Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/1.4
1.4 Gebrek aan kennis over de voorlopige hechtenis in jeugdstrafzaken
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 488, tweede lid Sv heeft geen flexibele bovengrens. Het verklaart de jeugdspecifieke bepalingen in het Wetboek van Strafvordering van toepassing op jeugdigen die ten tijde van het delict de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt. Artikel 486 Sv stelt de ondergrens op een leeftijd van twaalf jaren.
Vgl. de kritiek op motiveringen van voorlopige hechtenisbeslissingen in commune strafzaken: Janssen & Van der Meij 2012; College voor de Rechten van de Mens 2017. Zie ook de noot van Van den Brink bij EHRM 9 december 2014, Appl. Nr. 15911/08, EHRC 2015/57 (Geisterfer t. Nederland).
Berghuis & Tigges 1979; Berghuis & Tigges 1981; Uit Beijerse & Kunst 2000; Stevens 2010; Stevens 2012; Crijns, Leeuw & Wermink 2016(a) en (b); College voor de Rechten van de Mens 2017.
Boendermaker e.a. 2005; Jakobs & Cornelissens 2007; Veen 2011; Rovers 2014; Van den Brink e.a. 2017.
Van der Laan e.a. 2008; Vermeer 2012; Van den Brink 2013.
Terlouw & Kamphorst 2002; Bos e.a. 2006; Voogd 2013.
Zo heeft Van den Brink in 2012 op basis van interviews met kinderrechters en andere professionele actoren (N=17) enig inzicht geboden in de toepassingspraktijk van voorlopige hechtenis van minderjarigen. Voorts is in 2014 een onderzoek van Rovers verschenen, dat zich weliswaar primair richt op de populatiekenmerken van ‘kortverblijvers’ in justitiële jeugdinrichtingen, maar waarin – op basis van door officieren van justitie ingevulde vragenlijsten (N=7) en een discussie in een expertgroep met 20 á 25 kinderrechters – ook aandacht wordt besteed aan de motieven voor het vorderen en bevelen van voorlopige hechtenis van minderjarigen. Zie: Van den Brink 2012; Rovers 2014, p. 14-15 en 41-43.
Parallel aan de eindfase van het onderhavige onderzoek, is, in opdracht van het WODC, door Van den Brink e.a. (2017) een kwantitatief ingestoken dossierstudie (N=250) verricht, waarmee inzicht wordt gegeven in voorlopige hechtenisbeslissingen in jeugdzaken en de populatiekenmerken van de betrokken minderjarigen. Deze studie maakt géén onderdeel uit van het onderhavige onderzoek. In paragraaf 5.4.1 zal nader worden ingegaan op deze studie.
De voorlopige hechtenis van minderjarigen is in de Nederlandse wetgeving voor een belangrijk deel niet jeugdspecifiek gereguleerd: de wettelijke criteria voor het bevelen van voorlopige hechtenis, en de wettelijke termijnen die hierbij gelden, zijn identiek aan de criteria en termijnen die gelden voor de voorlopige hechtenis van volwassen verdachten (art. 488, eerste lid Sv jo. art. 63-88 Sv). Daarnaast kent de wettelijke regeling van de voorlopige hechtenis van minderjarigen een aantal jeugdspecifieke voorschriften, die met name betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis en de schorsing onder voorwaarden (art. 488, tweede lid Sv jo. 491-494 Sv en art. 27 Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht (BTJ)).1 Tegen de achtergrond van de reeds beschreven complexiteit van het besluitvormingsproces, roept dit de vraag op hoe rechters in jeugdstrafzaken omgaan met de ‘commune’ wettelijke criteria en termijnen voor voorlopige hechtenis en hoe zij invulling geven aan de jeugdspecifieke bepalingen met betrekking tot de tenuitvoerlegging en de schorsing.
Er is echter weinig zicht op de wijze waarop rechters-commissarissen en raadkamerrechters in de Nederlandse rechtspraktijk invulling geven aan het besluitvormingsproces over de voorlopige hechtenis van minderjarige verdachten. Deze praktijk is weinig transparant: voorgeleidingen en raadkamerzittingen vinden plaats achter gesloten deuren en voorlopige hechtenisbeslissingen worden – zo luidt althans de kritiek2 – veelal summier gemotiveerd en zelden gepubliceerd. Bovendien is er nauwelijks empirisch onderzoek verricht dat de rechterlijke besluitvorming over voorlopige hechtenis van minderjarige verdachten inzichtelijk maakt. Dergelijk onderzoek heeft zich tot op heden vooral gericht op voorlopige hechtenisbeslissingen in strafzaken van volwassen verdachten.3
Onderzoek dat zich wel toespitst op de voorlopige hechtenispraktijk in jeugdstrafzaken richt zich doorgaans niet specifiek op de rechterlijke besluitvorming. Zo zijn er diverse onderzoeken uitgevoerd die de populatiekenmerken van minderjarigen in voorlopige hechtenis in kaart brengen4 of die inzichtelijk maken hoe minderjarigen de voorlopige hechtenis beleven.5 Ook zijn enkele evaluatiestudies verricht ten aanzien van de uitvoeringspraktijk van specifieke alternatieven voor voorlopige hechtenis van minderjarigen, zoals nachtdetentie en elektronisch huisarrest.6 Het schaarse empirische onderzoek dat wel nadrukkelijk aandacht heeft voor de rechterlijke besluitvorming over de voorlopige hechtenis van minderjarige verdachten in Nederland is bescheiden in omvang.7
Aldus moet worden vastgesteld dat de wetenschappelijk onderbouwde kennis over de rechterlijke besluitvorming over voorlopige hechtenis van minderjarige verdachten in Nederland zeer beperkt is. Er is nauwelijks kennis over hoe rechters in jeugdstrafzaken omgaan met de wettelijke criteria voor het bevelen van voorlopige hechtenis en met de wettelijke mogelijkheden om de voorlopige hechtenis te schorsen onder voorwaarden of op een alternatieve wijze ten uitvoer te leggen. Het onderhavige onderzoek beoogt deze leemte in kennis op te vullen.8