds in Nederland waren geregistreerd, waarvan is aangetoond dat er minder BPM rust in de restwaarde ervan. Uit de gegevens in het kentekenregister, zoals de Herrekende Bruto BPM, de C02-uitstoot en de datum eerste toelating, kan worden vastgesteld a) tegen welke inkoopwaarde de referentieauto in de heffing werd betrokken1. en b) welk bedrag aan BPM er nog in die referentieauto rust op het moment van registratie van de door belanghebbende ingevoerde auto.
En omdat op grond van artikel 110 VWEU belanghebbendes auto niet zwaarder mag worden belast dan de belasting die nog rust in de soortgelijke auto die onderdeel uitmaakt van de nationale markt, zijn de naheffingsaanslagen ten onrechte opgelegd.
De inspecteur erkent dat de reeds in Nederland geregistreerde referentieauto's een lagere Herrekende Bruto BPM hebben, en er inderdaad minder BPM in rust. Maar belanghebbende kan hier geen beroep op doen, omdat de referentieauto's niet noodzakelijk soortgelijk zijn. Weliswaar zijn het auto's van hetzelfde merk en type, en hebben ze dezelfde C02-uitstoot, maar de datum van de BPM-aangifte van deze auto's is anders. Of de datum eerste toelating of de nieuwprijs wijkt af. Ik ben van mening dat dit niet relevant is. Een consument die een auto in Nederland koopt, vraagt zich niet af wanneer de BPM-aangifte is gedaan. Ook een gering verschil in datum eerste toelating maakt de particulier niet uit. Als de toelatingsdatum 3 maanden verschilt, dan kunnen auto's in de ogen van de consument nog steeds concurreren. Hetzelfde geldt voor de nieuwprijs: dat de opties net iets anders zijn, betekent niet dat de auto's niet in eenzelfde concurrentiepositie kunnen staan.
In de procedures bij de rechtbank en het gerechtshof heeft belanghebbende voor iedere door haar ingevoerde auto uitgebreide informatie overgelegd van reeds in Nederland geregistreerde referentievoertuigen waarvan toelatingsdatum, catalogusprijs en C02-uitstoot voldoende vergelijkbaar zijn. Het zijn auto's van hetzelfde merkt, type, uitvoering, variant, etc. etc.
Gelet op dit overgelegde bewijs is het aan de inspecteur om gemotiveerd, per aangedragen referentieauto, aan te geven waarom die auto niet als referentieauto zou kunnen dienen. Dat heeft hij niet gedaan. Volgens de inspecteur kan geen rekening worden gehouden met deze referentievoertuigen, want daarvan kan bijvoorbeeld de kilometertand (en daarmee de inkoopwaarde) verschillen. Dat is volgens de inspecteur ook een verklaring en tevens rechtvaardiging voor de lagere belastingheffing van die referentieauto's. In het voorbeeld dat ik hierna geef, leg ik uit waarom ik het niet eens ben met dit standpunt.
Stel mijnheer [A] en ik kopen bij dezelfde dealer in Duitsland een gebruikte auto van hetzelfde merk, type en bouwjaar. De auto's hebben ook dezelfde kilometerstand. Het zijn DEMO's. Mijnheer [A] en ik voeren deze auto's op hetzelfde moment in en we gebruiken daarbij dezelfde koerslijst (X-Ray). De inkoopwaarde is gelijk, evenals de belastingdruk. De Herrekende Bruto BPM bedraagt € 10.000 en de verschuldigde BPM € 8.000.
Mijnheer [A] rijdt uitsluitend als de zon schijnt (het is een cabriolet) Hij rijdt in één jaar 5.000 kilometer. Ik rijd in één jaar 100.000 kilometer.
Na een jaar besluiten mijnheer [A] en ik onze auto's te verkopen. Op de verkoopfactuur staat de netto prijs, de BTW en de rest-BPM vermeld. De rest-BPM wordt vastgesteld aan de hand van de formule ‘Herrekende Bruto BPM x forfaitaire afschrijvingstabel’ en bedraagt in dit voorbeeld € 5.000.
In beide auto's rust aldus nog € 5.000 aan rest-BPM en de kilometerstand heeft hierop geen enkele invloed.
Als mijnheer [A] en ik onze auto's hadden geëxporteerd naar Duitsland, dan hadden we beide ingevolge artikel 14a Wet BPM € 5.000 aan BPM teruggekregen. Ook hier heeft de kilometerstand geen enkele invloed op de hoogte van het BPM-bedrag dat na verloop van tijd nog in de auto rust.
Dit voorbeeld toont aan dat het systeem van de heffing van BPM in Nederland zodanig is ingericht, dat zodra in de groep van parallel ingevoerde auto's de Herrekende Bruto BPM eenmaal is vastgesteld, het bedrag aan BPM dan nog in die auto rust slechts afhankelijk is van één parameter, namelijk de forfaitaire afschrijvingstabel, en dat andere omstandigheden, zoals de kilometerstand en daarmee in de inkoopwaarde, niet meer relevant zijn. In zoverre wijkt het Nederlandse stelsel van de registratiebelasting bijvoorbeeld af van het Ierse stelsel,2. waarin het bedrag van de rest-BPM op binnenlandse voertuigen wel afhankelijk is van de inkoopwaarde. Als je in Ierland een auto exporteert, dan wordt de teruggaaf van de registratiebelasting berekend aan de hand van de op dat moment geldende waarde van de auto.
Belanghebbende beroept zich ter zake van de invoer van haar auto's uit andere lidstaten primair op het Nederlandse belastingstelsel en het daarin vervatte systeem, dat het bedrag aan BPM van referentieauto's daalt — niet op basis van de inkoopwaarde — maar op basis van de Herrekende Bruto BPM x de forfaitaire afschrijvingstabel.
In de uitspraken waartegen het onderhavige cassatieberoep is gericht oordeelt het gerechtshof Den Haag in rechtsoverweging 4.1. het volgende:
‘In geschil is of belanghebbende gebruik mag maken van de door haar ontworpen herleidingsmethode.’
De herleidingsmethode is de door belanghebbende bij aangifte toegepaste methode. Ik behandel hier de kentekenregistermethode. Het is niet belanghebbende is die deze methode heeft ontworpen of bedacht. Deze methode volgt uit het systeem van de Nederlandse registratiebelasting. Belanghebbende past dit systeem slechts toe en betoogt aan de hand daarvan dat de naheffingsaanslag ten onthechte en tot een te hoog bedrag is opgelegd.
Het hof vervolgt dat uit het wettelijke systeem, zoals ook uitgelegd door uw college, volgt dat de verschuldigde BPM bij invoer van een auto wordt berekend door het afschrijvingspercentage (gebaseerd op de inkoopwaarde van de referentieauto) te vermenigvuldigen met de Bruto BPM. De herrekende Bruto BPM van referentieauto's speelt in deze berekening geen enkele rol, aldus het hof.
In dit wettelijke systeem wordt de belasting berekend aan de hand van de Bruto BPM, dat wil zeggen de BPM die is geheven ter zake van een officieel ingevoerde auto. Maar belanghebbende beroept zich niet op die categorie. Belanghebbende verzocht hof niet te toetsen of op haar auto's meer BPM rust dan de rest-BPM die is vervat in de waarde van officieel ingevoerde auto's.
Belanghebbende vraagt verzocht het te toetsen of op haar auto's meer BPM wordt geheven dan de rest-BPM die is vervat in de waarde van parallel ingevoerde auto's. Het is deze categorie auto's die ook onderdeel uitmaakt van de nationale markt (deze auto's waren al in Nederland geregistreerd ten tijde van de invoer van belanghebbendes auto's) en het is deze categorie auto's die tot een lager bedrag in de heffing is betrokken dan belanghebbendes auto's.
De Herrekende Bruto BPM speelt geen rol bij officieel ingevoerde auto's, maar wel bij parallel ingevoerde auto's. Het hof miskent dit. Volgens het hof is de herrekende Bruto BPM uitsluitend van belang bij het vaststellen van het bedrag dat bij doorverkoop buiten de grondslag van de BTW mag blijven, het bedrag dat bij export wordt teruggegeven en het bedrag van de extra leeftijdskorting.
Het hof miskent dat bij vergunninghouders in de zin van artikel 8 Wet BPM de Herrekende Bruto BPM weldegelijk een rol speelt bij het vaststellen van de verschuldigde belasting.
Het hof vervolgt dat de in het kentekenregister genoteerde Bruto BPM niet altijd de daadwerkelijk betaalde BPM is, maar een rekenkundig herleid bedrag. Dergelijke gegevens kunnen niet worden gebruikt om aan te tonen dat in strijd met artikel 110 VWEU te veel BPM wordt geheven. Een daadwerkelijke benadeling van uit andere lidstaten ingevoerde auto's blijkt hieruit immers niet, aldus het hof.
Het klopt dat de Herrekende Bruto BPM niet de daadwerkelijk betaalde BPM is. Maar vanuit de Herrekende Bruto BPM kan weldegelijk de betaalde BPM worden herleid. Evenals de handelsinkoopwaarde. En ook kan de verschuldigde BPM hieruit worden herleid (zie de artikel 8 vergunninghouder). En tenslotte kan hieruit ook worden herleid wat het bedrag aan BPM is dat na verloop van tijd nog vervat is in een auto. De daadwerkelijke invloed van de registratiebelasting en de wijze waarop deze op een auto rust kan dus weldegelijk worden bepaald op basis van de Herrekende Bruto BPM. En in het verlengde daarvan kan ook worden vastgesteld of en in hoeverre sprake is van een daadwerkelijke benadeling van uit andere lidstaten ingevoerde auto's.
Als ik een auto wil kopen, dan zoek ik in Nederland en in Duitsland. Ik vind er een in Nederland; die is parallel ingevoerd. En hij heeft een kenteken. Op RDW.nl kan ik exact zien hoeveel BPM er nog in deze auto rust. De prijs van de auto wordt mede bepaald door dat bedrag (hoe meer BPM er in de auto zit, hoe duurder hij is). Ik vind ook een auto in Duitsland. Met gebruikmaking van de koerslijst, en het wettelijke systeem zoals de inspecteur dat verdedigt, kan ik exact bepalen hoeveel BPM is verschuldigd als ik deze auto invoer. Zodra ik vaststel dat ik voor de Duitse auto, met gebruikmaking van de koerslijst, meer BPM moet betalen dan het bedrag aan BPM dat nog rust in de Nederlandse auto, is mijn keuze snel gemaakt. Ik kies voor de Nederlandse auto. Doordat deze een lagere BPM-component heeft, is deze goedkoper. In zoverre wordt de Nederlandse markt bevoordeeld, althans de Duitse markt benadeeld.
In de voorgaande feitelijke instanties heeft belanghebbende stukken overgelegd die dienen ten bewijze van de stelling dat:
- a.
Er in Nederland referentievoertuigen geregistreerd zijn;
- b.
Die soortgelijk zijn aan de door belanghebbende ingevoerde auto's;
- c.
In welke auto's een lager bedrag aan BPM is vervat dan door belanghebbende op aangifte afgedragen BPM;
- d.
Zodat de naheffingsaanslag is opgelegd in strijd met artikel 110 VWEU.
Ik ben van mening dat het gerechtshof het recht heeft geschonden, omdat het heeft nagelaten te toetsen of de door belanghebbende ingevoerde auto's en de aangedragen referentieauto's soortgelijk zijn en zo ja, of belanghebbendes auto's dan tot een hoger bedrag in de heffing werden betrokken. Het gerechtshof heeft uitsluitend geoordeeld dat de verschuldigde BPM moet worden vastgesteld aan de hand van de methode ‘inkoopwaarde / nieuwprijs * Bruto BPM’ en dat de door belanghebbende verdedigde methode daarin niet past. Het gerechtshof heeft daarmee miskend dat uit het systeem van de Wet er een nog een andere, alternatieve, methode volgt ter vaststelling van het verschuldigde bedrag aan BPM, namelijk de methode ‘Herrekende Bruto BPM * forfaitaire afschrijvingstabel’. Door het bestaan van deze alternatieve methode te miskennen, en door niet te toetsen of belanghebbendes auto's zwaarder worden belast dan de aangevoerde referentievoertuigen, heeft het gerechtshof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Naar mijn mening moet deze zaak worden verwezen naar een ander gerechtshof met de opdracht te doen wat het gerechtshof heeft nagelaten.
3.2. Export na oplegging naheffingsaanslag
Ter zake van de Mercedes-Benz C-klasse 6713 ([kenteken 1], BK/DH-SGR 21/00247) werd een naheffingsaanslag opgelegd. Op 27-10-2017 werd de auto uitgevoerd en maakte hij geen deel meer uit van het Nederlandse wagenpark:
Datum | Extra info | Eigenaar | Dagen |
|---|---|---|---|
30-04-2014 | Eerste toelating | - | |
04-08-2015 | Datum deel IA /1 LET OP: IMPORT | Overig | 366 |
04-08-2016 | (erkend) bedrijf | 180 | |
31-01-2017 | Laatste tenaamstelling | (erkend) bedrijf | 269 |
30-04-2017 | APK vervaldatum | - | |
27-10-2017 | Uitvoer | - |
Als belanghebbende nu het bedrag van de naheffingsaanslag van € 536 (of meer) zou moeten bijbetalen, dan zou dit bedrag niet meer worden teruggegeven ter zake van de export. De Belastingdienst zou daarmee ongerechtvaardigd verrijkt zijn.
Ter zake van de BMW 318d ([kenteken 2], BK/DH-SGR 21/00251) geldt dat deze op 26-03-2019 is uitgevoerd:
RDW-gegevens (raadplegen)
Datum | Extra info | Eigenaar | Dagen |
|---|---|---|---|
19-02-2007 | Eerste toelating | ||
01-06-2015 | Datum deel IA /1 LET OP: IMPORT | Particulier | 1122 |
27-06-2018 | (erkend) bedrijf | 8 | |
05-07-2018 | (erkend) bedrijf | 23 | |
28-07-2018 | Particulier | 207 | |
20-02-2019 | (erkend) bedrijf | 15 | |
07-03-2019 | (erkend) bedrijf | 5 | |
12-03-2019 | (erkend) bedrijf | 2 | |
14-03-2019 | Laatste tenaamstelling | (erkend) bedrijf | 12 |
26-03-2019 | Uitvoer | ||
06-05-2019 | APK vervaldatum |
De rechtbank verminderde de naheffingsaanslag tot € 966. Als belanghebbende dit moet betalen, dan zou dit bedrag niet meer worden teruggegeven ter zake van de export. De Belastingdienst zou daarmee ongerechtvaardigd verrijkt zijn.
Ter zake van de BMW 520d Touring ([kenteken 3], BK/DH-SGR 21/00252) geldt dat deze op 06-01-2020 is uitgevoerd:
RDW-gegevens raadplegen)
Datum | Extra info | Eigenaar | Dagen |
|---|---|---|---|
30-08-2011 | Eerste toelating | ||
03-06-2015 | Datum deel IA/1 LET OP: IMPORT | Particulier | 1654 |
13-12-2019 | (erkend) bedrijf | 17 | |
30-12-2019 | Laatste tenaamstelling | (erkend) bedrijf | 7 |
06-01-2020 | Uitvoer | ||
02-06-2020 | APK vervaldatum |
De rechtbank verminderde de naheffingsaanslag tot € 792. Als belanghebbende dit moet betalen, dan zou dit bedrag niet meer worden teruggegeven ter zake van de export. De Belastingdienst zou daarmee ongerechtvaardigd verrijkt zijn.
Ik ben van mening dat voor de 3 hiervoor genoemde auto's het verschil tussen hetgeen de Belastingdienst feitelijk heeft terugbetaald en wat de Belastingdienst zou hebben moeten terugbetalen, uitgaande van de situatie dat de naheffingsaanslag in stand blijft, in mindering moet worden gebracht op de naheffingsaanslag. Steun daarvoor vind ik in het arrest van uw college van 13-11-2020, ECLI:NL:HR:2020:1779. Door anders te oordelen, heeft het gerechtshof het recht geschonden.
4. Conclusie
Op grond van het voorgaande verzoek ik uw college, namens belanghebbende:
- —
Dit beroep in cassatie gegrond te verklaren;
- —
De uitspraken van het gerechtshof te vernietigen;
- —
Alle zaken te verwijzen naar een ander gerechtshof voor een nieuwe beoordeling;
- —
De staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
Hoogachtend,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 11‑07‑2025
In deze film legt belanghebbende uit hoe de inkoopwaarde van een auto kan worden herleid uit het kentekenregister: https://www.youtube.com/[…].
Meer over het Ierse stelsel van registratiebelastingen en de achtergronden daarvan: HvJ EU, C-552/15, ECLI:EU:C:2017:698.
Uitspraak 11‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; art. 10, leden 1 en 2, Wet bpm (tekst 2015); art. 110 VWEU; vaststelling vermindering (afschrijving) wegens gebruikte staat van de personenauto; verwerping herleidingsmethode; verwerping tijdsevenredige vermindering naheffingsaanslag in verband met recht op teruggaaf wegens export van de personenauto.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/00425
Datum 11 juli 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
de STAAT (DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 december 2021, nrs. BKDH-21/00246 tot en met BKDH-21/00248, BKDH-21/00250 tot en met BKDH-21/00255 en BKDH 21/009961., op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 18/746, BRE 18/7728 tot en met 18/7730, BRE 18/7161, BRE 18/7163 tot en met BRE 18/7165 en BRE 18/7675 tot en met BRE 18/7677) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 22 december 2023 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.2.
1.3
Belanghebbende heeft op 12 augustus 2024 verzocht om de Minister van Justitie en Veiligheid te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2. Beoordeling van de klachten
Herleidingsmethode
2.1.1
Belanghebbende heef in 2015 aangiften voor de bpm gedaan in verband met de registratie van door haar vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebrachte gebruikte personenauto’s. Zij heeft bij het berekenen van de verschuldigde bpm een vermindering als bedoeld in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorijwielen 1992 (tekst 2015; hierna: de Wet) in aanmerking genomen vanwege de gebruikte staat ervan. Zij heeft die vermindering (afschrijving) berekend met behulp van een methode die aansluit bij de wijze waarop volgens artikel 14a van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 8d van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, de teruggaaf van bpm wordt berekend wanneer de tenaamstelling in het Nederlandse kentekenregister van een gebruikt motorvoertuig vervalt in verband met het buiten Nederland brengen van dat voertuig. Het aldus berekende bedrag moet volgens belanghebbende worden aangemerkt als ‘rest-bpm’. Het Hof heeft die door belanghebbende ontworpen methode aangeduid als herleidingsmethode (hierna: de herleidingsmethode). Voor een beschrijving van deze door belanghebbende gehanteerde methode en een rekenvoorbeeld daarvan wordt verwezen naar de onderdelen 3.1 tot en met 3.5 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal.
2.1.2
Het Hof heeft geoordeeld dat de herleidingsmethode niet behoort tot de wettelijk toegestane methoden om de in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet bedoelde vermindering aan bpm te berekenen en daarom niet kan worden toegepast. Het Hof heeft verder geoordeeld dat ook artikel 110 VWEU niet noopt om deze methode te aanvaarden, omdat deze methode bij op latere leeftijd ingevoerde auto’s uitgaat van een rekenkundig herleid bedrag dat niet altijd de daadwerkelijk betaalde bpm weergeeft. Dergelijke gegevens kunnen niet worden gebruikt om aan te tonen dat in strijd met artikel 110 VWEU te veel bpm wordt geheven, aldus het Hof.
2.2
De klachten tegen de hiervoor in 2.1.2 weergegeven oordelen van het Hof falen op de gronden die zijn vermeld in de onderdelen 4.4 tot en met 4.7, 4.11, 4.12, en 4.14 tot en met 4.19 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal.
Tijdsevenredig verminderen van naheffingsaanslagen wegens export
2.3.1
Voor het Hof heeft belanghebbende gesteld, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1779 (hierna: het arrest van 13 november 2020), dat de naheffingsaanslagen ter zake van drie personenauto’s moeten worden verminderd omdat bij het verlenen van teruggaaf van bpm vanwege de export van die personenauto’s geen rekening is gehouden met het nageheven, hogere bedrag aan bpm.
2.3.2
Het Hof heeft de hiervoor in 2.3.1 bedoelde stelling verworpen. De situatie waarop het arrest van 13 november 2020 ziet, is in deze zaak niet aan de orde, aldus het Hof.
2.3.3
De tegen dit oordeel gerichte klachten falen op de gronden zoals vermeld in onderdeel 4.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal in samenhang gelezen met onderdeel 4.25 van haar conclusie in de tussen dezelfde partijen bij de Hoge Raad aanhangige zaak met nummer 22/03099.
3. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
3.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht om bij overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade.
3.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 7 februari 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan 12 maanden maar minder dan 18 maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 1.500.
4. Proceskosten
4.1
Het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard, zodat er geen aanleiding is om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
4.2
In de omstandigheid dat aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.
4.3
Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad tot uitgangspunt dat (i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en (ii) op een dergelijk verzoek wegingsfactor 0,25 (zeer licht) van toepassing is, zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.3.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 1.500, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 227 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 11‑07‑2025
ECLI:NL:PHR:2023:1215, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2023:1223.
Zie HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.
Conclusie 22‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Bijlage: ECLI:NL:PHR:2023:1223 BPM; art. 110 VWEU; art. 10 Wet BPM; herleidingsmethode; kentekenregistermethode; tijdsevenredige vermindering; teruggaaf bij uitvoer; CO2-uitstoot; berekening nieuwprijs; proceskostenvergoeding. Belanghebbende heeft aangifte bpm gedaan ter zake van de registratie van 53 personenauto’s. In de aangifte past zij een bpm-vermindering voor gebruikte voertuigen toe. Voor het berekenen van de bpm-vermindering maakt belanghebbende gebruik van de ‘herleidingsmethode’. Volgens deze methode herleidt belanghebbende eerst het herrekende bruto bpm-bedrag voor de referentieauto uit een historische koerslijst, dan wel uit een koerslijst. Vervolgens past belanghebbende de forfaitaire afschrijvingstabel toe op de herrekende bruto bpm. Belanghebbende voert aan dat deze methode aansluit bij de systematiek voor de teruggaaf van bpm in uitvoersituaties. Uit de teruggaafsystematiek valt volgens belanghebbende het bedrag aan rest-bpm af te leiden dat nog rust op soortgelijke voertuigen op het moment van uitvoer. In deze conclusie komt primair de vraag aan de orde of het gebruik van de herleidingsmethode moet worden toegestaan. Het Hof heeft in navolging van de Inspecteur en de Rechtbank het gebruik van de herleidingsmethode verworpen. Volgens het Hof behoort de herleidingsmethode niet tot de wettelijk toegestane methoden en verplicht art. 110 VWEU niet tot aanvaarding van de methode van belanghebbende. De herrekende bruto bpm is een rekenkundig herleid bedrag en vormt niet altijd de daadwerkelijk betaalde bpm, aldus het Hof. De herrekende bruto bpm kan daarom niet worden gebruikt om een schending van art. 110 VWEU aan te tonen. A-G Ettema komt tot de conclusie dat het niet mogelijk is de afschrijving te berekenen op basis van de herleidingsmethode. De herleidingsmethode sluit niet aan bij de systematiek van de Wet BPM voor het berekenen van de bpm-vermindering voor gebruikte voertuigen. De herrekende bruto bpm is een rekenkundig herleid bedrag dat is ingegeven door vereenvoudigingsoverwegingen. Dit bedrag kan niet worden gebruikt om een lagere heffing van bpm bij invoer te bepleiten. Art. 110 VWEU noopt er niet toe de methode van belanghebbende toe te staan. De vergelijking met de uitvoersituatie gaat niet op, omdat deze situatie niet valt onder de werkingssfeer van art. 110 VWEU. Verder kan een (fictief) teruggaafbedrag niet worden gebruikt ter onderbouwing van een schending van dit artikel. De andere middelen falen ook. Belanghebbende heeft geen recht op tijdsevenredige vermindering van het nageheven bpm-bedrag vanwege een latere bpm-teruggaaf. Dat bij deze teruggaaf geen rekening is gehouden met het van belanghebbende nageheven bedrag aan bpm, brengt hierin geen verandering. Voorts heeft het Hof volgens A-G Ettema terecht geoordeeld dat de koerslijst X-RAY niet kan worden gebruikt. Dit heeft tot gevolg dat belanghebbende de door haar bepleite nieuwprijzen niet aannemelijk maakt, zodat ook het tegen dat oordeel gerichte middel faalt. Tot slot komt belanghebbende geen beroep toe op berekening van de CO2-uitstoot volgens de Scandinavische rekenmethode. Uitsluitend het middel van belanghebbende over de berekening van de proceskostenvergoeding slaagt. Het Hof had bij de berekening van de vergoeding moeten uitgaan van een waarde per punt van € 759 in plaats van € 541. A-G Ettema geeft de Hoge Raad daarom in overweging het beroep in cassatie gegrond te verklaren.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/01741
Datum 22 december 2023
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak Belasting pers.auto's en motorrijw. 2015
Nrs. Gerechtshof 21/00261, 21/00262 tot en met 21/00268, 21/00270 en 21/00271,21/00273 tot en met 21/00281, 21/00285 tot en met 21/00299, 21/00338 en 21/00340 tot en met 21/00355
Nrs. Rechtbank BRE 17/7490; BRE 18/803 en 18/7732 tot en met 18/7736; BRE 17/7221, 18/7678, 18/7680 en 18/7681; BRE 17/7222 en 18/7682 tot en met 18/7687; BRE 18/608 en 18/7714 tot en met 18/7727; BRE 18/882 en 18/7745 tot en met 18/7752; BRE 18/864 en 18/7737 tot en met 18/7744
CONCLUSIE
C.M. Ettema
In de zaak van
[X] B.V.
tegen
staatssecretaris van Financiën
1. Overzicht
Inleiding
1.1
Deze conclusie gaat primair over de vraag of belanghebbende voor het bepalen van de bpm-vermindering voor gebruikte voertuigen, gebruik mag maken van een methode die zij de herleidingsmethode (of kentekenregistermethode) noemt. Bij de conclusie hoort een gemeenschappelijke bijlage, waarin ik de herleidingsmethode bespreek.
1.2
Bij toepassing van deze methode herleidt belanghebbende het herrekende bruto bpm-bedrag voor de referentieauto uit een historische koerslijst dan wel uit het kentekenregister. Vervolgens past zij de forfaitaire afschrijvingstabel toe op de herrekende bruto bpm. Belanghebbende voert aan dat deze methode aansluit bij de systematiek voor de teruggaaf van bpm in uitvoersituaties. Uit de teruggaafsystematiek valt naar haar mening het bedrag aan rest-bpm af te leiden dat nog rust op soortgelijke voertuigen op het moment van uitvoer.
1.3
Belanghebbende heeft aangifte bpm gedaan ter zake van de registratie van 53 personenauto’s. Bij het doen van aangifte heeft belanghebbende gebruik gemaakt van de herleidingsmethode. Het Hof heeft in navolging van de Inspecteur en de Rechtbank het gebruik van de herleidingsmethode verworpen. Volgens het Hof behoort de herleidingsmethode niet tot de wettelijk toegestane methoden en verplicht art. 110 VWEU niet tot aanvaarding van de methode van belanghebbende. De herrekende bruto bpm is een rekenkundig herleid bedrag en vormt niet altijd de daadwerkelijk betaalde bpm, aldus het Hof. De herrekende bruto bpm kan dan naar het oordeel van het Hof niet worden gebruikt om een schending van art. 110 VWEU aan te tonen.
1.4
In cassatie stelt belanghebbende zes middelen voor. Middel 1 betoogt dat het Hof de herleidingsmethode ten onrechte heeft verworpen. Middel 2 voert aan dat de naheffingsaanslag tijdsevenredig moet worden verminderd op de grond dat bij het verlenen van bpm-teruggaaf bij export van enkele auto’s geen rekening is gehouden met de naheffing. Middel 3 betoogt dat het Hof de nieuwprijs van een aantal auto’s op onjuiste wijze heeft vastgesteld. Middel 4 voert aan dat belanghebbende de Scandinavische rekenmethode mag toepassen voor het berekenen van de CO2-uitstoot van een Maserati GranTourismo. Middel 5 betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende de koerslijst X-RAY niet mag toepassen voor het bepalen van de afschrijving voor een Citroën Grand C4. Tot slot betoogt middel 6 dat het Hof de proceskostenvergoeding op een verkeerd bedrag heeft vastgesteld.
Opbouw conclusie
1.5
De opbouw van deze conclusie is als volgt. In onderdeel 2 zijn de feiten en het geding in feitelijke instanties weergegeven. Onderdeel 3 bevat een uiteenzetting van het geding in cassatie. In onderdeel 4 bespreek ik achtereenvolgens de zes middelen.
Conclusie herleidingsmethode
1.6
Ik kom tot de slotsom dat het Hof de herleidingsmethode terecht heeft verworpen. De methode sluit niet aan bij de wettelijke systematiek voor het berekenen van de bpm-vermindering voor gebruikte voertuigen. De herrekende bruto bpm speelt daarnaast geen rol bij het berekenen van deze vermindering.
1.7
De bepleite analogie met de teruggaafsituatie gaat niet op. De regeling voor teruggaaf van bpm houdt geen verband met de heffing van bpm. Deze regeling kan niet worden gebruikt om met succes een schending van art. 110 VWEU te bepleiten, aangezien de teruggaafregeling niet valt binnen de werkingssfeer van deze bepaling. Het teruggaafbedrag behelst ook niet een zodanig nauwkeurige weergave van het bedrag aan rest-bpm dat nog rust op de auto waarvoor de teruggaaf wordt verleend, dat dit bedrag kan dienen als maatstaf voor de bpm-vermindering bij invoer. Middel 1 faalt.
Conclusie overige middelen
1.8
Middel 2 faalt ook. De Wet BPM biedt geen mogelijkheid het geheven bpm-bedrag tijdsevenredig te verminderen in verband met een teruggaaf in verband met de uitvoer van het voertuig op een later tijdstip. Voorts kan belanghebbende niet met succes betogen dat zij voor de Maserati GranTourismo gebruik mag maken van de Scandinavische rekenmethode, zodat ook middel 4 faalt.
1.9
Het Hof oordeelt op goede gronden dat belanghebbende de koerslijst X-RAY niet kan toepassen. Dit heeft tot gevolg dat zowel middel 3 als middel 5 faalt.
1.10
Middel 6 slaagt wel. Het Hof had bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding punt 1 van onderdeel B1 Bpb buiten toepassing moeten laten en een waarde per punt van € 759 moeten hanteren. Het beroep in cassatie is alleen om die reden gegrond.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
2.1
Belanghebbende heeft aangifte bpm gedaan voor in totaal 53 auto’s. De Inspecteur heeft naar aanleiding van de aangiften zeven naheffingsaanslagen opgelegd voor deze auto’s. Bij zes van deze aanslagen is gelijktijdig belastingrente in rekening gebracht.
2.2
Belanghebbende maakt bezwaar tegen de naheffingsaanslagen. De Inspecteur is in de uitspraken op bezwaar deels tegemoetgekomen aan het bezwaar van belanghebbende en heeft de naheffingsaanslagen verminderd. De Inspecteur heeft de belastingrente dienovereenkomstig verminderd en proceskostenvergoedingen toegekend.
De Rechtbank1.
2.3
Belanghebbende komt tegen de uitspraken op bezwaar in beroep bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant (de Rechtbank). De Rechtbank heeft zeven uitspraken gedaan. Ik bespreek de uitspraken van de Rechtbank hierna voor zover van belang in cassatie.
2.4
Belanghebbende bepleit primair toepassing van de ‘herleidingsmethode’ voor de heffing van bpm ter zake van ingevoerde tweedehands auto’s. Binnen deze methode vindt de afschrijving plaats op een herrekend bruto bpm-bedrag dat wordt herleid uit een historische koerslijst. De afschrijving wordt vervolgens berekend aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel. De Rechtbank verwerpt de toepassing van deze methode, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraken.2.
2.5
Voorts betoogt belanghebbende dat de verschuldigde bpm voor bepaalde auto’s moet worden verlaagd in verband met de latere uitvoer van deze auto’s. De Rechtbank verwerpt ook dit betoog, aangezien de teruggaaf van bpm bij uitvoer volgens de Rechtbank losstaat van de heffing van bpm bij invoer.
2.6
Voor een aantal auto’s is in geschil of een beroep kan worden gedaan op de koerslijst X-RAY. De Rechtbank oordeelt dat deze koerslijst niet kan worden gebruikt. Zij overweegt dat de koerslijsten niet de datum vermelden waarop ze zijn opgemaakt. Voorts is naar het oordeel van de Rechtbank op de koerslijst niet inzichtelijk gemaakt hoe de catalogusprijs en de opties zijn samengesteld, aangezien de koerslijsten hiervoor slechts totaalbedragen bevatten. De Rechtbank overweegt dat het kennelijk wel mogelijk was een volledige koerslijst van X-RAY te produceren, waarop alle opties staan vermeld. Naar haar oordeel had het op de weg van belanghebbende gelegen deze volledige koerslijst over te leggen, wanneer zij zich daarop had wensen te beroepen.
2.7
Tot slot betoogt belanghebbende dat de CO2-uitstoot van de Maserati GranTourismo kan worden vastgesteld volgens de Scandinavische rekenmethode.3.Tussen partijen is niet in geschil dat deze auto een CO2-uitstoot heeft van 360 gram per kilometer, hetgeen blijkt uit het certificaat van overeenstemming (CVO) dat de Inspecteur heeft overgelegd. Belanghebbende stelt dat soortgelijke auto’s zijn geregistreerd die op basis van de Scandinavische rekenmethode in de heffing worden betrokken. De Rechtbank overweegt dat de Hoge Raad in een arrest van 3 april 20204.heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat bij de registratie van andere auto’s van hetzelfde merk, type en uitvoering een lagere CO2-uitstoot in aanmerking is genomen, niet betekent dat art. 110 VWEU is geschonden. De Rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat dit arrest alleen van toepassing is op vergelijkbare auto’s en niet op soortgelijke auto’s, zoals belanghebbende stelt. Nu voor onderhavige auto een CVO als bedoeld in art. 6a(a) Uitv.reg. BPM is overgelegd, staat de hierop vermelde CO2-uitstoot van 360 gram per kilometer naar het oordeel van de Rechtbank vast.
Het Hof5.
2.8
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (het Hof). Voor zover van belang in cassatie oordeelt het Hof als volgt.
2.9
Het Hof verwerpt de door belanghebbende bepleite herleidingsmethode. In de eerste plaats acht het Hof de methode in strijd met het wettelijke systeem van art. 9 en 10 Wet BPM.6.De (herrekende) bruto bpm van de referentieauto speelt geen enkele rol bij het berekenen van de bpm-vermindering, aldus het Hof. Het wettelijke systeem is volgens het Hof ook niet in strijd met art. 110 VWEU. De verwijzing naar de in het kentekenregister opgenomen (herrekende) bruto bpm kan belanghebbende op dit punt niet baten. Dit betreft immers niet altijd de daadwerkelijk betaalde bpm, maar is vaak een rekenkundig herleid bedrag dat niet kan worden gebruikt om een schending van art. 110 VWEU aan te tonen. Ten overvloede volgt het Hof de Inspecteur ook in diens stelling dat de door belanghebbende overgelegde voorbeelden te veel verschillen van de door haar ingevoerde auto’s om te kunnen kwalificeren als soortgelijk.
2.10
Het Hof verwerpt voorts de stelling van belanghebbende dat voor de afschrijving van een aantal auto’s gebruik kan worden gemaakt van de koerslijst X-RAY. Het Hof oordeelt dat belanghebbende voor deze auto’s geen actuele en controleerbare koerslijst X-RAY heeft overgelegd. Ook volgt naar het oordeel van het Hof niet uit art. 8(4)a Uitv.reg. BPM dat een belastingplichtige passages aan verschillende koerslijsten kan ontlenen en de aldus verkregen collage als één koerslijst kan gebruiken om de handelskoopwaarde te onderbouwen. Volgens het Hof dient een belastingplichtige gebruik te maken van een relevante passage uit één koerslijst, zonder gebruik te maken van andere koerslijsten als invulhulp.
2.11
Het Hof volgt belanghebbende niet in haar stelling dat voor een aantal auto’s rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat deze auto’s op een later tijdstip zijn uitgevoerd. Volgens het Hof hoeft in een procedure over de bij invoer geheven bpm geen rekening te worden gehouden met het bedrag van de bpm-teruggaaf bij uitvoer.
2.12
Belanghebbende betoogt met betrekking tot een aantal auto’s dat de Rechtbank de nieuwprijs onjuist heeft vastgesteld. Het Hof verwerpt ook dit betoog. Volgens het Hof baseert belanghebbende haar berekening van de nieuwprijs op de koerslijst X-RAY, waarover het Hof eerder oordeelde dat deze koerslijsten in het onderhavige geval niet kunnen dienen als onderbouwing voor de bpm-vermindering.
2.13
Over de CO2-uitstoot van de Maserati GranTourismo overweegt het Hof dat de CO2-uitstoot een objectieve en meetbare eigenschap van een auto is. Voor de onderhavige auto is de CO2-uitstoot in het kentekenregister vastgesteld op 360 gram per kilometer, welke uitstoot ook volgt uit het CVO. Een auto met een dergelijke CO2-uitstoot bevat naar het oordeel van het Hof deels andere eigenschappen dan een auto met een afwijkende CO2-uitstoot. De auto’s zijn niet soortgelijk, aldus het Hof. De stelling dat de nieuwprijs voor de Maserati onjuist is vastgesteld, verwerpt het Hof eveneens onder verwijzing naar de koerslijst Eurotax en de koerslijst AutotelexPro die belanghebbende bij de aangifte heeft gevoegd.
3. Het geding in cassatie
Beroepschrift in cassatie
3.1
Belanghebbende komt in cassatie met zes middelen.
3.2
Middel 1 betoogt dat het Hof art. 110 VWEU heeft geschonden, omdat het de herleidingsmethode heeft verworpen. Het middel voert aan dat belanghebbende heeft aangetoond dat er in Nederland soortgelijke voertuigen zijn waarin een lager bedrag aan bpm is vervat dan is nageheven, zodat de naheffingsaanslag in strijd met art. 110 VWEU is opgelegd. Het Hof is ten onrechte niet nagegaan of de referentieauto’s soortgelijk zijn aan de onderwerpelijke auto’s en of die laatste aan een hogere heffing worden onderworpen.
3.3
Middel 2 komt op tegen het oordeel van het Hof dat de naheffingsaanslag niet tijdsevenredig moet worden verminderd op de grond dat bij het verlenen van BPM-teruggaaf bij export van twee auto’s geen rekening is gehouden met de naheffing. Het middel voert aan dat de Inspecteur daardoor ongerechtvaardigd wordt verrijkt.
3.4
Voor zes auto’s voert middel 3 aan dat het Hof de nieuwprijs onjuist heeft vastgesteld dan wel het door belanghebbende aangevoerde betoog hierover ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.
3.5
Middel 4 betoogt dat belanghebbende de Scandinavische rekenmethode mag toepassen voor het berekenen van de CO2-uitstoot van de Maserati GranTourismo, omdat dit gunstiger uitpakt dan de CO2-uitstoot van 360 gram per kilometer die volgt uit het CVO voor deze auto. Het middel voert voorts aan dat belanghebbende voor een geslaagd beroep op art. 110 VWEU, niet aannemelijk hoeft te maken dat sprake is van een referentieauto met een lagere CO2-uitstoot. In plaats daarvan volstaat de constatering dat het wettelijke systeem zodanig is ingericht dat niet in alle gevallen kan worden uitgesloten dat een auto zwaarder wordt belast in relatie tot de belasting die nog rust op een referentieauto.
3.6
Middel 5 bestrijdt het oordeel van het Hof dat belanghebbende voor de Citroën Grand C4 geen gebruik mag maken van de koerslijst X-RAY.
3.7
Middel 6 betoogt dat het Hof de proceskostenvergoeding onjuist heeft berekend.
Verweerschrift
3.8
De staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris) heeft verweer gevoerd. Met betrekking tot middel 1 voert de Staatssecretaris aan dat de herleidingsmethode niet behoort tot de wettelijk toelaatbare verminderingsmethoden. Daarnaast is de huidige wettelijke regeling niet in strijd met art. 110 VWEU, aldus de Staatssecretaris.
3.9
De Staatssecretaris bestrijdt het betoog van belanghebbende dat het bpm-bedrag voor een aantal auto’s tijdsevenredig moet worden verminderd vanwege de latere export van deze auto’s (middel 2). Volgens de Staatssecretaris hoeft bij de bpm-heffing bij invoer van gebruikte voertuigen geen rekening te worden gehouden met een eventuele latere teruggaaf bij uitvoer.
3.10
Met betrekking tot middel 3 voert de Staatssecretaris aan dat het Hof wel degelijk is ingegaan op de stelling van belanghebbende betreffende de nieuwprijs van een aantal auto’s. Volgens de Staatssecretaris dient bij het gebruik van de koerslijstmethode voor het bepalen van de bpm-vermindering, zowel de handelsinkoopwaarde als de historische nieuwprijs te volgen uit dezelfde koerslijst. Nu belanghebbende de nieuwprijs wenst te baseren op een andere koerslijst, kan zij niet in haar stelling worden gevolgd. Subsidiair merkt de Staatssecretaris op dat belanghebbende de bpm-vermindering op basis van de door haar bepleite nieuwprijzen ook niet aannemelijk heeft gemaakt.
3.11
De Staatssecretaris merkt over middel 4 op dat de CO2-uitstoot van de Maserati vaststaat, nu deze is gebaseerd op een door de Inspecteur voor de Rechtbank ingebracht CVO.
3.12
De Staatssecretaris acht de koerslijst X-RAY niet bruikbaar voor het vaststellen van de bpm-vermindering, overeenkomstig het oordeel van het Hof (middel 5).
3.13
Tot slot deelt de Staatssecretaris de in middel 6 vervatte stelling dat het Hof de proceskostenvergoeding verkeerd heeft berekend. Voor zover de Hoge Raad dit middel gegrond verklaard, is de Staatssecretaris van mening dat voor de proceskostenvergoeding voor de cassatieprocedure, wegingsfactor 0,25 (zeer licht) toegepast dient te worden.
4. Bespreking van de middelen
Middel 1 (herleidingsmethode)
4.1
Belanghebbende heeft de bpm-vermindering voor een aantal auto’s bepaald aan de hand van de ‘herleidingsmethode’. Binnen deze methode vindt de afschrijving plaats op een herrekend bruto bpm-bedrag dat wordt herleid uit een historische koerslijst. De afschrijving wordt vervolgens berekend aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel.
4.2
Het Hof verwerpt de door belanghebbende bepleite methode. Volgens het Hof is de methode in strijd met het wettelijke systeem voor de vermindering van de bpm. Het wettelijke systeem is volgens het Hof ook niet in strijd met art. 110 VWEU. De herrekende bruto bpm betreft immers niet altijd de daadwerkelijk betaalde bpm, maar is vaak een rekenkundig herleid bedrag dat niet kan worden gebruikt om een schending van art. 110 VWEU aan te tonen.
4.3
Het middel richt zich tegen dit oordeel van het Hof. Het betoogt dat de herrekende bruto bpm een belangrijke positie inneemt binnen de Wet BPM. Door de afschrijving te berekenen aan de hand van de herrekende bruto bpm handelt belanghebbende geheel in lijn met het systeem van de wet, aldus het middel. Voorts leidt verwerping van de herleidingsmethode volgens het middel tot schending van art. 110 VWEU, doordat niet in alle gevallen kan worden uitgesloten dat meer bpm wordt geheven dan nog rust op soortgelijke binnenlandse voertuigen.
4.4
Middel 1 faalt op de gronden als uiteengezet in de gemeenschappelijke bijlage bij deze conclusie. Het Hof overweegt terecht dat de herleidingsmethode niet behoort tot de toegestane wettelijke methoden voor het bepalen van de bpm-vermindering voor gebruikte voertuigen. Dit oordeel is ook in overeenstemming met de jurisprudentie van de Hoge Raad.7.De omstandigheid dat het bedrag van de herrekende bruto bpm een rol speelt binnen (en buiten8.) het wettelijke systeem van de bpm, brengt niet mee dat dit bedrag ook gebruikt kan worden om ten behoeve van de heffing van bpm de waardevermindering te berekenen. De herleidingsmethode sluit dus niet aan bij het wettelijke systeem van de bpm.9.
4.5
Ook toont het gebruik van de herleidingsmethode niet aan dat het Nederlandse wettelijke systeem in strijd is met art. 110 VWEU.10.Als uitgangspunt geldt dat het bedrag aan rest-bpm na registratie van een personenauto in gelijke mate daalt als de waarde in het economisch verkeer van die auto.11.De herleidingsmethode strookt niet met dit uitgangspunt, aangezien deze methode geen rekening houdt met de daadwerkelijke waardedaling van het referentievoertuig. Ook biedt het bedrag van op de voet van art. 14a Wet BPM bepaalde bpm-teruggaaf, waarvan de herleidingsmethode ook gebruikt maakt, niet een zodanig nauwkeurige weergave van de rest-bpm die nog drukt op een referentieauto, dat dit bedrag kan worden gebruikt om de bpm-heffing op een lager bedrag vast te stellen bij de registratie van soortgelijke gebruikte voertuigen.12.
Middel 2 (tijdsevenredige vermindering)
4.6
Middel 2 komt op tegen het oordeel van het Hof dat de naheffingsaanslag niet tijdsevenredig moet worden verminderd op de grond dat bij het verlenen van BPM-teruggaaf geen rekening is gehouden met de naheffing. Enkele auto’s zijn op enig moment na het doen van aangifte geëxporteerd. In verband met de export van de auto’s is een teruggaaf verleend ter grootte van een percentage van het belastingbedrag dat belanghebbende op aangifte heeft voldaan. Bij deze teruggaaf is geen rekening gehouden met de bpm die nadien van belanghebbende is nageheven. Het middel betoogt dat de Inspecteur onder deze omstandigheden ongerechtvaardigd wordt verrijkt.
4.7
Middel 2 heeft dezelfde strekking als middel 4 in de zaak met nummer 22/03099. Voor een uitgebreide bespreking van het middel verwijs ik naar de conclusie in die zaak. Ik volsta hier met een samenvatting. De Wet BPM biedt niet de mogelijkheid bij de heffing van bpm rekening te houden met (een aanspraak op) uitbetaling van een bedrag aan bpm bij een beëindiging van de tenaamstelling van een motorrijtuig op een later tijdstip. Het Unierecht verplicht ook niet hiertoe. Middel 2 faalt ook.
Middel 3 (nieuwprijs)
4.8
Middel 3 betoogt dat het Hof de nieuwprijs onjuist heeft vastgesteld, dan wel de door belanghebbende hierover ingebrachte stelling buiten beschouwing heeft gelaten.
4.9
Het Hof verwerpt de stelling dat de nieuwprijs onjuist is vastgesteld. Volgens het Hof baseert belanghebbende haar berekening van de nieuwprijs op de koerslijst X-RAY. Het Hof heeft de toepassing van deze koerslijsten verworpen. Naar het oordeel van het Hof zijn de koerslijsten niet actueel en niet controleerbaar. Het is voor het Hof niet duidelijk geworden hoe de koerslijsten X-RAY voor de onderhavige auto’s tot stand zijn gekomen. Het Hof maakt uit art. 8(4)a Uitv.reg. BPM op dat een relevante passage uit één complete koerslijst moet dienen als onderbouwing voor de afschrijving. Belanghebbende kan de passage niet aan verschillende koerslijsten ontlenen, aldus het Hof.
4.10
Op grond van art. 10(9) Wet BPM dient een belastingplichtige bij de aangifte opgaaf te doen van de gegevens die bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving. In het geval de koerslijstmethode wordt toegepast voor het bepalen van de afschrijving, dient de opgaaf te bestaan uit een verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst. Dit is geregeld in art. 8(4) Uitv.reg. BPM. Deze bepaling luidt:
“4 De opgaaf, bedoeld in artikel 10, negende lid, van de wet, bestaat uit:
a. een verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de bij de aangifte toegepaste afschrijving, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, is ontleend; of
(…)
Bij het doen van de opgaaf wordt slechts gebruikgemaakt van de gegevens van niet meer dan één koerslijst als bedoeld onder a.”
4.11
De laatste volzin van art. 8(4) Uitv.reg. BPM bepaalt dat bij het doen van de opgaaf slechts gegevens mogen worden gebruikt die volgen uit één koerslijst. Dit onderdeel is bij een besluit van 21 december 2012 ingevoegd in de Uitvoeringsregeling.13.De toelichting op dit besluit luidt als volgt:
“De verschillende in de handel toegepaste koerslijsten kennen elk hun eigen systematiek, waarbij verschillen bestaan tussen de factoren die apart kunnen worden meegenomen en de weging van die factoren. Hoewel de aldus bepaalde waarde van een gebruikte auto in beginsel steeds de inkoopwaarde zou moeten benaderen die in de praktijk voor een vergelijkbare auto wordt gerealiseerd, zal in de regel de waarde voor een specifieke gebruikte auto per koerslijst wat verschillen, omdat deze waarde langs verschillende wegen kan worden vastgesteld. Bij de aangifte mag de koerslijst worden gebruikt die het hoogste afschrijvingspercentage oplevert en daarmee resulteert in het laagste BPM-bedrag. In de praktijk komt het echter voor dat gegevens van verschillende koerslijsten worden gemengd om tot een hogere afschrijving te komen. Voor elk element dat volgens één of meer koerslijsten apart in aanmerking kan worden genomen, wordt dan een vermindering toegepast aan de hand van de koerslijst die op dat punt de hoogste deelafschrijving oplevert. Daarmee is geen sprake meer van de waardering van de auto, maar van een waarde vastgesteld met behulp van een fictief, gecalculeerd afschrijvingspercentage welke waarde niet strookt met de werkelijke inkoopwaarde die in de praktijk voor vergelijkbare auto’s wordt gerealiseerd.
Ter vermijding van onduidelijkheid op dit punt is in genoemd vierde lid opgenomen dat bij de opgaaf slechts gebruik mag worden gemaakt van de gegevens van niet meer dan één koerslijst. In die koerslijst ontbrekende gegevens mogen uiteraard worden aangevuld. Dat geldt dus ook wanneer de individuele afschrijving wordt vastgesteld aan de hand van een taxatierapport waarvoor mede gebruik is gemaakt van gegevens uit zo’n koerslijst.”
4.12
Het Hof oordeelt dat op grond van art. 8(4) Uitv.reg. BPM, de opgaaf dient te bestaan uit een verwijzing naar een relevante passage uit één koerslijst. Dit oordeel is juist. In het oordeel van het Hof ligt besloten dat de koerslijst X-RAY, waarnaar belanghebbende verwijst, bestaat uit een collage van meerdere koerslijsten. Het Hof oordeelt mede op basis hiervan dat de koerslijst X-RAY niet kan dienen ter onderbouwing van de afschrijving. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige is dit oordeel ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
4.13
Ten aanzien van de nieuwprijs van de desbetreffende auto’s overweegt het Hof vervolgens dat de door belanghebbende bepleite nieuwprijzen zijn gebaseerd op de koerslijst X-RAY. Nu deze koerslijst niet kan dienen ter onderbouwing van de afschrijving (4.12), verwerpt het Hof de hieruit volgende nieuwprijzen.14.Dit oordeel getuigt evenmin van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. In zoverre faalt middel 3.
4.14
Middel 3 voert nog aan dat onbegrijpelijk is dat het Hof oordeelt dat de verwerping van koerslijst X-RAY tot gevolg heeft dat de door belanghebbende bepleite nieuwprijs eveneens moet worden verworpen. Volgens het middel wordt de koerslijst X-RAY slechts gebruikt om de handelsinkoopwaarde te onderbouwen en houdt deze koerslijst geen verband met de nieuwprijs.
4.15
Op dit laatste onderdeel van middel 3 ben ik uitvoerig ingegaan bij de bespreking van middel 6 in mijn de conclusie in de zaak 22/03099. Ik verwijs naar 4.64 tot 4.74 van die conclusie en volsta met de volgende opmerkingen. Wanneer een belastingplichtige voor de bpm-vermindering gebruik maakt van de koerslijstmethode, wordt de afschrijving bepaald door de historische nieuwprijs af te zetten tegen de handelsinkoopwaarde. De historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde dienen betrekking te hebben op dezelfde referentieauto. Voorts dient de belastingplichtige de historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde te gebruiken die volgen uit de koerslijst op basis waarvan de afschrijving van de referentieauto wordt bepaald. Het middel miskent het voorgaande. Ook in zoverre faalt middel 3.
Middel 4 (Scandinavische rekenmethode)
4.16
Over de CO2-uitstoot van de Maserati GranTourismo overweegt het Hof dat de CO2-uitstoot een objectieve en meetbare eigenschap van een auto is. Voor de onderhavige auto is de CO2-uitstoot in het kentekenregister vastgesteld op 360 gram per kilometer, welke uitstoot ook volgt uit het CVO. Volgens het Hof bevat een auto met een dergelijke CO2-uitstoot deels andere eigenschappen dan een auto met een afwijkende CO2-uitstoot. De auto’s zijn niet soortgelijk, aldus het Hof.
4.17
Het middel komt niet op tegen het oordeel van het Hof dat geen sprake is van soortgelijke voertuigen. Het betoogt dat belanghebbende niet aannemelijk hoeft te maken dat sprake is van een soortgelijke auto met een lagere CO2-uitstoot. Volgens het middel volstaat de constatering dat het wettelijke systeem zodanig is ingericht dat niet in alle gevallen kan worden uitgesloten dat een auto zwaarder wordt belast in relatie tot de belasting die nog rust op een referentieauto.
4.18
Op het voorgaande betoog ben ik uitvoerig ingegaan bij de bespreking van middel 5 in mijn conclusie in de zaak 22/03099. Ik verwijs naar 4.38 tot 4.41 van die conclusie. Anders dan het middel bepleit, volstaat niet de theoretische mogelijkheid dat eerder een soortgelijk voertuig is geregistreerd op basis van een lagere CO2-uitstoot. Voor een geslaagd beroep op art. 110 VWEU dient een belastingplichtige aannemelijk te maken dat een lager bedrag aan rest-bpm rust op soortgelijke voertuigen, waarbij het verschil in rest bpm is terug te voeren op de lagere CO2-uitstoot. Nu het Hof – in cassatie onbestreden – heeft geoordeeld dat geen sprake is van soortgelijke voertuigen, slaagt het beroep van belanghebbende op toepassing van een lagere CO2-uitstoot niet. Middel 4 faalt.
Middel 5 (toepassing koerslijst X-RAY)
4.19
Middel 5 richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de koerslijst X-RAY niet kan worden gebruikt. Bij de bespreking van middel 3 kwam ik tot de slotsom dat het oordeel van het Hof op dit punt juist is (4.12). Middel 5 faalt.
Middel 6 (proceskostenvergoeding hoger beroep)
4.20
Middel 6 voert aan dat het Hof de proceskostenvergoeding onjuist heeft berekend.
4.21
Het Hof heeft voor de proceskostenvergoeding een waarde per punt toegekend van € 541. Het Hof deed uitspraak op 14 april 2022. Op deze datum luidde onderdeel B van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt:
“B. Waarde per punt
B1. Beroep en hoger beroep
1. 1 punt = € 541 voor besluiten genomen op grond van hoofdstuk III of IV van de Wet waardering onroerende zaken of hoofdstuk III van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992.
2. 1 punt = € 759 in de overige gevallen.
(…)”
4.22
In een arrest van 27 mei 202215.oordeelt de Hoge Raad dat het onderscheid in de waarde per punt in onderdeel B1 van het Bpb volgens de tekst vanaf 1 juli 2021, in strijd is met het discriminatieverbod van art. 1 Grondwet, zodat punt 1 buiten toepassing dient te blijven.
4.23
Het Hof had bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding punt 1 van onderdeel B1 Bpb buiten toepassing moeten laten en een waarde per punt van € 759 moeten hanteren. Het middel slaagt. Het Hof had de proceskostenvergoeding op een bedrag van € 2.280,74 moeten bepalen. Het beroep in cassatie is alleen om die reden gegrond.
Slotsom
4.24
Ik geef de Hoge Raad in overweging de uitspraak van het Hof te vernietigen enkel voor zover het de beslissing over de proceskosten betreft en te bepalen dat de Inspecteur de proceskosten van € 2.280,74 aan belanghebbende vergoedt.
5. Conclusie
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond te verklaren en de zaak af te doen zoals weergegeven in 4.24.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑12‑2023
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 maart 2021, nr. BRE 17/7490, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl; rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 maart 2021, nrs. 18/803 en 18/7732 t/m 18/7736, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl; rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 januari 2021, nrs. BRE 17/7221, 18/7678, 18/7680 en 18/7681, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl; rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 januari 2021, nrs. BRE 17/7222 en 18/7682 t/m 18/7687, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl; rechtbank Zeeland-West-Brabant 16 februari 2021, nrs. BRE 18/608 en 18/7714 t/m 18/7727, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl; rechtbank Zeeland-West-Brabant 8 april 2021, nrs. BRE 18/882 en 18/7745 t/m 18/7752, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl; rechtbank Zeeland-West-Brabant 8 april 2021, nrs. BRE 18/864 en 18/7737 t/m 18/7744, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 mei 2019, nrs. BRE 17/5767 t/m 17/5774, ECLI:NL:RBZWB:2019:2371; Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 april 2020, nrs. BRE 17/7781 en 18/7707 t/m 18/7713, ECLI:NL:RBZWB:2020:1718; Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 mei 2020, nrs. BRE 17/7276 en 18/7688 t/m 18/7697, ECLI:NL:RBZWB:2020:2163.
Dit wordt behandeld in de uitspraak met zaaknummers BRE 18/882 en 18/7745 t/m 18/7752, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
HR 3 april 2020, nr. 18/01389, ECLI:NL:HR:2020:561.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 april 2022, nrs. BKDH-21/00261, BKDH-21/00262 t/m 21/00268, 21/00270 en 21/00271, 21/00273 t/m 21/00281, 21/00285 t/m 21/00299, 21/00338 en 21/00340 t/m 21/00355, ECLI:NL:GHSHE:2022:1427.
Het Hof verwijst naar vijf arresten van de Hoge Raad, namelijk: HR 17 januari 2020, nr. 18/03802, ECLI:NL:HR:2020:63; HR 21 december 2020, nr. 18/02853, ECLI:NL:HR:2020:317; HR 21 februari 2020, nr. 18/02169, ECLI:NL:HR:2020:318; HR 21 februari 2020, nr. 18/01641, ECLI:NL:HR:2020:323; HR 28 februari 2020, nr. 19/00619, ECLI:NL:HR:2020:331.
HR 20 mei 2022, nr. 19/04563, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.4-3.2.5.
Vgl. onderdeel 4.7 van de gemeenschappelijke bijlage.
Onderdelen 4.4-4.8 van de gemeenschappelijk bijlage.
Onderdelen 4.10-4.19 van de gemeenschappelijke bijlage.
HR 2 maart 2012, nr. 11/00785, ECLI:NL:HR:2012:BV7393, r.o. 3.5.3.
Zie onderdelen 4.17-4.19 van de gemeenschappelijke bijlage.
Zie besluit van 21 december 2012 tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen en van enige overige uitvoeringsregeling, DB 2012-475M, Stcrt 2012, nr. 26349.
Zie punt 5.14 van de bestreden uitspraak.
HR 27 mei 2022, nr. 21/02977, ECLI:NL:HR:2022:752, r.o. 5.5-5.8.
Conclusie 22‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 22 december 2023 inzake: 22/00425 ECLI:NL:PHR:2023:1215 , 22/01741 ECLI:NL:PHR:2023:1213 , 22/02805 ECLI:NL:PHR:2023:1216 , 22/03099 ECLI:NL:PHR:2023:1216 , 23/02908 ECLI:NL:PHR:2023:1215 , 23/02909 ECLI:NL:PHR:2023:1215 en 23/02911 ECLI:NL:PHR:2023:1214
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
C.M. Ettema
ADVOCAAT-GENERAAL
Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 22 december 2023 inzake:
Nrs. 22/00425, 22/01741, 22/02805, 22/03099, 23/02908, 23/02909 en 23/02911
Derde Kamer A
1. Inleiding
1.1
Deze bijlage hoort bij de conclusies met de bovengenoemde zaaknummers. In de bijlage behandel ik de vraag of de methode die belanghebbende bepleit voor het vaststellen van de vermindering van de verschuldigde belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) voor gebruikte voertuigen in de zin van art. 10(1) Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM), die zij de herleidingsmethode (of kentekenregistermethode) noemt, toelaatbaar is.
1.2
In onderdeel 2 schets ik het Nederlandse wettelijke systeem van de heffing van bpm. Daarbij ga ik ook in op de invloed van het EU-recht, in het bijzonder art. 110 VWEU, en de systematiek voor de teruggaaf van bpm in Nederland. In onderdeel 3 beschrijf ik de herleidingsmethode die belanghebbende bepleit. In onderdeel 4 beoordeel ik of de herleidingsmethode aansluit bij de systematiek van de Wet BPM en, zo nee, of het bepaalde in art. 110 VWEU meebrengt dat deze methode moet worden toegepast.
1.3
Ik kom tot de slotsom dat beide vragen ontkennend moeten worden beantwoord.
2. Juridisch kader
Wettelijk systeem bij registratie van nieuwe of gebruikte voertuigen
2.1
In Nederland wordt met betrekking tot personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s een belasting geheven onder de naam ‘belasting van personenauto’s en motorrijwielen’ (bpm). De belasting is in de in geschil zijnde periode (2015-2016) verschuldigd ter zake van de registratie van motorvoertuigen in het Nederlandse kentekenregister.1.Art. 1(1) en art. 1(2) Wet BPM (tekst vanaf 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016) bepalen in dit verband:
“1 Onder de naam ‘belasting van personenauto’s en motorrijwielen’ wordt een belasting geheven met betrekking tot personenauto's, motorrijwielen en bestelauto's.
2 De belasting is verschuldigd ter zake van de registratie van een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto in het kentekenregister.”
2.2
Ingevolge art. 9(1) Wet BPM wordt de (bruto-)bpm die is verschuldigd voor een personenauto bepaald aan de hand van de CO2-uitstoot van de auto.
De invloed van het EU-recht
2.3
Hoewel voor een registratiebelasting als de bpm geen sprake is van harmonisatie binnen de EU, moeten bij de vaststelling van zo’n belasting wél de grenzen in acht worden genomen die het Europese recht geeft. Zo moet deze binnenlandse belasting in overeenstemming zijn met de door het Europese recht gewaarborgde vrijheden en de beginselen die daarvan deel uitmaken.
2.4
In veel procedures is de vraag aan de orde gesteld of de bpm voldoet aan het bepaalde in art. 110 VWEU. Deze bepaling verbiedt de lidstaten een hogere binnenlandse belasting te heffen op uit andere EU-lidstaten afkomstige producten, ten opzichte van soortgelijke binnenlandse producten. Art. 110 VWEU luidt:
“De lidstaten heffen op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven.
Bovendien heffen de lidstaten op de producten van de overige lidstaten geen zodanige binnenlandse belastingen, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd.”
2.5
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie strekt art. 110 VWEU ertoe “de volstrekte neutraliteit van de binnenlandse belastingen te waarborgen ten aanzien van de mededinging tussen producten die zich reeds op de binnenlandse markt bevinden en ingevoerde producten”.2.Volgens het Hof van Justitie verzet art. 110 VWEU zich tegen een stelsel van belastingheffing waarbij niet kan worden uitgesloten dat een ingevoerde auto in bepaalde gevallen onderworpen is aan een hogere belasting dan de belasting die nog rust op gelijksoortige, reeds in die lidstaat geregistreerde, voertuigen.3.Deze discriminatie kan slechts worden voorkomen indien kan worden gekozen voor het laagste restbedrag van de bpm dat nog is vervat in de waarde van gelijksoortige op het nationale grondgebied geregistreerde tweedehands voertuigen.4.Voor de toepassing van art. 110 VWEU is niet alleen het tarief van de betrokken binnenlandse belasting van belang, maar ook de grondslag en de heffingsmodaliteiten.5.
Nieuw of gebruikt?
2.6
Voor de berekening van de ter zake van de registratie van een voertuig verschuldigde bpm moet onderscheid worden gemaakt tussen nieuwe en gebruikte personenauto’s. Onder een nieuwe personenauto moet worden verstaan een auto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest.6.Het is daarbij niet doorslaggevend of de personenauto eerder in een andere lidstaat geregistreerd is geweest.7.Is de personenauto niet nieuw, dan moet hij als gebruikt worden aangemerkt.
2.7
Voor gebruikte personenauto’s en andere gebruikte motorvoertuigen biedt art. 10 Wet BPM de mogelijkheid een vermindering van het belastingbedrag toe te passen. Deze vermindering is gelijk aan een afschrijving, uitgedrukt in een percentage van de som van de catalogusprijs en de bpm op het tijdstip waarop de personenauto voor het eerst in gebruik is genomen. Over de afschrijving bepalen art. 10(1) en (2) Wet BPM het volgende:
“1. Met betrekking tot gebruikte personenauto's, gebruikte motorrijwielen of gebruikte bestelauto's wordt het bij de personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto behorende bedrag aan belasting, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, berekend met inachtneming van een vermindering.
2. De vermindering, bedoeld in het eerste lid, is de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vierde lid, en de belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen.
(…)”
2.8
Onder catalogusprijs verstaat art. 9(4) Wet BPM de in Nederland door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs, welke naar zijn inzicht bij verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. In deze prijs is ook de omzetbelasting begrepen. Als uitgangspunt geldt dat het bedrag van de bpm na de registratie van een ongebruikte auto in gelijke mate daalt als de waarde in het economische verkeer van de gelijksoortige, reeds op het nationale grondgebied geregistreerde gebruikte auto (de referentieauto).8.De vermindering als bedoeld in art. 10(1) Wet BPM, die in het tweede lid van dit artikel wordt omschreven als (procentuele) afschrijving, heeft tot doel om bij de heffing van bpm ter zake van gebruikte personenauto’s rekening te houden met een (bij benadering) reële waardedaling van het desbetreffende voertuig.9.
2.9
Sinds de invoering van de Wet BPM in 1993 is art. 10 diverse malen gewijzigd. Voor een uiteenzetting van deze historische ontwikkeling tot het jaar 2013 verwijs ik naar een eerdere conclusie van mijn hand.10.Tussen 2013 en 2015 is art. 10 Wet BPM tweemaal aangepast. Voor de onderhavige zaken is slechts de tweede wijziging relevant. Met ingang van 1 januari 2015 is lid 6 van art. 10 aangepast en zijn de leden 7 en 8 ingevoegd.11.Deze drie leden luiden per die datum als volgt:
“6. In afwijking van het tweede lid wordt de vermindering, mits daartoe een verzoek bij de aangifte wordt gedaan, vastgesteld aan de hand van een bij ministeriële regeling vast te stellen tabel.
7. De afschrijving, bedoeld in het tweede lid, wordt, mits daartoe een verzoek bij de aangifte wordt gedaan, gesteld op de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vierde lid, en de belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen, verminderd met de waarde vermeld in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland.
8. Indien sprake is van:
a. een voertuig met meer dan normale gebruiksschade, niet zijnde een schadevoertuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel u, van de Wegenverkeerswet 1994, of
b. een motorrijtuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland,
wordt de afschrijving, bedoeld in het tweede lid, mits daartoe een verzoek bij de aangifte wordt gedaan, gesteld op de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vierde lid, en de belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen, verminderd met de taxatiewaarde vermeld in een taxatierapport dat voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.”
2.10
De wet- en regelgever heeft drie manieren aangereikt waarop de waardevermindering als bedoeld in art. 10(2) Wet BPM kan worden vastgesteld voor gebruikte motorvoertuigen: aan de hand van (i) een forfaitaire tabel (lid 6), (ii) een koerslijst (lid 7) of (iii) een taxatierapport (lid 8).12.Ik merk op dat het vóór invoeging in de wet van de leden 7 en 8 ook al gebruikelijk was voor de berekening van de waardevermindering een koerslijst of een taxatierapport te hanteren, namelijk op grond van art. 8 Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Uitv.reg. BPM). De hiervoor genoemde wijziging van de Wet BPM ziet voornamelijk op het beperken van het gebruik van een taxatierapport (lid 8) tot voertuigen met een bepaalde mate van gebruiksschade (sub a) en motorrijtuigen waarvoor geen koerslijst beschikbaar is (sub b).13.
2.11
Ingevolge lid 9 van art. 10 Wet BPM dient de belastingplichtige opgaaf te doen van de gegevens die bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving. Lid 9 bepaalt:
“9 Bij de aangifte wordt een opgaaf gedaan van de gegevens die bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, bedoeld in het tweede lid, dan wel voor de toepassing van de tabel, bedoeld in het zesde lid. Wanneer naar het oordeel van de inspecteur gegevens ontbreken die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde vermindering, worden de ontbrekende gegevens toegevoegd. Gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, en evenmin op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, kunnen door degene die gehouden is de belasting op aangifte te voldoen niet op een later tijdstip alsnog worden gebruikt om de bij de aangifte toegepaste afschrijving te wijzigen.”
2.12
Art. 8 Uitv.reg. BPM geeft nadere regels ter uitvoering van art. 10 Wet BPM.14.Voor zover relevant luidt art. 8 Uitv.reg. BPM als volgt:
“4 De opgaaf, bedoeld in artikel 10, negende lid, van de wet, bestaat uit:
a. een verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de bij de aangifte toegepaste afschrijving, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, is ontleend; of
b. het bij de aangifte gebruikte taxatierapport:
- dat is opgemaakt met inachtneming van de voorwaarden opgenomen in bijlage I; en
- dat is opgemaakt ten hoogste een maand vóór het tijdstip dat de belasting ingevolge artikel 1 van de wet is verschuldigd, in de staat waarin het motorrijtuig op dat tijdstip verkeert, door een onafhankelijke, erkende taxateur, in overeenstemming met het eerste aandachtsstreepje.
Bij het doen van de opgaaf wordt slechts gebruikgemaakt van de gegevens van niet meer dan één koerslijst als bedoeld onder a
5 Bij toepassing van de artikelen 10, zesde lid en 10a, eerste lid, van de wet is de afschrijving, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, een percentage van het belastingbedrag, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, van de wet, welk percentage is aangegeven in de navolgende tabel. Het vierde lid blijft in dat geval buiten toepassing.
[CE: afschrijvingstabel niet opgenomen in citaat]”
2.13
Het discriminatieverbod van art. 110 VWEU vereist dat de reële waardedaling of de werkelijke waarde van een referentievoertuig zo goed mogelijk wordt benaderd.15.Voor de berekening van de waardedaling moet volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden uitgegaan van enerzijds de catalogusprijs inclusief bpm van de referentieauto in nieuwe staat en anderzijds de prijs waarvoor die auto wordt verkocht in dezelfde staat als de auto waarvoor de bpm dient te worden vastgesteld.16.De belastingplichtige die kiest voor een van de drie toegestane methoden (zie 2.10) dient, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat (a) die methode in zijn geval mag worden toegepast, en (b) toepassing van die methode leidt tot de door hem verdedigde waardedaling.17.
2.14
Voor de belastingplichtige die ervoor kiest de waardedaling te berekenen aan de hand van een door hem gekozen, in de handel algemeen toegepaste koerslijst, brengt dit mee dat hij binnen die koerslijst de handelsinkoopwaarde moet nemen van het motorvoertuig waarvan de eigenschappen en de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het motorvoertuig waarvan de afschrijving moet worden bepaald.18.Het Hof van Justitie heeft in de zaak X19.uiteengezet hoe dit moet worden beoordeeld:
“23 Wanneer deze producten op de markt voor tweedehands voertuigen van die lidstaat te koop worden aangeboden, moeten zij worden beschouwd als „gelijksoortige producten”, zijnde producten van dezelfde soort als ingevoerde tweedehands voertuigen, wanneer zij zich door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien, in een concurrentieverhouding bevinden. De mededinging tussen twee modellen hangt af van de mate waarin zij voldoen aan een aantal vereisten op het punt van, onder meer, prijs, afmetingen, comfort, prestaties, verbruik, duurzaamheid en betrouwbaarheid. Het referentievoertuig moet het voertuig zijn waarvan de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het ingevoerde voertuig. Dat houdt in dat rekening wordt gehouden met het model, het type en andere kenmerken, zoals de aandrijving of de uitrusting, de ouderdom en de kilometerstand, de staat van onderhoud of het merk (zie met name arresten van 19 september 2002, Tulliasiamies en Siilin, C101/00, Jurispr. blz. I7487, punten 75 en 76, en 20 september 2007, Commissie/Griekenland, C74/06, Jurispr. blz. I7585, punten 29 en 37).
24 Dienaangaande zij opgemerkt dat de in het vorige punt vermelde criteria limitatief noch dwingend zijn opgesomd. Het referentievoertuig kan natuurlijk variëren naargelang van de specifieke kenmerken van het ingevoerde voertuig. Twee voertuigen die op dezelfde datum voor het eerst in gebruik zijn genomen, zijn niet noodzakelijk gelijksoortig, bijvoorbeeld wegens een andere slijtage. Het staat aan de nationale rechter om, met inachtneming van de in het vorige punt vermelde kenmerken, vast te stellen van welke nationale producten de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het betrokken ingevoerde voertuig.”
2.15
De keuze van de belastingplichtige voor het gebruik van een bepaalde koerslijst laat onverlet dat de inspecteur mag stellen en zo nodig aannemelijk maken dat in de koerslijst van de belastingplichtige of in een andere koerslijst, een ander motorvoertuig voorkomt waarvan de eigenschappen en de kenmerken dichter aanleunen bij die van het te registreren voertuig. Op basis daarvan kan de inspecteur de vermindering aan bpm aanpassen, zonder dat dit in strijd komt met art. 110 VWEU.20.
2.16
Voor het gebruik van een koerslijst op grond van art. 8(4)a Uitv.reg. BPM geldt als voorwaarde dat de in die koerslijst opgegeven richtprijs is bepaald op de grondslag van daadwerkelijk in Nederland door wederverkopers betaalde inkoopprijzen. Wanneer de richtprijs is bepaald door middel van een schatting of een theoretische benadering van de werkelijke waarde van een voertuig, is deze ‘koers’ niet bruikbaar om de afschrijving vast te stellen in de zin van art. 10(2) Wet BPM in samenhang met art. 8(4)a Uitv.reg. BPM.21.
2.17
Voor motorvoertuigen die als zodanig, dat wil zeggen naar merk, model, transmissie, brandstof, vermogen, carrosserie en uitvoering, niet in een relevante koerslijst voorkomen, geldt dat de taxatiemethode op verzoek mag worden gebruikt om de afschrijving te bepalen.22.Aan de hand van die methode wordt de afschrijving gesteld op de catalogusprijs inclusief bpm van het referentievoertuig, verminderd met de getaxeerde waarde van het te registreren voertuig.23.Zie voor de taxatiemethode uitgebreider de conclusie van mijn ambtgenoot Wattel van 22 maart 2019.24.Ik laat deze methode hier verder rusten.
2.18
Indien een belastingplichtige geen gebruik wenst te maken van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst of de taxatiewaarde, wordt de afschrijving bepaald aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel.25.De afschrijving vindt dan degressief plaats over de periode die is verstreken sinds het tijdstip waarop het motorvoertuig voor het eerst in gebruik is genomen. Zie hiervoor art. 8(5) Uitv.reg. BPM.
Teruggaaf van bpm
2.19
Hiervoor (2.10 e.v.) zijn de drie methoden beschreven die volgens de nationale wet- en regelgeving gelden voor de berekening van de reële waardedaling van een motorvoertuig. Zoals gezegd, bepleit belanghebbende een methode die afwijkt van deze voorgeschreven methoden.
2.20
De door belanghebbende gebruikte methode houdt verband met de wettelijke systematiek voor het berekenen van de teruggaaf van bpm bij de uitvoer van motorvoertuigen. Voor een goed begrip van de door belanghebbende gebruikte methode geef ik hierna eerst een beschrijving van de bpm-teruggaafsystematiek volgens de nationale wet- en regelgeving.
2.21
Art. 14a Wet BPM bevat een regeling voor teruggaaf van een bedrag aan bpm wanneer – kortgezegd – de tenaamstelling van een motorvoertuig in het kentekenregister komt te vervallen in verband met het brengen van het voertuig buiten Nederland, en de registratie van het voertuig in een andere EU-lidstaat. Het vierde lid van art. 14a bepaalt dat de teruggaaf de oorspronkelijk verschuldigde bpm bedraagt, nadat dit bedrag is verminderd overeenkomstig een bij ministeriële regeling vast te stellen (afschrijvings)tabel.
2.22
Art. 14a Wet BPM is ingevoerd bij het Belastingplan 200726.en toegelicht bij de (eerste) nota van wijziging27.. Over het vierde lid van art. 14a vermeldt deze toelichting het volgende:28.
“Het bedrag van de teruggaaf wordt ingevolge het vierde lid van artikel 14a van de Wet BPM berekend aan de hand van een bij ministeriële regeling vast te stellen tabel. In deze tabel zal per leeftijdsklasse een afschrijvingspercentage worden opgenomen. Wanneer bij invoer van een gebruikt voertuig een relatief laag BPM-bedrag is voldaan omdat rekening is gehouden met een relatief sterke afschrijving, wordt, voor de berekening van een eventuele latere teruggaaf, rekening gehouden met dit lagere bedrag.”
2.23
De afschrijvingstabel voor de teruggaaf bij uitvoer is opgenomen in art. 8d(1) Uitv.reg. BPM. Het uitgangspunt van de regelgever was dat voor de forfaits in heffingssituaties en teruggaafsituaties dezelfde afschrijvingssnelheid wordt gehanteerd.29.De percentages in deze tabel zijn daarom exact gelijk aan de percentages in de afschrijvingstabel bij de registratie van gebruikte motorvoertuigen in art. 8(5) Uitv.reg. BPM.30.
2.24
Volgens de Hoge Raad is met de teruggaafregeling niet meer beoogd dan de bpm die geacht wordt nog op een in Nederland geregistreerd motorvoertuig te drukken, terug te geven wanneer dat motorvoertuig wordt uitgevoerd.31.Ik citeer:
“3.4 (…) Met de teruggaafregeling van artikel 14a van de Wet is niet meer beoogd dan de bpm die wordt geacht nog op een in Nederland geregistreerde personenauto te rusten, terug te geven wanneer die personenauto na verloop van tijd niet meer is bestemd voor duurzaam gebruik in Nederland en voor duurzaam gebruik wordt overgebracht naar een andere lidstaat. De wijze waarop de hoogte van die teruggaaf wordt berekend, staat los van de regels voor heffing van bpm ter zake van een daarna plaatsvindend, in artikel 1 van de Wet omschreven belastbaar feit. Daardoor kan het gebeuren dat bij een hernieuwde tenaamstelling het te betalen bedrag aan bpm meer bedraagt dan het eerder voor dezelfde personenauto op de voet van artikel 14a van de Wet teruggegeven bedrag aan bpm. Dat is geen reden om ter zake van die hernieuwde tenaamstelling in het Nederlandse kentekenregister minder bpm te heffen dan het bedrag dat volgt uit toepassing van artikel 10, lid 1, van de Wet in samenhang gelezen met artikel 10a van de Wet, en in voorkomend geval ook met artikel 10b van de Wet.”
2.25
Ik merk op dat de teruggaafregeling van bpm niet de vraag oproept of zij strookt met het discriminatieverbod van art. 110 VWEU. Op grond van jurisprudentie van het Hof van Justitie is het Nederland toegestaan een in een andere lidstaat geregistreerde personenauto aan een eenmalige registratiebelasting te onderwerpen, ongeacht de tijdsduur of de intensiteit van het gebruik van de auto, in gevallen waarin de auto hoofdzakelijk bestemd is voor duurzaam gebruik in Nederland of daar aldus feitelijk duurzaam wordt gebruikt. Het VWEU noopt niet tot (gedeeltelijke) teruggaaf van deze belasting wanneer de auto na verloop van tijd niet meer bestemd is voor duurzaam gebruik in Nederland en voor duurzaam gebruik wordt overgebracht naar een andere lidstaat.32.De hoogte van het bedrag van de teruggaaf kan dan ook niet worden bestreden met een beroep op art. 110 VWEU.33.
2.26
De toelichting van de regelgever bij de invoering van art. 8d Uitv.reg. BPM bevat – voor zover hier relevant – drie rekenvoorbeelden voor de toepassing van de afschrijvingstabel en de berekening van het teruggaafbedrag bij export.34.De drie voorbeelden maken onderscheid tussen de export van (i) een in Nederland geregistreerde nieuwe auto, (ii) een in Nederland geregistreerde gebruikte auto waarvan de bpm met gebruikmaking van de afschrijvingstabel van art. 8(5) Uitv.reg. BPM is bepaald en (iii) een in Nederland geregistreerde gebruikte auto waarvan de bpm aan de hand van een koerslijst of taxatierapport is bepaald. Voor een goed begrip van de teruggaafregeling bij uitvoer bespreek ik deze drie situaties hierna.
2.27
De eerste situatie betreft een nieuw in Nederland geregistreerde auto. Hierover vermeldt de toelichting op art. 8d het volgende:
“De hoofdregel voor de berekening van de teruggaaf bij export wordt gegeven in het eerste lid. De vermindering van het belastingbedrag is de som van de percentages zoals die gelden voor iedere maand die geheel of gedeeltelijk is verstreken sinds de belasting verschuldigd is geworden. Deze maanden worden gerekend vanaf het moment van verschuldigdheid van de belasting, oftewel vanaf het moment van eerste tenaamstelling van het Nederlandse kentekenbewijs dan wel het moment van aanvang van het weggebruik in Nederland met een buitenlands gekentekende auto. Het betreft dus geen kalendermaanden, maar gebruiksmaanden in Nederland. In de tabel, opgenomen in het eerste lid, is per gebruiksmaand aangegeven welk percentage van toepassing is. Daarbij is bepalend welk percentage bij aanvang van die gebruiksmaand geldt. De vermindering van de belasting wordt berekend door de som van de gevonden percentages te vermenigvuldigen met het volgens de artikelen 9 tot en met 9c van de wet voor die auto geldende belastingbedrag (de volledige BPM voor de auto in ongebruikte staat). Voor een auto die voor het eerst in Nederland in gebruik is genomen en waarvoor de volledige BPM bij de registratie in het kentekenregister is voldaan, wordt de teruggaaf dus berekend door afschrijving op de volledige BPM, zoals ook vermeld op het kentekenbewijs, met een percentage dat afhankelijk is van de tijdsduur die is verstreken tussen de registratie of de aanvang van het weggebruik in Nederland en de beëindiging van de registratie of het weggebruik in Nederland.”
2.28
De berekening van de teruggaaf is in de eerste situatie relatief eenvoudig, aangezien de teruggaaf rechtstreeks kan worden berekend aan de hand van de leeftijd van de auto (sinds de eerste ingebruikname). Ik illustreer dit aan de hand van een voorbeeld, waarbij ik zo veel mogelijk aansluit bij het gegeven voorbeeld in de toelichting, maar waarbij ik gemakshalve de afschrijvingspercentages die gelden in 2023 gebruik.
Voorbeeld 1
Een personenauto wordt nieuw in Nederland geregistreerd. De bij registratie geheven bpm bedraagt € 8.000. De auto wordt na één jaar, vijf maanden en tien dagen uitgevoerd. De laatste tien dagen worden voor toepassing van de tabel beschouwd als een volledige maand, zodat in totaal 18 maanden zijn verstreken sinds de registratie. Het cumulatieve afschrijvingspercentage uit de tabel bedraagt 42%(A). De afschrijving bedraagt dan € 3.360 (B), zodat de teruggaaf € 4.640(C) bedraagt.
Berekeningen
(A): (1 * 12%) + (2 * 4%) + (2 * 3,5%) + (4 * 1,5%) + (9 * 1%) = 42%. Zie voor de hier genoemde percentages de rechterkolom van de afschrijvingstabel in art. 8d(1) Uitv.reg. BPM (versie vanaf 1 juli 2023).
(B): 8.000 * 42% = 3.360
(C): 8.000 – 3.360 = 4.640
2.29
De tweede situatie betreft een gebruikte personenauto die is geïmporteerd. In dit geval wordt het bij invoer verschuldigde bedrag aan bpm verminderd aan de hand van de afschrijvingstabel van art. 8(5) Uitv.reg. BPM. Voor de berekening van de teruggaaf bij uitvoer wordt per maand echter niet een percentage afgeschreven van het daadwerkelijk belastingbedrag na toepassing van art. 8(5) Uitv.reg. BPM. In plaats daarvan wordt afgeschreven op het ‘bruto bpm-bedrag’, oftewel het verschuldigde bedrag op basis van art. 9 Wet BPM, zonder toepassing van de afschrijving voor gebruikte motorvoertuigen.35.Ik illustreer dit aan de hand van een tweede voorbeeld dat vergelijkbaar is met het eerste.
Voorbeeld 2
Een personenauto wordt in Nederland gebruikt ingevoerd. Op het moment van registratie zijn (afgerond) zes maanden verstreken sinds de eerste ingebruikname. De bruto-bpm bedraagt € 8.000. Dit bedrag wordt verminderd overeenkomstig de afschrijvingstabel van art. 8(5) Uitv.reg. BPM. De vermindering bedraagt 28,5%(A), zodat de verschuldigde bpm € 5.720(B) bedraagt.
De personenauto wordt vervolgens na één jaar weer uitgevoerd. Er zijn aldus twaalf maanden verstreken sinds de registratie in Nederland. De personenauto was al zes maanden oud op het moment van registratie, zodat het bepalen van het cumulatieve afschrijvingspercentage bij uitvoer begint vanaf de vierde tranche van de tabel in art. 8d(1) Uitv.reg. BPM. Het afschrijvingspercentage bedraagt dan 13,5%(C). De afschrijving vindt plaats over het bruto bpm-bedrag (€ 8.000), zodat de vermindering van het belastingbedrag € 1.080(D) bedraagt. De vermindering wordt vervolgens toegepast op de verschuldigde bpm (€ 5.720), waardoor de teruggaaf € 4.640(E) bedraagt.
Berekeningen
(A): 27% + (1 * 1,5%) = 28,5%
(B): 8.000 – (8.000 * 28,5%) = 5.720
(C): (3 * 1,5%) + (9 * 1%) = 13,5%
(D): 8.000 * 13,5% = 1.080
(E): 5.720 – 1.080 = 4.640
2.30
Ik merk op dat het uiteindelijke bedrag van de teruggaaf, en dus de bpm die nog geacht wordt op de auto’s te drukken, in beide voorbeelden hetzelfde is. Dit houdt verband met het feit dat de afschrijvingstabel voor teruggaaf (art. 8d(1) Uitv.reg. BPM) cijfermatig identiek is aan de afschrijvingstabel voor de registratie van gebruikte motorvoertuigen (art. 8(5) Uitv.reg. BPM). Het maakt voor de berekening van de teruggaaf dus geen verschil of het uitgevoerde voertuig aanvankelijk als een nieuw of gebruikt voertuig in Nederland was geregistreerd, mits de verschuldigde bpm ter zake van het gebruikte voertuig is berekend aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel.
2.31
Dan, tot slot, de derde situatie van een gebruikt motorvoertuig dat in Nederland wordt geregistreerd en vervolgens na enige tijd weer wordt uitgevoerd. In tegenstelling tot de situatie in het tweede voorbeeld wordt de vermindering van het verschuldigde bpm-bedrag bij registratie in Nederland nu bepaald aan de hand van een koerslijst of taxatierapport, overeenkomstig art. 8(4) Uitv.reg. BPM. Zoals eerder al bleek uit de toelichting bij art. 14a Wet BPM (2.22), is het de bedoeling van de wetgever geweest om, in het geval van voldoening van een relatief laag bpm-bedrag bij de registratie van een gebruikt voertuig in verband met een relatief sterke afschrijving, bij de teruggaaf bij uitvoer eveneens rekening te houden met een lager bedrag.36.Dit wordt bereikt door het afschrijvingspercentage bij teruggaaf overeenkomstig de tabel van art. 8d(1) Uitv.reg. BPM, niet af te zetten tegen de ‘bruto bpm’, maar tegen een ‘herrekende bruto bpm’. In deze herrekende bruto bpm is de hogere afschrijving op het moment van registratie als het ware verdisconteerd. Deze herrekende bruto bpm wordt met behulp van de formule in art. 8d(4) Uitv.reg. BPM bepaald door de daadwerkelijk verschuldigde bpm ‘terug te rekenen’. De formule luidt: (geheven belasting x 100)/(100 – tabelpercentage). De geheven belasting betreft de verschuldigde en voldane bpm na toepassing van de vermindering aan de hand van een koerslijst of een taxatierapport. Het tabelpercentage betreft het percentage van de afschrijving, indien in de bpm-aangifte zou zijn gekozen voor toepassing van de afschrijvingstabel van art. 8(5) Uitv.reg. BPM. Ik illustreer dit aan de hand van een derde voorbeeld.
Voorbeeld 3
Een personenauto wordt in Nederland gebruikt ingevoerd. Op het moment van registratie zijn (afgerond) zes maanden verstreken sinds de eerste ingebruikname. De bruto-bpm bedraagt (in beginsel) € 8.000. Met gebruikmaking van een taxatierapport is rekening gehouden met een hogere waardedaling dan uit de tabel volgt, waardoor de verschuldigde bpm op € 4.900 is bepaald.
De personenauto wordt vervolgens na één jaar weer uitgevoerd. Er zijn aldus twaalf maanden verstreken sinds de registratie in Nederland. De personenauto was al zes maanden oud op het moment van registratie, zodat het bepalen van het cumulatieve afschrijvingspercentage bij uitvoer begint vanaf de vierde tranche van de tabel in art. 8d(1) Uitv.reg. BPM. Het afschrijvingspercentage bedraagt dan 13,5%(A). Ingevolge art. 8d(4) vindt de afschrijving plaats over het herrekende bruto bpm-bedrag. De formule voor de berekening van de herrekenende bruto bpm luidt: (geheven belasting x 100)/(100 – tabelpercentage). De geheven belasting bedraagt € 4.900. In dit voorbeeld bedraagt het tabelpercentage 28,5%(B). De herrekende bruto bpm bedraagt dan € 6.853(C).
De afschrijving van 13,5% vindt plaats over het herrekende bruto bpm bedrag van € 6.853. Dit leidt tot een vermindering van € 925. Het bedrag van de teruggaaf bedraagt dan € 3.975(D).
Berekeningen
(A): (3 * 1,5%) + (9 * 1%) = 13,5%
(B): 27% + (1 * 1,5%) = 28,5%
(C): (4.900 * 100) / (100 – 28,5) = 490.000 / 71,5 = 6.853
(D): 4.900 – 925 = 3.975
2.32
Schematisch werken de drie hiervoor genoemde voorbeelden als volgt uit:
Voorwerp | Bruto bpm | Verschuldigde bpm | Teruggaaf | |
Voorbeeld 1 | Nieuwe auto | € 8.000 | € 8.000 | € 4.640 |
Voorbeeld 2 | Gebruikte auto (afschrijvingstabel) | € 8.000 | € 5.720 | € 4.640 |
Voorbeeld 3 | Gebruikte auto (koerslijst/taxatie) | € 6.853 (herrekend) | € 4.900 | € 3.975 |
2.33
In het derde voorbeeld bedraagt de teruggaaf, en dus ook de bpm die nog wordt geacht op de personenauto te rusten op het moment van uitvoer, € 3.975. Dit is minder dan de bpm die in voorbeeld 2 nog geacht wordt te rusten op de auto op het moment van uitvoer (€ 4.640). De bpm-afschrijving uit beide voorbeelden blijft desondanks verhoudingsgewijs hetzelfde. Wanneer de verschuldigde bpm bij registratie bijvoorbeeld met 14,3%(A) daalt, daalt het teruggaafbedrag op het moment van uitvoer ook met 14,3%(B). Het verschil tussen de bruto bpm (voorbeeld 2) en de herrekende bruto bpm (voorbeeld 3) volgt tot slot dezelfde verhouding(C)
Berekeningen
(A): In voorbeeld 2 was dit € 5.720 en in voorbeeld 3 € 4.900. Dit is een verschil van: (4.900 – 5.720) / 5.720 * 100% = -14,3%
(B): In voorbeeld 2 was dit € 4.640 en in voorbeeld 3 € 3.975. Dit is een verschil van: (3.975 – 4.640) / 4.640 * 100% = -14,3%
(C): (6.853 – 8.000) / 8.000 * 100% = -14,3%
3. De herleidingsmethode
3.1
De methode die belanghebbende bepleit, de herleidingsmethode of de kentekenregistermethode, sluit voor de berekening van de vermindering aan bij de hiervoor beschreven teruggaafsystematiek bij uitvoer. Zoals deze benamingen doen vermoeden, herleidt deze methode het verschuldigde bpm-bedrag aan de hand van gegevens uit het kentekenregister.
3.2
Het kentekenregister is een basisregistratie voor gegevens omtrent onder meer motorrijtuigen waarvoor een kenteken is opgegeven en de tenaamstelling van die motorrijtuigen. De goede uitvoering van de Wet BPM is een van de doeleinden waarvoor de gegevens in het kentekenregister worden verzameld.37.Om die reden bevat het register gegevens ten behoeve van de heffing van bpm.38.Bij raadpleging van voertuiggegevens toont het kentekenregister onder het kopje ‘Fiscaal’ de post ‘Bruto BPM’, waarachter een geldbedrag is vermeld. De toelichting bij deze post vermeldt:39.
“De belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) moet u betalen bij de eerste registratie van een personenauto, bestelauto of motorrijwiel in het kentekenregister. Wat u hier ziet is de bruto BPM voor een ongebruikt motorrijtuig. Gaat het om een geïmporteerd en gebruikt motorrijtuig en is de afschrijving op de BPM gebaseerd op de werkelijke waarde? Dan is de bruto BPM herrekend. Vaak is dat een lagere waarde dan de oorspronkelijke bruto BPM.”
3.3
De methode van belanghebbende werkt als volgt uit. Op basis van een historische koerslijst van een referentieauto bepaalt belanghebbende de bpm-vermindering die zou hebben gegolden wanneer deze auto op een bepaald moment (in het verleden) zou zijn geregistreerd in Nederland. Deze vermindering wordt toegepast op het bruto bpm-bedrag van de referentieauto, om te komen tot het bedrag aan bpm dat in deze hypothetische situatie (in het verleden) verschuldigd zou zijn geweest. Op basis van de bij teruggaaf gebruikelijke systematiek (art. 8d(4) Uitv.reg. BPM) herleidt belanghebbende uit het hypothetisch verschuldigde bpm-bedrag de herrekende bruto bpm voor de referentieauto. Tot slot past belanghebbende de forfaitaire afschrijvingstabel toe op de hypothetische herrekende bruto bpm van de referentieauto, waarbij wordt afgeschreven over de periode tussen het tijdstip van eerste ingebruikname van de referentieauto en het tijdstip van registratie van de auto waarvoor de bpm is verschuldigd. De uitkomst van deze rekensom is het bpm-bedrag dat nog rust op de referentieauto, aldus belanghebbende. Dit bedrag is even groot als de teruggaaf van bpm in de hypothetische situatie dat de referentieauto zou worden uitgevoerd, op het moment van registratie van de auto waarvoor bpm verschuldigd is.
3.4
Het voorgaande maak ik inzichtelijk aan de hand van een rekenvoorbeeld.
Voorbeeld 4
Op 26 januari 2023 registreert een belastingplichtige auto A. Deze auto is soortgelijk aan auto B in de zin van art. 110 VWEU. Auto B is voor het eerst in gebruik genomen op 15 december 2018. Op basis van de CO2-uitstoot van auto B zou bij registratie in Nederland een bedrag aan bruto bpm verschuldigd zijn van € 8.000. Uit een historische koerslijst van auto B van januari 2020 volgt een afschrijving van 40%. Zou auto B dus op 10 januari 2020 zijn geregistreerd in Nederland, dan zou de verschuldigde bpm € 4.800 bedragen.
Aan de hand van de formule in art. 8d(4) Uitv.reg. BPM kan het verschuldigde bpm-bedrag worden herrekend naar de herrekende bruto bpm. De herrekende bruto bpm bedraagt € 7.409(A). Vervolgens wordt de afschrijvingstabel van art. 8(5) Uitv.reg. BPM toegepast op de herrekende bruto bpm, over de periode tussen het moment van eerste ingebruikname van auto B en de registratie van auto A (4 jaar en 2 maanden). Het afschrijvingspercentage bedraagt 65,328%. De resterende bpm bedraagt € 2.568. Dit is dan de bpm die geacht wordt te rusten op auto B, zodat de verschuldigde bpm over auto A maximaal dit bedrag mag zijn op grond van art. 110 VWEU, aldus belanghebbende.
Berekening
(A): Tussen het moment van eerste ingebruikname en het tijdstip van de hypothetische registratie zijn 14 maanden verstreken. Dit leidt tot een afschrijvingspercentage van 35,22%. De formule luidt dan (4.800 * 100) / (100 - 35,22) = 480.000 / 64,78 = 7.409.
3.5
Het voorgaande is nog volstrekt hypothetisch. Belanghebbende concretiseert de methode vervolgens door te verwijzen naar de herrekende bruto bpm in het kentekenregister. Op die manier wordt niet de herrekende bruto bpm gebruikt van hypothetisch ingevoerde auto’s, maar bestaat ook de mogelijkheid om de herrekende bruto bpm te hanteren van gebruikte auto’s die daadwerkelijk in Nederland zijn geregistreerd op het moment van registratie van het voertuig waarvoor de bpm dient te worden bepaald.
4. Beoordeling van de methode
4.1
Belanghebbende voert aan dat de door haar bepleite herleidingsmethode aansluit bij het systeem van de Wet BPM en dat de weigering van deze methode leidt tot een schending van art. 110 VWEU. Dit betoog steunt op een aantal argumenten, die ik hierna behandel.
Systematiek van de Wet BPM
4.2
Allereerst betoogt belanghebbende dat haar methode aansluit bij de systematiek van de Wet BPM. Belanghebbende meent dat zij geheel in lijn met het systeem van de wet handelt door de forfaitaire afschrijvingstabel toe te passen op de herrekende bruto bpm. Volgens belanghebbende is de herrekende bruto bpm het belangrijkste begrip in het systeem van de Wet BPM, omdat dit het getal is dat enerzijds dient ter berekening van de verschuldigde bpm bij import en anderzijds dient ter berekening van het bedrag aan bpm dat na verloop van tijd nog daadwerkelijk rust op de eerder ingevoerde auto.
4.3
Ik begin bij de relevantie van de herrekende bruto bpm ter berekening van de verschuldigde bpm. Belanghebbende voert drie situaties aan waarin de herrekende bruto bpm een rol speelt als ‘maatstaf van heffing’. Het gaat daarbij om (i) de import van tweedehands auto’s, (ii) de export van tweedehands auto’s en (iii) de verkoop van tweedehands auto’s binnen Nederland.
4.4
In de eerste plaats ben ik het niet met belanghebbende eens dat de herrekende bruto bpm een rol speelt in de systematiek van de Wet BPM voor de berekening van de vermindering van de bpm voor gebruikte auto’s. Zoals ik hiervoor heb uiteengezet, bieden de Nederlandse wet- en regelgeving drie methoden om de waardevermindering voor gebruikte voertuigen te berekenen, te weten: (i) de forfaitaire afschrijvingstabel, (ii) een koerslijst of (iii) een taxatierapport. Het gebruik van de herrekende bruto bpm behoort niet tot de toegestane methoden (zie 2.10 e.v.). Het gelijkluidende oordeel van het Hof acht ik in zoverre ook juist.40.Dit oordeel is ook in overeenstemming met jurisprudentie van de Hoge Raad. Ik citeer uit een arrest van 20 mei 2022:41.
“3.2.4 De wet- en regelgever heeft voorzien in drie methoden waaruit – met inachtneming van bepaalde voorwaarden – kan worden gekozen om die reële waardedaling aannemelijk te maken.42.Hetgeen hiervoor in 3.2.2 is overwogen, brengt mee dat de belastingplichtige die kiest voor een van die methoden, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk dient te maken, die meebrengen (a) dat die methode in zijn geval mag worden toegepast, en (b) dat toepassing van die methode leidt tot de door hem verdedigde waardedaling.
3.2.5 (…)
Door de hiervoor in 3.2.4 genoemde mogelijkheid om te kiezen uit verschillende methoden ter bepaling van de afschrijving, biedt de thans in de Wet opgenomen regeling wel de mogelijkheid om te komen tot een heffing van bpm die in overeenstemming is met artikel 110 VWEU. (…)”
4.5
Belanghebbende verwijst nog naar het Kaderbesluit bpm. Met ingang van 26 juni 2015 werd in onderdeel 6.2 van dit besluit de tegemoetkoming opgenomen dat, voor de bepaling van de extra afschrijving tussen het moment van registratie en het moment van tenaamstelling van het motorvoertuig, gebruik mag worden gemaakt van de herrekende bruto bpm.43.Deze tegemoetkoming betreft een praktische werkwijze voor een specifieke situatie die hier niet aan de orde is. Hieruit kan naar mijn mening niet worden opgemaakt dat de herrekende bruto bpm een gegeven is waarmee volgens de wettelijke systematiek rekening wordt gehouden bij het berekenen van de verschuldigde bpm bij invoer. De verwijzing naar onderdeel 6.2 van het Kaderbesluit bpm (oud)44.ondersteunt dan ook niet de stelling dat de herleidingsmethode aansluit bij de systematiek van de Wet BPM.
4.6
In de tweede plaats voert belanghebbende aan dat de herrekende bruto bpm een rol speelt bij de teruggaaf van bpm bij de uitvoer van auto’s (art. 14a Wet BPM). Dit standpunt is juist, indien destijds voor de bepaling van de verschuldigde bpm bij invoer de waardedaling is bepaald aan de hand van een koerslijst of een taxatierapport. Dat betekent mijns inziens echter niet dat de herrekende bruto bpm ook bij de heffing van bpm relevant is of zou moeten zijn, zoals belanghebbende aanvoert. Met de teruggaafregeling van art. 14a Wet BPM is immers niet meer beoogd dan de bpm die wordt geacht nog op een in Nederland geregistreerd voertuig te drukken, terug te geven wanneer dat voertuig wordt overgebracht naar een andere EU-lidstaat voor duurzaam gebruik aldaar.45.In zoverre houdt de teruggaafregeling dus geen verband met de berekening van de verschuldigde bpm bij invoer. Ook de omstandigheid dat het expliciet de bedoeling van de regelgever was dezelfde afschrijvingssnelheid te hanteren bij heffingssituaties en teruggaafsituaties46., brengt hierin geen verandering. In tegenstelling tot de teruggaafsituatie, kan de verschuldigde bpm immers ook worden vastgesteld aan de hand van een koerslijst of door middel van een taxatierapport. De keuze uit deze drie methoden zorgt ervoor dat een reële waardedaling in aanmerking wordt genomen – en daarmee ook een reële bpm-vermindering – dan wel dat de werkelijke waarde door schatting zeer sterk wordt benaderd.47.Deze strikte waardering houdt geen verband met de teruggaafsituatie, aangezien de teruggaafsituatie zoals gezegd niet valt binnen de werkingssfeer van art. 110 VWEU.48.De analogie met de teruggaafsituatie gaat mijns inziens dan ook niet op ter rechtvaardiging van het gebruik van de herrekende bruto bpm voor de heffingssituatie.
4.7
In de derde plaats verwijst belanghebbende naar het belang van de herrekende bruto bpm voor de verkoop van tweedehands auto’s binnen Nederland. Zij doelt hiermee op de omstandigheid dat de bpm die nog op de auto rust voor de heffing van omzetbelasting buiten de maatstaf blijft.49.Belanghebbende voert aan dat in haar geval de herrekende bruto bpm ook als maatstaf kan worden gehanteerd. Wat hier ook van zij,50.ik meen dat dit argument niet het betoog ondersteunt dat de herleidingsmethode aansluit bij het systeem van de Wet BPM. Als bpm-correctie voor de maatstaf van heffing voor de omzetbelasting heeft de regelgever slechts gekozen voor toepassing van de forfaitaire afschrijvingslijn.51.Het gebruik van een koerslijst of taxatierapport is, anders dan binnen de heffingssystematiek van de Wet BPM, aldus niet mogelijk. Hieruit maak ik op dat voor de maatstaf van heffing van omzetbelasting, niet wordt beoogd om met betrekking tot de resterende bpm te komen tot de meest nauwkeurige (reële) waardedaling, zoals wel wordt beoogd bij de heffing van bpm over gebruikte voertuigen. Waar het Hof overweegt dat het gebruik van de herrekende bruto bpm voor de omzetbelasting is ingegeven door praktische overwegingen, acht ik dit oordeel juist.52.Ook in dit verband gaat de ‘redenering naar analogie’ van belanghebbende dus niet op.
4.8
Ik kom tot de slotsom dat de herleidingsmethode niet aansluit bij het wettelijke systeem voor de berekening van de waardevermindering van de bpm voor gebruikte auto’s. In zoverre faalt de klacht.
Strijd met art. 110 VWEU
4.9
Voor het overige betoogt belanghebbende dat de Nederlandse bpm-heffing in strijd is met art. 110 VWEU. Meer in het bijzonder meent zij dat de door haar gebruikte methode aantoont dat het huidige systeem van de Wet BPM niet in alle gevallen uitsluit dat meer bpm wordt geheven dan de bpm die nog rust op soortgelijke motorvoertuigen op de Nederlandse markt. Hiertoe draagt zij diverse argumenten aan.
4.10
Allereerst voert belanghebbende aan dat de systematiek van de Wet BPM de groep van referentievoertuigen beperkt tot voertuigen die op het moment van eerste ingebruikname in Nederland worden geregistreerd. Met voertuigen die eerst in een andere lidstaat worden geregistreerd en later (parallel) worden geïmporteerd in Nederland wordt volgens belanghebbende ten onrechte geen rekening gehouden als de herrekende bruto bpm als forfaitaire afschrijvingsmaatstaf wordt verworpen.
4.11
Ik volg dit betoog niet. Als uitgangspunt geldt dat het bedrag van de bpm na de registratie van een ongebruikte auto in gelijke mate daalt als de waarde in het economische verkeer van de referentieauto.53.Voor de berekening van de waardedaling van een referentieauto, biedt de Wet BPM onder meer de mogelijkheid gebruik te maken van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen in Nederland. De inkoopwaarde van ‘gebruikte motorrijtuigen in Nederland’ zal niet slechts zijn gebaseerd op gebruikte motorrijtuigen die op het moment van eerste registratie al in Nederland waren geregistreerd. De aanbieder van de koerslijst zal bij het bepalen van de inkoopwaarde van een referentievoertuig deze in beginsel54.mede baseren op parallel ingevoerde gebruikte voertuigen. In zoverre biedt de Wet BPM dus reeds de mogelijkheid (ook) rekening te houden met eerdere parallel ingevoerde voertuigen.
4.12
Vanuit die optiek zie ik ook niet in waarom het nodig zou zijn de nog op een referentieauto rustende bpm te berekenen aan de hand van de herrekende bruto bpm, vermenigvuldigd met het forfaitaire afschrijvingspercentage. Aan de hand van een hedendaagse koerslijst waarop de referentieauto voorkomt kan immers ook de (laagste) inkoopwaarde van de referentieauto en, in het verlengde daarvan, de nog daarop rustende bpm worden bepaald.
4.13
Belanghebbende betoogt voorts dat het systeem van de Wet BPM zodanig is vormgegeven dat het bedrag aan bpm dat nog op parallel ingevoerde auto’s rust, slechts afhankelijk is van één parameter, namelijk de forfaitaire afschrijvingstabel. Ik citeer het beroepschrift:55.
“Dit voorbeeld toont aan dat het systeem van de heffing van BPM in Nederland zodanig is ingericht, dat zodra in de groep van parallel ingevoerde auto's de Herrekende Bruto BPM eenmaal is vastgesteld, het bedrag aan BPM dan nog in die auto rust slechts afhankelijk is van één parameter, namelijk de forfaitaire afschrijvingstabel, en dat andere omstandigheden, zoals de kilometerstand en daarmee in de inkoopwaarde, niet meer relevant zijn.
(…)
Belanghebbende beroept zich ter zake van de invoer van haar auto's uit andere lidstaten primair op het Nederlandse belastingstelsel en het daarin vervatte systeem, dat het bedrag aan BPM van referentieauto's daalt - niet op basis van de inkoopwaarde - maar op basis van de Herrekende Bruto BPM x de forfaitaire afschrijvingstabel.”
4.14
Belanghebbende miskent met dit betoog dat het ‘systeem’ dat zij beschrijft de teruggaafsituatie betreft, die niet valt onder de werkingssfeer van art. 110 VWEU.56.In de heffingssystematiek kan, anders dan bij de teruggaaf, wel degelijk rekening worden gehouden met andere parameters, waaronder de inkoopwaarde, namelijk doordat de afschrijving kan worden vastgesteld door middel van een koerslijst of aan de hand van een taxatierapport. De omstandigheid dat het voor de heffing vanuit praktische overwegingen ook is toegestaan de forfaitaire afschrijvingstabel te gebruiken, doet hieraan niet af.
4.15
In de regel zal toepassing van het forfaitaire afschrijvingspercentage op de herrekende bruto bpm leiden tot een lager bedrag dan wanneer de afschrijving wordt bepaald aan de hand van een koerslijst of taxatierapport. Ook dit leidt mijns inziens echter niet tot het oordeel dat het wettelijke stelsel in strijd is met art. 110 VWEU. Ik licht dit toe.
4.16
Ingevolge art. 8(5) Uitv.reg. BPM dient de forfaitaire afschrijvingstabel te worden toegepast op de bruto bpm. De bruto bpm betreft in wezen de bpm die verschuldigd zou zijn wanneer een nieuw voertuig op het moment van eerste ingebruikname zou worden geregistreerd in Nederland. Op dat moment betreft de (consumenten)waarde van het voertuig de netto catalogusprijs vermeerderd met de daarover verschuldigde omzetbelasting.57.Door de forfaitaire tabel toe te passen op de bruto bpm wordt tegemoetgekomen aan het uitgangspunt dat de bpm die rust op het voertuig in gelijke mate daalt als de waarde van de auto in het economisch verkeer58., zij het dat de daling op een forfaitaire en praktisch uitvoerbare wijze wordt bepaald. Toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel op de herrekende bruto bpm in de heffingssituatie zou hieraan afbreuk doen. De herrekende bruto bpm betreft immers een (doorgaans lagere) fictieve herrekening van de bpm die verschuldigd zou zijn geweest als het desbetreffende voertuig in nieuwe staat zou zijn geregistreerd. Dit herrekende bpm-bedrag houdt geen verband (meer) met de consumentenwaarde in nieuwe staat. Die waarde blijft ongewijzigd. De koppeling van de bpm-afschrijving aan de waardedaling wordt alsdan doorbroken. In zoverre leidt de herleidingsmethode naar mijn mening niet tot een correct bedrag aan bpm dat nog rust op een bepaald voertuig.
4.17
Dit geldt mijns inziens evenzeer voor de teruggaafsituatie. De klacht van belanghebbende steunt hoofdzakelijk op het uitgangspunt dat het teruggaafbedrag, zoals dat wordt berekend volgens de systematiek van art. 14a Wet BPM in samenhang met art. 8d Uitv.reg. BPM, een correcte weergave is van het bedrag aan bpm dat nog rust op het motorvoertuig waarvoor de teruggaaf wordt verleend. Ik deel deze opvatting niet. Het is juist dat de regelgever bij invoering van de teruggaafregeling expliciet heeft vermeld dat het de bedoeling is de afschrijvingssnelheid voor de heffings- en teruggaafsituatie gelijk te trekken.59.Ook is het zo dat met de teruggaafregeling is beoogd de bpm terug te geven die nog wordt geacht op een in Nederland geregistreerd voertuig te rusten. De Hoge Raad heeft dit expliciet beslist in zijn arrest van 25 maart 2022, 19/04950.60.Toegegeven zij dat de tweede zin van rechtsoverweging 3.4 van dat arrest, in het bijzonder de woorden “de bpm die wordt geacht nog op een in Nederland geregistreerde personenauto te rusten” zou kunnen suggereren dat dit btw-bedrag gelijk is aan de rest-bpm die is vervat in gelijksoortige, reeds in die lidstaat geregistreerde, voertuigen.61.Ik meen evenwel dat dit fictieve bpm-bedrag niet een zodanig nauwkeurige weergave is van de nog op een voertuig rustende bpm, dat dit teruggaafbedrag kan worden ingebracht ter onderbouwing van een lagere bpm-heffing ter zake van de registratie van een soortgelijk voertuig.
4.18
Dat houdt in de eerste plaats verband met de omstandigheid dat het teruggaafbedrag volgens de wettelijke systematiek slechts forfaitair berekend kan worden. Zoals belanghebbende zelf ook opmerkt, wordt de teruggaaf daarmee in wezen afhankelijk gesteld van slechts één parameter, namelijk het afschrijvingspercentage. De uitvoerbaarheid in teruggaafsituaties kan daardoor prevaleren boven de nauwkeurigheid van de berekening van de rest-bpm. In een teruggaafsituatie volstaat dit; deze situatie valt niet onder de werkingssfeer van art. 110 VWEU. Dit is anders in de heffingssituatie, waarbij de wetgever wel is gebonden aan art. 110 VWEU. In de heffingssituatie zal een systeem waarbij slechts afschrijving volgens een forfaitair percentage mogelijk is, doorgaans niet voldoen aan de vereisten van art. 110 VWEU.62.
4.19
In de tweede plaats trekt belanghebbende de werking van de herrekende bruto bpm door naar de heffing van bpm. Dit terwijl dit begrip, naar ik meen, vooral is bedoeld om te voorkomen dat bij uitvoer meer bpm wordt terugbetaald dan bij invoer is geheven.63.
Conclusie
4.20
Al met al meen ik dat een bpm-teruggaafbedrag niet kan dienen als maatstaf voor de berekening van het bedrag aan bpm dat nog rust op een in Nederland geregistreerd voertuig, zodat dit teruggaafbedrag ook niet kan worden gebruikt ter onderbouwing van de stelling dat het geldende systeem van bpm-heffing niet in alle gevallen uitsluit dat meer bpm wordt geheven dan nog rust op soortgelijke producten als bedoeld in art. 110 VWEU. Art. 110 VWEU noopt er dus ook niet toe de herleidingsmethode van belanghebbende toe te staan als waarderingsmethode voor de verschuldigde bpm bij de registratie van gebruikte voertuigen.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑12‑2023
De in deze conclusie aangehaalde wetgeving betreft de wetgeving zoals deze gold in de onderhavige tijdvakken, tenzij nadrukkelijk anders wordt vermeld. Ik merk op dat met ingang van 1 januari 2022 het belastbare feit voor de Wet BPM is gewijzigd van de ‘registratie’ (inschrijving én tenaamstelling) naar uitsluitend de ‘inschrijving’. Zie: Wet van 16 december 2020 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2021), Stb. 2020, 540, p. 19 e.v.
HvJ 19 september 2000, Tulliasiamies, en Antti Siilin, C-101/00, ECLI:EU:C:2002:505 (conclusie A-G Stix-Hackl), punt 52.
HvJ 19 december 2013, X, C-437/12, ECLI:EU:C:2013:857, punten 41 en 44.
X, ECLI:EU:C:2013:857, punt 42.
HvJ 9 juni 2016, Budisan, C-586/14, ECLI:EU:C:2021:421, punt 26.
HR 14 september 2012, nr. 12/00848, ECLI:NL:HR:2012:BX7199, r.o. 3.3.2; HR 29 januari 2016, nr. 14/01502, ECLI:NL:HR:2016:119, r.o. 4.2.; HR 27 januari 2017, nr. 16/02949, ECLI:NL:HR:2017:78, r.o. 2.3.2; HR 21 september 2018, nr. 17/02947, ECLI:NL:HR:2018:1695, r.o. 2.3.4.
HR 29 mei 2009, nr. 08/00824, ECLI:NL:HR:2009:BI5100, r.o. 3.3.3; ECLI:NL:HR:2017:78, r.o. 2.3.2, laatste alinea.
HR 2 maart 2012, nr. 11/00785, ECLI:NL:HR:2012:BV7393, r.o. 3.5.3.
HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.2.
Conclusie van 6 april 2016, nr. 15/02273, ECLI:NL:PHR:2016:224, onderdeel 6.12 e.v.
Wet van 17 december 2014 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2015), Stb. 2014, 578.
Vgl. HR 23 oktober 2020, nr. 19/00101, ECLI:NL:HR:2020:1666, r.o. 3.2.2.
Kamerstukken II 2014/15, 34002, nr. 3, p. 31-32.
ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.3.
HR 20 mei 2022, nr. 19/04563, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.3.
ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.4.
ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.3.
ECLI:EU:C:2013:857, punt 23.
ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.4.
ECLI:NL:HR:2020:1666, r.o. 3.2.3
Vgl. ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 4.2.3. Zie ook art. 10(8) Wet BPM in samenhang met art. 8(4)b Uitv.reg. BPM.
ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.3.2.
Conclusie A-G Wattel, nrs. 18/02951 t/m 18/02956, ECLI:NL:PHR:2019:276, onderdelen 6.2-6.8.
ECLI:NL:HR:2020:1666, r.o. 3.2.2.
Wet van 14 december 2006, houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2007), Stb. 2006, 682.
Wijziging Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen alcoholvrije dranken en wijziging van de Uitvoeringsregeling belasting personenauto’s en motorrijwielen 1992, Stcrt. 2007, 19, p. 19 (zie p. 2, rechter kolom).
Om uitvoeringstechnische redenen duurde het aanvankelijk nog enige tijd voordat de tabel in art. 8(5) Uitv.reg. BPM werd aangepast aan de tabel in art. 8d(1). Met ingang van 1 januari 2008 zijn beide tabellen in overeenstemming met elkaar. Zie: Regeling tot wijziging van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, Stcrt. 2007, 110, p. 9.
HR 25 maart 2022, nr. 19/04950, ECLI:NL:HR:2022:439.
HR 14 februari 2014, nr. 12/05759, ECLI:NL:HR:2014:281, r.o. 3.4.3.
HR 29 april 2016, nr. 15/02976, ECLI:NL:HR:2016:753, r.o. 2.3.2, tweede alinea.
Wijziging Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen alcoholvrije dranken en wijziging van de Uitvoeringsregeling belasting personenauto’s en motorrijwielen 1992, Stcrt. 2007, 19, p. 19.
Wijziging Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen alcoholvrije dranken en wijziging van de Uitvoeringsregeling belasting personenauto’s en motorrijwielen 1992, Stcrt. 2007, 19, p. 19 (zie vijfde pagina, linker kolom).
Art. 6(1)k Besluit van 6 oktober 1994, houdende uitvoering van de Wegenverkeerswet 1994 (Kentekenreglement), Stb. 1994, 760.
Particulieren kunnen gegevens opvragen via: ovi.rdw.nl. De hier geciteerde toelichting is geraadpleegd op de datum van deze conclusie.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 22 december 2021, nrs. BKDH-21/00246 t/m 21/00248, 21/00250 t/m 21/00255 en 21/00996, ECLI:NL:GHSHE:2021:4327, punt 5.2.; Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 april 2022, nrs. BKDH-21/00261, BKDH-21/00262 t/m 21/00268, 21/00270 en 21/00271, 21/00273 t/m 21/00281, 21/00285 t/m 21/00299, 21/00338 en 21/00340 t/m 21/00355, ECLI:NL:GHSHE:2022:1427, punt 5.4.; Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 juni 2022, nrs. 20/00362 t/m 20/00372, ECLI:NL:GHSHE:2022:1895, punten 4.2.-4.4.; Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 juni 2022, nrs. 20/00326 t/m 20/00333, ECLI:NL:GHSHE:2022:1894, punten 4.2.-4.4; Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 juli 2023, nrs. 21/00358 t/m 21/00363, ECLI:NL:GHSHE:2023:2185, punten 4.9.-4.10.; Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 juli 2023, nrs. 21/00349 t/m 21/00357, ECLI:NL:GHSHE:2023:2184, punten 4.9.4.10.; Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 juli 2023, nrs. 21/00364 t/m 21/00373, ECLI:NL:GHSHE:2023:2186, punten 4.9.-4.10.
Vgl. ECLI:NL:HR:2020:1666, r.o. 3.2.2.
Besluit van 16 juni 2015, nr. BLKB2015/642M, tot wijziging van het besluit van 17 december 2014, nr. 2014/2067M, Stcrt. 2015, 17269.
Met ingang van 1 januari 2022 is de tegemoetkoming ingetrokken. Zie: Besluit van 16 december 2021, nr. 2021-213897, Stcrt. 2021, 48136.
ECLI:NL:HR:2022:439, r.o. 3.4.
Wijziging Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen alcoholvrije dranken en wijziging van de Uitvoeringsregeling belasting personenauto’s en motorrijwielen 1992, Stcrt. 2007, 19, p. 19 (zie tweede pagina, rechter kolom).
Vgl. HR 28 februari 2020, nr. 19/00619, ECLI:NL:HR:2020:331, r.o. 2.3.4.
ECLI:NL:HR:2016:753, r.o. 2.3.2, tweede alinea.
Ik merk op dat kan worden afgevraagd of deze praktijk overeenstemt met de letter van art. 4(2) Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Dit artikel verwijst voor het ‘resterende bpm-bedrag’ namelijk naar art. 10(6) Wet BPM. Art. 10(6) Wet BPM wordt vervolgens uitgewerkt in art. 8(5) Uitv.reg. BPM, dat bepaalt dat de afschrijving plaatsvindt over het belastingbedrag, bedoeld in art. 9(1)-9(3) Wet BPM. Art. 9 Wet BPM berekent de bruto bpm en niet de herrekende bruto bpm. Daar staat wel tegenover dat het hanteren van de (herrekende) bpm zoals vermeld in het kentekenregister, mijns inziens de uitvoerbaarheid dient.
Nota van toelichting bij Besluit van 20 december 2007 tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsbesluiten, Stb. 2007, 573, p. 14.
ECLI:NL:GHSHE:2021:4327, punt 5.3.; ECLI:NL:GHSHE:2022:1427, punt 5.5.; ECLI:NL:GHSHE:2022:1895, punt 4.5.; ECLI:NL:GHSHE:2022:1894, punt 4.5; ECLI:NL:GHSHE:2023:2185, punt 4.11.; ECLI:NL:GHSHE:2023:2184, punt 4.11.; ECLI:NL:GHSHE:2023:2186, punt 4.11.
ECLI:NL:HR:2012:BV7393, r.o. 3.5.3.
Ik merk op dat sommige aanbieders van koerslijsten de mogelijkheid bieden om rekening te houden met het verschil tussen parallel en officieel ingevoerde voertuigen. Ook bij het gebruik van deze koerslijsten biedt het Nederlandse stelsel aldus de mogelijkheid om rekening te houden met eerdere parallel ingevoerde voertuigen.
Zie p. 10 van het beroepschrift in cassatie in de zaken met nrs. 22/01741, 22/02805 en 22/03099, en p. 4 van het beroepschrift in cassatie in de zaak met nr. 22/00425.
ECLI:NL:HR:2016:753, r.o. 2.3.2, tweede alinea.
Vgl. art. 9(3) en (4) Wet BPM.
ECLI:NL:HR:2012:BV7393, r.o. 3.5.3.
Wijziging Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen alcoholvrije dranken en wijziging van de Uitvoeringsregeling belasting personenauto’s en motorrijwielen 1992, Stcrt. 2007, 19, p. 19 (zie tweede pagina, rechter kolom).
ECLI:NL:HR:2022:439, r.o. 3.4.
X, ECLI:EU:C:2013:857, punten 41 en 44.
Vgl. HvJ 22 februari 2001, Gomes Valente, C-393/98, ECLI:EU:C:2001:109 (conclusie A-G Fennelly), punten 28 en 44.
Zie in gelijke zin de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot IJzerman, nr. 19/04950, ECLI:NL:PHR:2020:616, onderdelen 5.3-5.4.
Conclusie 22‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Bijlage: ECLI:NL:PHR:2023:1223 BPM; art. 110 VWEU; art. 10 Wet BPM; herleidingsmethode; kentekenregistermethode; gebruik koerslijst van een ander merk en type; proceskostenvergoeding. Belanghebbende heeft aangifte bpm gedaan ter zake van de registratie van acht personenauto’s. In de aangifte past zij een bpm-vermindering voor gebruikte voertuigen toe. Voor het berekenen van de bpm-vermindering maakt belanghebbende gebruik van de ‘herleidingsmethode’. Volgens deze methode herleidt belanghebbende eerst het herrekende bruto bpm-bedrag voor de referentieauto uit een historische koerslijst, dan wel uit het kentekenregister. Vervolgens past belanghebbende de forfaitaire afschrijvingstabel toe op de herrekende bruto bpm. Belanghebbende voert aan dat deze methode aansluit bij de systematiek voor de teruggaaf van bpm in uitvoersituaties. Uit de teruggaafsystematiek valt volgens belanghebbende het bedrag aan rest-bpm af te leiden dat nog rust op soortgelijke voertuigen op het moment van uitvoer. In deze conclusie komt primair de vraag aan de orde of het gebruik van de herleidingsmethode moet worden toegestaan. Het Hof heeft in navolging van de Inspecteur en de Rechtbank het gebruik van de herleidingsmethode verworpen. Volgens het Hof behoort de herleidingsmethode niet tot de wettelijk toegestane methoden en verplicht art. 110 VWEU niet tot aanvaarding van de methode van belanghebbende. De herrekende bruto bpm is een rekenkundig herleid bedrag en vormt niet altijd de daadwerkelijk betaalde bpm, aldus het Hof. De herrekende bruto bpm kan daarom niet worden gebruikt om een schending van art. 110 VWEU aan te tonen. A-G Ettema komt tot de conclusie dat het niet mogelijk is de afschrijving te berekenen op basis van de herleidingsmethode. De herleidingsmethode sluit niet aan bij de systematiek van de Wet BPM voor het berekenen van de bpm-vermindering voor gebruikte voertuigen. De herrekende bruto bpm is een rekenkundig herleid bedrag dat is ingegeven door vereenvoudigingsoverwegingen. Dit bedrag kan niet worden gebruikt om een lagere heffing van bpm bij invoer te bepleiten. Art. 110 VWEU noopt niet ertoe de methode van belanghebbende toe te staan. De vergelijking met de uitvoersituatie gaat niet op, omdat deze situatie niet valt onder de werkingssfeer van art. 110 VWEU. Verder kan een (fictief) teruggaafbedrag niet worden gebruikt ter onderbouwing van een schending van dit artikel. Belanghebbende richt voorts een middel tegen het oordeel van het Hof dat uitsluitend gebruik kan worden gemaakt van een koerslijst, indien auto’s van hetzelfde merk en type als de ingevoerde auto voorkomen op deze koerslijst. Dit middel slaagt. Volgens de A-G kan deze voorwaarde voor het gebruik van koerslijsten niet worden afgeleid uit de wet of de jurisprudentie van de Hoge Raad. Verwijzing moet volgen. Het verwijzingshof moet onderzoeken of belanghebbende aannemelijk maakt dat het soortgelijke voertuig waarop zij zich beroept, het voertuig is waarvan de kenmerken en eigenschappen het dichtst aanleunen tegen die van het voertuig waarvoor de bpm-vermindering dient te worden bepaald. Het incidenteel beroep van de Staatssecretaris is ook gegrond. De Rechtbank is voor de proceskostenvergoeding terecht uitgegaan van een waarde van € 534 per punt en het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank op dit punt ten onrechte vernietigd. A-G Ettema geeft de Hoge Raad in overweging zowel het beroep in cassatie als het incidenteel beroep in cassatie gegrond te verklaren en de zaak te verwijzen voor nader onderzoek naar de vraag of belanghebbende aannemelijk maakt dat het soortgelijke voertuig waarop zij zich beroept, het voertuig is waarvan de kenmerken en eigenschappen het dichtst aanleunen tegen die van het voertuig waarvoor de bpm-vermindering dient te worden bepaald.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02911
Datum 22 december 2023
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak Belasting pers.auto's en motorrijw. 2016
Nrs. Gerechtshof 21/00364 t/m 21/00373
Nrs. Rechtbank BRE 17/7517 en 18/7698 t/m 18/7706
CONCLUSIE
C.M. Ettema
In de zaak van
[X] B.V.
tegen
staatssecretaris van Financiën
1. Overzicht
Inleiding
1.1
Deze conclusie gaat primair over de vraag of belanghebbende voor het bepalen van de bpm-vermindering voor gebruikte voertuigen, gebruik mag maken van een methode die zij de herleidingsmethode (of kentekenregistermethode) noemt. Bij de conclusie hoort een gemeenschappelijke bijlage, waarin ik de herleidingsmethode bespreek.
1.2
Bij toepassing van deze methode herleidt belanghebbende het herrekende bruto bpm-bedrag voor de referentieauto uit een historische koerslijst dan wel uit het kentekenregister. Vervolgens past zij de forfaitaire afschrijvingstabel toe op de herrekende bruto bpm. Belanghebbende voert aan dat deze methode aansluit bij de systematiek voor de teruggaaf van bpm in uitvoersituaties. Uit die teruggaafsystematiek valt naar haar mening het bedrag aan rest-bpm af te leiden dat nog rust op soortgelijke voertuigen op het moment van uitvoer.
1.3
Belanghebbende heeft aangifte bpm gedaan ter zake van de registratie van tien personenauto’s. Bij het doen van aangifte heeft belanghebbende gebruik gemaakt van de herleidingsmethode. Het Hof heeft in navolging van de Inspecteur en de Rechtbank het gebruik van de herleidingsmethode verworpen. Volgens het Hof behoort de herleidingsmethode niet tot de wettelijk toegestane methoden en verplicht art. 110 VWEU niet tot aanvaarding van de methode van belanghebbende. De herrekende bruto bpm is een rekenkundig herleid bedrag en vormt niet altijd de daadwerkelijk betaalde bpm, aldus het Hof. De herrekende bruto bpm kan dan naar het oordeel van het Hof niet worden gebruikt om een schending van art. 110 VWEU aan te tonen.
1.4
In cassatie stelt belanghebbende drie middelen voor. Middel 1 betoogt dat het Hof de herleidingsmethode ten onrechte heeft verworpen. Volgens middel 2 oordeelt het Hof ten onrechte dat uitsluitend gebruik kan worden gemaakt van de koerslijstmethode indien een auto van hetzelfde merk en type als de te registreren auto in de koerslijst is vermeld. Middel 3 komt op tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende geen belang heeft bij de betwisting van de handelsinkoopwaarde van auto 6.
1.5
De Staatssecretaris heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld en stelt één middel voor. Het middel voert aan dat het Hof ten onrechte de uitspraak van de Rechtbank vernietigt op het punt van de proceskostenvergoeding.
Opbouw conclusie
1.6
De opbouw van deze conclusie is als volgt. In onderdeel 2 zijn de feiten en het geding in feitelijke instanties weergegeven. Onderdeel 3 bevat een uiteenzetting van het geding in cassatie. In onderdeel 4 bespreek ik achtereenvolgens de drie middelen in het principale beroep en het middel in het incidentele cassatieberoep.
Conclusie herleidingsmethode
1.7
Ik kom tot de slotsom dat het Hof de herleidingsmethode terecht heeft verworpen. De methode sluit niet aan bij de wettelijke systematiek voor het berekenen van de bpm-vermindering voor gebruikte voertuigen. De herrekende bruto bpm speelt daarnaast geen rol bij het berekenen van deze vermindering.
1.8
De bepleite analogie met de teruggaafsituatie gaat niet op. De regeling voor teruggaaf van bpm houdt geen verband met de heffing van bpm. Deze regeling kan niet worden gebruikt om met succes een schending van art. 110 VWEU te bepleiten, aangezien de teruggaafregeling niet valt binnen de werkingssfeer van deze bepaling. Het teruggaafbedrag behelst ook niet een zodanig nauwkeurige weergave van het bedrag aan rest-bpm dat nog rust op de auto waarvoor de teruggaaf wordt verleend, dat dit bedrag kan dienen als maatstaf voor de bpm-vermindering bij invoer. Middel 1 faalt.
Conclusie overige middelen
1.9
Belanghebbende bestrijdt met middel 2 het oordeel van het Hof dat uitsluitend gebruik kan worden gemaakt van een koerslijst, indien auto’s van hetzelfde merk en type als de ingevoerde auto voorkomen op deze koerslijst. Ik kom tot de slotsom dat deze voorwaarde voor het gebruik van koerslijsten niet kan worden afgeleid uit de wet of de jurisprudentie van de Hoge Raad. Middel 2 slaagt.
1.10
Middel 3 behoeft geen behandeling.
1.11
Het middel in het incidentele cassatieberoep slaagt ook. De Rechtbank is terecht uitgegaan van een waarde van € 534 per punt en het Hof heeft de uitspraken van de Rechtbank ten onrechte vernietigd.
Slotsom
1.12
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie en het incidentele beroep in cassatie gegrond te verklaren en de zaak te verwijzen voor verdere behandeling. Het verwijzingshof moet onderzoeken of belanghebbende voor auto 6 aannemelijk maakt dat het soortgelijke voertuig waarop zij zich beroept, het voertuig is waarvan de kenmerken en eigenschappen het dichtst aanleunen tegen die van het voertuig waarvoor de bpm-vermindering dient te worden bepaald.
2. De feiten en het geding in feitelijke instantie
De feiten
2.1
Belanghebbende heeft aangifte bpm gedaan voor tien auto’s. Zij heeft bij het bepalen van de afschrijving voor een aantal van deze auto’s gebruik gemaakt van de ‘herleidingsmethode’. Binnen deze methode heeft belanghebbende de historische herrekende bruto bpm herleid uit historische koerslijsten. Op deze herrekende bruto bpm heeft belanghebbende vervolgens de forfaitaire afschrijvingstabel toegepast, waaruit een afschrijving volgt die belanghebbende in de bpm-aangifte heeft opgenomen.
2.2
Met dagtekening 12 december 2016 heeft de Inspecteur naheffingsaanslagen opgelegd. De Inspecteur accepteert de toepassing van de herleidingsmethode in de aangifte niet.
2.3
Belanghebbende maakt bezwaar tegen de naheffingsaanslag. De Inspecteur doet uitspraak op bezwaar, verklaart het bezwaar gegrond en komt ten dele tegemoet aan het betoog van belanghebbende. De Inspecteur wijzigt zijn standpunt inzake de herleidingsmethode echter niet.
De Rechtbank1.
2.4
Belanghebbende stelt beroep in tegen de uitspraak op bezwaar bij rechtbank Zeeland-West-Brabant (de Rechtbank). Primair pleit belanghebbende voor toepassing van de herleidingsmethode voor het bepalen van de afschrijving voor de ingevoerde auto’s. De Rechtbank verwerpt toepassing van de herleidingsmethode onder verwijzing naar eerdere uitspraken.2.De Rechtbank overweegt dat de herleidingsmethode niet behoort tot de wettelijk toegestane methoden en dat art. 110 VWEU ook niet noopt tot aanvaarding van de methode.
2.5
Voorts is in geschil of voor de bpm-vermindering voor de Ferrari 488 (auto 6) kan worden verwezen naar een koerslijst waarop een auto van een ander merk en type voorkomt. Voor auto 6 is namelijk geen koerslijst beschikbaar waarop deze auto naar merk en type voorkomt. De Rechtbank oordeelt dat de koerslijst voor een auto van een ander merk en type niet kan worden gebruikt voor het bepalen van de afschrijving. Nu belanghebbende voor auto 6 ook geen taxatierapport heeft overgelegd, wordt de afschrijving bepaald aan de hand van de forfaitaire tabel.
Het Hof3.
2.6
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld bij gerechtshof ’s-Hertogenbosch (het Hof) tegen de uitspraak van de Rechtbank.
2.7
Ook het Hof verwerpt het gebruik van de door belanghebbende bepleite herleidingsmethode. Het Hof neemt het oordeel van de Rechtbank over en voegt hieraan toe dat uit het wettelijke systeem volgt dat de bpm van een in te voeren gebruikte auto wordt berekend door de waardedaling te bepalen met inachtneming van de handelsinkoopwaarde van referentieauto’s. De (herrekende) bruto bpm van referentieauto’s speelt volgens het Hof geen enkele rol bij deze berekening. Voorts betreft de in het kentekenregister genoteerde bruto bpm niet altijd de daadwerkelijk betaalde bpm, maar een rekenkundig herleid bedrag. Dergelijke gegevens kunnen naar het oordeel van het Hof niet worden gebruikt om aan te tonen dat in strijd met art. 110 VWEU te veel bpm wordt geheven. Een daadwerkelijke benadeling van uit andere lidstaten ingevoerde auto’s blijkt hieruit immers niet, aldus het Hof.
2.8
Ten aanzien van auto 6 volgt het Hof de Rechtbank in haar oordeel dat het niet mogelijk is een koerslijst te gebruiken van een auto van een ander merk en type dan de auto waarvoor de afschrijving moet worden bepaald. Naar het oordeel van het Hof kan uitsluitend gebruik gemaakt worden van de optie om de afschrijving aan de hand van een koerslijst vast te stellen indien een koerslijst van een voertuig van hetzelfde merk en type beschikbaar is.
2.9
Tot slot betwist belanghebbende de handelsinkoopwaarde van auto 6, die door de Inspecteur is vastgesteld op € 220.000. Volgens het Hof heeft belanghebbende geen belang bij deze betwisting. De Rechtbank heeft deze waarde immers verworpen en de afschrijving bepaald aan de hand van de forfaitaire tabel. Dit leidt tot een verschuldigd bpm-bedrag dat gunstiger is voor belanghebbende dan het bpm-bedrag dat de Inspecteur als uitgangspunt heeft genomen in de uitspraak op bezwaar, aldus het Hof.
3. Het geding in cassatie
Beroepschrift in cassatie
3.1
Belanghebbende komt in cassatie met drie middelen.
3.2
Middel 1 betoogt dat het Hof art. 110 VWEU heeft geschonden, omdat het de herleidingsmethode heeft verworpen. Het middel voert aan dat belanghebbende heeft aangetoond dat er in Nederland soortgelijke voertuigen zijn waarin een lager bedrag aan bpm is vervat dan is nageheven, zodat de naheffingsaanslag in strijd met art. 110 VWEU is opgelegd. Het Hof is ten onrechte niet nagegaan of de referentieauto’s soortgelijk zijn aan de onderwerpelijke auto’s en of die laatste aan een hogere heffing worden onderworpen.
3.3
Middel 2 bestrijdt het oordeel van het Hof dat het uitsluitend mogelijk is een koerslijst voor een voertuig van hetzelfde merk en type te gebruiken. Volgens het middel dient binnen een koerslijst aangesloten te worden bij het voertuig waarvan de eigenschappen het dichtst aanleunen tegen die van het ingevoerde voertuig, ook indien dit een voertuig van een ander merk en type betreft.
3.4
Middel 3 komt op tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende geen belang heeft bij de betwisting van de handelsinkoopwaarde van auto 6. Volgens het middel leidt toepassing van de handelsinkoopwaarde van € 220.000 tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat dan toepassing van de forfaitaire tabel.
Verweerschrift
3.5
De staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris) voert met betrekking tot middel 1 aan dat de herleidingsmethode niet behoort tot de wettelijk toegestane verminderingsmethoden. Daarnaast is de huidige wettelijke regeling volgens de Staatssecretaris niet in strijd met art. 110 VWEU.4.
3.6
Ten aanzien van middel 2 voert de Staatssecretaris aan dat het bestreden oordeel hem juist voorkomt. Voor zover het middel zou slagen, zou dit volgens de Staatssecretaris niet tot cassatie kunnen leiden. Het Hof oordeelt in punt 4.17 over de koerslijstuitdraai die belanghebbende voor onder andere auto 6 wenst te gebruiken, dat deze koerslijst niet de benodigde gegevens bevat om als onderbouwing van de afschrijving te worden gebruikt.
3.7
Met betrekking tot de handelsinkoopwaarde (middel 3) betoogt de Staatssecretaris dat belanghebbende dit standpunt niet voor het eerst in cassatie kan innemen. Belanghebbende heeft in haar hoger beroepschrift en aanvullende stukken meermaals en consistent verklaard dat de door de Inspecteur gehanteerde handelsinkoopwaarde van € 220.000 niet bruikbaar is, aldus de Staatssecretaris.
Incidenteel beroep in cassatie
3.8
De Staatsecretaris heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld in de zaken met nummers 23/02908 en 23/02909. Daarbij stelt hij één middel voor. Het middel voert aan dat het Hof ten onrechte de uitspraak van de Rechtbank vernietigt op het punt van de proceskostenvergoeding. Het Hof heeft onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Hoge Raad5.geoordeeld dat punt 1 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in strijd is met het discriminatieverbod en daarom buiten toepassing moet blijven. De uitspraak van de Rechtbank is volgens het middel echter gedaan vóór het ontstaan van de discriminatie, namelijk vóór de wijziging van het Bpb per 1 juli 2021. De Rechtbank heeft derhalve de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase op de juiste wijze vastgesteld en de uitspraak is op dit punt ten onrechte vernietigd, aldus het middel.
4. Bespreking van de middelen
Middel 1 (herleidingsmethode)
4.1
Belanghebbende heeft de bpm-vermindering bepaald aan de hand van de ‘herleidingsmethode’. Binnen deze methode vindt de afschrijving plaats op een herrekend bruto bpm-bedrag dat wordt herleid uit een historische koerslijst. De afschrijving wordt vervolgens berekend aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel.
4.2
Het Hof verwerpt de door belanghebbende bepleite methode. Volgens het Hof behoort de herleidingsmethode niet tot de in de wet toegestane methoden om de vermindering van de bpm voor gebruikte voertuigen te berekenen. Voorts betreft de in het kentekenregister genoteerde bruto bpm niet altijd de daadwerkelijk betaalde bpm, maar een rekenkundig herleid bedrag. Dergelijke gegevens kunnen naar het oordeel van het Hof niet worden gebruikt om aan te tonen dat in strijd met art. 110 VWEU te veel bpm wordt geheven.
4.3
Middel 1 richt zich tegen dit oordeel van het Hof. Het middel betoogt dat de herrekende bruto bpm een belangrijke positie inneemt binnen de Wet BPM. Door de afschrijving te berekenen aan de hand van de herrekende bruto bpm handelt belanghebbende geheel in lijn met het systeem van de wet, aldus het middel. Voorts leidt verwerping van de herleidingsmethode volgens het middel tot schending van art. 110 VWEU, doordat niet in alle gevallen kan worden uitgesloten dat meer bpm wordt geheven dan nog rust op soortgelijke binnenlandse voertuigen.
4.4
Middel 1 faalt op de gronden als uiteengezet in de gemeenschappelijke bijlage bij deze conclusie. Het Hof overweegt terecht dat de herleidingsmethode niet behoort tot de toegestane wettelijke methoden voor het bepalen van de bpm-vermindering voor gebruikte voertuigen. Dit oordeel is ook in overeenstemming met de jurisprudentie van de Hoge Raad6.. De omstandigheid dat het bedrag van de herrekende bruto bpm een rol speelt binnen (en buiten7.) het wettelijke systeem van de bpm, brengt niet mee dat dit bedrag ook gebruikt kan worden om ten behoeve van de heffing van bpm de waardevermindering te berekenen. De herleidingsmethode sluit dus niet aan bij het wettelijke systeem van de bpm.8.
4.5
Ook toont het gebruik van de herleidingsmethode niet aan dat het Nederlandse wettelijke systeem in strijd is met art. 110 VWEU.9.Als uitgangspunt geldt dat het bedrag aan rest-bpm na registratie van een personenauto in gelijke mate daalt als de waarde in het economisch verkeer van die auto.10.De herleidingsmethode strookt niet met dit uitgangspunt, aangezien deze methode geen rekening houdt met de daadwerkelijke waardedaling van het referentievoertuig. Ook biedt het bedrag van op de voet van art. 14a Wet BPM bepaalde bpm-teruggaaf, waarvan de herleidingsmethode ook gebruikt maakt, niet een zodanig nauwkeurige weergave van de rest-bpm die nog drukt op een referentieauto, dat dit bedrag kan worden gebruikt om de bpm-heffing op een lager bedrag vast te stellen bij de registratie van soortgelijke gebruikte voertuigen.11.
Middel 2 (gebruik koerslijsten)
4.6
Middel 2 komt op tegen het oordeel van het Hof dat het uitsluitend mogelijk is een koerslijst voor een voertuig van hetzelfde merk en type te gebruiken. Volgens het middel dient binnen een koerslijst aangesloten te worden bij het voertuig waarvan de eigenschappen het dichtst aanleunen tegen die van het ingevoerde voertuig, ook indien dit een voertuig van een ander merk en type betreft.
4.7
Voor een uitgebreide bespreking van dit middel verwijs ik naar de bespreking van middel 3 in de conclusie van dezelfde datum bij het cassatieberoep met nummer 22/03099. Het middel slaagt. Noch uit de tekst van art. 10 Wet BPM, noch uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat het gebruik van een koerslijst is beperkt tot gevallen waarin een koerslijst beschikbaar is voor een voertuig van hetzelfde merk en type als de ingevoerde auto. Van belang is dat binnen een koerslijst wordt aangesloten bij een soortgelijk voertuig waarvan de eigenschappen het dichtst aanleunen tegen die van het ingevoerde voertuig. Niet uitgesloten is dat dit soortgelijke voertuig een voertuig is van een ander merk en type dan het ingevoerde voertuig. Het andersluidende oordeel van het Hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
4.8
De Staatssecretaris voert in verweer aan dat middel 2 niet tot cassatie kan leiden. Volgens de Staatssecretaris oordeelt het Hof dat de koerslijst X-RAY die belanghebbende voor auto 6 hanteert, niet is aan te merken als een algemeen in de handel gebruikte koerslijst, zodat deze niet kan worden gebruikt om de afschrijving aan te tonen.
4.9
Belanghebbende gebruikt voor auto 6 de koerslijst X-RAY die ziet op een Audi R8 5.2 FSI Plus Quattro.12.Het Hof oordeelt over de koerslijst X-RAY die voor auto 10 wordt gebruikt dat deze niet is aan te merken als een algemeen in de handel gebruikte koerslijst.13.Auto 10 betreft een Audi A8 4.0 TFSI S8 Quattro, een voertuig van hetzelfde merk maar van een ander type dan het voertuig dat voorkomt op de koerslijst die voor auto 6 wordt gebruikt.14.In punt 2.3 van de bestreden uitspraak stelt het Hof slechts voor auto 10 feitelijk vast dat de voor deze auto gehanteerde koerslijst uit een print-screen bestaat. Vervolgens oordeelt het Hof in punt 4.17, wederom slechts ten aanzien van auto 10, dat deze print-screen niet kan worden gebruikt als koerslijst. Hieruit valt niet op te maken dat het Hof feitelijk heeft geoordeeld dat de koerslijst waarop belanghebbende voor auto 6 een beroep doet, evenmin bruikbaar is.
4.10
Middel 2 slaagt. Verwijzing moet volgen. Het verwijzingshof moet onderzoeken of belanghebbende voor auto 6 aannemelijk maakt dat het soortgelijke voertuig waarop zij zich beroept, het voertuig is waarvan de kenmerken en eigenschappen het dichtst aanleunen tegen die van het voertuig waarvoor de bpm-vermindering dient te worden bepaald.
Middel 3 (handelsinkoopwaarde)
4.11
Nu middel 2 slaagt, behoeft middel 3 geen bespreking.
Het incidentele cassatieberoep
4.12
De Staatssecretaris betoogt in incidenteel beroep dat het Hof ten onrechte de uitspraak van de Rechtbank heeft vernietigd op het punt van de proceskostenvergoeding. Het middel voert aan dat de uitspraak van de Rechtbank is gedaan vóór de wijziging van het Bpb die tot gevolg had dat onderdeel B1 van het Bpb in strijd kwam met het discriminatieverbod.15.
4.13
Het Hof heeft als volgt geoordeeld (voetnoten deels overgenomen):
“4.42. Belanghebbende betoogt dat de rechtbank ten onrechte de waarde per punt zoals vermeld in punt 1 van onderdeel B1 van de bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) behorende bijlage heeft toegepast. Volgens belanghebbende dient, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022, te worden uitgegaan van de in punt 2 van onderdeel B1 van voornoemde bijlage vermelde (hogere) waarde per punt.
4.43.
Het betoog van belanghebbende slaagt. Bij de veroordeling van de inspecteur in de kosten van het geding had de rechtbank uit dienen te gaan van het hogere tarief per punt voor beroep omdat de bijzondere regel van punt 1 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit in strijd is met het discriminatieverbod en daarom buiten toepassing moet blijven.16.
4.14
De Rechtbank deed uitspraak op 13 januari 2021. Onderdeel B van de bijlage bij het Bpb luidde ten tijde van de uitspraak van de Rechtbank als volgt:
“B. Waarde per punt
B1. Beroep en hoger beroep
1 punt = € 534.
(…)”
4.15
Met ingang van 1 juli 2021 is het Bpb aangepast.17.Onderdeel B kwam als volgt te luiden:
“B. Waarde per punt
B1. Beroep en hoger beroep
1. 1 punt = € 534 voor besluiten genomen op grond van hoofdstuk III of IV van de Wet waardering onroerende zaken of hoofdstuk III van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992.
2. 1 punt = € 748 in de overige gevallen.
(…)”
Nadien heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het onderscheid in de waarde per punt in onderdeel B1 van het Bpb volgens de tekst per 1 juli 2021, in strijd is met het discriminatieverbod van art. 1 Grondwet, zodat punt 1 buiten toepassing dient te blijven.18.
4.16
Op het moment dat de Rechtbank uitspraak deed maakte het Bpb in onderdeel B1 nog geen onderscheid in waarde per punt in (hoger) beroep. De Rechtbank is dus terecht uitgegaan van een waarde van € 534 per punt en het Hof heeft de uitspraken van de Rechtbank ten onrechte vernietigd. Het middel slaagt.
5. Conclusie
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende en het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond te verklaren en de zaak te verwijzen voor verdere behandeling. Het verwijzingshof moet onderzoeken of belanghebbende voor auto 6 aannemelijk maakt dat het soortgelijke voertuig waarop zij zich beroept, het voertuig is waarvan de kenmerken en eigenschappen het dichtst aanleunen tegen die van het voertuig waarvoor de bpm-vermindering dient te worden bepaald.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑12‑2023
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13 januari 2021, nrs. BRE 17/7517 en 18/7698 t/m 18/7706, ECLI:NL:RBZWB:2021:149.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 juli 2019, nrs. BRE 17/5767 t/m 17/5774, ECLI:NL:RBZWB:2019:2371; Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 april 2020, nrs. BRE 17/7781 en 18/7707 t/m 18/7713, ECLI:NL:RBZWB:2020:1718; Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 mei 2020, nrs. BRE 17/7276 en 18/7688 t/m 18/7697, ECLI:NL:RBZWB:2020:2163.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 juli 2023, nrs. 21/00364 t/m 21/00373, ECLI:NL:GHSHE:2023:2186.
De Staatssecretaris verwijst naar HR 20 mei 2022, 19/04563. ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.4 en 3.2.5.
HR 27 mei 2022, nr. 21/02977, ECLI:NL:HR:2022:752.
HR 20 mei 2022, nr. 19/04563, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.4-3.2.5.
Vgl. onderdeel 4.7 van de gemeenschappelijke bijlage.
Onderdelen 4.4-4.8 van de gemeenschappelijk bijlage.
Onderdelen 4.10-4.19 van de gemeenschappelijke bijlage.
HR 2 maart 2012, nr. 11/00785, ECLI:NL:HR:2012:BV7393, r.o. 3.5.3.
Zie onderdelen 4.17-4.19 van de gemeenschappelijke bijlage.
Punt 2.2 van de bestreden uitspraak.
Punt 4.17 van de bestreden uitspraak.
Punt 1.1 van de bestreden uitspraak.
Zie: ECLI:NL:HR:2022:752, r.o. 5.5-5.8.
Voetnoot in origineel: Hoge Raad 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752.
Besluit van 8 december 2020 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met een verhoging van het tarief voor de vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep, Stb. 2020, 524.
ECLI:NL:HR:2022:752, r.o. 5.5-5.8.
Conclusie 22‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Bijlage: ECLI:NL:PHR:2023:1223 BPM; art. 110 VWEU; art. 10 Wet BPM; herleidingsmethode; kentekenregistermethode; tijdsevenredige vermindering; teruggaaf bij uitvoer; proceskostenvergoeding. Belanghebbende heeft aangifte bpm gedaan ter zake van de registratie van zes personenauto’s. In de aangifte past zij een bpm-vermindering voor gebruikte voertuigen toe. Voor het berekenen van de bpm-vermindering maakt belanghebbende gebruik van de ‘herleidingsmethode’. Volgens deze methode herleidt belanghebbende eerst het herrekende bruto bpm-bedrag voor de referentieauto uit een historische koerslijst, dan wel uit het kentekenregister. Vervolgens past belanghebbende de forfaitaire afschrijvingstabel toe op de herrekende bruto bpm. Belanghebbende voert aan dat deze methode aansluit bij de systematiek voor de teruggaaf van bpm in uitvoersituaties. Uit de teruggaafsystematiek valt volgens belanghebbende het bedrag aan rest-bpm af te leiden dat nog rust op soortgelijke voertuigen op het moment van uitvoer. In deze conclusie komt primair de vraag aan de orde of het gebruik van de herleidingsmethode moet worden toegestaan. Het Hof heeft in navolging van de Inspecteur en de Rechtbank het gebruik van de herleidingsmethode verworpen. Volgens het Hof behoort de herleidingsmethode niet tot de wettelijk toegestane methoden en verplicht art. 110 VWEU niet tot aanvaarding van de methode van belanghebbende. De herrekende bruto bpm is een rekenkundig herleid bedrag en vormt niet altijd de daadwerkelijk betaalde bpm, aldus het Hof. De herrekende bruto bpm kan daarom niet worden gebruikt om een schending van art. 110 VWEU aan te tonen. A-G Ettema komt tot de conclusie dat het niet mogelijk is de afschrijving te berekenen op basis van de herleidingsmethode. De herleidingsmethode sluit niet aan bij de systematiek van de Wet BPM voor het berekenen van de bpm-vermindering voor gebruikte voertuigen. De herrekende bruto bpm is een rekenkundig herleid bedrag dat is ingegeven door vereenvoudigingsoverwegingen. Dit bedrag kan niet worden gebruikt om een lagere heffing van bpm bij invoer te bepleiten. Art. 110 VWEU noopt niet ertoe de methode van belanghebbende toe te staan. De vergelijking met de uitvoersituatie gaat niet op, omdat deze situatie niet valt onder de werkingssfeer van art. 110 VWEU. Verder kan een (fictief) teruggaafbedrag niet worden gebruikt ter onderbouwing van een schending van dit artikel. Ook het andere middel faalt volgens de A-G. Belanghebbende heeft geen recht op tijdsevenredige vermindering van het nageheven bpm-bedrag vanwege een latere bpm-teruggaaf. Dat bij deze teruggaaf geen rekening is gehouden met het van belanghebbende nageheven bedrag aan bpm, brengt hierin geen verandering. De Wet BPM biedt niet de mogelijkheid bij de heffing van bpm rekening te houden met de latere teruggaaf van bpm op een later tijdstip. Het incidenteel beroep van de Staatssecretaris is gegrond. De Rechtbank is voor de proceskostenvergoeding terecht uitgegaan van een waarde van € 534 per punt en het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank op dit punt ten onrechte vernietigd. A-G Ettema geeft de Hoge Raad in overweging het principale beroep in cassatie van belanghebbende in alle drie de zaken ongegrond te verklaren en het incidentele beroep in cassatie in de zaken 23/02908 en 23/02909 gegrond te verklaren.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummers 22/00425, 23/02908 en 23/02909
Datum 22 december 2023
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak Belasting pers.auto's en motorrijw. 2015-2016
Nrs. Gerechtshof BKDH-21/00246 t/m 21/00248, 21/00250 t/m 21/00255, en 21/00996; 21/00358 t/m 21/00363; 21/00349 t/m 21/00357.
Nrs. Rechtbank BRE 18/746 en 18/7728 t/m 18/7730, BRE 18/7161 en 18/7163 t/m 18/7165, BRE 18/7675 t/m 18/7677; BRE 17/6502, 18/7671 t/m 18/7674 en 18/7785; BRE 17/6501, 18/7763 t/m 18/7670.
CONCLUSIE
C.M. Ettema
In de zaak van
[X] B.V.
tegen
staatssecretaris van Financiën
1. Overzicht
Inleiding
1.1
Deze conclusie heeft betrekking op drie samenhangende zaken met nummers 22/00425, 23/02908 en 23/02909. De conclusie gaat primair over de vraag of belanghebbende voor het bepalen van de bpm-vermindering voor gebruikte voertuigen, gebruik mag maken van een methode die zij de herleidingsmethode (of kentekenregistermethode) noemt. In deze conclusie ga ik uit van de feiten en gedingstukken in de zaak 23/02908. Bij de conclusie hoort een gemeenschappelijke bijlage, waarin ik de herleidingsmethode bespreek.
1.2
Bij toepassing van deze methode herleidt belanghebbende het herrekende bruto bpm-bedrag voor de referentieauto uit een historische koerslijst dan wel uit het kentekenregister. Vervolgens past zij de forfaitaire afschrijvingstabel toe op de herrekende bruto bpm. Belanghebbende voert aan dat deze methode aansluit bij de systematiek voor de teruggaaf van bpm in uitvoersituaties. Uit de teruggaafsystematiek valt naar haar mening het bedrag aan rest-bpm af te leiden dat nog rust op soortgelijke voertuigen op het moment van uitvoer.
1.3
Belanghebbende heeft aangifte bpm gedaan ter zake van de registratie van zes personenauto’s. Bij het doen van aangifte heeft belanghebbende gebruik gemaakt van de herleidingsmethode. Het Hof heeft in navolging van de Inspecteur en de Rechtbank het gebruik van de herleidingsmethode verworpen. Volgens het Hof behoort de herleidingsmethode niet tot de wettelijk toegestane methoden en verplicht art. 110 VWEU niet tot aanvaarding van de methode van belanghebbende. De herrekende bruto bpm is een rekenkundig herleid bedrag en vormt niet altijd de daadwerkelijk betaalde bpm, aldus het Hof. De herrekende bruto bpm kan dan naar het oordeel van het Hof niet worden gebruikt om een schending van art. 110 VWEU aan te tonen.
1.4
In cassatie stelt belanghebbende twee middelen voor. Middel 1 betoogt dat het Hof de herleidingsmethode ten onrechte heeft verworpen. Middel 2 voert aan dat de naheffingsaanslag tijdsevenredig moet worden verminderd op de grond dat bij het verlenen van bpm-teruggaaf bij export van auto 4 geen rekening is gehouden met de naheffing.
1.5
De Staatssecretaris heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld en stelt één middel voor. Het middel voert aan dat het Hof ten onrechte de uitspraak van de Rechtbank vernietigt op het punt van de proceskostenvergoeding.
Opbouw conclusie
1.6
De opbouw van deze conclusie is als volgt. In onderdeel 2 zijn de feiten en het geding in feitelijke instanties weergegeven. Onderdeel 3 bevat een uiteenzetting van het geding in cassatie. In onderdeel 4 bespreek ik achtereenvolgens de twee middelen in het principale beroep en het middel in het incidentele cassatieberoep.
Conclusie herleidingsmethode
1.7
Ik kom tot de slotsom dat het Hof de herleidingsmethode terecht heeft verworpen. De methode sluit niet aan bij de wettelijke systematiek voor het berekenen van de bpm-vermindering voor gebruikte voertuigen. De herrekende bruto bpm speelt daarnaast geen rol bij het berekenen van deze vermindering.
1.8
De bepleite analogie met de teruggaafsituatie gaat niet op. De regeling voor teruggaaf van bpm houdt geen verband met de heffing van bpm. Deze regeling kan niet worden gebruikt om met succes een schending van art. 110 VWEU te bepleiten, aangezien de teruggaafregeling niet valt binnen de werkingssfeer van deze bepaling. Het teruggaafbedrag behelst ook niet een zodanig nauwkeurige weergave van het bedrag aan rest-bpm dat nog rust op de auto waarvoor de teruggaaf wordt verleend, dat dit bedrag kan dienen als maatstaf voor de bpm-vermindering bij invoer. Middel 1 faalt.
Conclusie overige middelen
1.9
Middel 2 faalt. De Wet BPM biedt geen mogelijkheid het geheven bpm-bedrag tijdsevenredig te verminderen in verband met een teruggaaf in verband met de uitvoer van het voertuig op een later tijdstip.
1.10
Het middel in het incidentele cassatieberoep slaagt. De Rechtbank is terecht uitgegaan van een waarde van € 534 per punt en het Hof heeft de uitspraken van de Rechtbank ten onrechte vernietigd.
Slotsom 22/00425
1.11
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie in de zaak 22/00425 ongegrond te verklaren.
Slotsom 23/02908 en 23/02909
1.12
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie in de zaken 23/02908 en 23/02909 ongegrond te verklaren en het incidentele beroep in cassatie in deze zaken gegrond te verklaren.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
2.1
Deze conclusie heeft betrekking op drie samenhangende zaken met nummers 22/00425, 23/02908 en 23/02909. In deze conclusie wordt uitgegaan van de feiten en gedingstukken in de zaak 23/02908. Er is niet gebleken van verschillen met de overige zaken die voor de beoordeling van de aangevoerde middelen relevant zijn. De feiten worden weergegeven voor zover van belang in cassatie.
2.2
Belanghebbende heeft aangifte bpm gedaan voor zes auto’s. Zij heeft bij het bepalen van de afschrijving voor deze auto’s gebruik gemaakt van de ‘herleidingsmethode’. Binnen deze methode heeft belanghebbende de historische herrekende bruto bpm herleid uit historische koerslijsten van Autotelex. Op deze herrekende bruto bpm heeft belanghebbende vervolgens de forfaitaire afschrijvingstabel toegepast, waaruit een afschrijving volgt die belanghebbende in de bpm-aangifte heeft opgenomen.
2.3
Met dagtekening 27 september 2016 heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd en een beschikking belastingrente gegeven. De Inspecteur accepteert de toepassing van de herleidingsmethode in de aangifte niet.
2.4
Belanghebbende maakt bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente. De Inspecteur doet uitspraak op bezwaar, verklaart het bezwaar gegrond en komt ten dele tegemoet aan het betoog van belanghebbende. De Inspecteur wijzigt zijn standpunt inzake de herleidingsmethode echter niet.
2.5
Eén van de auto’s (aangemerkt als auto 4) is op 13 mei 2019 door een andere belastingplichtige geëxporteerd. Aan die belastingplichtige is, in verband met de export, een BPM-teruggaaf verleend. Bij deze teruggaaf is geen rekening gehouden met de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag.
De Rechtbank1.
2.6
Belanghebbende stelt beroep in tegen de uitspraak op bezwaar bij rechtbank Zeeland-West-Brabant (de Rechtbank). Primair voert belanghebbende aan dat de herleidingsmethode moet worden toegepast bij het bepalen van de afschrijving voor de ingevoerde auto’s. De Rechtbank verwerpt deze herleidingsmethode onder verwijzing naar haar eerdere uitspraken.2.De Rechtbank overweegt dat de herleidingsmethode niet behoort tot de wettelijk toegestane methoden en dat art. 110 VWEU ook niet noopt tot aanvaarding van de methode.
2.7
Belanghebbende voert voorts aan dat de verschuldigde bpm bij import dient te worden verlaagd ter zake van auto 4, aangezien deze auto op een later moment is geëxporteerd. De Rechtbank verwerpt dit betoog. Zij acht redengevend dat de bpm-teruggaaf bij export los staat van de heffing van bpm bij import. De bpm-teruggaaf is ook geen onderdeel van de onderhavige procedure, aldus de Rechtbank.
Het Hof3.
2.8
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld bij gerechtshof ’s-Hertogenbosch (het Hof) tegen de uitspraak van de Rechtbank.
2.9
Ook het Hof verwerpt het gebruik van de door belanghebbende bepleite herleidingsmethode. Het Hof neemt het oordeel van de Rechtbank over. Het Hof voegt hieraan toe dat de in het kentekenregister genoteerde bruto bpm niet altijd de daadwerkelijk betaalde bpm betreft, maar een rekenkundig herleid bedrag. Dergelijke gegevens kunnen naar het oordeel van het Hof niet worden gebruikt om aan te tonen dat in strijd met art. 110 VWEU te veel bpm wordt geheven. Een daadwerkelijke benadeling van uit andere lidstaten ingevoerde auto’s blijkt hieruit immers niet, aldus het Hof.
2.10
Belanghebbende herhaalt voor het Hof haar betoog dat voor auto 4 bij de naheffing rekening moet worden gehouden met de latere uitvoer van deze auto. Belanghebbende doet dit betoog steunen op een arrest van de Hoge Raad van 13 november 20204.. Het Hof stelt voorop dat in de onderhavige procedure slechts de naheffingsaanslag aan de orde is en dat een beoordeling van een teruggaafbeschikking buiten de reikwijdte van deze procedure valt. Volgens het Hof kan uit voornoemd arrest ook niet worden afgeleid dat bij de berekening van de bpm bij invoer, rekening moet worden gehouden met de latere uitvoer van dezelfde auto.
3. Het geding in cassatie
Beroepschrift in cassatie
3.1
Belanghebbende komt in cassatie met twee middelen.
3.2
Middel 1 betoogt dat het Hof art. 110 VWEU heeft geschonden, omdat het de herleidingsmethode heeft verworpen. Het middel voert aan dat belanghebbende heeft aangetoond dat er in Nederland soortgelijke voertuigen zijn waarin een lager bedrag aan bpm is vervat dan is nageheven, zodat de naheffingsaanslag in strijd met art. 110 VWEU is opgelegd. Het Hof is ten onrechte niet nagegaan of de referentieauto’s soortgelijk zijn aan de onderwerpelijke auto’s en of die laatste aan een hogere heffing worden onderworpen.
3.3
Middel 2 komt op tegen het oordeel van het Hof dat de naheffingsaanslag niet tijdsevenredig moet worden verminderd op de grond dat bij het verlenen van BPM-teruggaaf bij export van auto 4 geen rekening is gehouden met de naheffing. Het middel voert aan dat de Inspecteur daardoor ongerechtvaardigd wordt verrijkt.
Verweerschrift
3.4
De staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris) voert met betrekking tot middel 1 aan dat de herleidingsmethode niet behoort tot de wettelijk toegestane verminderingsmethoden. Daarnaast is de huidige wettelijke regeling volgens de Staatssecretaris niet in strijd met art. 110 VWEU.5.
3.5
De Staatssecretaris bestrijdt ook het betoog dat het bpm-bedrag tijdsevenredig moet worden verminderd in verband met de latere export van auto 4 (middel 2). In geding is immers de naheffing en niet een teruggave in verband met export. Belanghebbende is daarnaast niet degene die de voertuigen heeft geëxporteerd, zodat zij volgens de Staatssecretaris niet wordt benadeeld. Bovendien heeft belanghebbende het nageheven bedrag nog niet betaald, zodat bij de teruggaaf terecht geen rekening is gehouden met dit bedrag, aldus de Staatssecretaris.6.
Incidenteel beroep in cassatie
3.6
De Staatsecretaris heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld in de zaken met nummers 23/02908 en 23/02909. Daarbij stelt hij één middel voor. Het middel voert aan dat het Hof in deze zaken7.ten onrechte de uitspraak van de Rechtbank8.vernietigt op het punt van de proceskostenvergoeding. Het Hof heeft onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Hoge Raad9.geoordeeld dat punt 1 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in strijd is met het discriminatieverbod en daarom buiten toepassing moet blijven. De uitspraken van de Rechtbank zijn volgens het middel echter gedaan vóór het ontstaan van de discriminatie, namelijk vóór de wijziging van het Bpb per 1 juli 2021. De Rechtbank heeft derhalve de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase op de juiste wijze vastgesteld en de desbetreffende uitspraken zijn op dit punt ten onrechte vernietigd, aldus het middel.
4. Bespreking van de middelen
Middel 1 (herleidingsmethode)
4.1
Belanghebbende heeft de bpm-vermindering bepaald aan de hand van de ‘herleidingsmethode’. Binnen deze methode vindt de afschrijving plaats op een herrekend bruto bpm-bedrag dat wordt herleid uit een historische koerslijst. De afschrijving wordt vervolgens berekend aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel.
4.2
Het Hof verwerpt de door belanghebbende bepleite methode. Volgens het Hof behoort de herleidingsmethode niet tot de in de wet toegestane methoden om de vermindering van de bpm voor gebruikte voertuigen te berekenen. Voorts betreft de in het kentekenregister genoteerde bruto bpm niet altijd de daadwerkelijk betaalde bpm, maar een rekenkundig herleid bedrag. Dergelijke gegevens kunnen naar het oordeel van het Hof niet worden gebruikt om aan te tonen dat in strijd met art. 110 VWEU te veel bpm wordt geheven.
4.3
Middel 1 richt zich tegen dit oordeel van het Hof. Het middel betoogt dat de herrekende bruto bpm een belangrijke positie inneemt binnen de Wet BPM. Door de afschrijving te berekenen aan de hand van de herrekende bruto bpm handelt belanghebbende geheel in lijn met het systeem van de wet, aldus het middel. Voorts leidt verwerping van de herleidingsmethode volgens het middel tot schending van art. 110 VWEU, doordat niet in alle gevallen kan worden uitgesloten dat meer bpm wordt geheven dan nog rust op soortgelijke binnenlandse voertuigen.
4.4
Middel 1 faalt op de gronden als uiteengezet in de gemeenschappelijke bijlage bij deze conclusie. Het Hof overweegt terecht dat de herleidingsmethode niet behoort tot de toegestane wettelijke methoden voor het bepalen van de bpm-vermindering voor gebruikte voertuigen. Dit oordeel is ook in overeenstemming met de jurisprudentie van de Hoge Raad10.. De omstandigheid dat het bedrag van de herrekende bruto bpm een rol speelt binnen (en buiten11.) het wettelijke systeem van de bpm, brengt niet mee dat dit bedrag ook gebruikt kan worden om ten behoeve van de heffing van bpm de waardevermindering te berekenen. De herleidingsmethode sluit dus niet aan bij het wettelijke systeem van de bpm.12.
4.5
Ook toont het gebruik van de herleidingsmethode niet aan dat het Nederlandse wettelijke systeem in strijd is met art. 110 VWEU.13.Als uitgangspunt geldt dat het bedrag aan rest-bpm na registratie van een personenauto in gelijke mate daalt als de waarde in het economisch verkeer van die auto.14.De herleidingsmethode strookt niet met dit uitgangspunt, aangezien deze methode geen rekening houdt met de daadwerkelijke waardedaling van het referentievoertuig. Ook biedt het bedrag van op de voet van art. 14a Wet BPM bepaalde bpm-teruggaaf, waarvan de herleidingsmethode ook gebruikt maakt, niet een zodanig nauwkeurige weergave van de rest-bpm die nog drukt op een referentieauto, dat dit bedrag kan worden gebruikt om de bpm-heffing op een lager bedrag vast te stellen bij de registratie van soortgelijke gebruikte voertuigen.15.
Middel 2 (tijdsevenredige vermindering)
4.6
Middel 2 komt op tegen het oordeel van het Hof dat de naheffingsaanslag niet tijdsevenredig moet worden verminderd op de grond dat bij het verlenen van BPM-teruggaaf bij export geen rekening is gehouden met de naheffing. Auto 4 is op enig moment na het doen van aangifte geëxporteerd door een ander dan belanghebbende. Aan deze persoon is in verband met de export van de auto een teruggaaf verleend ter grootte van een percentage van het belastingbedrag dat belanghebbende op aangifte heeft voldaan. Bij deze teruggaaf is geen rekening gehouden met de bpm die nadien van belanghebbende is nageheven. Het middel betoogt dat de Inspecteur onder deze omstandigheden ongerechtvaardigd wordt verrijkt.
4.7
Middel 2 heeft dezelfde strekking als middel 4 in de zaak met nummer 22/03099. Voor een uitgebreide bespreking van het middel verwijs ik naar de conclusie in die zaak. Ik volsta hier met de volgende samenvatting. De Wet BPM biedt niet de mogelijkheid bij de heffing van bpm rekening te houden met (een aanspraak op) uitbetaling van een bedrag aan bpm bij een beëindiging van de tenaamstelling van een motorrijtuig op een later tijdstip. Het Unierecht verplicht ook niet hiertoe. Middel 2 faalt derhalve.
Het incidentele cassatieberoep
4.8
De Staatssecretaris betoogt in incidenteel beroep in cassatie dat het Hof ten onrechte de uitspraak van de Rechtbank heeft vernietigd op het punt van de proceskostenvergoeding. Het middel voert aan dat de uitspraak van de Rechtbank is gedaan vóór de wijziging van het Bpb die tot gevolg had dat onderdeel B1 van het Bpb in strijd kwam met het discriminatieverbod.16.
4.9
Het Hof heeft als volgt geoordeeld (voetnoten deels overgenomen):17.
“4.25. Belanghebbende betoogt dat de rechtbank ten onrechte de waarde per punt zoals vermeld in punt 1 van onderdeel B1 van de bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) behorende bijlage heeft toegepast. Volgens belanghebbende dient, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022, te worden uitgegaan van de in punt 2 van onderdeel B1 van voornoemde bijlage vermelde (hogere) waarde per punt.
4.26.
Het betoog van belanghebbende slaagt. Bij de veroordeling van de inspecteur in de kosten van het geding had de rechtbank uit dienen te gaan van het hogere tarief per punt voor beroep omdat de bijzondere regel van punt 1 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit in strijd is met het discriminatieverbod en daarom buiten toepassing moet blijven.18.
4.10
De Rechtbank deed uitspraak op 21 januari 2021. Onderdeel B van de bijlage bij het Bpb luidde ten tijde van de uitspraak van de Rechtbank als volgt:
“B. Waarde per punt
B1. Beroep en hoger beroep
1 punt = € 534.
(…)”
4.11
Met ingang van 1 juli 2021 is het Bpb aangepast.19.Onderdeel B kwam als volgt te luiden:
“B. Waarde per punt
B1. Beroep en hoger beroep
1. 1 punt = € 534 voor besluiten genomen op grond van hoofdstuk III of IV van de Wet waardering onroerende zaken of hoofdstuk III van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992.
2. 1 punt = € 748 in de overige gevallen.
(…)”
Nadien heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het onderscheid in de waarde per punt in onderdeel B1 van het Bpb volgens de tekst per 1 juli 2021, in strijd is met het discriminatieverbod van art. 1 Grondwet, zodat punt 1 buiten toepassing dient te blijven.20.
4.12
Op het moment dat de Rechtbank uitspraak deed maakte het Bpb in onderdeel B1 nog geen onderscheid in waarde per punt in (hoger) beroep. De Rechtbank is dus terecht uitgegaan van een waarde van € 534 per punt en het Hof heeft de uitspraken van de Rechtbank ten onrechte vernietigd. Het middel slaagt.
5. Conclusie
22/00425
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende in de zaak 22/00425 ongegrond te verklaren.
23/02908 en 23/02909
Ik geef de Hoge Raad in overweging het principale beroep in cassatie van belanghebbende in de zaken 23/02908 en 23/02909 ongegrond te verklaren en het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris in deze zaken gegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑12‑2023
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16 februari 2021, nrs. BRE 18/746 en 18/7728 t/m 187730, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl; rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 maart 2021, nrs. BRE 18/7161 en 18/7163 t/m 18/7165 en BRE 18/7675 t/m 18/7677, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl; rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 januari 2021, nrs. BRE 17/6502, 18/7671 t/m 18/7674 en 18/7785, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl; rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 januari 2021, nrs. BRE 17/6501, 18/7763 t/m 18/7670, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 juli 2019, nrs. BRE 17/5767 t/m 17/5774, ECLI:NL:RBZWB:2019:2371; Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 april 2020, nrs. BRE 17/7781 en 18/7707 t/m 18/7713, ECLI:NL:RBZWB:2020:1718; Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 mei 2020, nrs. BRE 17/7276 en 18/7688 t/m 18/7697, ECLI:NL:RBZWB:2020:2163.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 22 december 2021, nrs. BKDH-21/00246 t/m 21/00248, 21/00250 t/m 21/00255 en 21/00996, ECLI:NL:GHSHE:2021:4327; Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 juli 2023, nrs. 21/00358 t/m 21/00363, ECLI:NL:GHSHE:2023:2185; Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 juli 2023, nrs. 21/00349 t/m 21/00357, ECLI:NL:GHSHE:2023:2184.
HR 13 november 2020, nr. 18/04603, ECLI:NL:HR:2020:1779.
De Staatssecretaris verwijst naar HR 20 mei 2022, 19/04563. ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.4 en 3.2.5.
De Staatssecretaris verwijst naar art. 14a(3) Wet BPM en ECLI:NL:HR:2020:1779.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 januari 2021, nrs. BRE 17/6502, 18/7671 t/m 18/7674 en 18/7785, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl; rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 januari 2021, nrs. BRE 17/6501, 18/7763 t/m 18/7670, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
HR 27 mei 2022, nr. 21/02977, ECLI:NL:HR:2022:752.
HR 20 mei 2022, nr. 19/04563, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.4-3.2.5.
Vgl. onderdeel 4.7 van de gemeenschappelijke bijlage.
Onderdelen 4.4-4.8 van de gemeenschappelijk bijlage.
Onderdelen 4.10-4.19 van de gemeenschappelijke bijlage.
HR 2 maart 2012, nr. 11/00785, ECLI:NL:HR:2012:BV7393, r.o. 3.5.3.
Zie onderdelen 4.17-4.19 van de gemeenschappelijke bijlage.
Zie: ECLI:NL:HR:2022:752, r.o. 5.5-5.8.
ECLI:NL:GHSHE:2023:2185; Zie in gelijke zin ECLI:NL:GHSHE:2023:2184, punten 4.27-4.28.
Voetnoot in origineel: Hoge Raad 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752.
Besluit van 8 december 2020 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met een verhoging van het tarief voor de vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep, Stb. 2020, 524.
ECLI:NL:HR:2022:752, r.o. 5.5-5.8.
Conclusie 22‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Bijlage: ECLI:NL:PHR:2023:1223 BPM; art. 110 VWEU; art. 10 Wet BPM; herleidingsmethode; kentekenregistermethode; gebruik koerslijst van een ander merk en type; tijdsevenredige vermindering; teruggaaf bij uitvoer; CO2-uitstoot; berekening nieuwprijs; afschrijving in goede justitie mogelijk? Belanghebbende heeft aangifte bpm gedaan ter zake van de registratie van acht personenauto’s. In de aangifte past zij een bpm-vermindering voor gebruikte voertuigen toe. Voor het berekenen van de bpm-vermindering maakt belanghebbende gebruik van de ‘herleidingsmethode’. Volgens deze methode herleidt belanghebbende eerst het herrekende bruto bpm-bedrag voor de referentieauto uit een historische koerslijst, dan wel uit het kentekenregister. Vervolgens past belanghebbende de forfaitaire afschrijvingstabel toe op de herrekende bruto bpm. Belanghebbende voert aan dat deze methode aansluit bij de systematiek voor de teruggaaf van bpm in uitvoersituaties. Uit de teruggaafsystematiek valt volgens belanghebbende het bedrag aan rest-bpm af te leiden dat nog rust op soortgelijke voertuigen op het moment van uitvoer. In deze conclusie komt primair de vraag aan de orde of het gebruik van de herleidingsmethode moet worden toegestaan. Het Hof heeft in navolging van de Inspecteur en de Rechtbank het gebruik van de herleidingsmethode verworpen. Volgens het Hof behoort de herleidingsmethode niet tot de wettelijk toegestane methoden en verplicht art. 110 VWEU niet tot aanvaarding van de methode van belanghebbende. De herrekende bruto bpm is een rekenkundig herleid bedrag en vormt niet altijd de daadwerkelijk betaalde bpm, aldus het Hof. De herrekende bruto bpm kan daarom niet worden gebruikt om een schending van art. 110 VWEU aan te tonen. A-G Ettema komt tot de conclusie dat het niet mogelijk is de afschrijving te berekenen op basis van de herleidingsmethode. De herleidingsmethode sluit niet aan bij de systematiek van de Wet BPM voor het berekenen van de bpm-vermindering voor gebruikte voertuigen. De herrekende bruto bpm is een rekenkundig herleid bedrag dat is ingegeven door vereenvoudigingsoverwegingen. Dit bedrag kan niet worden gebruikt om een lagere heffing van bpm bij invoer te bepleiten. Art. 110 VWEU noopt niet ertoe de methode van belanghebbende toe te staan. De vergelijking met de uitvoersituatie gaat niet op, omdat deze situatie niet valt onder de werkingssfeer van art. 110 VWEU. Verder kan een (fictief) teruggaafbedrag niet worden gebruikt ter onderbouwing van een schending van dit artikel. Belanghebbende richt voorts een middel tegen het oordeel van het Hof dat uitsluitend gebruik kan worden gemaakt van een koerslijst, indien auto’s van hetzelfde merk en type als de ingevoerde auto voorkomen op deze koerslijst. Dit middel slaagt. Volgens de A-G kan deze voorwaarde voor het gebruik van koerslijsten niet worden afgeleid uit de wet of de jurisprudentie van de Hoge Raad. Verwijzing moet volgen. Het verwijzingshof moet onderzoeken of belanghebbende aannemelijk maakt dat het soortgelijke voertuig waarop zij zich beroept, het voertuig is waarvan de kenmerken en eigenschappen het dichtst aanleunen tegen die van het voertuig waarvoor de bpm-vermindering dient te worden bepaald. De overige middelen falen. Belanghebbende heeft geen recht op tijdsevenredige vermindering van het nageheven bpm-bedrag vanwege een latere bpm-teruggaaf. Dat bij deze teruggaaf geen rekening is gehouden met het van belanghebbende nageheven bedrag aan bpm, brengt hierin geen verandering. Het betoog over het hanteren van een lagere CO2-uitstoot treft evenmin doel, aangezien de theoretische mogelijkheid dat eerder soortgelijke voertuigen met een lagere CO2-uitstoot zijn geregistreerd, niet volstaat voor een geslaagd beroep op art. 110 VWEU. Het kan belanghebbende op dit punt ook niet baten dat eerder als gevolg van een eenmalige fout minder bpm is geheven bij de registratie van een soortgelijk voertuig. Tot slot betoogt belanghebbende dat het Hof de afschrijving niet in goede justitie had mogen vaststellen. Dit middel kan niet tot cassatie leiden. A-G Ettema constateert evenwel dat over de mogelijkheid tot waardebepaling in goede justitie onduidelijkheid bestaat in de literatuur en binnen de feitenrechtspraak. De A-G geeft de Hoge Raad daarom in overweging hierover alsnog een oordeel te geven. A-G Ettema geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie in de zaak met nummer 22/02805 ongegrond te verklaren. In de zaak met nummer 22/03099 geeft de A-G de Hoge Raad in overweging het beroep gegrond te verklaren en de zaak te verwijzen voor nader onderzoek naar de vraag of belanghebbende aannemelijk maakt dat het soortgelijke voertuig waarop zij zich beroept, het voertuig is waarvan de kenmerken en eigenschappen het dichtst aanleunen tegen die van het voertuig waarvoor de bpm-vermindering dient te worden bepaald.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummers 22/02805 en 22/03099
Datum 22 december 2023
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak Belasting pers.auto's en motorrijw. 2016
Nrs. Gerechtshof 20/00362 tot en met 20/00372; 20/00326 tot en met 20/00333
Nrs. Rechtbank BRE 17/7276 en 18/7688 tot en met 18/7696; BRE 17/7781 en 18/7707 tot en met 18/7713
CONCLUSIE
C.M. Ettema
In de zaak van
[X] B.V.
tegen
staatssecretaris van Financiën
1. Overzicht
Inleiding
1.1
Deze conclusie heeft betrekking op twee samenhangende zaken met nummers 22/02805 en 22/03099. De conclusie gaat primair over de vraag of belanghebbende voor het bepalen van de bpm-vermindering voor gebruikte voertuigen, gebruik mag maken van een methode die zij de herleidingsmethode (of kentekenregistermethode) noemt. In deze conclusie ga ik uit van de feiten en gedingstukken in de zaak 23/03099. Bij de conclusie hoort een gemeenschappelijke bijlage, waarin ik de herleidingsmethode bespreek.
1.2
Bij toepassing van deze methode herleidt belanghebbende het herrekende bruto bpm-bedrag voor de referentieauto uit een historische koerslijst, dan wel uit het kentekenregister. Vervolgens past zij de forfaitaire afschrijvingstabel toe op de herrekende bruto bpm. Belanghebbende voert aan dat deze methode aansluit bij de systematiek voor de teruggaaf van bpm in uitvoersituaties. Uit de teruggaafsystematiek valt naar haar mening het bedrag aan rest-bpm af te leiden dat nog rust op soortgelijke voertuigen op het moment van uitvoer.
1.3
Belanghebbende heeft aangifte bpm gedaan ter zake van de registratie van acht personenauto’s. Bij het doen van aangifte heeft belanghebbende gebruik gemaakt van de herleidingsmethode. Het Hof heeft in navolging van de Inspecteur en de Rechtbank het gebruik van de herleidingsmethode verworpen. Volgens het Hof behoort de herleidingsmethode niet tot de wettelijk toegestane methoden en verplicht art. 110 VWEU niet tot aanvaarding van de methode van belanghebbende. De herrekende bruto bpm is een rekenkundig herleid bedrag en vormt niet altijd de daadwerkelijk betaalde bpm, aldus het Hof. De herrekende bruto bpm kan dan naar het oordeel van het Hof niet worden gebruikt om een schending van art. 110 VWEU aan te tonen.
1.4
In cassatie stelt belanghebbende zeven middelen voor. Middel 1 voert aan dat de onjuiste beëdiging van de raadsheren bij het Hof moet leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak. Middel 2 betoogt dat het Hof de herleidingsmethode ten onrechte heeft verworpen. Volgens middel 3 oordeelt het Hof ten onrechte dat uitsluitend gebruik kan worden gemaakt van de koerslijstmethode indien een auto van hetzelfde merk en type als de te registreren auto in de koerslijst is vermeld. Middel 4 voert aan dat de naheffingsaanslag tijdsevenredig moet worden verminderd op de grond dat bij het verlenen van bpm-teruggaaf bij export van auto’s 1 en 2 geen rekening is gehouden met de naheffing. Middel 5 betoogt dat uit art. 110 VWEU volgt dat belanghebbende voor auto’s 1 en 8 mag rekenen met een CO2-uitstoot van 350 gram per kilometer, aangezien niet kan worden uitgesloten dat eerder soortgelijke auto’s op basis van deze CO2-uitstoot in de bpm-heffing zijn betrokken. Middel 6 voert aan dat het Hof ten onrechte het afschrijvingspercentage in goede justitie heeft vastgesteld. Middel 7 betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat in het taxatierapport van een BMW Alpina geen correctie is toegepast vanwege de verschillen tussen een BMW Alpina en een BMW 750iL.
Opbouw conclusie
1.5
De opbouw van deze conclusie is als volgt. In onderdeel 2 zijn de feiten en het geding in feitelijke instanties weergegeven. Onderdeel 3 bevat een uiteenzetting van het geding in cassatie. In onderdeel 4 bespreek ik achtereenvolgens de zeven middelen.
Conclusie herleidingsmethode
1.6
Ik kom tot de slotsom dat het Hof de herleidingsmethode terecht heeft verworpen. De methode sluit niet aan bij de wettelijke systematiek voor het berekenen van de bpm-vermindering voor gebruikte voertuigen. De herrekende bruto bpm speelt daarnaast geen rol bij het berekenen van deze vermindering.
1.7
De bepleite analogie met de teruggaafsituatie gaat niet op. De regeling voor teruggaaf van bpm houdt geen verband met de heffing van bpm. Deze regeling kan niet worden gebruikt om met succes een schending van art. 110 VWEU te bepleiten, aangezien de teruggaafregeling niet valt binnen de werkingssfeer van deze bepaling. Het teruggaafbedrag behelst ook niet een zodanig nauwkeurige weergave van het bedrag aan rest-bpm dat nog rust op de auto waarvoor de teruggaaf wordt verleend, dat dit bedrag kan dienen als maatstaf voor de bpm-vermindering bij invoer. Middel 2 faalt.
Conclusie overige middelen
1.8
Belanghebbende bestrijdt met middel 3 het oordeel van het Hof dat uitsluitend gebruik kan worden gemaakt van een koerslijst, indien auto’s van hetzelfde merk en type als de ingevoerde auto voorkomen op deze koerslijst. Ik kom tot de slotsom dat deze voorwaarde voor het gebruik van koerslijsten niet kan worden afgeleid uit de wet of de jurisprudentie van de Hoge Raad. Middel 3 slaagt.
1.9
Middel 4 faalt. De Wet BPM biedt geen mogelijkheid het geheven bpm-bedrag tijdsevenredig te verminderen in verband met een teruggaaf in verband met de uitvoer van het voertuig op een later tijdstip. Voorts kan belanghebbende niet met succes betogen dat zij voor auto’s 1 en 8 een CO2-uitstoot van 350 gram per kilometer mag hanteren, zodat ook middel 5 faalt.
1.10
Middel 6 kan niet tot cassatie leiden. Desondanks constateer ik dat in de literatuur en binnen de rechtspraak onduidelijkheid bestaat over de mogelijkheid tot waardebepaling in goede justitie. Ik geef de Hoge Raad daarom in overweging hierover wel een oordeel te geven.
1.11
Tot slot falen middel 1 en middel 7.
Slotsom 22/02805
1.12
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende in de zaak 22/02805 ongegrond te verklaren.
Slotsom 22/03099
1.13
Uitsluitend middel 3 slaagt. Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende in de zaak 22/03099 gegrond te verklaren en de zaak te verwijzen. Het verwijzingshof moet onderzoeken of belanghebbende voor auto’s 1, 6 en 8 aannemelijk maakt dat het soortgelijke voertuig waarop zij zich beroept, het voertuig is waarvan de kenmerken en eigenschappen het dichtst aanleunen tegen die van het voertuig waarvoor de bpm-vermindering dient te worden bepaald.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
2.1
Deze conclusie heeft betrekking op twee samenhangende zaken met zaaknummers 22/02805 en 22/03099. In deze conclusie wordt uitgegaan van de feiten en gedingstukken in de zaak 23/03099. Voor zover in cassatie van belang zijn er geen verschillen tussen de twee zaken die voor de beoordeling van de aangevoerde middelen relevant zijn.
2.2
Belanghebbende heeft in de periode vanaf 5 januari 2016 tot en met 27 januari 2016 op diverse tijdstippen aangifte bpm gedaan ter zake van de registratie van acht personenauto’s.
2.3
Het Hof heeft de feiten per geregistreerde auto afzonderlijk weergegeven in de punten 1.1 en 2.1 tot en met 2.8 van de bestreden uitspraak. Zakelijk weergegeven en voor zover van belang in cassatie komen deze feiten op het volgende neer.
2.4
Voor de auto’s 2, 4, 5 en 6 heeft afschrijving plaatsgevonden op basis van een herrekend bruto bpm-bedrag dat belanghebbende heeft herleid uit een historische koerslijst. De afschrijving heeft vervolgens plaatsgevonden aan de hand van de forfaitaire tabel. Deze berekeningswijze wordt ook wel aangeduid als de ‘herleidingsmethode’.
2.5
Voor de auto’s 1 en 8 heeft belanghebbende de ‘Scandinavische methode’ toegepast in de aangifte ter berekening van de CO2-uitstoot. Belanghebbende komt hiermee tot een CO2-uitstoot van 350 gram per kilometer. Op het Duitse kentekenbewijs voor beide auto’s was de CO2-uitstoot daarentegen vastgesteld op 380 gram per kilometer.
2.6
Met betrekking tot de auto’s 1, 6 en 8 zijn geen koerslijsten van auto’s van hetzelfde merk en type beschikbaar en zijn geen voertuigen van hetzelfde merk en type eerder geregistreerd in Nederland. Belanghebbende heeft bij het bepalen van de afschrijving voor deze auto’s aangesloten bij koerslijsten van auto’s van een ander merk en type.
2.7
Met betrekking tot auto 3 heeft belanghebbende de afschrijving, met uitzondering van die op de opties, gebaseerd op een koerslijst behorende bij een voertuig van eenzelfde merk en type. De afschrijving op de opties is daarentegen gebaseerd op het gemiddelde van twee koerslijsten behorende bij een voertuig van een ander merk en type. Voorts past belanghebbende een correctie op de koerslijstwaarde toe op de grond dat auto 3 parallel is ingevoerd.
2.8
Auto 7 maakt geen deel uit van het geschil in cassatie.
2.9
Met dagtekening 19 oktober 2016 heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd. De Inspecteur verwerpt de herleidingsmethode voor het bepalen van de afschrijving en past de meest actuele koerslijst van Autotelex (auto’s 2, 4, en 5) respectievelijk de forfaitaire tabel (auto 6) toe. De Inspecteur accepteert voorts de CO2-uitstoot van 350 gram per kilometer niet en gaat uit van een CO2-uitstoot van 380 gram per kilometer (auto’s 1 en 8). Aangezien voor de auto’s 1, 6 en 8 geen koerslijst beschikbaar is voor een auto van het desbetreffende merk en type en belanghebbende geen taxatierapport heeft overgelegd, stelt de Inspecteur voor deze auto’s de afschrijving vast aan de hand van de forfaitaire tabel. Met betrekking tot auto 3 houdt de Inspecteur geen rekening met de afschrijving op de opties en verwerpt hij de correctie op de koerslijstwaarde wegens het verschil tussen parallel en officieel ingevoerde auto’s.
2.10
Belanghebbende heeft op 31 oktober 2016 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. De Inspecteur heeft op 30 november 2017 uitspraak op bezwaar gedaan.
2.11
Auto’s 1 en 2 zijn op respectievelijk 21 januari 2020 en 23 september 2021 geëxporteerd door andere personen dan belanghebbende. Aan deze personen is in verband met de export teruggaaf van bpm verleend, met dien verstande dat bij deze teruggaaf geen rekening is gehouden met het bij belanghebbende ter zake van deze auto’s nageheven bpm-bedrag.
De Rechtbank1.
2.12
Belanghebbende heeft bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant (de Rechtbank) beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
2.13
Over het gebruik van de herleidingsmethode heeft de Rechtbank met verwijzing naar een eerdere uitspraak2.overwogen dat de methode niet behoort tot de in de wet toegestane methoden om de vermindering van de bpm te berekenen ter zake van de registratie van een geïmporteerde gebruikte auto. De Rechtbank is voorts van oordeel dat art. 110 VWEU niet noopt tot aanvaarding van de herleidingsmethode. Zij heeft aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat deze methode uitgaat van een al te zeer hypothetische situatie, die niet verifieerbaar is. Toepassing zou bovendien leiden tot willekeurige resultaten, omdat de uitkomst afhankelijk zou worden van de datum van de gebruikte koerslijst, de soort koerslijst en de gehanteerde kilometerstand.
2.14
Over de Scandinavische methode oordeelt de Rechtbank dat aan deze methode niet wordt toegekomen, aangezien de typegoedkeuring zoals opgenomen op het Duitse kentekenbewijs van auto’s 1 en 8 kan gelden als bron in de zin van art. 6a(c) Uitv.reg. BPM, nu deze is verleend door een daartoe bevoegde instantie in een andere lidstaat van de Europese Unie.3.
2.15
Voorts oordeelt de Rechtbank dat in beginsel een auto van hetzelfde merk en type als referentievoertuig dient te worden aangemerkt, aangezien een personenauto van hetzelfde merk en type qua kenmerken per definitie het dichtst aanleunt bij de kenmerken van de auto waarvoor de verschuldigde bpm moet worden bepaald. Daarop geldt volgens de Rechtbank een uitzondering indien een voertuig van hetzelfde merk en type nog niet eerder in Nederland is geregistreerd.4.Nu is gesteld noch gebleken dat voertuigen van hetzelfde merk en type nog niet eerder in Nederland zijn geregistreerd, kan een koerslijst van een voertuig van een ander merk en type niet als uitgangspunt dienen. Dit voertuig van een ander merk en type staat dan niet in een concurrentieverhouding met het voertuig waarvoor de verschuldigde bpm dient te worden bepaald, aldus de Rechtbank.
2.16
Over de correctie van de koerslijstwaarde wegens parallelimport oordeelt de Rechtbank dat de door belanghebbende gebruikte koerslijst geen mogelijkheid biedt een correctie toe te passen wegens parallelimport.5.Dat de koerslijst van een andere uitgever deze mogelijkheid wel biedt, brengt niet mee dat belanghebbende ook een correctie op de door haar gebruikte koerslijst mag toepassen.
2.17
Tot slot oordeelt de Rechtbank met betrekking tot de afschrijving over de opties van auto 3, dat belanghebbende niet is geslaagd in de bewijslast dat de opties niet voorkomen in een koerslijst. Voorts heeft de Inspecteur naar het oordeel van de Rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat ter zake van de import van de auto niet meer bpm wordt geheven dan drukt op een vergelijkbare binnenlandse auto. Nu beide partijen volgens de Rechtbank niet slagen in de op hen rustende bewijslast, stelt zij het afschrijvingspercentage in goede justitie vast op 54%.
Het Hof6.
2.18
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld bij het Hof tegen de uitspraak van de Rechtbank.
2.19
Ook het Hof verwerpt het gebruik van de door belanghebbende bepleite herleidingsmethode. Het acht de overwegingen van de Rechtbank juist en op goede gronden gegeven. Het voegt daaraan toe dat de in het kentekenregister genoteerde bruto bpm niet altijd de daadwerkelijk betaalde bpm is, maar een rekenkundig herleid bedrag. Dergelijke gegevens kunnen niet worden gebruikt om aan te tonen dat in strijd met art. 110 VWEU te veel bpm wordt geheven. Een daadwerkelijke benadeling van uit andere lidstaten ingevoerde auto’s blijkt hieruit immers niet, aldus het Hof.
2.20
Verder oordeelt het Hof dat met betrekking tot de Ferrari’s F12 (auto’s 1 en 8) respectievelijk BMW Alpina (auto 6) geen beroep kan worden gedaan op koerslijsten behorende bij een Mercedes CL65AMG respectievelijk BMW 750iL, omdat dat geen koerslijsten van hetzelfde merk en type zijn. Er is wel een taxatierapport van de BMW Alpina, maar die is gebaseerd op de handelsinkoopwaarde van een BMW 750iL zoals die volgt uit de koerslijst. Het taxatierapport is daarmee niet aan te merken als een ter zake van auto 6 opgesteld taxatierapport.
2.21
Het Hof verwerpt het betoog van belanghebbende dat voor auto’s 1 en 8 de CO2-uitstoot op grond van art. 9(11) Wet BPM op 350 gram per kilometer moet worden gesteld, omdat er een auto is van hetzelfde merk en type waarvoor ook – volgens de Inspecteur op basis van een fout – de uitstoot op 350 gram per kilometer is gesteld. Volgens het Hof levert dit geen schending op van art. 110 VWEU, omdat dit maximum uitsluitend van toepassing is als de CO2-uitstoot niet op een bij ministeriële regeling voorgeschreven wijze is aangetoond. Er is niet gesteld of gebleken dat dat zo was voor de referentieauto.
2.22
Het Hof heeft verder aangesloten bij het afschrijvingspercentage van 54% dat de Rechtbank voor auto 3 in goede justitie heeft vastgesteld.
2.23
Tot slot betoogt belanghebbende dat de naheffing ter zake van de inmiddels geëxporteerde voertuigen (auto’s 1 en 2) tijdsevenredig verminderd dient te worden, aangezien bij het verlenen van teruggaaf bij export geen rekening is gehouden met het nageheven bedrag. Het Hof verwerpt dit betoog. Voor zover belanghebbende een beroep deed op het gelijkheidsbeginsel slaagt dit niet, aldus het Hof.
3. Het geding in cassatie
Beroepschrift in cassatie
3.1
Uit het beroepschrift in cassatie van belanghebbende leid ik af dat zij zeven cassatiemiddelen voorstelt. In de zaak 22/02805 stelt belanghebbende middelen voor die gelijkluidend zijn aan middel 1, middel 2 en middel 6 als hieronder weergegeven.
3.2
Belanghebbende is op de hoogte gesteld van de fouten bij de beëdiging van de raadsheren bij het Hof. Middel 1 voert aan dat de zaak door deze fouten moet worden overgedaan vanwege een schending van art. 6 EVRM.
3.3
Middel 2 betoogt dat het Hof art. 110 VWEU heeft geschonden, omdat het de herleidingsmethode heeft verworpen. Het middel voert aan dat belanghebbende heeft aangetoond dat er in Nederland soortgelijke voertuigen zijn waarin een lager bedrag aan bpm is vervat dan is nageheven, zodat de naheffingsaanslag in strijd met art. 110 VWEU is opgelegd. Het Hof is ten onrechte niet nagegaan of de referentieauto’s soortgelijk zijn aan de onderwerpelijke auto’s en of die laatste aan een hogere heffing worden onderworpen.
3.4
Middel 3 betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat uitsluitend gebruik kan worden gemaakt van de koerslijstmethode indien een auto van hetzelfde merk en type als de te registreren auto in de koerslijst is vermeld.
3.5
Middel 4 komt op tegen het oordeel van het Hof dat de naheffingsaanslag niet tijdsevenredig moet worden verminderd op de grond dat bij het verlenen van bpm-teruggaaf bij export van de auto’s 1 en 2 geen rekening is gehouden met de naheffing. Het middel voert aan dat de Inspecteur daardoor ongerechtvaardigd wordt verrijkt.
3.6
Middel 5 komt op tegen het oordeel van het Hof dat uit art. 110 VWEU niet volgt dat de bpm voor de auto’s 1 en 8 moet worden vastgesteld op basis van een CO2-uitstoot van 350 gram per kilometer. Het betoogt dat niet kan worden uitgesloten dat er referentieauto’s zijn waarvan de uitstoot op grond van art. 9(11) Wet BPM op deze uitstoot is gemaximeerd. Dit is, aldus het middel, ook daadwerkelijk gebeurd, zoals is aangevoerd in hoger beroep.
3.7
Middel 6 voert aan dat het Hof ten onrechte het afschrijvingspercentage in goede justitie heeft vastgesteld. Dat kan volgens het middel alleen voor de handelsinkoopwaarde, die in dit geval niet in geschil is tussen partijen.
3.8
Middel 7 betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat in het taxatierapport van een BMW Alpina geen correctie is toegepast vanwege de verschillen tussen een BMW Alpina en een BMW 750iL. Volgens het Hof is de getaxeerde waarde daarmee een-op-een gebaseerd op de handelsinkoopwaarde die volgt uit een voor de BMW 750iL uitgegeven koerslijst. Het middel voert aan dat dit oordeel feitelijk onjuist en onbegrijpelijk is.
Verweerschrift
3.9
De staatsecretaris van Financiën (de Staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.
3.10
Over middel 1 merkt de Staatssecretaris op dat de Hoge Raad in zijn arrest van 21 oktober 20227.oordeelt dat het gebruik van een onjuiste tekst bij de beëdiging van een raadsheer in het Hof niet leidt tot vernietiging van de uitspraken in de zaken die deze raadsheer (mede) heeft beslist.
3.11
Met betrekking tot middel 2 voert de Staatssecretaris aan dat de herleidingsmethode niet behoort tot de wettelijk toelaatbare verminderingsmethoden. Daarnaast is de huidige wettelijke regeling niet in strijd met art. 110 VWEU, aldus de Staatssecretaris.8.
3.12
Hij voert verder aan dat een afschrijving op basis van de koerslijstmethode mag worden gecorrigeerd indien de daarbij gehanteerde koerslijst geen juiste weergave vormt van de reële waardedaling van het te registreren voertuig, hetgeen zijns inziens het geval is wanneer een koerslijst wordt gebruikt van een ander merk of type voertuig (middel 3). Ook is het Hof terecht voorbijgegaan aan het taxatierapport voor auto 6 (middel 7).
3.13
De Staatssecretaris bestrijdt het betoog van belanghebbende dat het bpm-bedrag ter zake van auto’s 1 en 2 tijdsevenredig verminderd moet worden vanwege de latere export van deze auto’s (middel 4). Hij meent dat het Nederland is toegestaan bpm te heffen over auto’s die hoofdzakelijk zijn bestemd voor duurzaam gebruik in Nederland of hier feitelijk duurzaam worden gebruikt, ongeacht de tijdsduur of de intensiteit van het gebruik van de auto. Het Unierecht noopt in die gevallen niet tot een regeling die voorziet in teruggaaf van bpm wanneer een auto na verloop van tijd niet meer is bestemd voor duurzaam gebruik in Nederland en voor duurzaam gebruik wordt overgebracht naar een andere lidstaat, aldus de Staatssecretaris.9.
3.14
Met betrekking tot middel 5 voert de Staatssecretaris in verweer aan dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat op belanghebbende de bewijslast rust aannemelijk te maken dat zich op het moment van registratie van auto’s 1 en 8 gelijksoortige auto’s van hetzelfde merk en type op de Nederlandse markt bevonden ter zake waarvan de bpm-heffing is gebaseerd op een lagere CO2-uitstoot. Het oordeel dat belanghebbende niet slaagt in deze bewijslast heeft het Hof volgens de Staatssecretaris voldoende gemotiveerd en is niet onbegrijpelijk.
3.15
Tot slot acht de Staatssecretaris het niet onbegrijpelijk dat het Hof het afschrijvingspercentage ten aanzien van auto 3 in goede justitie heeft vastgesteld (middel 6).
4. Bespreking van de middelen
Middel 1 (beëdiging)
4.1
Middel 1 voert aan dat in hoger beroep geen sprake is van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM, doordat niet alle raadsheren van het Hof op de juiste wijze waren beëdigd op het moment waarop de bestreden uitspraak werd gewezen. De desbetreffende onjuist beëdigde raadsheer heeft de eed of de belofte afgelegd overeenkomstig het formulier dat is bestemd voor een rijksambtenaar, in plaats van overeenkomstig het formulier dat is bestemd voor een rechterlijk ambtenaar.
4.2
Inmiddels hebben de strafkamer en de belastingkamer van de Hoge Raad zich over een vergelijkbare klacht gebogen in andere zaken. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de voornoemde omstandigheid niet leidt tot vernietiging van de door de onjuist beëdigde raadsheer gewezen uitspraak.10.Het middel faalt. Ik geef de Hoge Raad in overweging middel 1 af te doen met toepassing van art. 81(1) Wet RO.
Middel 2 (herleidingsmethode)
4.3
Belanghebbende heeft de afschrijving met betrekking tot auto’s 2, 4, 5 en 6 bepaald aan de hand van de ‘herleidingsmethode’. Binnen deze methode vindt de afschrijving plaats op een herrekend bruto bpm-bedrag dat wordt herleid uit een historische koerslijst. De afschrijving wordt vervolgens berekend aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel.
4.4
Het Hof verwerpt de door belanghebbende bepleite methode. Volgens het Hof behoort de herleidingsmethode niet tot de in de wet toegestane methoden om de vermindering van de bpm voor gebruikte voertuigen te berekenen. De methode gaat bovendien uit van een al te zeer hypothetische situatie, die niet verifieerbaar is en leidt tot willekeurige resultaten. De herrekende bruto bpm wordt voorts uit praktische overwegingen gebruikt voor enkele bijzondere bepalingen en goedkeuringen, maar bedraagt niet de daadwerkelijk betaalde bpm. Dit gegeven kan daarom niet worden gebruikt om aan te tonen dat in strijd met art. 110 VWEU te veel bpm wordt geheven, aldus het Hof.
4.5
Middel 2 richt zich tegen dit oordeel van het Hof. Het middel betoogt dat de herrekende bruto bpm een belangrijke positie inneemt binnen de Wet BPM. Door de afschrijving te berekenen aan de hand van de herrekende bruto bpm handelt belanghebbende geheel in lijn met het systeem van de wet, aldus het middel. Voorts leidt verwerping van de herleidingsmethode volgens het middel tot schending van art. 110 VWEU, doordat niet in alle gevallen kan worden uitgesloten dat meer bpm wordt geheven dan nog rust op soortgelijke binnenlandse voertuigen.
4.6
Middel 2 faalt op de gronden als uiteengezet in de gemeenschappelijke bijlage bij deze conclusie. Het Hof overweegt terecht dat de herleidingsmethode niet behoort tot de toegestane wettelijke methoden voor het bepalen van de bpm-vermindering voor gebruikte voertuigen. Dit oordeel is ook in overeenstemming met de jurisprudentie van de Hoge Raad.11.De omstandigheid dat het bedrag van de herrekende bruto bpm een rol speelt binnen (en buiten12.) het wettelijke systeem van de bpm, brengt niet mee dat dit bedrag ook gebruikt kan worden om ten behoeve van de heffing van bpm de waardevermindering te berekenen. De herleidingsmethode sluit dus niet aan bij het wettelijke systeem van de bpm.13.
4.7
Ook toont het gebruik van de herleidingsmethode niet aan dat het Nederlandse wettelijke systeem in strijd is met art. 110 VWEU.14.Als uitgangspunt geldt dat het bedrag aan rest-bpm na registratie van een personenauto in gelijke mate daalt als de waarde in het economisch verkeer van die auto.15.De herleidingsmethode strookt niet met dit uitgangspunt, aangezien deze methode geen rekening houdt met de daadwerkelijke waardedaling van het referentievoertuig. Ook biedt het bedrag van de op de voet van art. 14a Wet BPM bepaalde bpm-teruggaaf, waarvan de herleidingsmethode ook gebruik maakt, niet een zodanig nauwkeurige weergave van de rest-bpm die nog drukt op een referentieauto, dat dit bedrag kan worden gebruikt om de bpm-heffing op een lager bedrag vast te stellen bij de registratie van soortgelijke gebruikte voertuigen.16.
Middel 3 (toepassing koerslijstmethode)
4.8
Tussen partijen is niet in geschil dat met betrekking tot auto’s 1, 6 en 8 geen koerslijsten beschikbaar zijn waarop auto’s van hetzelfde merk en type voorkomen. Vast staat dus dat deze auto’s ‘als zodanig’17.niet voorkomen op een relevante koerslijst.
4.9
Het Hof heeft vooropgesteld dat het wettelijke systeem een drietal afschrijvingsmogelijkheden biedt:
“4.8 (…) De afschrijving kan vastgesteld worden aan de hand van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst (artikel 10, lid 7, Wet BPM 1992), een taxatierapport (artikel 10, lid 8, Wet BPM 1992) en de forfaitaire afschrijvingstabel. Hierbij dient opgemerkt te worden dat uitsluitend gebruik gemaakt kan worden van een taxatierapport indien sprake is van een schadevoertuig (artikel 10, lid 8, letter a. Wet BPM 1992) dan wel een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst (artikel 10, lid 8, letter b, Wet BPM 1992) en dat de forfaitaire afschrijvingstabel wordt toegepast indien een belanghebbende geen afschrijvingsmethode kiest respectievelijk de door belanghebbende gekozen afschrijvingsmethode wordt verworpen. De forfaitaire afschrijvingstabel fungeert in zoverre als een vangnet.”
4.10
Naar het oordeel van het Hof kan slechts gebruik worden gemaakt van de koerslijstmethode ter bepaling van de afschrijving van een auto in de zin van art. 10(7) Wet BPM, indien een koerslijst van een voertuig van hetzelfde merk en type beschikbaar is (voetnoten niet overgenomen):
“Naar het oordeel van het hof kan uitsluitend gebruik gemaakt worden van de optie om de afschrijving aan de hand van een koerslijst vast te stellen indien een koerslijst van een voertuig van hetzelfde merk en type beschikbaar is. Het hof acht dit niet in strijd met artikel I 10 VWEU aangezien uit de jurisprudentie van het HvJ volgt dat bij het vaststellen van de afschrijving het voertuig waarvan de kenmerken, waaronder het model, het type, de aandrijving en de uitrusting, het dichtst aanleunen bij die van het ingevoerde voertuig als referentievoertuig geldt. Een personenauto van hetzelfde merk en type leunt, naar het oordeel van het hof, qua kenmerken per definitie het dichtst aan bij de kenmerken van de desbetreffende auto.”
4.11
Middel 3 voert aan dat dit oordeel berust op een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het middel mag altijd worden gebruikgemaakt van de koerslijstmethode, aangezien art. 10(7) Wet BPM niet de voorwaarde stelt dat een koerslijst beschikbaar is van een voertuig van hetzelfde merk en type als de auto waarvoor de bpm-vermindering dient te worden vastgesteld. Voor de taxatiemethode van art. 10(8) Wet BPM is dat volgens het middel anders: daarvan mag je alleen gebruikmaken als (i) de auto beschadigd is of (ii) de auto als zodanig niet voorkomt op een koerslijst. Art. 10(7) Wet BPM sluit niet uit dat de koerslijstmethode wordt gebruikt voor een onder (ii) bedoelde auto, aldus het middel. In een dergelijk geval mag, zo begrijp ik het middel, een koerslijst worden gebruikt waarop een voertuig voorkomt waarvan de eigenschappen het dichtst aanleunen bij het voertuig waarvoor de vermindering dient te worden bepaald, ook als beide voertuigen niet van hetzelfde merk of type zijn.
4.12
Ter onderbouwing van dit betoog verwijst het middel naar een arrest van de Hoge Raad van 21 februari 202018., meer specifiek naar rechtsoverweging 3.1.3. Deze overweging en de daarop volgende citeer ik hierna:
“3.1.3 De uit het discriminatieverbod voortvloeiende eis om de reële waardedaling of de werkelijke waarde van een motorvoertuig zo goed mogelijk te benaderen, brengt mee dat de belastingplichtige die - overeenkomstig de in artikel 8, lid 4, van de Uitvoeringsregeling geboden mogelijkheden - ervoor kiest de afschrijving van het te registreren motorvoertuig te berekenen aan de hand van een door hem gekozen, in de handel algemeen toegepaste koerslijst, binnen die koerslijst de handelsinkoopwaarde moet nemen van het motorvoertuig waarvan de eigenschappen en de kenmerken (zoals merk en model, type aandrijving, uitrusting, leeftijd en kilometrage, en de staat van onderhoud) het dichtst aanleunen bij die van het uit een andere lidstaat afkomstige motorvoertuig waarvan de afschrijving moet worden bepaald.19.
3.1.4
De door de belastingplichtige gemaakte keuze voor een bepaalde in de handel algemeen toegepaste koerslijst, laat echter (…) onverlet dat de inspecteur mag stellen en zo nodig aannemelijk maken dat in de door de belanghebbende gekozen koerslijst, dan wel in een andere in de handel algemeen toegepaste koerslijst een motorvoertuig voorkomt waarvan de eigenschappen en de kenmerken dichter aanleunen bij die van het te registreren motorvoertuig. Uit hetgeen in 3.1.2 is overwogen, volgt dat artikel 110 VWEU niet eraan in de weg staat dat de in de aangifte opgegeven afschrijving van het te registreren motorvoertuig wordt gecorrigeerd wanneer de reële waardedaling of de werkelijke waarde ervan beter wordt benaderd met behulp van de handelsinkoopwaarde van een ander motorvoertuig, te weten van een motorvoertuig dat wat betreft eigenschappen en kenmerken dichter aanleunt bij het te registreren motorvoertuig dan het motorvoertuig waarvan de belastingplichtige de handelsinkoopwaarde bij de aangifte heeft gebruikt. Ook artikel 8, lid 4, van de Uitvoeringsregeling verzet zich niet ertegen dat de inspecteur op die grond de vermindering aan bpm aanpast.”
4.13
Uit dit arrest valt mijns inziens niet af te leiden dat bij het bepalen van de waardedaling het gebruik van een koerslijst moet worden beperkt tot gevallen waarin een koerslijst beschikbaar is voor een auto van hetzelfde merk en type als de in te voeren auto. De Hoge Raad overweegt dat de belastingplichtige binnen de gekozen koerslijst de handelsinkoopwaarde moet nemen van het motorvoertuig waarvan de eigenschappen en de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het uit een andere lidstaat afkomstige motorvoertuig waarvan de afschrijving moet worden bepaald. Hij somt de eigenschappen en kenmerken van een motorvoertuig (waaronder het merk en type) niet limitatief of dwingend op. De Hoge Raad verwijst daarbij naar punt 23 van het arrest X20., waarin het Hof van Justitie overweegt:
“Wanneer deze producten op de markt voor tweedehands voertuigen van die lidstaat te koop worden aangeboden, moeten zij worden beschouwd als „gelijksoortige producten”, zijnde producten van dezelfde soort als ingevoerde tweedehands voertuigen, wanneer zij zich door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien, in een concurrentieverhouding bevinden. De mededinging tussen twee modellen hangt af van de mate waarin zij voldoen aan een aantal vereisten op het punt van, onder meer, prijs, afmetingen, comfort, prestaties, verbruik, duurzaamheid en betrouwbaarheid. Het referentievoertuig moet het voertuig zijn waarvan de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het ingevoerde voertuig. Dat houdt in dat rekening wordt gehouden met het model, het type en andere kenmerken, zoals de aandrijving of de uitrusting, de ouderdom en de kilometerstand, de staat van onderhoud of het merk (zie met name arresten van 19 september 2002, Tulliasiamies en Siilin, C101/00, Jurispr. blz. I7487, punten 75 en 76, en 20 september 2007, Commissie/Griekenland, C74/06, Jurispr. blz. I7585, punten 29 en 37).”
Het Hof van Justitie vervolgt in punt 24:
“Dienaangaande zij opgemerkt dat de in het vorige punt vermelde criteria limitatief noch dwingend zijn opgesomd. Het referentievoertuig kan natuurlijk variëren naargelang van de specifieke kenmerken van het ingevoerde voertuig. Twee voertuigen die op dezelfde datum voor het eerst in gebruik zijn genomen, zijn niet noodzakelijk gelijksoortig, bijvoorbeeld wegens een andere slijtage. Het staat aan de nationale rechter om, met inachtneming van de in het vorige punt vermelde kenmerken, vast te stellen van welke nationale producten de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het betrokken ingevoerde voertuig.”
4.14
Uit deze overwegingen kan worden opgemaakt dat merk en type slechts relevante criteria zijn om het best passende referentievoertuig te bepalen en dat het ontbreken van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor een auto van hetzelfde merk en type als de ingevoerde auto, niet tot gevolg heeft dat de koerslijstmethode niet kan worden toegepast.
4.15
Deze uitleg strookt met de bewoordingen van art. 10(7) Wet BPM, waarin de koerslijstmethode is geregeld. Uit deze bepaling kan niet worden afgeleid dat het gebruik van de koerslijstmethode is beperkt tot voertuigen van hetzelfde merk en type als het voertuig in de koerslijst. Een dergelijke beperking volgt evenmin uit art. 8(5) Uitv.reg. BPM.
4.16
Ook valt het voorgaande te rijmen met de algemene bewijsregels die volgen uit het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022. Deze bewijsregels brengen mee dat de belastingplichtige feiten aannemelijk dient te maken, die meebrengen dat een afschrijvingsmethode in zijn geval mag worden toegepast en dat toepassing van die methode leidt tot de door hem verdedigde waardedaling.21.Deze regels bieden een belastingplichtige mijns inziens de ruimte aannemelijk te maken dat de koerslijstmethode kan worden toegepast en bovendien leidt tot de door hem verdedigde waardedaling, ook als geen koerslijst van auto’s van hetzelfde merk en type als de ingevoerde auto beschikbaar zijn.
4.17
Tegen deze uitleg kan worden ingebracht dat het voornoemde arrest van de Hoge Raad van 21 februari 2020 is gewezen in een zaak waarin de belanghebbende een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte auto heeft ingevoerd in het jaar 2013. De onderhavige zaak betreft auto’s die in 2016 zijn ingevoerd. De Wet BPM is in de tussentijd gewijzigd. Met ingang van 1 januari 2015 is lid 6 van art. 10 aangepast en zijn de leden 7 en 8 ingevoegd (zie 2.9 gemeenschappelijke bijlage).22.Uit een passage uit de memorie van toelichting zou kunnen worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever was de koerslijstmethode te beperken tot voertuigen die als zodanig voorkomen op een koerslijst. Deze passage luidt als volgt (cursivering CE):23.
“De voornaamste wijziging van artikel 10 van de Wet BPM 1992 houdt in dat de mogelijkheid tot gebruik van een taxatierapport voor de waardebepaling wordt beperkt tot voertuigen met meer dan normale gebruiksschade en voertuigen die, vanwege de geringe mate waarin deze voertuigen in Nederland verhandeld worden, niet voorkomen op in de handel algemeen toegepaste koerslijsten voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland (koerslijst).
(…)
De eigenaar van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade en van een voertuig dat niet op koerslijsten voorkomt kan dus voor de waardebepaling, evenals onder de huidige regelgeving, kiezen tussen gebruik van de forfaitaire tabel, een koerslijst in het eerstgenoemde geval of een taxatierapport. Bij andere voertuigen kan onder de voorgestelde regelgeving voortaan geen gebruik meer gemaakt worden van taxatierapporten. Bij deze voertuigen kan een belastingplichtige dus slechts kiezen tussen waardering op basis van de forfaitaire tabel of een koerslijst”
4.18
Dit citaat zou zo kunnen worden uitgelegd dat de wetgever drie categorieën voertuigen onderscheidt, namelijk (i) voertuigen met meer dan normale gebruiksschade, (ii) voertuigen die niet op een koerslijst voorkomen en (iii) andere voertuigen. Ook zou hieruit kunnen worden opgemaakt dat de wetgever het gebruik van de koerslijstmethode heeft willen beperken tot voertuigen van categorie (i) en categorie (iii). De berekening van de waardedaling van een auto aan de hand van een koerslijst zou dan naar de bedoeling van de wetgever niet mogelijk zijn wanneer deze auto niet voorkomt op een koerslijst.
4.19
De bewoordingen van de leden 2, 6, 7 en 8 van art. 10 Wet BPM, in samenhang gelezen, laten in mijn optiek ruimte voor een dergelijke uitleg. Ook zou deze uitleg niet in strijd komen met art. 110 VWEU, aangezien bij weigering van de koerslijstmethode vanwege het ontbreken van een koerslijst, alsnog (of zelfs: bij uitstek) gebruik kan worden gemaakt van de taxatiemethode ter berekening van de afschrijving. Toch meen ik dat deze argumenten niet opwegen tegen de argumenten die ik heb vermeld in 4.13-4.16. Als de wetgever inderdaad bedoeld zou hebben de berekening van de waardedaling met behulp van een koerslijst te willen beperken tot auto’s van hetzelfde merk en type, dan had het in de rede gelegen dat hij dit uitdrukkelijk en ondubbelzinnig in de tekst van art. 10(7) Wet BPM had bepaald.
4.20
Gezien het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat de koerslijstmethode niet mag worden gebruikt in gevallen waarin geen koerslijst beschikbaar is voor auto’s van hetzelfde merk en type als de ingevoerde auto. Het andersluidende oordeel van het Hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt. Verwijzing moet volgen. Het verwijzingshof moet onderzoeken of belanghebbende aannemelijk maakt dat het soortgelijke voertuig waarop zij zich beroept, het voertuig is waarvan de kenmerken en eigenschappen het dichtst aanleunen tegen die van het voertuig waarvoor de bpm-vermindering dient te worden bepaald.
Middel 4 (tijdsevenredige vermindering)
4.21
Middel 4 komt op tegen het oordeel van het Hof dat de naheffingsaanslag niet tijdsevenredig moet worden verminderd op de grond dat bij het verlenen van BPM-teruggaaf bij export van de auto’s 1 en 2 geen rekening is gehouden met de naheffing. Beide auto’s zijn op enig moment na het doen van aangifte door belanghebbende, geëxporteerd door andere personen. Aan deze laatstgenoemde personen is in verband met de export van de auto’s een teruggaaf verleend ter grootte van een percentage van het belastingbedrag dat belanghebbende op aangifte heeft voldaan. Bij deze teruggaaf is geen rekening gehouden met de bpm die nadien van belanghebbende is nageheven. Het middel betoogt dat de Inspecteur onder deze omstandigheden ongerechtvaardigd wordt verrijkt.
4.22
Art. 14a Wet BPM bevat een regeling voor teruggaaf van (een gedeelte van) het bpm-bedrag ingeval een geregistreerd voertuig binnen een bepaalde termijn buiten Nederland wordt gebracht voor duurzaam gebruik in een andere lidstaat. De teruggaaf bedraagt een percentage van het belastingbedrag. Voor zover relevant luidt art. 14a:
“1. Teruggaaf van belasting wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op aanvraag verleend voor personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s indien de tenaamstelling van het motorrijtuig in het kentekenregister komt te vervallen omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht, en het motorrijtuig wordt geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. De teruggaaf wordt verleend aan degene op wiens naam het motorrijtuig was gesteld direct voorafgaand aan het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister.
(…)
4. De teruggaaf bedraagt het belastingbedrag, nadat dit is verminderd overeenkomstig een bij ministeriële regeling vast te stellen tabel. Ingeval voor het motorrijtuig al eerder teruggaaf van de belasting is verleend, wordt de teruggaaf slechts verleend voorzover de eerder teruggegeven belasting op een later tijdstip alsnog als verschuldigde belasting is voldaan.”
4.23
Het middel zoekt steun bij een arrest van de Hoge Raad van 13 november 202024.. Zakelijk weergegeven betreft dit arrest de situatie waarin een personenauto in Nederland werd geregistreerd en na een aantal maanden weer buiten Nederland werd gebracht voor duurzaam gebruik in een andere lidstaat. De inspecteur in die zaak wees het verzoek om teruggaaf af, omdat het bpm-bedrag ter zake van de registratie in Nederland niet was voldaan. De Hoge Raad overweegt als volgt (voetnoten niet overgenomen):
“3.4 Artikel 14a van de Wet in samenhang gelezen met artikel 8d van de Uitvoeringsregeling voorziet bij beëindiging van de tenaamstelling van een motorrijtuig niet in (een aanspraak op) uitbetaling van een bedrag aan bpm dat niet eerder als belasting was verschuldigd. Aangezien ter zake van de hiervoor in 2.3 bedoelde tenaamstelling niet een bedrag van € 7.185 was verschuldigd maar van € 3.585, heeft de Inspecteur het verzoek om teruggaaf in zoverre terecht afgewezen.
3.5
De hiervoor in 3.4 bedoelde aanspraak op uitbetaling bestaat op grond van artikel 14a van de Wet evenmin indien wordt verzocht om teruggaaf van een bedrag aan bpm dat eerder door een andere (rechts)persoon was verschuldigd maar niet is betaald. Anders dan middel IV betoogt, komt het risico dat geen teruggaaf plaatsvindt omdat deze betaling achterwege is gebleven en blijft, dus voor rekening van degene die om teruggaaf verzoekt. Voor teruggaaf van bpm op de voet van artikel 14a van de Wet is in het systeem van de Wet pas plaats indien de Belastingdienst ter zake van het motorrijtuig een bedrag aan verschuldigde bpm heeft ontvangen dat, op het tijdstip van de registratie van dat motorrijtuig in een andere lidstaat, hoger is dan het bedrag aan bpm dat - in overeenstemming met de duur van het gebruik van dat motorrijtuig in Nederland - niet voor teruggaaf in aanmerking komt. Uit artikel 14a, lid 4, van de Wet in samenhang gelezen met artikel 8d van de Uitvoeringsregeling volgt namelijk dat teruggaaf van bpm alleen mogelijk is voor zover het door de Belastingdienst ontvangen bedrag aan bpm uitstijgt boven het bedrag aan bpm dat volgens artikel 8d van de Uitvoeringsregeling in overeenstemming met de tijdsduur van het gebruik van dat motorrijtuig in Nederland definitief aan de schatkist moet toevallen. Anders dan het Hof heeft aangenomen, is voor teruggaaf van bpm op de voet van artikel 14a van de Wet dus niet in algemene zin vereist dat de verschuldigde bpm volledig is betaald.
3.6 (…)
Indien de ter zake van de tenaamstelling van een motorrijtuig verschuldigde bpm pas geheel of gedeeltelijk is betaald nadat de inspecteur op een verzoek om teruggaaf van bpm voor datzelfde motorrijtuig afwijzend heeft beslist, moet de inspecteur - met inachtneming van hetgeen hiervoor in 3.5 is overwogen - deze latere betaling alsnog in aanmerking nemen wanneer die afwijzing niet onherroepelijk vaststaat. Indien deze bpm alsnog (geheel of gedeeltelijk) wordt betaald tijdens een gerechtelijke procedure in feitelijke instantie, brengt de taak van de (hoger)beroepsrechter mee dat ook hij met die betaling rekening houdt als daarop een beroep wordt gedaan.”
4.24
Anders dan in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, is in de onderhavige procedure geen teruggaafbeschikking in geschil. Belanghebbende is ook niet de persoon die gerechtigd is tot de teruggaaf, aangezien de tenaamstelling van de auto’s door andere personen is beëindigd. Het arrest biedt dan ook geen steun voor de opvatting dat bij de heffing van bpm rekening moet worden gehouden met een teruggaaf van bpm ter zake van de latere beëindiging van de tenaamstelling van de auto.
4.25
De Wet BPM biedt niet de mogelijkheid om bij de heffing van bpm rekening te houden met (een aanspraak op) uitbetaling van een bedrag aan bpm bij een beëindiging van de tenaamstelling van een motorrijtuig op een later tijdstip. Het Unierecht verplicht ook niet hiertoe. Op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie is het Nederland immers toegestaan een in een andere lidstaat geregistreerde personenauto aan een eenmalige registratiebelasting te onderwerpen, ongeacht de tijdsduur of de intensiteit van het gebruik van de auto, in gevallen waarin de auto hoofdzakelijk is bestemd voor duurzaam gebruik in Nederland of daar aldus feitelijk duurzaam wordt gebruikt.25.Het VWEU noopt niet tot (gedeeltelijke) teruggaaf van deze belasting wanneer de auto na verloop van tijd niet meer bestemd is voor duurzaam gebruik in Nederland en voor duurzaam gebruik wordt overgebracht naar een andere lidstaat.26.Bij de heffing van bpm hoeft dus in zoverre geen rekening te worden gehouden met een latere teruggaaf.
4.26
Zou overigens al sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van de Inspecteur, zoals het middel stelt, dan vindt deze verrijking niet plaats te koste van belanghebbende, maar ten koste van degene die het verzoek om teruggaaf heeft gedaan. Reeds daarom komt belanghebbende niet een beroep toe op ongerechtvaardigde verrijking.
4.27
Middel 4 faalt derhalve.
Middel 5 (CO2-uitstoot)
4.28
Belanghebbende heeft ter zake van auto’s 1 en 8 bpm-aangifte gedaan onder vermelding van een CO2-uitstoot van 350 gram per kilometer. Volgens belanghebbende zijn eerder auto’s van hetzelfde merk en type geregistreerd met een dergelijke CO2-uitstoot, zodat het in aanmerking nemen van een hogere uitstoot voor auto’s 1 en 8 leidt tot een hogere bpm-heffing in strijd met art. 110 VWEU.
4.29
Het Hof heeft vooropgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de werkelijke CO2-uitstoot van de auto’s 1 en 8 380 gram per kilometer bedraagt en dat deze uitstoot blijkt uit een op het Duitse kentekenbewijs opgenomen typegoedkeuring. De in art. 9(11) Wet BPM opgenomen regel dat de uitstoot wordt gesteld op 350 gram per kilometer is daarom niet van toepassing op auto’s 1 en 8, zo oordeelt het Hof.27.Middel 5 komt noch tegen deze vaststelling noch tegen dit oordeel op.
4.30
Wel komt het middel op tegen ’s Hofs oordeel dat ook uit art. 110 VWEU niet volgt dat voor de auto’s 1 en 8 een CO2-uitstoot van 350 gram per kilometer moet worden gehanteerd. Het middel betoogt in de eerste plaats dat het Hof ten onrechte aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd dat voor een geslaagd beroep op voornoemd artikel is vereist dat zich op het moment van registratie van auto's 1 en 8 in het Nederlandse kentekenregister gelijksoortige auto's van hetzelfde merk en type op de Nederlandse markt bevonden waarbij de bpm-heffing op een lagere uitstoot is gebaseerd. Het herhaalt het voor het Hof ingenomen standpunt dat het systeem van de wet niet uitsluit dat eerder referentievoertuigen zijn ingevoerd waarbij is uitgegaan van een forfaitaire CO2-uitstoot van 350 gram per kilometer, zodat belanghebbende ook gebruik mag maken van dit gegeven. Nu het wettelijke systeem niet zodanig is ingericht, dat in alle gevallen is uitgesloten dat eerder soortgelijke auto’s in de heffing van bpm zijn betrokken met een CO2-uitstoot van 350 gram per kilometer, hoeft een belastingplichtige niet met concrete voorbeelden aannemelijk te maken dat daadwerkelijk dergelijke auto’s zijn ingevoerd waarvan de CO2-uitstoot op 350 gram per kilometer is gemaximeerd, aldus het middel.
4.31
Art. 9(11) Wet BPM regelt de forfaitaire vaststelling van de CO2-uitstoot van voertuigen waarvan de daadwerkelijke uitstoot niet is komen vast te staan. Van 1 januari 2009 tot 31 december 2014 luidde lid 11 als volgt:28.
“Indien voor de toepassing van dit artikel de CO2-uitstoot van een personenauto niet op een bij ministeriële regeling voorgeschreven wijze is aangetoond, wordt deze gesteld op 350 gram per kilometer respectievelijk 302 gram per kilometer voor een personenauto die wordt aangedreven door een motor met compressieontsteking.”
4.32
Per 1 januari 2015 zijn de bedragen in art. 9(11) Wet BPM verhoogd naar 507 respectievelijk 356 gram per kilometer.29.Met deze verhoging wordt beoogd misbruik te voorkomen en te zorgen dat voor belastingplichtigen een prikkel ontstaat de daadwerkelijke CO2-uitstoot op de voorgeschreven wijze aan te tonen. Ik citeer de memorie van toelichting30.bij de verhoging:
“Als de CO2-uitstoot niet bekend is in het kentekenregister of niet op één van de bij ministeriële regeling voorgeschreven wijzen wordt aangetoond, wordt op grond van artikel 9, elfde lid, van de Wet BPM 1992 voor de heffing uitgegaan van een forfaitaire CO2-uitstoot van 350 gram per kilometer voor een benzineauto en 302 gram per kilometer voor een dieselauto. In de praktijk blijkt echter dat vooral voor auto’s met een hogere CO2-uitstoot dan de vastgestelde forfaitaire waardes veelal geen gegevens worden overgelegd. Dit heeft tot gevolg dat gebruik moet worden gemaakt van de bepaling van genoemd artikel 9, elfde lid, waardoor de CO2-uitstootwaarde forfaitair wordt bepaald. Om misbruik te voorkomen en om ervoor te zorgen dat er bij de belastingplichtige een prikkel ontstaat om de daadwerkelijke CO2-uitstoot op de voorgeschreven wijze aan te tonen, worden deze maximale forfaitaire CO2-uitstootwaardes verhoogd naar 507 gram per kilometer voor benzineauto’s en 356 gram per kilometer voor dieselauto’s. Daarbij wordt aangesloten bij de in de praktijk thans bekende maximale CO2-uitstootwaardes van de geïmporteerde personenauto’s.”
4.33
De Wet BPM biedt de mogelijkheid dezelfde maatstaf van heffing (en overigens ook hetzelfde tarief) te hanteren als die op enig moment sinds het eerste jaar van ingebruikneming van die personenauto heeft gegolden. Art. 10b(1) Wet BPM voorziet daarin.31.Deze bepaling luidt:
“Indien het bedrag van de belasting op enig tijdstip sinds eerste ingebruikneming van een gebruikt motorrijtuig, ingevolge de wettelijke bepalingen met betrekking tot de maatstaf van heffing en het tarief zoals die op dat tijdstip golden, lager is dan het bedrag van de belasting ingevolge artikel 9, na toepassing van artikel 9b, kan, in afwijking van artikel 10, eerste lid, dat lagere bedrag aan belasting worden toegepast.”
4.34
Het wettelijke systeem biedt dus in beginsel de mogelijkheid om uit te sluiten dat een eerder ingevoerd gebruikt voertuig tegen een lagere maatstaf of een lager tarief wordt belast dan de later ingevoerde gebruikte personenauto.
4.35
Deze bepaling brengt een verplichting mee voor de inspecteur. De Hoge Raad overweegt daarover in een arrest van 24 maart 202332.:
3.2.2 (…)
Indien de inspecteur bij het opleggen van een naheffingsaanslag aan de hand van de hem op dat moment ter beschikking staande gegevens over het desbetreffende motorrijtuig in staat is om het voor de belastingplichtige meest gunstige bpm-tarief of de meest gunstige maatstaf van heffing als bedoeld in artikel 10b, lid 1, van de Wet te bepalen aan de hand van de regeling die sinds de ingebruikneming van het motorrijtuig heeft gegolden, moet hij uit eigen beweging dat meest gunstige tarief of die meest gunstige heffingsmaatstaf toepassen. Daarmee draagt hij ervoor zorg dat hij bij het uitoefenen van zijn bevoegdheid tot het opleggen van naheffingsaanslagen in de bpm blijft binnen de begrenzing van artikel 110 VWEU.
4.36
De Hoge Raad overweegt dat de inspecteur uit eigen beweging de meest gunstige maatstaf of het meest gunstige tarief moet toepassen aan de hand van de regeling die heeft gegolden sinds de eerste ingebruikneming van het motorrijtuig. Deze zorgplicht geldt enkel indien de inspecteur dergelijke gunstige gegevens ter beschikking staan over het desbetreffende motorvoertuig. Beschikt hij niet over dergelijke gegevens, maar meent belanghebbende dat zij er wel zijn, dan zal belanghebbende moeten stellen en, bij betwisting, aannemelijk moeten maken dat zich op het moment van registratie van een gebruikte auto in het Nederlandse kentekenregister een of meer gelijksoortige auto’s op de Nederlandse markt bevinden waarbij de BPM-heffing tegen een meer gunstige maatstaf of tegen een gunstiger tarief heeft plaatsgevonden.33.
4.37
Het middel betoogt dat in theorie de mogelijkheid bestaat dat in het verleden auto’s zijn ingevoerd met toepassing van art. 9(11) Wet BPM, die identiek zijn aan auto’s 1 en 8. Art. 10b Wet BPM biedt voor dat hypothetische geval strikt gezien geen uitkomst, aangezien naar de letter van deze bepaling niet expliciet de mogelijkheid wordt geboden art. 9(11) Wet BPM alsnog toe te passen op auto’s 1 en 8, zonder dat voor deze auto’s wordt voldaan aan de voorwaarden van die bepaling. Het middel wordt in zoverre terecht voorgesteld.
4.38
Het middel slaagt alleen dan, indien de theoretische mogelijkheid die het middel bepleit volstaat om de verschuldigde bpm ter zake van de registratie van de auto met een beroep op art. 110 VWEU te mogen berekenen aan de hand van die lagere maatstaf. Mijns inziens is dat niet het geval. Ik licht dit toe naar analogie van twee arresten van de Hoge Raad over art. 16a Wet BPM.
4.39
Art. 16a Wet BPM biedt, evenals art. 10b Wet BPM, de mogelijkheid een historisch bpm-tarief toe te passen bij de registratie van een gebruikt motorrijtuig, namelijk wanneer het wettelijke bpm-tarief wijzigt tussen het moment van inschrijving van het motorrijtuig in het kentekenregister en het moment van tenaamstelling van het motorrijtuig. In een arrest van 1 mei 202034.oordeelt de Hoge Raad als volgt:
“3.4 In dit geval is de auto op 27 februari 2013 voor het eerst in een andere lidstaat van de Unie toegelaten op de weg. In de hiervoor in 2.2.2, laatste volzin, weergegeven oordelen van het Hof ligt besloten het oordeel dat op het tijdstip van de registratie van de auto (op 31 mei 2014) in Nederland gebruikte motorvoertuigen in de handel waren die gelijksoortig zijn aan de auto en een gelijke handelsinkoopwaarde hebben, en dat daartoe motorvoertuigen behoorden die (i) in de eerste twee maanden van 2013 voor het eerst op de weg in Nederland zijn toegelaten, en (ii) ter zake waarvan bpm is geheven naar het hiervoor in 2.2.1 bedoelde tarief van 2012. Daarvan uitgaande heeft het Hof geconcludeerd dat het verschil tussen enerzijds het voor de registratie van de auto te heffen bedrag aan bpm, berekend naar het tarief van 2014, en anderzijds het restbedrag aan bpm dat geacht wordt te rusten op gelijksoortige in Nederland gebruikte motorvoertuigen, uitsluitend kan worden teruggevoerd op toepassing van artikel 16a van de Wet, en dus niets heeft uit te staan met kenmerken of eigenschappen van de motorvoertuigen die de handelsinkoopwaarde van de auto beïnvloeden. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Onder deze omstandigheden is het niet voor redelijke twijfel vatbaar dat belanghebbende de verschuldigde bpm ter zake van de registratie van de auto met een beroep op artikel 110 VWEU - in zoverre in afwijking van de Wet - mag berekenen met toepassing van het hiervoor in 2.2.1 bedoelde tarief van 2012. Zo is gewaarborgd dat belanghebbende ter zake van de registratie van de auto niet meer bpm betaalt dan het laagst mogelijke restbedrag aan bpm dat wordt geacht te zijn begrepen in de handelsinkoopwaarde van een gelijksoortig, in Nederland geregistreerd motorvoertuig. In zoverre faalt het middel ook.”
4.40
In de zaak die tot dit arrest heeft geleid, ging het om een verschil tussen enerzijds het voor de registratie van een motorrijtuig te heffen bedrag aan bpm en anderzijds het restbedrag aan bpm dat geacht wordt te rusten op gelijksoortige in Nederland gebruikte motorvoertuigen, dat uitsluitend kon worden teruggevoerd op toepassing van art. 16a Wet BPM. De Hoge Raad oordeelt dat in dat geval een belastingplichtige de verschuldigde bpm met een beroep op artikel 110 VWEU – in zoverre in afwijking van de wet – mag berekenen met toepassing van het tarief dat van toepassing was op de gelijksoortige auto. Dezelfde redenering kan worden gevolgd, wanneer een verschil in bpm tussen gelijksoortige auto’s is terug te voeren op toepassing van art. 9(11) Wet BPM. Anders dan het middel betoogt, meen ik dat uit voornoemd arrest, wederom in samenhang met de bewijsregels uit het arrest van 20 mei 202235., volgt dat de belastingplichtige moet stellen en, bij betwisting, aannemelijk maken dat sprake is van een gelijksoortige auto en dat het lagere restbedrag aan bpm dat rust op deze auto is terug te voeren op toepassing van art. 9(11) Wet BPM.
4.41
Dat een en ander feitelijk moet worden vastgesteld, maak ik ook op uit een arrest van de Hoge Raad van 9 april 202136.. De theoretische mogelijkheid die het middel bepleit, is dus niet voldoende om te oordelen dat het wettelijke bpm-stelsel in strijd is met art. 110 VWEU. Ik citeer r.o. 3 van het arrest:
“Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:821, slaagt het middel. Anders dan het Hof heeft geoordeeld, is voor toepassing van het door belanghebbende voorgestane tarief (eerste halfjaar 2012) niet relevant of de vanuit een andere lidstaat overgebrachte, gebruikte personenauto een productiedatum heeft die is gelegen vóór 1 juli 2012. Voor de beoordeling of belanghebbende recht heeft op toepassing van het tot 1 juli 2012 geldende tarief komt het erop aan of het verschil tussen enerzijds het voor de registratie van de personenauto te heffen bedrag aan bpm, berekend naar het met ingang van 1 juli 2012 geldende tarief, en anderzijds het restbedrag aan bpm dat wordt geacht te rusten op gelijksoortige in Nederland gebruikte motorrijtuigen, uitsluitend kan worden teruggevoerd op toepassing van artikel 16a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Dat is het geval indien op het tijdstip van de registratie van de personenauto (20 juli 2016) in Nederland gebruikte motorrijtuigen in de handel waren die (i) gelijksoortig zijn aan de personenauto, (ii) een gelijke handelsinkoopwaarde hebben, (iii) in de maanden juli of augustus van 2012 voor het eerst op de weg in Nederland zijn toegelaten, en (iv) ter zake waarvan bpm is geheven naar het tot 1 juli 2012 geldende bedoelde tarief.”
4.42
In het oordeel van het Hof ligt besloten dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich op het moment van registratie van auto’s 1 en 8 in het Nederlandse kentekenregister gelijksoortige auto’s op de Nederlandse markt bevonden, waarbij een lagere bpm-heffing op deze gelijksoortige auto’s is terug te voeren op toepassing van art. 9(11) Wet BPM.37.Middel 5 faalt in zoverre.
4.43
Voor het Hof heeft belanghebbende voorts drie voorbeelden genoemd van auto’s van hetzelfde merk en type die in Nederland zijn geregistreerd met een uitstoot van 350 gram per kilometer. Het Hof volgt belanghebbendes standpunt niet met betrekking tot twee daarvan. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden, zodat ik die twee voorbeelden verder laat rusten.
4.44
Het derde voorbeeld betreft de auto die het Hof aanduidt met het kenteken [kenteken 1] . Het uitgangspunt in cassatie is dat die auto gelijksoortig is aan de auto’s 1 en 8. De Inspecteur heeft in hoger beroep gesteld dat ter zake van auto [kenteken 1] ten onrechte bpm-aangifte is gedaan onder vermelding van een CO2-uitstoot van 350 gram per kilometer. Voor het Hof stelt de Inspecteur dat sprake is van een eenmalige fout. Dit had volgens de Inspecteur moeten leiden tot naheffing, naar ik begrijp op basis van een CO2-uitstoot van 380 gram per kilometer, hetgeen niet is gebeurd. De Inspecteur voert aan dat het niet naheffen als gevolg van die fout in dit geval niet herhaald hoeft te worden. Het Hof acht deze stelling van de Inspecteur juist, nu is gesteld noch gebleken dat het niet opleggen van de naheffingsaanslag het gevolg is van bewust handelen dan wel nalaten van de Inspecteur. Ook in cassatie betwist belanghebbende niet dat sprake is van een (eenmalige) fout, zodat hiervan kan worden uitgegaan.
4.45
Het middel voert aan dat niet van belang is dat sprake is van een éénmalige fout, wat daar ook van zij. Volgens het middel brengt art. 110 VWEU mee dat ook in het geval van een éénmalige fout belanghebbendes auto niet zwaarder mag worden belast dan het referentievoertuig.
4.46
Ik meen dat toepassing van art. 110 VWEU niet zo ver gaat dat elke (eenmalige) fout moet leiden tot vermindering van de belastingheffing over soortgelijke producten. Ik licht dit toe aan de hand van jurisprudentie van het Hof van Justitie.
4.47
Art. 110 VWEU verbiedt de lidstaten op producten van de overige lidstaten een hogere belasting te heffen dan op soortgelijke nationale producten. Art 110 luidt:
“De lidstaten heffen op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven.”
4.48
Volgens het Hof van Justitie heeft art. 110 VWEU tot doel het vrije verkeer van goederen tussen de lidstaten te verzekeren en strekt het artikel ertoe elke vorm van bescherming uit te sluiten die het gevolg kan zijn van de toepassing van binnenlandse belastingen die discriminerend zijn ten aanzien van producten uit andere lidstaten.38.Art. 110 beoogt te waarborgen dat de binnenlandse belastingen volstrekt neutraal zijn voor de mededinging tussen binnenlandse en ingevoerde producten.39.
4.49
Om vast te stellen of een bepaalde nationale heffing discrimineert, toetst het Hof van Justitie doorgaans eerst de vraag of de heffing neutraal is.40.Ik merk op dat wanneer het Hof van Justitie de neutraliteit van een regeling toetst, het dit doet op het niveau van het stelsel als geheel en niet op het niveau van een individueel product.41.Zo dient, naast het tarief van de heffing, ook de grondslag en de heffingsmodaliteit in aanmerking te worden genomen.42.Ook overweegt het Hof van Justitie dat het in aanmerking nemen van een waardevermindering, ter vermijding van de omslachtigheid van een belastingstelsel, niet noodzakelijkerwijs hoeft te leiden tot een waardeschatting of expertise van elk voertuig.43.
4.50
Ik merk evenwel op dat uit andere jurisprudentie van het Hof van Justitie zou kunnen worden opgemaakt dat toetsing aan art. 110 VWEU ook op individueel niveau moet plaatsvinden. Zo kan volgens vaste rechtspraak een belastingstelsel van een lidstaat slechts worden geacht verenigbaar te zijn met art. 110, indien vaststaat dat het zodanig is ingericht dat het in alle gevallen is uitgesloten dat ingevoerde producten zwaarder worden belast dan binnenlandse producten.44.Indien een belastingbedrag hoger is dan het laagste restbedrag dat nog is vervat in de waarde van gelijksoortige binnenlandse producten, staat volgens het Hof van Justitie niet vast dat het stelsel zodanig is ingericht dat in alle gevallen is uitgesloten dat ingevoerde producten zwaarder worden belast.45.
4.51
Het voorgaande heeft mijns inziens niet tot gevolg dat evidente fouten bij de (na)heffing in aanmerking dienen te worden genomen bij het bepalen van het laagste restbedrag aan belasting op binnenlandse producten. Hoewel uit punt 41 van het arrest X een vrij strikte benadering volgt, koppelt het Hof van Justitie in dit punt de discriminerende gevolgen aan de inrichting van het wettelijk stelsel. In het onderhavige geval is het bepleite lagere restbedrag niet het gevolg van de toepassing (of: de inrichting) van de Wet BPM, maar volgt het lagere restbedrag uit een (onterechte) afwijking van de wet die als gevolg van een fout in stand is gebleven. Hieruit kan niet de conclusie volgen dat de (inrichting van de) Wet BPM in strijd is met art. 110 VWEU.
4.52
Het in aanmerking nemen van evidente fouten bij het bepalen van het laagste restbedrag, zou daarnaast kunnen leiden tot verstrekkende gevolgen, die mijns inziens niet zijn beoogd met art. 110 VWEU. Bij een registratiebelasting als de bpm zouden deze gevolgen enigszins beperkt zijn, doordat een fout in de (na)heffing in beginsel slechts gevolgen heeft voor de heffing van bpm over gebruikte auto’s van hetzelfde merk en type. Dit zou potentieel anders kunnen zijn bij een binnenlandse belasting waarvoor vrijwel alle goederen die zijn onderworpen aan de heffing, soortgelijk zijn.
4.53
Als voorbeeld geef ik een belasting op drankverpakkingen, zoals aan de orde was in het arrest Visnapuu46.van het Hof van Justitie. Zou de heffing over een binnenlandse verpakking door toedoen van een fout éénmalig achterwege blijven, dan zou een strikte uitleg van art. 110 VWEU tot gevolg hebben dat het daarna niet meer mogelijk is de belasting te heffen op de verpakkingen uit andere lidstaten, omdat deze buitenlandse producten niet zwaarder mogen worden belast dan de binnenlandse verpakking waarover abusievelijk geen belasting is geheven. Dit zou (een deel van) het belastingstelsel zinledig maken. Ik meen dat niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat art. 110 VWEU niet zo strikt moet worden geïnterpreteerd.
4.54
Ik kom tot de slotsom dat art. 110 VWEU niet ertoe noopt dat soortgelijke producten in aanmerking dienen te worden genomen ter bepaling van het laagste restbedrag aan bpm, wanneer over deze soortgelijke producten door toedoen van een (éénmalige) fout een te laag bedrag aan belasting is geheven. Derhalve faalt middel 5.
Middel 6 (afschrijving in goede justitie)
4.55
In cassatie is in geschil of de nieuwprijs voor auto 3 juist is berekend. Middel 6 voert aan dat het Hof de nieuwprijs onjuist heeft vastgesteld.
4.56
De Rechtbank heeft het volgende overwogen:47.
“2.23 Belanghebbende bepleit voor auto 3 een historische nieuwprijs van € 356.902 terwijl de inspecteur uitgaat van een bedrag van € 289.570.
2.24
De rechtbank overweegt als volgt. Belanghebbende heeft in de bijlage bij de aangifte gesteld dat (naar de rechtbank begrijpt) een combinatie gemaakt moet worden van twee koerslijsten ter bepaling van zowel de historische nieuwprijs als de handelsinkoopwaarde. Belanghebbende stelt in dat verband dat in de invulschermen van Eurotaxglass’s niet alle feitelijk op de auto aanwezige opties kunnen worden ingevoerd.
2.25
De inspecteur heeft de berekening van belanghebbende verworpen en heeft (naar de rechtbank begrijpt) de koerslijst van belanghebbende gehanteerd zonder de daarop gedane aanpassingen. De inspecteur kon dat ook doen. Een combinatie van koerslijsten is immers in beginsel niet toegestaan. Een uitzondering daarop is de situatie dat bepaalde opties niet in de koerslijst zijn verwerkt. Belanghebbende draagt de bewijslast dat daarvan sprake is.
2.26
Belanghebbende is niet in die bewijslast geslaagd. Anders dan in de genoemde uitspraak is. gelet op de betwisting door de inspecteur, niet komen vast te staan dat (geen enkele) optie in de koerslijst van Eurotaxglass’s voorkomt ter zake van auto 3. Het geheel aan gegevens, cijferopstellingen en verwijzingen dat door belanghebbende is overgelegd kan niet als onderbouwing dienen. Daar komt bij dat het betoog in de bijlage bij de aangifte, het bezwaarschrift en het beroepschrift steeds wisselt en geen inzicht geeft in het betoog van belanghebbende. Die onduidelijkheid moet voor rekening van belanghebbende blijven.
2.27
Het voorgaande neemt niet weg dat het op de weg van de inspecteur ligt om aannemelijk te maken dat ter zake van de import van de auto niet meer Bpm wordt geheven dan drukt op een vergelijkbare binnenlandse auto. In de van hem afkomstige stukken heeft de inspecteur niet inzichtelijk gemaakt op welke gronden hij meent dat dat het geval is. In de uitspraak op het bezwaar of in het verweerschrift staat geen motivering dienaangaande. Ook de stukken van het geding in beroep geven geen duidelijkheid. Ook de inspecteur is daarom niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd.
2.28
De omstandigheid dat de inspecteur de door hem verdedigde handelsinkoopwaarde van vergelijkbare auto’s die zich reeds op de Nederlandse markt bevinden, niet aannemelijk maakt, brengt echter niet mee dat de elementen van de naheffingsaanslag ter zake van deze correcties geheel moeten komen te vervallen. De rechtbank moet dan een weging maken van de door beide partijen ingebrachte bewijsmiddelen. In dit geval leidt dat tot de vaststelling van een afschrijvingspercentage in goede justitie. Het bedrag van de historische bruto Bpm is niet in geschil. Al hetgeen met betrekking tot auto 3 is aangevoerd tegen elkaar afwegende stelt de rechtbank het afschrijvingspercentage, inclusief een vermindering voor latere tenaamstelling (leeftijdskorting) in goede justitie vast op 54%. Uitgaande van de historische bruto-Bpm van € 65.361 bedraagt de rest-Bpm dus € 30.066.”
4.57
Het Hof overweegt het volgende over de nieuwprijs:
“4.25 Het hof stelt voorop dat het belang dat belanghebbende stelt te hebben bij de vaststelling van de nieuwprijs (bijvoorbeeld voor de verzekering) geen belang is dat wordt gediend met het niet te hoog vaststellen van de naheffingsaanslag. Het hof begrijpt het betoog van belanghebbende zo dat het afschrijvingspercentage door de rechtbank te laag is vastgesteld.
(…)
4.27
Ook in hoger beroep is de berekening van beide partijen niet duidelijk geworden. Het hof ziet daarom aanleiding ook in goede justitie een afschrijvingspercentage vast te stellen en sluit aan bij het door de rechtbank vastgestelde percentage van 54%.”
4.58
Middel 6 valt uiteen in twee onderdelen. Het eerste middelonderdeel voert aan dat het Hof de nieuwprijs onjuist heeft vastgesteld, althans daarover ten onrechte niet heeft geoordeeld. Het tweede middelonderdeel betoogt dat het Hof de afschrijving ten onrechte in goede justitie heeft vastgesteld. Uitsluitend de handelsinkoopwaarde kan in goede justitie worden vastgesteld48.en deze waarde is tussen partijen niet in geschil, aldus het tweede middelonderdeel.
4.59
Bij de beoordeling van deze middelonderdelen stel ik het volgende voorop.
4.60
Art. 10 Wet BPM regelt hoe de bpm-vermindering voor gebruikte voertuigen moet worden bepaald. Ik citeer de eerste twee leden van deze bepaling:
“1 Met betrekking tot gebruikte personenauto's, gebruikte motorrijwielen of gebruikte bestelauto's wordt het bij de personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto behorende bedrag aan belasting, bedoeld in artikel 9, eerste tot en met het derde lid, berekend met inachtneming van een vermindering.
2 De vermindering, bedoeld in het eerste lid, is de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, en de belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen.”
Lid 2 bepaalt dat de afschrijving wordt uitgedrukt in een percentage van de som van (i) de catalogusprijs (inclusief omzetbelasting49.) en (ii) de bpm op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen. Het bedrag van deze som wordt de ‘historische nieuwprijs’ genoemd.
4.61
Uit de bpm-aangifte ter zake van de registratie in het kentekenregister van auto 3 maak ik op dat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van de koerslijstmethode voor het bepalen van de bpm-vermindering. Over deze methode vermeldt art. 10(7) Wet BPM het volgende:
“De afschrijving, bedoeld in het tweede lid, wordt, mits daartoe een verzoek bij de aangifte wordt gedaan, gesteld op de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vierde lid, en de belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen, verminderd met de waarde vermeld in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland.”
Uit lid 7 volgt dus dat bij toepassing van de koerslijstmethode, de afschrijving wordt berekend door de historische nieuwprijs af te zetten tegen de waarde vermeld in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland. Deze laatste waarde staat bekend als de ‘handelsinkoopwaarde’.
4.62
Belanghebbende verdedigt een historische nieuwprijs van € 356.904. Deze nieuwprijs is gelijk aan de som van de netto catalogusprijs van auto 3 (€ 240.945), de omzetbelasting over deze netto catalogusprijs (€ 50.598; tarief van 21%) en de bruto bpm ter zake van de registratie van auto 3 (€ 65.361). De Inspecteur en de Staatssecretaris menen dat moet worden uitgegaan van de historische nieuwprijs voor de referentieauto die volgt uit de koerslijst die belanghebbende in de aangifte heeft toegepast (€ 289.570).
4.63
Het middelonderdeel bestrijdt dat de in de koerslijst vermelde historische nieuwprijs van de referentieauto moet worden gebruikt.50.Het voert aan dat het standpunt van de Staatssecretaris van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Noch uit de wetsgeschiedenis, noch uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat wanneer een koerslijst wordt gebruikt voor het vaststellen van de handelsinkoopwaarde, ook de historische nieuwprijs moet worden vastgesteld aan de hand van die koerslijst, aldus het middelonderdeel. Ik meen dat in dit betoog het uitgangspunt besloten ligt dat de afschrijving als bedoeld in art. 10(2) Wet BPM, een percentage bedraagt van de nieuwprijs van de te registreren auto (auto 3 inclusief de opties) in plaats van de nieuwprijs van de referentieauto (zonder de opties). Dit uitgangspunt acht ik onjuist. Ik licht dit toe.
4.64
De mogelijkheid een koerslijst te gebruiken voor het bepalen van de bpm-vermindering voor gebruikte voertuigen is per 1 januari 2004 geïntroduceerd door de invoering van de zogenoemde ‘tegenbewijsregeling’.51.Tot dat moment bood de Wet BPM slechts de mogelijkheid de bpm-vermindering te bepalen aan de hand van de forfaitaire tabel. De tegenbewijsregeling keurde goed dat in plaats van de forfaitaire afschrijving een werkelijke waardevermindering in aanmerking werd genomen.
4.65
De werkelijke waardevermindering kon onder de tegenbewijsregeling worden onderbouwd aan de hand van een koerslijst of een taxatierapport, overeenkomstig het huidige systeem van de Wet BPM. De goedkeuring citeer ik hierna. Ik wijs in het bijzonder op de voorwaarde onder punt 3:
“2. Goedkeuring
Totdat deze mogelijkheid in de wet is opgenomen keur ik onder de hierna opgenomen voorwaarden en beperkingen goed, dat indien bij eerste registratie in Nederland van een in het buitenland geregistreerd gebruikt motorrijtuig blijkt, dat het werkelijke afschrijvingspercentage hoger is dan het percentage volgens de tabel (…), dit hogere afschrijvingspercentage wordt gebruikt om het verschuldigde bpm-bedrag te bepalen. Daartoe worden eerst op de gebruikelijke wijze de catalogusprijs en het bruto bpm-bedrag bepaald. Vervolgens wordt de feitelijke waarde van het gebruikte motorrijtuig vastgesteld, waarna het verschil tussen de historische nieuwprijs (consumentenprijs) in Nederland en de gebleken feitelijke waarde wordt uitgedrukt in een percentage van die historische nieuwprijs, zijnde het werkelijke afschrijvingspercentage. Dit percentage kan vervolgens worden toegepast bij het bepalen van de verschuldigde bpm in plaats van het percentage volgens de tabel (…).
3. Voorwaarden en beperkingen
(…)
Wordt voor het bepalen van de waarde van het motorrijtuig gebruik gemaakt van een in de branche gebruikelijke koerslijst, dan dient voor de berekening van het werkelijke afschrijvingspercentage de historische nieuwprijs te worden ontleend aan deze zelfde koerslijst.”
4.66
Met ingang van 1 februari 2007 is de mogelijkheid van het gebruik van een koerslijst of taxatierapport voor het berekenen van de bpm-vermindering uit de tegenbewijsregeling, overgenomen in art. 10(2) Wet BPM52.en 8 Uitv.reg. BPM53.. Ik meen dat de wetgever hiermee voor het gebruik van koerslijsten geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd. De nota van wijziging bij het Belastingplan 2007 bevat namelijk de volgende toelichting (cursivering CE):54.
“Ingevolge artikel X, nieuw onderdeel C, wordt artikel 10, tweede lid, van de Wet BPM zodanig aangepast dat in beginsel voor gebruikte auto’s wordt geheven naar de werkelijke afschrijving, uitgedrukt als percentage van de catalogusprijs inclusief BPM. Om deze afschrijving te berekenen wordt de catalogusprijs in nieuwstaat afgezet tegen de feitelijke consumentenprijs bij verkoop aan particulieren. Deze feitelijke waarde kan bijvoorbeeld worden vastgesteld aan de hand van in de handel gebruikelijke koerslijsten voor de consumentenprijs van tweedehands motorrijtuigen, waarbij ook rekening wordt gehouden met bijvoorbeeld merk, type, uitvoering en kilometrage van het voertuig. De praktijk is al bekend met deze werkwijze in het kader van de zogenoemde tegenbewijsregeling.”
4.67
Dat voor het bepalen van de werkelijke afschrijving de historische nieuwprijs van de referentieauto moet worden gehanteerd, volgt mijns inziens ook uit jurisprudentie van de Hoge Raad. Ik wijs in de eerste plaats op het arrest van 2 maart 201255.. Hierin oordeelt de Hoge Raad (cursivering CE):
“3.5.3 (…) Zoals ook de wetgever tot uitgangspunt neemt, moet ervan worden uitgegaan dat het bedrag van de BPM na de registratie van een ongebruikte auto in gelijke mate daalt als de waarde in het economische verkeer van de referentieauto. Het uitgangspunt is aldus de vermindering van het bedrag aan BPM dat is begrepen in de waarde van de referentieauto op het moment dat deze auto met het oog op het eerste gebruik in Nederland is geregistreerd. Deze waarde is gelijk te stellen aan de prijs - waarin de BPM dus is begrepen - waarvoor de referentieauto op dat tijdstip van een onafhankelijke derde zou zijn aangeschaft.
Op grond van dit een en ander moet voor de berekening van de waardedaling van de referentieauto worden uitgegaan van enerzijds de prijs waarvoor de referentieauto in nieuwe staat is aangekocht (en bij welke prijsvorming rekening wordt gehouden met het wettelijk verschuldigde bedrag aan BPM ter zake van de registratie als ongebruikte auto) en van anderzijds de prijs waarvoor die auto in dezelfde gebruikte staat als de auto waarvoor het bedrag aan verschuldigde BPM moet worden bepaald, wordt verkocht.”
4.68
Voorts volgt uit rechtsoverweging 3.3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 202256.dat de catalogusprijs en de handelsinkoopwaarde betrekking moeten hebben op dezelfde referentieauto (cursivering CE):
“3.3.4 Opmerking verdient nog dat om het juiste afschrijvingspercentage als bedoeld in artikel 10, lid 2, van de Wet te kunnen vaststellen, zowel de catalogusprijs als de handelsinkoopwaarde betrekking moeten hebben op dezelfde referentieauto. Een afschrijvingspercentage voor een kampeerauto kan dus niet worden bepaald op basis van enerzijds een catalogusprijs die is bepaald door vergelijking met een gesloten bestelauto en anderzijds een handelsinkoopwaarde die is bepaald door vergelijking met een andersoortig motorvoertuig (in dit geval een kampeerauto).”
4.69
Volgens het wettelijke systeem van de bpm wordt dus eerst de waardevermindering (art. 10(2) Wet BPM) berekend van de referentieauto. In casu betreft deze vermindering het afschrijvingspercentage dat volgt uit het verschil tussen de handelsinkoopwaarde en de historische nieuwprijs van de referentieauto, een en ander zoals afgeleid uit een koerslijst van deze referentieauto. Vervolgens wordt deze vermindering (dan wel: dit percentage) toegepast op het bpm-bedrag voor de te registeren auto (art. 10(1) Wet BPM). De gegevens van de te registreren auto spelen bij deze berekening geen rol – met uitzondering van de CO2-uitstoot die wordt gebruikt om het bpm-bedrag (art. 9(1) en (2) Wet BPM) te berekenen. De nieuwprijs van de te registreren auto is in het onderhavige geval dus niet van belang voor de bpm-vermindering, in tegenstelling tot wat het middelonderdeel kennelijk betoogt.
4.70
Belanghebbende wijst in haar conclusie van repliek erop dat de Hoge Raad in het hiervoor genoemde arrest van 20 mei 2022 de catalogusprijs noemt en niet de (historische) nieuwprijs. Ik begrijp dat zij hiermee betoogt dat de bruto bpm en nieuwprijs niet hoeven te zien op de referentieauto, dan wel dat de bruto bpm en de nieuwprijs niet uit de koerslijst hoeven te volgen. Ik meen echter dat waar de Hoge Raad de catalogusprijs noemt, hetzelfde naar analogie heeft te gelden voor de bruto bpm en daarmee de historische nieuwprijs – mede gezien de toelichting op de tegenbewijsregeling (4.65). Ook Van Brummelen57.gaat daarvan uit. Hij annoteert het volgende bij het arrest van 20 mei 2022 (cursivering CE):
“In r.o. 3.3.4 van het onderwerpelijke arrest voegt de Hoge Raad hier voor alle duidelijkheid nog aan toe dat, om het afschrijvingspercentage als bedoeld in art. 10 lid 2 Wet BPM te kunnen bepalen, zowel de catalogusprijs (historische nieuwprijs) als de handelsinkoopwaarde betrekking moeten hebben op dezelfde referentieauto.”
4.71
Deze opvatting komt ook overeen met de huidige praktijk voor het doen van bpm-aangifte. De toelichting op het aangifteformulier58.vermeldt het volgende:
“1 Vermindering bpm berekenen op basis van een koerslijst
(…)
Voorwaarden om deze rekenmethode te gebruiken
– U moet de waarde van het motorrijtuig aantonen met een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door handelaren.
– De koerslijst toont de historische verkoopwaarde (consumentenprijs) en de inkoopwaarde in Nederland door een handelaar.”
4.72
Ook het formulier dat belanghebbende bij de aangifte voor auto 3 heeft gebruikt voor de berekening van de bpm, hanteert als uitgangspunt dat voor het berekenen van de afschrijving aan de hand van de koerslijstmethode, zowel de nieuwprijs als de handelsinkoopwaarde uit de koerslijst volgt. Ik wijs op rubriek 5 van het formulier (cursivering in het origineel):
“5 vermindering bpm op basis van een koerslijst
5a historische nieuwprijs bij verkoop. Neem over uit de koerslijst (…)
5b Inkoopwaarde. Neem over uit koerslijst (…)”
4.73
Tot slot merk ik op dat de Wet BPM met ingang van 1 januari 2024 zal worden aangepast. Met deze aanpassing komt art. 10(7) Wet BPM als volgt te luiden:
“De afschrijving, bedoeld in het tweede lid, wordt, mits daartoe een verzoek bij de aangifte wordt gedaan, gesteld op de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, en belasting van personenauto’s en motorrijwielen, op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen en zoals deze blijkt uit een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, verminderd met de handelsinkoopwaarde die voor dat motorrijtuig eveneens blijkt uit deze koerslijst.”
Met deze wijziging is beoogd het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022 te codificeren. De memorie van toelichting59.bij het wetsvoorstel vermeldt het volgende (cursiveringen in origineel):
“2.7 Codificatie uitspraak Hoge Raad over gebruik van handelskoerslijsten
De afschrijving van een gebruikt motorrijtuig voor de bpm kan worden bepaald met behulp van een in de handel algemeen gebruikte handelskoerslijst. Allereerst dient daarbij te worden beoordeeld of het importvoertuig «als zodanig» in de koerslijst voorkomt (beoordeeld naar merk, model, transmissie, brandstof, vermogen, carrosserie en uitvoering). Ten overvloede wordt opgemerkt dat een geringe afwijking in CO2-uitstoot niet betekent dat het motorvoertuig niet als zodanig in de koerslijst voorkomt. De CO2-uitstoot is in de regel geen criterium dat hierbij een rol speelt. Dit is anders als de uitvoering dusdanig afwijkt dat er sprake is van een grote CO2-uitstoot, zoals bijvoorbeeld het geval is bij een motorvoertuig dat afkomstig is van de Amerikaanse markt. De CO2 afwijking vloeit in die gevallen voort uit een afwijking van één van de hiervoor limitatief opgesomde voertuigeigenschappen.
Indien een voertuig niet als zodanig in de koerslijst voorkomt kan met een individuele waardebepaling (taxatierapport) de afschrijving worden bepaald aan de hand van een vergelijkbaar motorvoertuig in de koerslijst waarvan de eigenschappen en kenmerken (zoals merk en model, type aandrijving, uitrusting, leeftijd en kilometrage en de staat van onderhoud), het dichtst aansluiten bij het importvoertuig. Hierbij vormen alle (basis)gegevens van het meest vergelijkbaar motorvoertuig dus het uitgangspunt. Zowel de historische nieuwprijs als de handelsinkoopwaarde van dezelfde koerslijst (en dus van het referentievoertuig) dienen aldus te worden gevolgd voor het bepalen van de juiste afschrijving. Er wordt voorgesteld een uitspraak van de Hoge Raad hierover te codificeren in de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM 1992).”
Uit deze wetswijziging en memorie van toelichting maak ik op dat ook de wetgever als uitgangpunt hanteert dat in het arrest van 20 mei 2022 het oordeel besloten ligt dat, indien de afschrijving wordt bepaald aan de hand van een koerslijst, de historische nieuwprijs uit deze koerslijst moet worden afgeleid.
4.74
Op grond van het vorenstaande kom ik tot de volgende slotsom. Wanneer een belastingplichtige voor de bpm-vermindering gebruik maakt van de koerslijstmethode, wordt de afschrijving bepaald door de historische nieuwprijs af te zetten tegen de handelsinkoopwaarde. De historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde dienen betrekking te hebben op dezelfde referentieauto. Voorts dient de belastingplichtige de historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde te gebruiken die volgen uit de koerslijst op basis waarvan de afschrijving van de referentieauto wordt bepaald.
4.75
Het eerste onderdeel van middel 6 voert aan dat het Hof de nieuwprijs onjuist heeft vastgesteld, althans daarover ten onrechte niet heeft geoordeeld. Het Hof heeft geoordeeld dat het belang dat belanghebbende stelt te hebben bij de vaststelling van de nieuwprijs van auto 3, geen belang is dat verband houdt met de naheffingsaanslag bpm. Dat oordeel is juist (4.74). Bij het berekenen van het afschrijvingspercentage door middel van de koerslijstmethode geldt als uitgangspunt de historische nieuwprijs van de referentieauto die volgt uit de gehanteerde koerslijst. Dit afschrijvingspercentage wordt vervolgens toegepast op de bruto bpm van auto 3, wat leidt tot de verschuldigde bpm voor deze auto. De historische nieuwprijs van auto 3 (inclusief de opties) is aldus, anders dan het middelonderdeel aanvoert, niet van belang voor de vaststelling van de verschuldigde bpm en, in het verlengde daarvan, voor de beantwoording van de vraag of de naheffingsaanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld. Het Hof behoefde dus niet specifiek te oordelen over de nieuwprijs van auto 3.
4.76
Voor zover belanghebbende in haar conclusie van repliek nog betoogt dat hierdoor het nieuwprijsbegrip van de Wet BPM ten onrechte afwijkt van het nieuwprijsbegrip voor de berekening van de fiscale bijtelling in de inkomstenbelasting,60.mist het doel. Het nieuwprijsbegrip voor de fiscale bijtelling is in onderhavige zaak niet aan de orde.
4.77
Het eerste onderdeel van middel 6 faalt.
4.78
Het tweede middelonderdeel voert aan dat de vaststelling door het Hof van de afschrijving in goede justitie, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Uitsluitend de handelsinkoopwaarde kan in goede justitie worden vastgesteld en deze waarde is tussen partijen niet in geschil, aldus dit tweede onderdeel van middel 6.
4.79
Ter onderbouwing van haar betoog verwijst belanghebbende naar overweging 4.3.3 van het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 202261.. Deze overweging luidt (voetnoot niet overgenomen):
“4.3.3 Indien de rechter in een geval waarin de taxatiemethode van toepassing is, tot het oordeel komt dat zowel de door de belanghebbende als de door de inspecteur verdedigde handelsinkoopwaarde van het desbetreffende motorvoertuig niet bruikbaar is voor het bepalen van de afschrijving ervan, moet die rechter die handelsinkoopwaarde in goede justitie vaststellen. Waardebepaling in goede justitie leent zich slechts in beperkte mate voor motivering.”
4.80
Voordat ik toekom aan de behandeling van dit tweede onderdeel van middel 6, merk ik het volgende op. In het oordeel van het Hof ligt besloten dat beide partijen het afschrijvingspercentage voor auto 3 niet aannemelijk hebben gemaakt. Ik meen dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
4.81
Het getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat in het oordeel de opvatting besloten ligt dat partijen de bewijslast delen voor het bepalen van de afschrijving. Deze opvatting is onjuist. Over de verdeling van de bewijslast heeft de Hoge Raad geoordeeld in het meergenoemde arrest van 20 mei 202262.. Uit dit arrest volgt dat de belastingplichtige de feiten aannemelijk dient te maken die de door hem verdedigde waardedaling staven (rechtsoverweging 3.2.4) en dat de stelplicht en bewijslast niet op de inspecteur rusten (rechtsoverweging 3.2.7). Het oordeel dat (ook) de inspecteur het afschrijvingspercentage niet aannemelijk heeft gemaakt, getuigt dus van een onjuiste rechtsopvatting.
4.82
Het Hof kon de afschrijving zelf vaststellen op basis van de stukken van het geding. Ik licht dit toe.
4.83
Belanghebbende heeft bij de aangifte van auto 3 gebruik gemaakt van de koerslijst EurotaxGlass’s. De Rechtbank heeft feitelijk, en in cassatie onbestreden, vastgesteld dat belanghebbende de historische nieuwprijs heeft bepaald door een combinatie van twee koerslijsten.63.De Inspecteur heeft vervolgens de koerslijst van belanghebbende gehanteerd, zonder de daarop gedane aanpassingen.64.Hierin ligt besloten dat tussen partijen niet in geschil is dat de koerslijstmethode kan worden toegepast en dat de koerslijst EurotaxGlass’s kan worden gebruikt.
4.84
Tot de gedingstukken behoort de aankondiging van de naheffingsaanslag van 17 augustus 2016. In bijlage 2 bij deze aankondiging vermeldt de Inspecteur het volgende over auto 3:
“193-16-01061
In de door u bij de aangifte gevoegde Eurotaxglass’s waardebepaling m.b.t. een Ferrari 458 45 V9 Spider gaat u uit van een inkoopwaarde van € 138.378. Omdat er geen bestaande koerslijst is met betrekking tot alle opties heeft u op grond van twee andere koerslijsten (…) de gemiddelde restwaarde van de bij die voertuigen behorende opties bijgeteld. (…) Dit is niet juist. Bij gebruik van de koerslijst als afschrijvingsmethode moet men de enige op het voertuig toegeschreven koerslijst gebruiken.
De consumentenprijs van het voertuig bedraagt € 289.570 en de inkoopwaarde € 138.378.”
Hieruit maak ik op dat, zoals belanghebbende ook aanvoert in het beroepschrift65., tussen partijen niet in geschil is dat de handelsinkoopwaarde van auto 3 € 138.378 bedraagt.
4.85
Nu tussen partijen vaststaat dat (i) de koerslijstmethode kan worden toegepast, (ii) de koerslijst EurotaxGlass’s van toepassing is en (iii) uit deze koerslijst een handelsinkoopwaarde volgt van € 138.378, dient de historische nieuwprijs eveneens te volgen uit de koerslijst EurotaxGlass’s (zie 4.74). Op basis van deze gegevens kan het afschrijvingspercentage worden vastgesteld.
4.86
De Hoge Raad kan de zaak op dit punt afdoen. De Staatssecretaris stelt dat een handelsinkoopwaarde voor de referentieauto van € 289.570 volgt uit de koerslijst EurotaxGlass’s, welke waarde in overeenstemming is met het standpunt van de Inspecteur in bijlage 2 bij de aankondiging van de naheffingsaanslag. Belanghebbende bestrijdt niet dat deze waarde uit de koerslijst volgt. In plaats daarvan betoogt zij – zoals gezegd ten onrechte (4.74) – dat de nieuwprijs uit de koerslijst niet kan worden gebruikt voor het berekenen van de afschrijving.
4.87
In zoverre kan in cassatie ervan worden uitgegaan dat de nieuwprijs die volgt uit de koerslijst € 289.570 bedraagt. Dit betekent dat voor de berekening van de afschrijving, de historische nieuwprijs van € 289.570 moet worden afgezet tegen de handelsinkoopwaarde van € 138.378. Dit leidt tot een afschrijvingspercentage van 52,2%.66.
4.88
Omdat de Rechtbank en het Hof uitkomen op een hoger afschrijvingspercentage, wijs ik nog op het volgende. De Hoge Raad beslist de zaak zoals het Hof had behoren te doen (art. 29e(2) AWR). Daarbij is hij indirect67.gebonden aan het bepaalde in art. 8:69 Awb.68.In laatstgenoemde bepaling ligt besloten dat het instellen van beroep voor de insteller niet mag leiden tot een nadeliger positie dan vóór het instellen van het beroep (reformatio in peius).69.De Rechtbank heeft het afschrijvingspercentage in goede justitie vastgesteld op 54%. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof en de Inspecteur heeft niet incidenteel hoger beroep ingesteld. Zou het Hof het afschrijvingspercentage hebben vastgesteld op 52,2%, dan zou belanghebbende in een nadeliger positie terechtkomen dan vóór het instellen van het hoger beroep. Het Hof had het afschrijvingspercentage dus niet lager dan 54% mogen vaststellen. Zou het tweede middelonderdeel dus terecht zijn voorgesteld, dan kan dit niet tot cassatie leiden. De slotsom is dan dat het tweede middelonderdeel, en daarmee middel 6, faalt.
4.89
Belanghebbende roept met het tweede middelonderdeel vragen op over de waardebepaling in goede justitie in verband met de bpm-vermindering voor gebruikte voertuigen. Zoals gezegd verwijst het middelonderdeel naar rechtsoverweging 4.3.3 van het arrest van 20 mei 202270.. Ik merk op dat deze overweging in de literatuur en de rechtspraak tot onduidelijkheid heeft geleid. Hoewel een oordeel over waardebepaling in goede justitie in deze zaak niet noodzakelijk is, biedt dit middelonderdeel de Hoge Raad de gelegenheid zijn jurisprudentie te verduidelijken. Hierna licht ik toe waarover onder meer onduidelijkheid bestaat.
4.90
In de literatuur71.is over het arrest van 20 mei 2022 opgemerkt dat het oordeel van de Hoge Raad over waardebepaling in goede justitie (rechtsoverweging 4.3.3) zich niet goed laat rijmen met de algemene bewijsregels die eerder in hetzelfde arrest zijn opgenomen (rechtsoverwegingen 3.2.4 tot en met 3.2.7). De vraag wordt opgeworpen hoe het mogelijk is dat wordt toegekomen aan waardebepaling in goede justitie als slechts een der partijen (belanghebbende) de stelplicht en bewijslast draagt. De logische verklaring is dat binnen de taxatiemethode op enig moment op de inspecteur toch een deel van de bewijslast komt te rusten, maar dit staat haaks op het oordeel in rechtsoverweging 3.2.7.
4.91
Het voorgaande heeft ook geleid tot uiteenlopende interpretaties binnen de feitenrechtspraak van de overwegingen in het arrest. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden72.constateert dat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en het gerechtshof Den Haag verschillend uitleg geven aan het arrest van 20 mei 2022. Ik citeer het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
“4.6 Partijen twisten over de betekenis van het arrest van 20 mei 2022. Ook het Hof acht in redelijkheid twee interpretaties van dit arrest mogelijk.
4.7.1.
In de eerste plaats zou uit dit arrest kunnen worden afgeleid dat, omdat belanghebbende niet slaagt in zijn bewijslast, de Inspecteur vervolgens bewijsrechtelijk aan zet is. Indien de Inspecteur er ook niet in slaagt de door hem verdedigde handelsinkoopwaarde (…) aannemelijk te maken, zou in die lezing het arrest van 20 mei 2022 vervolgens meebrengen dat het Hof die waarde in goede justitie moet vaststellen. Deze lezing komt erop neer dat voortaan in bpm-zaken waarin de taxatiemethode van toepassing is, in wezen dezelfde bewijslastverdeling geldt als in WOZ-zaken.73.Deze lezing geeft onder meer het hof ’s-Hertogenbosch aan het arrest van 20 mei 2022.74.
4.7.2.
In de tweede plaats acht het Hof eveneens verdedigbaar dat het arrest van 20 mei 2022 beperkter moet worden uitgelegd. Gelet op de (bijzondere) omstandigheid dat de in dat arrest aan de orde zijnde kampeerauto’s als zodanig niet voorkwamen in een koerslijst en dat het daarom voor beide partijen in die procedure uiterst moeilijk zal zijn geweest de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat met voldoende zekerheid vast te stellen, heeft de Hoge Raad in deze lezing slechts willen toestaan dat die handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat zo nodig in goede justitie wordt vastgesteld. Omdat deze moeilijkheid zich in het algemeen niet voordoet bij het bepalen van waardeverminderende factoren zoals eventuele schade, blijft in zoverre de bewijslast uitsluitend op de belanghebbende rusten en wordt in zoverre aan een oordeel in goede justitie niet toegekomen. Van deze lezing lijkt het hof Den Haag uit te gaan.75.”
In het vervolg van de uitspraak komt het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden na een uitgebreide uiteenzetting tot de slotsom dat de tweede (beperkte) lezing voor juist moet worden gehouden. Hoewel ik het citeren van de overige punten hier verder achterwege laat, merk ik op dat de punten 4.8.1 tot en met 4.10 van de uitspraak van het gerechtshof in dit verband bijzonder lezenswaardig zijn.
4.92
De voorgaande discussie beperkt zich tot de taxatiemethode. Het middel van belanghebbende roept de terechte vraag op of waardebepaling in goede justitie ook mogelijk is binnen de koerslijstmethode. Nog los van de vraag of een dergelijke waardebepaling valt te rijmen met de stelplicht en bewijslast voor slechts één partij (zie 4.90), kan ook over deze vraag verschillend worden gedacht. Ik licht dit toe.
4.93
Uit rechtsoverweging 3.2.4 van het arrest van 20 mei 2022 volgt dat het op de weg van de belastingplichtige ligt aannemelijk te maken dat (a) een van de voorgeschreven afschrijvingsmethoden kan worden toegepast en (b) toepassing van die methode leidt tot de verdedigde waardedaling. Maakt de belastingplichtige al niet aannemelijk dat een bepaalde methode kan worden toegepast, dan wordt de afschrijving bepaald aan de hand van één van de andere afschrijvingsmethoden, waarbij de forfaitaire afschrijvingstabel als het ware dient als ‘vangnet’.76.Aan waardebepaling in goede justitie wordt mijns inziens dan nimmer toegekomen.
4.94
Maakt een belastingplichtige wél aannemelijk dat (a) een afschrijvingsmethode kan worden toegepast in zijn geval77., maar maakt hij (b) de werkelijke waardedaling niet aannemelijk, dan zou voor dat geval kunnen worden betoogd dat de inspecteur of rechter dient te blijven binnen de kaders van de gekozen methode. Deze gedachtegang strookt met de regel dat de inspecteur binnen de koerslijstmethode zo nodig mag stellen en aannemelijk maken dat in de door belanghebbende gekozen koerslijst, dan wel in een andere koerslijst, een voertuig voorkomt waarvan de eigenschappen en kenmerken dichter aanleunen tegen die van het te registreren voertuig.78.Staat in (hoger) beroep tussen partijen vast, zoals in het onderhavige geval, dat de bpm-vermindering mag worden berekend aan de hand van de koerslijstmethode, dan zou het kunnen voorkomen dat naar het oordeel van de rechter noch de door de inspecteur verdedigde referentieauto79., noch de door belanghebbende verdedigde referentieauto80., bruikbaar is voor het bepalen van de werkelijke waardedaling. In een dergelijk geval zou kunnen worden betoogd dat het de rechter vrijstaat de afschrijving in goede justitie vast te stellen, zulks naar analogie van rechtsoverweging 4.3.3 van het arrest van 20 mei 202281..
4.95
Anderzijds zou kunnen worden betoogd dat de stelplicht en de bewijslast dat (a) een afschrijvingsmethode in een bepaald geval kan worden toegepast en (b) toepassing van die methode leidt tot de verdedigde waardebepaling, twee elementen vormen die zodanig met elkaar samenhangen dat het verwerpen van de verdedigde waardebepaling (b) tot gevolg heeft dat toepassing van de betreffende afschrijvingsmethode (a) niet meer aan de orde is. Bij deze benadering wordt mijns inziens evenmin toegekomen aan waardebepaling in goede justitie (vgl. 4.93).
4.96
Gezien het voorgaande geef ik de Hoge Raad in overweging, hoewel middel 6 daartoe niet noopt, te oordelen over de vraag in welke gevallen waardebepaling in goede justitie mogelijk is binnen de taxatiemethode en de koerslijstmethode.
Middel 7 (taxatierapport)
4.97
Het Hof oordeelt over auto 6 dat het door belanghebbende ingebrachte taxatierapport niet is aan te merken als een ter zake van auto 6 opgesteld taxatierapport, aangezien de getaxeerde waarde, zonder een correctie toe te passen voor de verschillen tussen een BMW Alpina en een BMW 750iL, een-op-een is gebaseerd op de handelsinkoopwaarde zoals die volgt uit een voor laatstgenoemd type auto. Het Hof gaat derhalve voorbij aan de waarde uit dit taxatierapport.
4.98
Middel 7 betoogt dat het oordeel van het Hof feitelijk onjuist en onbegrijpelijk is. Volgens het middel is in het rapport rekening gehouden met de verschillen tussen beide auto’s, aangezien de taxateur voor € 63.996 aan extra accessoires heeft opgevoerd in de koerslijst.
4.99
Het Hof is kennelijk van oordeel dat uit het rapport onvoldoende kan worden opgemaakt dat rekening is gehouden met de verschillen tussen de BMW 750iL en auto 6. Mijns inziens geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan het, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
4.100 Het middel faalt. Ik geeft de Hoge Raad in overweging middel 7 af te doen met toepassing van art. 81(1) Wet RO.
5. Conclusie
Zaak 22/2805
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende in de zaak 22/02805 ongegrond te verklaren.
Zaak 22/03099
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende in de zaak 22/03099 gegrond te verklaren en de zaak te verwijzen voor verdere behandeling, doch uitsluitend voor de vraag of belanghebbende voor auto’s 1, 6 en 8 aannemelijk maakt dat het soortgelijke voertuig waarop zij zich beroept, het voertuig is waarvan de kenmerken en eigenschappen het dichtst aanleunen tegen die van het voertuig waarvoor de bpm-vermindering dient te worden bepaald.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑12‑2023
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 april 2020, BRE 17/7781 en 18/7707 tot en met 18/7713, ECLI:NL:RBZWB:2020:1718. Voor zaaknummer 22/02805 zie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 mei 2020, BRE 17/7276 en 18/7688 t/m 18/7679, ECLI:NL:RBZWB:2020:2163.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 mei 2019, BRE 17/5767 tot en met 17/5774, ECLI:NL:RBZWB:2019:2371.
De Rechtbank verwijst naar HR 3 april 2020, 18/01389, ECLI:NL:HR:2020:561.
Zij verwijst naar: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 februari 2018, 17/00357, ECLI:NL:GHSHE:2018:567.
Onder verwijzing naar: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 juni 2016, 15/00748, ECLI:NL:GHSHE:2016:2331.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 juni 2022, 20/00326 tot en met 20/00333, ECLI:NL:GHSHE:2022:1894. Voor zaaknummer 22/02805 zie: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 juni 2022, 20/00362 t/m 20/00372, ECLI:NL:GHSHE:2022:1895.
HR 21 oktober 2022, 22/02977, ECLI:NL:HR:2022:1438 (conclusie P-G Bleichrodt).
De Staatssecretaris verwijst naar HR 20 mei 2022, 19/04563. ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.4 en 3.2.5.
Onder verwijzing naar HR 29 april 2016, 15/02976, ECLI:NL:HR:2016:753.
HR 21 oktober 2022 (strafkamer), 22/02977, ECLI:NL:HR:2022:1438 (conclusie P-G Bleichrodt). Zie ook HR 21 oktober 2022 (belastingkamer), 22/03034, ECLI:NL:HR:2022:1509 (conclusie P-G Bleichrodt).
ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.4-3.2.5.
Vgl. onderdeel 4.7 van de gemeenschappelijke bijlage.
Onderdelen 4.4-4.8 van de gemeenschappelijk bijlage.
Onderdelen 4.10-4.19 van de gemeenschappelijke bijlage.
HR 2 maart 2012, nr. 11/00785, ECLI:NL:HR:2012:BV7393, r.o. 3.5.3.
Zie onderdelen 4.17-4.19 van de gemeenschappelijke bijlage.
‘Als zodanig’ wil zeggen: naar merk, model, transmissie, brandstof, vermogen, carrosserie en uitvoering. Zie: ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 4.2.3.
HR 21 februari 2020, 18/01641, ECLI:NL:HR:2020:323.
Voetnoot in origineel: Vgl. HvJ 19 december 2013, X, C-437/12, ECLI:EU:C:2013:857, punt 23.
HvJ 19 december 2013, X, C-437/12, , ECLI:EU:C:2013:857, punten 23 en 24.
ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.4.
Wet van 17 december 2014 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2015), Stb. 2014, 578.
Kamerstukken II 2014/15, 34002, nr. 3, p. 64-65.
HR 13 november 2020, 18/04603, ECLI:NL:HR:2020:1779.
Vgl. HvJ 21 november 2013, X, C-302/12, ECLI:EU:C:2013:756, punten 24 en 26.
HR 14 februari 2014, 12/05759, ECLI:NL:HR:2014:281, r.o. 3.4.3.
Zie 4.30 van de bestreden uitspraak.
Ingevoerd bij Wet van 18 december 2008, houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2009), Stb. 2008, 565.
Wet van 3 december 2014 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2014), Stb. 2014, 481.
ECLI:NL:HR:2020:561, r.o. 3.4.2.
HR 24 maart 2023, 21/03456, ECLI:NL:HR:2023:440.
Zie, naar analogie, ECLI:NL:HR:2022:640, in het bijzonder r.o. 3.2.2 e.v.
HR 1 mei 2020, nr. 18/02168, ECLI:NL:HR:2020:821.
HR 9 april 2021, nr. 20/00708, ECLI:NL:HR:2021:517.
Zie punten 4.34 en 4.35 van de bestreden uitspraak.
HvJ 7 april 2011, Tatu, C-402/09, ECLI:EU:C:2011:219 (conclusie A-G Sharpston), punt 34; HvJ 14 april 2015, Manea, C-76/14, ECLI:EU:C:2015:216 (conclusie A-G Szpunar), punt 28; HvJ 2 februari 2023, Veronsaajien, C-676/21, ECLI:EU:C:2023:63, punt 28; HvJ 17 mei 2023, P.M., C-105/22, ECLI:EU:C:2023:414, punt 32.
Tatu, ECLI:EU:C:2011:219, punt 35; Manea, ECLI:EU:C:2015:216, punt 29; Veronsaajien, ECLI:EU:C:2023:63, punt 29.
Tatu, ECLI:EU:C:2011:219, punt 38; Manea, ECLI:EU:C:2015:216, punt 30.
Vgl. Tatu, ECLI:EU:C:2011:219, punt 43-47; Manea, ECLI:EU:C:2015:216, punt 37-43.
Manea, ECLI:EU:C:2015:216, punt 33; HvJ 12 november 2015, Visnapuu, C-198/14, ECLI:EU:C:2015:751, punt 59.
Tatu, ECLI:EU:C:2011:219, punt 41; Manea, ECLI:EU:C:2015:216, punt 35.
X, ECLI:EU:C:2013:857, punt 41; HvJ 12 februari 2015, Oil Trading Poland, C-349/13, ECLI:EU:C:2015:84, punt 46.
X, ECLI:EU:C:2013:857, punt 42.
Eveneens geciteerd in 4.26 van de uitspraak van het Hof.
Het middel verwijst naar ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 4.3.3.
Zie p. 2 van de conclusie van repliek van belanghebbende.
Besluit Belasting op personenauto’s en motorrijwielen, afschrijvingslijn, mogelijkheid tot tegenbewijs van 3 december 2003, nr. DGB2003/6752M, Stcrt 2003, nr. 238, p. 16.
Wet van 14 december 2006, houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2007), Stb. 2006, 682.
Wijziging Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen alcoholvrije dranken en wijziging Uitvoeringsregeling belasting personenauto’s en motorrijwielen 1992 van 22 januari 2007, nr. DV 2007/40M, Stcrt. 2007, nr. 19, p. 19.
Kamerstukken II 2023/24, 36420, nr. 3, p. 11-12.
Zie art. 3.20(5)b. Wet inkomstenbelasting 2001.
Punt 2.24 van de rechtbankuitspraak.
Punt 2.25 van de rechtbankuitspraak.
Zie p. 18 van het beroepschrift in cassatie in de zaak 22/03099.
(289.570 – 138.387) / 289.570 = 0,5220…%.
M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (FM nr. 142), Kluwer, Deventer, 2014, p. 370-371.
Vgl. Kamerstukken II 1992/93, 22495, nr. 6, p. 54.
Redactie Vakstudie Nieuws in V-N 2022/24.10.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 oktober 2023, nr. 22/244, ECLI:NL:GHARL:2023:8227.
Voetnoot in origineel: Vgl. HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300.
Voetnoot in origineel: Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 15 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1894, r.o. 4.27, Hof ’sHertogenbosch 25 mei 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1786, r.o. 4.7, Hof ’sHertogenbosch 15 februari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:584, r.o. 4.13 en Hof ’sHertogenbosch 12 april 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1215, r.o. 4.12.
Voetnoot in origineel: Vgl. Hof Den Haag 25 mei 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1085, r.o. 5.4.
Vgl. HR 23 oktober 2020, nr. 19/00101, ECLI:NL:HR:2020:1666, r.o. 3.2.2 en 3.2.5.
Hieronder schaar ik ook de situatie dat toepassing van een methode tussen partijen niet in geschil is.
ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.4.
Overeenkomstig ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.4.
Overeenkomstig de algemene stelplicht en bewijslast van ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.4.