Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/1.2
1.2 Voorlopige hechtenis van minderjarigen in Nederland
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Omwille van een vlotte leesbaarheid, wordt in dit boek steeds (enkel) de mannelijke persoon gebruikt. Hiervan wordt slechts afgeweken in de beschrijving van de empirische onderzoeksbevindingen in gevallen waarin het van belang is om te weten dat de persoon in kwestie, bijvoorbeeld de verdachte in een beschreven zaak, het vrouwelijke geslacht heeft. De respondenten die zijn geïnterviewd worden allen in de mannelijke vorm aangeduid om hiermee de anonimiteit van de respondenten te vergroten.
Van Veen & Balkema 1982, p. 17-18; Uit Beijerse 1998, p. 91-94; Groenhuijsen 2000, p. 98.
Commissie Anneveldt 1982, p. 24.
Uit Beijerse 2009, p. 315; Van den Brink 2012, p. 5-6. Vgl. ook Baauw 1978, p. 1; Reijntjes 1994, p. 1; Corstens 2014, p. 442.
Kamerstukken II 1913-1914, 283, nr. 3, p. 63. Zie ook o.m. Klip 2012, p. 91; Uit Beijerse 2009; Van Kempen & Kristen 2005, p. 318; Uit Beijerse 1998, p. 199; Den Hartog 1990, p. 132-133.
Zie het onderzoek van Van der Laan e.a. 2008, p. 116. Zie ook: Freeman 2008. Hetzelfde geldt overigens voor de andere modaliteiten van voorlopige hechtenis, zoals nachtdetentie en huisarrest, evenals voor bijzondere voorwaarden die aan de schorsing van de voorlopige hechtenis kunnen worden verbonden. Zie resp.: Bos e.a. 2006, p. 40; Terlouw & Kamphorst 2002, p. 70-71; Van den Brink 2013, p. 283 e.v.
Van der Laan e.a. 2008, p. 116-117. Zie ook: Freeman & Seymour 2010.
Zie Van den Brink & Liefaard 2014, p. 45-47.
Zie o.m. Kamerstukken II 2014-2015, 28741/29270, nr. 25, p. 2.
Ibid.
Kamerstukken II 2002-2003, 28 741, nr. 1, p. 17-18.
Citaat van een kinderrechter, aangehaald in: Verberk 2011, p. 256.
Zie hierover: Verberk & Fuhler 2006, p. 44-45; Verberk 2011, p. 262-267; Van den Brink 2012.
Zie o.m.: Uit Beijerse 2009.
De voorlopige hechtenis kan worden beschouwd als het zwaarste dwangmiddel in het Nederlandse jeugdstrafrecht. Het voorziet de autoriteiten van een instrument om een minderjarige verdachte van een strafbaar feit reeds voorafgaand aan de terechtzitting zijn vrijheid te ontnemen. De rechter-commissaris of raadkamer kan, op vordering van de officier van justitie, overgaan tot het bevelen van voorlopige hechtenis indien hij1 dit nodig acht om – kort gezegd – te voorkomen dat de verdachte hangende het strafproces vlucht, recidiveert, de waarheidsvinding belemmert of dat de vrijlating van de verdachte maatschappelijke onrust veroorzaakt (vgl. art. 67a, eerste en tweede lid Wetboek van Strafvordering (Sv)). Voorlopige hechtenis vindt zijn grondslag in het idee dat vrijheidsbeneming van een verdachte in bepaalde gevallen noodzakelijk is om de berechting van de verdachte mogelijk te maken en/of de rust en veiligheid in de samenleving te waarborgen.2
Tegelijkertijd heeft voorlopige hechtenis een inherent controversieel karakter, zeker als het minderjarige verdachten betreft.3 Het gaat hierbij immers om vrijheidsbeneming van een minderjarige op verdenking van een strafbaar feit vóórdat zijn schuld in rechte is vastgesteld.4 Voorlopige hechtenis maakt hiermee niet alleen inbreuk op de persoonlijke vrijheid van de minderjarige verdachte, maar verdraagt zich ook moeizaam met de onschuldpresumptie, een fundamenteel beginsel dat geldt als een essentiele voorwaarde voor een eerlijk proces. Tegen deze achtergrond wordt de voorlopige hechtenis door de wetgever gekwalificeerd als een strafvorderlijk dwangmiddel en niet als een straf.5 Vanuit het perspectief van de minderjarige verdachten daarentegen, wordt de voorlopige hechtenis vaak wel als een straf ervaren.6 Dit kan niet los worden gezien van de enorme impact die de voorlopige hechtenis heeft op het leven van de minderjarige verdachte: hij wordt ingesloten in een justitiële jeugdinrichting, gescheiden van zijn familie en leefomgeving en kan niet naar zijn eigen school gaan. Hierbij komt dat minderjarigen in voorlopige hechtenis in onzekerheid verkeren over de duur van het verblijf in de justitiële jeugdinrichting en de uitkomst van hun strafzaak. Onderzoek toont aan dat minderjarigen de voorlopige hechtenis ervaren als een periode van stress, onzekerheid en emotionele verwarring.7 Het IVRK, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en andere internationale en Europese kinder- en mensenrechtenstandaarden schrijven dan ook voor dat uiterst terughoudend moet worden omgegaan met voorlopige hechtenis van minderjarigen.8 Dit uitgangspunt komt ook in de Nederlandse wetgeving naar voren in artikel 493, eerste lid Sv, waarin wordt voorgeschreven dat de rechter die de voorlopige hechtenis van een minderjarige verdachte beveelt, verplicht is na te gaan of de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis kan worden geschorst, eventueel onder bijzondere voorwaarden. Dit voorschrift wordt in beleidsstukken en in de praktijk ook wel aangeduid als het uitgangspunt ‘schorsen, tenzij’.9
Toch zijn er vanuit de praktijk en het beleid ook kritische geluiden te horen over dit uitgangspunt in jeugdstrafzaken. Zo stelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie in een brief van 8 april 2015 – op basis van gesprekken met ketenpartners uit de praktijk – dat het erop lijkt dat er vanwege de snelle schorsing van de voorlopige hechtenis van minderjarigen “kansen worden gemist voor een snelle aanpak van achterliggende problematiek”.10 Eerder hebben beleidsmakers het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht al eens als rechtvaardiging aangevoerd om een ruimere toepassing van voorlopige hechtenis van minderjarige veelplegers te propageren, bij wijze van “lik-op-stuk” (ofwel “korte klap”), waar een “pedagogisch effect” van zou uitgaan.11 Volgens deze benaderingen kunnen de pedagogische doelstellingen van het jeugdstrafrecht in bepaalde gevallen rechtvaardigen dat voorlopige hechtenis wordt gebruikt als een instrument om snel te reageren op strafbaar gedrag van minderjarigen en direct de achterliggende problematiek aan te pakken.
Vanuit een soortgelijke ‘pedagogische’ benadering is in de afgelopen decennia in sommige arrondissementen een praktijk ontstaan waarin de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt gebruikt om de minderjarige door middel van bijzondere voorwaarden “snel, effectief en consequent tot de orde [te] roepen”,12 vroegtijdig hulpverlening in te zetten en daarmee ‘maatwerk’ te leveren.13 Sinds 2008 biedt ook de wet uitdrukkelijk ruimte voor de inzet van schorsingsvoorwaarden als vroegtijdige interventies in jeugdstrafzaken. Volgens de wetgever is hiermee tegemoet gekomen aan de “behoefte aan verruiming van de mogelijkheden om in de fase van de voorlopige hechtenis, vooruitlopend op een veroordeling door de rechter, alvast te kunnen starten met een vorm van gedragsbeïnvloeding”.14 Critici stellen daarentegen dat een dergelijke toepassing van schorsingsvoorwaarden ‘oneigenlijk’ is en principieel onverenigbaar is met de onschuldpresumptie en met het karakter van de schorsingsvoorwaarde als alternatief voor voorlopige hechtenis.15
De voorlopige hechtenis van minderjarigen blijkt aldus vanuit verschillende gezichtspunten te kunnen worden bezien. Deze gezichtspunten laten zich vertalen in belangen die de rechter-commissaris of raadkamer zal moeten afwegen in zijn beslissing over de voorlopige hechtenis van een minderjarige verdachte. Dit maakt de voorlopige hechtenisbeslissing in jeugdstrafzaken bijzonder complex.