Rechtbank Den Haag 29 januari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:559.
HR, 25-08-2023, nr. 22/00753
ECLI:NL:HR:2023:1132
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-08-2023
- Zaaknummer
22/00753
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1132, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑08‑2023; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2021:2374, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:335, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2023:335, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑03‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1132, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑03‑2022
- Vindplaatsen
NJ 2023/282 met annotatie van C.M.J. Ryngaert
JBPr 2024/4 met annotatie van dr. mr. R. van Alebeek
Uitspraak 25‑08‑2023
Inhoudsindicatie
Internationaal privaatrecht en internationaal publiekrecht. Immuniteit. Aansprakelijkstelling van voormalige bevelhebbers van Israëlisch leger voor schade als gevolg van bombardement in Gazastrook. Functionele immuniteit van jurisdictie voor overheidsfunctionarissen van vreemde staat, ongeacht de aard en de ernst van de hun verweten gedragingen? Betekenis van art. 6 EVRM.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 22/00753
Datum 25 augustus 2023
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: R.T. Wiegerink, aanvankelijk ook N. van Triet,
tegen
1. [verweerder 1],
wonende te Israël,
2. [verweerder 2],
wonende te Israël,
VERWEERDERS in cassatie,
hierna: [verweerders],
advocaten: F.E. Vermeulen en B.F.L.M. Schim.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/09/554385 / HA ZA 18/647 van de rechtbank Den Haag van 29 januari 2020;
b. het arrest in de zaak 200.278.760/01 van het gerechtshof Den Haag van 7 december 2021.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerders] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [eiser] is afkomstig uit de Palestijnse gebieden. Hij heeft de Nederlandse nationaliteit en woont sinds 2005 met zijn gezin in Nederland. Zijn familie woont in de Gazastrook.
(ii) In de zomer van 2014 heeft het Israëlische leger in de Gazastrook een militaire operatie uitgevoerd, de zogeheten Operation Protective Edge. In dit kader heeft de Israëlische luchtmacht een bombardement uitgevoerd (hierna: het bombardement), waarbij het huis van familie van [eiser] is verwoest. Als gevolg daarvan zijn zes familieleden van [eiser] om het leven gekomen, onder wie zijn moeder en drie broers.
(iii) [verweerders] waren ten tijde van het bombardement bevelhebber over het Israëlische leger respectievelijk bevelhebber over de Israëlische luchtmacht. Deze functies bekleden zij thans niet meer.
2.2
In dit geding vordert [eiser] een verklaring voor recht dat [verweerders] jegens hem onrechtmatig hebben gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die hij als gevolg daarvan heeft geleden en zal lijden, en veroordeling van [verweerders] tot betaling van schadevergoeding.
2.3
[verweerders] hebben vóór alle weren een beroep gedaan op onbevoegdheid van de Nederlandse rechter. Volgens [verweerders] genieten zij op grond van internationaal gewoonterecht functionele immuniteit van jurisdictie, omdat het bombardement is uitgevoerd in de uitoefening van de publieke taak van de staat Israël en zij uitsluitend hebben gehandeld in hun officiële hoedanigheid van overheidsfunctionaris van de staat Israël. [verweerders] betwisten dat zij een internationaal misdrijf hebben gepleegd, maar voeren tevens aan dat een schending van het internationale oorlogsrecht niet een uitzondering op functionele immuniteit van jurisdictie rechtvaardigt.
2.4
De rechtbank heeft het beroep op immuniteit van jurisdictie gegrond geacht en zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vordering van [eiser].1.
2.5
Het hof heeft het vonnis bekrachtigd.2.Daartoe heeft het hof als volgt overwogen. Uitgangspunt is dat een staat immuniteit van jurisdictie geniet wanneer tegen hem bij de rechter van een andere staat een civiele vordering wordt ingesteld en sprake is van handelen van eerstgenoemde staat ter uitoefening van zijn publieke functie (zogeheten acta iure imperii). Daarop wordt geen uitzondering aanvaard als vaststaat dat oorlogsmisdrijven zijn begaan of als een beroep wordt gedaan op strijd met dwingende normen van algemeen volkenrecht (het zogeheten ius cogens) of op het ontbreken van een alternatieve rechtsgang. (rov. 3.3-3.4) Niet omstreden is dat functionarissen van een vreemde staat functionele immuniteit toekomt voor handelingen die zij in de uitoefening van hun functie hebben verricht. (rov. 3.6) Daarop wordt in civielrechtelijke zaken evenmin een uitzondering erkend indien sprake is van oorlogsmisdrijven. (rov. 3.7-3.16) Gelet op deze in het civiele recht bestaande regel is er onvoldoende aanleiding om anders te oordelen op grond van een vergelijking met het strafrecht. (rov. 3.17-3.21.3) De functionele immuniteit van overheidsfunctionarissen vormt geen disproportionele beperking van het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. In dit verband is niet van belang of de eiser een alternatieve rechtsgang ter beschikking staat. (rov. 3.22) Er bestaat daarom geen redelijke twijfel dat het internationaal gewoonterecht naar de huidige stand van zaken inhoudt dat in een civielrechtelijke procedure tegen een overheidsfunctionaris geen uitzondering op de functionele immuniteit dient worden gemaakt vanwege de ernst van de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten. (rov. 3.23)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het middel klaagt, in de kern genomen, dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat [verweerders] functionele immuniteit van jurisdictie toekomt, ongeacht de aard en de ernst van de hun verweten gedragingen.
3.2.1
Op grond van art. 13a Wet AB wordt de rechtsmacht van de Nederlandse rechter beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend. Tot de bronnen van het volkenrecht behoort het internationaal gewoonterecht.3.
3.2.2
Een regel van internationaal gewoonterecht bestaat als sprake is van een algemene statenpraktijk en van een daarmee overeenstemmende rechtsovertuiging (zogeheten opinio iuris).
3.2.3
Het middel werpt de vraag op of het internationaal gewoonterecht een regel kent die inhoudt dat overheidsfunctionarissen voor handelingen die zij hebben verricht in de uitoefening van hun publieke functie, in een civiele zaak voor de rechter van een andere staat een beroep op immuniteit van jurisdictie toekomt, ongeacht de aard en de ernst van de hun verweten gedragingen.
3.3.1
Bij de beantwoording van de hiervoor in 3.2.3 bedoelde vraag dient tot uitgangspunt dat een staat zelf immuniteit van jurisdictie geniet voor typische overheidshandelingen (zogeheten acta iure imperii) en dat die immuniteit zich ook uitstrekt tot functionarissen van die staat voor handelingen die zij hebben verricht in de uitoefening van hun publieke functie (zogeheten functionele immuniteit of immuniteit ratione materiae).4.
3.3.2
Niet ter discussie staat dat [verweerders] bij het bombardement betrokken waren in de uitoefening van hun publieke functie.
3.4.1
Naar de huidige stand van het internationaal gewoonterecht geldt op het hiervoor in 3.3.1 genoemde uitgangspunt van immuniteit van jurisdictie van een staat geen uitzondering op grond van de aard of de ernst van de aan die staat verweten gedragingen. In dit verband is dus niet van belang of die gedragingen mogelijk als oorlogsmisdrijven kunnen worden aangemerkt.
3.4.2
Dat op dit punt sprake is van een regel van internationaal gewoonterecht is onder meer in 2012 vastgesteld door het Internationaal Gerechtshof5.in zijn uitspraak inzake Jurisdictional Immunities of the State, op basis van een analyse van rechtspraak van internationale en nationale gerechten en andere rechtsbronnen:
“91. The Court concludes that, under customary international law as it presently stands, a State is not deprived of immunity by reason of the fact that it is accused of serious violations of international human rights law or the international law of armed conflict. In reaching that conclusion, the Court must emphasize that it is addressing only the immunity of the State itself from the jurisdiction of the courts of other States; the question of whether, and if so to what extent, immunity might apply in criminal proceedings against an official of the State is not in issue in the present case.”
3.4.3
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens6.(hierna: EHRM) heeft in 2001 in zijn uitspraak in de zaak Al-Adsani/Verenigd Koninkrijk, eveneens op basis van internationale rechtsbronnen, in vergelijkbare zin geoordeeld:
“61. (…) Notwithstanding the special character of the prohibition of torture in international law, the Court is unable to discern in the international instruments, judicial authorities or other materials before it any firm basis for concluding that, as a matter of international law, a State no longer enjoys immunity from civil suit in the courts of another State where acts of torture are alleged.
(…)
66. The Court, while noting the growing recognition of the overriding importance of the prohibition of torture, does not accordingly find it established that there is yet acceptance in international law of the proposition that States are not entitled to immunity in respect of civil claims for damages for alleged torture committed outside the forum State. (…).”
3.5.1
De hiervoor in 3.4.2-3.4.3 vermelde rechtspraak ziet op de immuniteit van jurisdictie van de staat zelf. Dat het internationaal gewoonterecht in het kader van de functionele immuniteit van overheidsfunctionarissen evenmin een uitzondering op het uitgangspunt van immuniteit van jurisdictie aanvaardt op grond van de aard of de ernst van de hun verweten gedragingen, heeft het EHRM in 2014 beslist in zijn uitspraak inzake Jones e.a./Verenigd Koninkrijk.7.Het EHRM heeft daarbij benadrukt dat moet worden voorkomen dat de immuniteit van jurisdictie van de staat zelf wordt omzeild door zijn functionarissen aan te spreken.8.
3.5.2
Voorts heeft het EHRM geoordeeld dat (functionele) immuniteit van jurisdictie weliswaar een beperking vormt van het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, maar dat die beperking geen schending van art. 6 EVRM oplevert.9.Volgens het EHRM is in dit verband niet van belang of de rechtzoekende een alternatief forum ter beschikking staat.10.
3.6
Aldus kan uit de hiervoor in 3.4.2-3.4.3 en 3.5.1-3.5.2 vermelde rechtspraak een regel van internationaal gewoonterecht worden afgeleid die inhoudt dat overheidsfunctionarissen voor handelingen die zij hebben verricht in de uitoefening van hun publieke functie, in een civiele zaak voor de rechter van een andere staat een beroep op immuniteit van jurisdictie toekomt, ongeacht de aard en de ernst van de hun verweten gedragingen.
Er zijn geen aanwijzingen dat zich inmiddels een algemene statenpraktijk en een daarmee overeenstemmende rechtsovertuiging hebben ontwikkeld die meebrengen dat het internationaal gewoonterecht thans een andere regel kent of een voor deze zaak relevante uitzondering op de hiervoor bedoelde regel aanvaardt.11.
3.7
Op het vorenstaande stuiten alle klachten van het middel af.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 355,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 25 augustus 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 25‑08‑2023
Gerechtshof Den Haag 7 december 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2374.
Zie EHRM 14 januari 2014, nrs. 34356/06 en 40528/06 (Jones e.a./Verenigd Koninkrijk), punt 202-204.
IGH 3 februari 2012, Jurisdictional Immunities of the State (Germany v. Italy; Greece intervening), I.C.J. Reports 2012, p. 99.
EHRM 21 november 2001, nr. 35763/97 (Al-Adsani/Verenigd Koninkrijk). Zie tevens EHRM 11 juni 2013, nr. 65542/12 (Stichting Mothers of Srebrenica e.a./Nederland), punt 158, en HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1999, rov. 4.3.14.
EHRM 14 januari 2014, nrs. 34356/06 en 40528/06 (Jones e.a./Verenigd Koninkrijk), punt 200 e.v.
EHRM 14 januari 2014, nrs. 34356/06 en 40528/06 (Jones e.a./Verenigd Koninkrijk), punt 202 en 213.
EHRM 14 januari 2014, nrs. 34356/06 en 40528/06 (Jones e.a./Verenigd Koninkrijk), punt 198, onder verwijzing naar IGH 3 februari 2012, Jurisdictional Immunities of the State (Germany v. Italy; Greece intervening), I.C.J. Reports 2012, p. 99; EHRM 21 november 2001, nr. 35763/97 (Al-Adsani/Verenigd Koninkrijk), punt 56.
EHRM 11 juni 2013, nr. 65542/12 (Stichting Mothers of Srebrenica e.a./Nederland), punt 164; EHRM 5 februari 2019, nr. 16874/12 (Ndayegamiye-Mporamazina/Zwitserland), punt 64.
Vgl. EHRM 12 oktober 2021, nr. 11625/17 (J.C e.a./België), punt 64.
Conclusie 24‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Internationaal recht. Procesrecht. Functionele immuniteit van jurisdictie; art. 13a Wet AB; ontwikkeling internationaal gewoonterecht; exceptie op functionele immuniteit in geval van schending jus cogens (bij oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid)?; internationale statenpraktijk; uitspraak Internationaal Gerechtshof inzake Jurisdictional Immunities; rechtspraak EHRM.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/00753
Zitting 24 maart 2023
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
[eiser]
tegen
1. [verweerder 1]
2. [verweerder 2]
(hierna ook gezamenlijk: [verweerders] )
1. Inleiding
1.1
In deze zaak zijn [verweerder 1] als (voormalige) bevelhebber van het Israëlische leger en [verweerder 2] als (voormalige) bevelhebber van de Israëlische luchtmacht persoonlijk aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van een in juli en augustus 2014 uitgevoerde militaire operatie in de Gazastrook, waarbij tijdens een bombardement zes familieleden van [eiser] om het leven zijn gekomen. [eiser] , die in Nederland woonachtig is, heeft zich tot de Nederlandse rechter gewend en een verklaring voor recht gevorderd dat [verweerder 1] en [verweerder 2] jegens hem onrechtmatig hebben gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. In de procedure hebben [verweerder 1] en [verweerder 2] een beroep gedaan op immuniteit van jurisdictie, omdat zij hebben gehandeld in hun officiële hoedanigheid van overheidsfunctionarissen van de Staat Israël. In navolging van de rechtbank heeft het hof zich onbevoegd verklaard, omdat [verweerder 1] en [verweerder 2] functionele immuniteit van jurisdictie toekomt op grond van het internationaal gewoonterecht. Hiertegen richt zich het cassatiemiddel met onder meer het betoog dat het hof op onjuiste wijze heeft geoordeeld over de vorming van het internationaal gewoonterecht en ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de regels inzake staatsimmuniteit. Ook betoogt het middel dat in civiele zaken op het aannemen van immuniteit van jurisdictie voor (voormalige) overheidsfunctionarissen een uitzondering moet worden gemaakt voor oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.1.[eiser] komt oorspronkelijk uit de Palestijnse gebieden. Zijn familie woont in de Gazastrook. [eiser] zelf woont sinds 2005 in [plaats] met zijn gezin. Hij heeft de Nederlandse nationaliteit. In juli en augustus 2014 heeft het Israëlische leger (Israeli Defense Forces) in de Gazastrook een militaire operatie uitgevoerd, Operation Protective Edge. In het kader van deze militaire operatie heeft de Israëlische luchtmacht op 20 juli 2014 een bombardement in de Gazastrook uitgevoerd waarbij het huis van de familie van [eiser] is verwoest. Als gevolg daarvan zijn zes familieleden van [eiser] om het leven gekomen, onder wie zijn moeder en drie broers.
2.2
[verweerder 1] en [verweerder 2] waren ten tijde van het bombardement bevelhebber over het Israëlische leger (General Chief of Staff) respectievelijk bevelhebber over de Israëlische luchtmacht (Air Force Commander). Deze functies bekleden zij thans niet meer.
2.3
[eiser] heeft op 14 maart 2018 tegen [verweerders] een vordering aanhangig gemaakt bij de rechtbank Den Haag. Volgens [eiser] hebben [verweerders] door het huis van zijn familie te bombarderen het internationale oorlogsrecht geschonden. [eiser] vordert een verklaring voor recht dat [verweerders] jegens hem onrechtmatig hebben gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die hij daardoor heeft geleden en zal lijden. Daarnaast vordert [eiser] dat de door [verweerders] aan hem te betalen schadevergoeding wordt vastgesteld op € 536.603, vermeerderd met de wettelijke rente.
2.4
[verweerders] hebben vóór alle weren een beroep gedaan op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter. Volgens [verweerders] genieten zij immuniteit van jurisdictie, omdat het bombardement is uitgevoerd in de uitoefening van de publieke taak van de Staat Israël en zij uitsluitend hebben gehandeld in hun officiële hoedanigheid als overheidsfunctionarissen van de Staat Israël. De luchtaanval in het kader waarvan het bombardement werd uitgevoerd was een soevereine daad van de Staat Israël. Op grond van internationaal gewoonterecht genieten [verweerders] als buitenlandse ambtsdragers (functionele) immuniteit van jurisdictie voor de Nederlandse rechter. [verweerders] betwisten dat zij een internationaal misdrijf hebben gepleegd, maar voeren tevens aan dat een schending van het internationale oorlogsrecht niet een uitzondering op het beginsel van (functionele) immuniteit van jurisdictie rechtvaardigt.
2.5
In een diplomatieke nota aan het ministerie van Buitenlandse Zaken van 18 oktober 2020 heeft de Staat Israël zich beroepen op de immuniteit van jurisdictie van [verweerder 1] en [verweerder 2] en daarbij in het bijzonder het volgende geschreven:
‘It is the State of Israel’s position that actions undertaken by [verweerder 1] en [verweerder 2] during these hostilities were performed exclusively in their official capacity as General Chief of Staff and Israeli Air Force Commander respectively and in accordance with their authority under Israeli law. The State of Israel unequivocally asserts the immunity of [verweerder 1] and [verweerder 2] with regards to these official acts. (…)
Although brought against [verweerder 1] and [verweerder 2] personally, the lawsuit challenges the legality of alleged actions and policies of the Government of the State of Israel as carried out by its agents in the exercise of government authority, and is in essence a suit filed against the State of Israel itself. As such, the State of Israel views the writ as a direct challenge of Israel’s immunity from judicial proceedings in foreign nations in an attempt to bypass Israel’s sovereign immunity under international and Dutch law. Allowing this case to proceed despite the assertion of immunity under international law by the State of Israel would be unprecedented.
In light of the above, the Government of Israel wishes to make known its position with regard to the application of foreign sovereign immunity in this case, and the consequential immunity of its officials for their official acts.’
2.6
Bij vonnis van 29 januari 20202.heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen op de grond dat [verweerder 1] en [verweerder 2] functionele immuniteit van jurisdictie genieten.
2.7
[eiser] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Bij arrest van 7 december 2021 heeft het hof Den Haag het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het hof, kort weergegeven, het volgende overwogen. De vraag is of aan [verweerder 1] en [verweerder 2] in deze civiele procedure immuniteit van jurisdictie toekomt op grond van hun voormalige functies als hoge functionarissen in het Israëlische leger (rov. 3.2). Het arrest van het Internationaal Gerechtshof (IGH) van 3 februari 2012 inzake Jurisdictional Immunities of the State3., waarin het ging om een civiele vordering tegen een vreemde staat, maakt duidelijk dat zelfs als vaststaat dat oorlogsmisdaden zijn gepleegd, er geen uitzondering geldt op de immuniteit van jurisdictie van de aangesproken staat, en dat dit niet anders wordt door een beroep op jus cogens of op het ontbreken van een alternatieve rechtsgang. Net als in het arrest inzake Jurisdictional Immunities gaat het in deze zaak om (gestelde) oorlogsmisdrijven en is niet in geschil dat sprake is van handelingen jure imperii. De vraag is of de regels die het IGH in zijn arrest heeft gegeven, van toepassing zijn op een civiele vordering tegen functionarissen van de vreemde staat (rov. 3.4).
2.8
Het hof heeft overwogen dat de immuniteit van functionarissen van de staat voor handelingen die zij in de uitoefening van hun functie hebben verricht (functionele immuniteit of immuniteit ratione materiae) als regel van internationaal gewoonterecht op zichzelf niet omstreden is. Deze immuniteit is er niet ten behoeve van deze functionarissen, maar ten behoeve van de staat die zij vertegenwoordigen en is dus een afgeleide van de immuniteit van de staat zelf (rov. 3.6). De ratio achter functionele immuniteit is dezelfde als achter de immuniteit van de staat zelf, namelijk dat de rechter van de ene staat niet behoort te oordelen over het optreden van een andere staat. Tegen deze achtergrond valt moeilijk in te zien waarom voor functionarissen wél een uitzondering op de immuniteit bij jurisdictie zou gelden bij oorlogsmisdrijven, terwijl zo’n uitzondering voor de staat niet geldt. Het hof heeft overwogen dat, hoewel de Staat Israël geen partij is in dit geding, zijn belangen indirect wel degelijk in het geding zijn en dat het dan ook niet voor de hand ligt dat verschil zou moeten worden gemaakt tussen immuniteit van jurisdictie van de Staat Israël enerzijds en van [verweerders] anderzijds (rov. 3.7). Het hof heeft erop gewezen dat zo’n verschil ook niet wordt ondersteund door nationale en internationale rechtspraak, waaronder de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) (rov 3.8). Deze lijn is ook te zien in de rechtspraak van het Verenigd Koninkrijk, Nieuw-Zeeland, Canada en de Verenigde Staten (rov. 3.9-3.11).
2.9
Het hof heeft overwogen dat het gezag van de civielrechtelijke uitspraken waarop [eiser] heeft gewezen ter ondersteuning van zijn standpunt dat een uitzondering op de functionele immuniteit van [verweerders] moet worden gemaakt, beperkt is (rov. 3.13-3.16). Nu de rechtspraak in civielrechtelijke zaken in overgrote meerderheid van de gevallen geen uitzondering erkent op functionele immuniteit voor internationale misdrijven, is er onvoldoende aanleiding om voor de reikwijdte van de regel in civielrechtelijke zaken te rade te gaan bij het strafrecht. In de internationale rechtspraktijk wordt de functionele immuniteit van jurisdictie in strafzaken ook veelal expliciet onderscheiden van functionele immuniteit in een civiel geding, op grond van de verschillen tussen beide vormen van rechtspleging (rov. 3.17-3.20). De twee Resoluties van het Institut de Droit International (IDI) waarop [eiser] zich beroept, geven niet het geldende recht weer (rov. 3.21.2-3.21.3). Gezien de rechtspraak van het EHRM is, anders dan [eiser] aanvoert, geen sprake van een ontoelaatbare beperking van zijn door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op effectieve toegang tot de rechter en hoeft geen afzonderlijke belangenafweging plaats te vinden. Op grond van de uitspraak van het IGH inzake Jurisdictional Immunities speelt de vraag of de eiser een alternatief rechtsmiddel ter beschikking staat geen rol bij de vraag of een staat immuniteit van jurisdictie geniet en niet valt in te zien waarom dat voor functionele immuniteit anders zou moeten zijn. Het EHRM heeft evenmin belang toegekend aan de vraag of een alternatieve rechtsgang openstond. Daarbij komt dat de stelling van [eiser] dat een alternatieve rechtsgang ontbreekt omdat hem in Israël geen eerlijk proces wacht, noodzakelijkerwijs een beoordeling zou vergen van het rechtssysteem van de Staat Israël. De strekking van de immuniteit van een vreemde staat is echter dat het niet aan de rechter van het forum is daarover een oordeel te geven (rov. 3.22).
2.10
Vervolgens heeft het hof overwogen:
‘3.23 Concluderend is het hof van oordeel dat geen redelijke twijfel bestaat – en dat er in zoverre dus ook geen sprake is van een ‘grijs gebied’ – dat het internationale gewoonterecht naar de huidige stand van zaken inhoudt dat in een civielrechtelijke procedure tegen een overheidsfunctionaris geen uitzondering op de functionele immuniteit dient worden gemaakt vanwege de ernst van de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten. Dit betekent dat de stelling van [eiser] , dat jurisdictie uitgangspunt is en dat [verweerders] de uitzondering daarop (immuniteit) moeten aantonen, niet besproken hoeft te worden. De immuniteit van [verweerders] in het onderhavige geding staat voldoende vast.’
2.11
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. [verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, gevolgd door re- en dupliek.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
In de kern genomen stelt het cassatiemiddel de vraag aan de orde of [verweerders] in de onderhavige procedure, waarin tegen hen civielrechtelijke vorderingen zijn ingesteld wegens het schenden van het internationaal oorlogsrecht, op grond van het internationaal gewoonterecht een beroep kunnen doen op functionele immuniteit van jurisdictie.
3.2
Alvorens het middel te bespreken, stel ik het volgende voorop. Art. 13a Wet Algemene Bepalingen bepaalt dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter wordt beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend. Tot zodanige uitzonderingen behoort het recht op immuniteit van jurisdictie dat in beginsel toekomt aan vreemde staten, aan personen die aan de vreemde staat zijn gerelateerd en aan internationale organisaties. Bij immuniteit van aan de vreemde staat gerelateerde personen wordt onderscheid gemaakt tussen functionele immuniteit en persoonlijke immuniteit. Onder functionele immuniteit, ook aangeduid als immuniteit ratione materiae, wordt verstaan de immuniteit die overheidsfunctionarissen genieten in verband met de gedragingen die zij in een officiële hoedanigheid verrichten. Functionele immuniteit heeft dus alleen betrekking op overheidshandelingen en onderscheidt zich daarin van persoonlijke immuniteit (immuniteit ratione personae), die verbonden is met de positie van de ambtsdrager, zoals een regeringsleider of een staatshoofd, en die geldt voor alle handelingen, inclusief privégedragingen.
3.3
Deze zaak heeft betrekking op de functionele immuniteit, namelijk op de vraag of [verweerder 1] en [verweerder 2] zich kunnen beroepen op immuniteit van jurisdictie met betrekking tot de handelingen die zij hebben verricht in hun officiële hoedanigheid als bevelhebber over respectievelijk het Israëlische leger en de Israëlische luchtmacht. Functionele immuniteit ligt in het verlengde van staatsimmuniteit. Beide vinden hun grondslag in het beginsel par in parem non habet imperium, op grond waarvan het handelen van een staat in beginsel niet aan de rechtsmacht van een andere staat kan worden onderworpen. De Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken heeft in haar Advies inzake de immuniteit van buitenlandse ambtsdragers dat in 2011 is uitgebracht (hierna: CAVV-advies 2011), het volgende opgemerkt:
‘Functionele immuniteit is een instrument om de verantwoordelijkheid voor het handelen van een overheidsfunctionaris bij de staat te leggen. Zou dit niet zo zijn, dan zou, door het aanspreken van staatsfunctionarissen op hun handelen namens de staat, het beginsel van staatsimmuniteit worden omzeild.’4.
3.4
[eiser] heeft gesteld dat [verweerders] zich schuldig hebben gemaakt aan schendingen van internationaal oorlogsrecht. Daarmee rijst de vraag of immuniteit van jurisdictie zich in een civiele procedure ook uitstrekt tot schendingen van internationaal recht en zelfs tot de dwingende normen van algemeen volkenrecht (jus cogens). Zowel het IGH als het EHRM hebben zich over deze vraag uitgelaten.
3.5
Het in 2012 door het IGH gewezen arrest inzake Jurisdictional Immunities heeft betrekking op de reikwijdte van staatsimmuniteit in verband met internationale misdrijven. In deze zaak ging het onder meer om de vraag of Italiaanse rechters de immuniteit van Duitsland hadden moeten respecteren in de bij hen aanhangig gemaakte civiele procedures, waarin van Duitsland vergoeding werd gevorderd van schade als gevolg van schendingen van het internationale humanitaire recht door Duitse troepen in de Tweede Wereldoorlog. Het IGH heeft overwogen:
‘91. The Court concludes that, under customary international law as it presently stands, a State is not deprived of immunity by reason of the fact that it is accused of serious violations of international human rights law or the international law of armed conflict. In reaching that conclusion, the Court must emphasize that it is addressing only the immunity of the State itself from the jurisdiction of the courts of other States; the question of whether, and if so to what extent, immunity might apply in criminal proceedings against an official of the State is not in issue in the present case.’
3.6
Volgens het IGH is er geen sprake van conflict tussen de regels van jus cogens en de regels betreffende staatsimmuniteit:
‘93. (...)The two sets of rules address different matters. The rules of State immunity are procedural in character and are confined to determining whether or not the Courts of one State may exercise jurisdiction in respect of another State. They do not bear upon the question whether or not the conduct in respect of which the proceedings are brought was lawful or unlawful.’
3.7
Het IGH heeft ook gewezen op nationale rechterlijke uitspraken uit het Verenigd Koninkrijk, Canada, Polen, Slovenië, Nieuw-Zeeland en Griekenland waarin het argument is verworpen dat de regels met betrekking tot staatsimmuniteit plaats moeten maken voor de gevolgen van jus cogens.5.
3.8
Het EHRM heeft zich meermaals uitgesproken over immuniteit van jurisdictie in relatie tot schendingen van jus cogens. In het door het EHRM in 2001 gewezen arrest inzake Al-Adsani/Verenigd Koninkrijk6., dat ook door het IGH is aangehaald in het arrest inzake Jurisdictional Immunities7., was de vraag aan de orde of het Verenigd Koninkrijk het recht op toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd door art. 6 EVRM, had geschonden door de immuniteit van de Staat Saudi-Arabië te respecteren waar het daden van foltering betrof. Het recht op toegang tot de rechter is niet absoluut, maar een beperking van dit recht moet strekken tot een legitiem doel en moet proportioneel zijn ten opzichte van dat doel (de proportionaliteitstoets). Volgens het EHRM strekt het toekennen van staatsimmuniteit van jurisdictie tot een legitiem doel:
‘54. The Court must first examine whether the limitation pursued a legitimate aim. It notes in this connection that sovereign immunity is a concept of international law, developed out of the principle par in parem non habet imperium, by virtue of which one State shall not be subject to the jurisdiction of another State. The Court considers that the grant of sovereign immunity to a State in civil proceedings pursues the legitimate aim of complying with international law to promote comity and good relations between States through the respect of another State’s sovereignty.’
3.9
Bij de proportionaliteitstoets heeft het EHRM vooropgesteld dat er in beginsel geen sprake is van een disproportionele beperking van het recht op toegang tot de rechter zoals gewaarborgd door art. 6 EVRM, indien de maatregelen die de verdragsstaat heeft getroffen in overeenstemming zijn met de algemeen aanvaarde volkenrechtelijke regels inzake de immuniteit van staten.8.
3.10
Het EHRM heeft vervolgens onderzocht of staten op basis van het internationaal gewoonterecht geen recht hebben op immuniteit in een civiele procedure in het geval van gestelde daden van foltering en heeft geconcludeerd:
’61. (…) Notwithstanding the special character of the prohibition of torture in international law, the Court is unable to discern in the international instruments, judicial authorities or other materials before it any firm basis for concluding that, as a matter of international law, a State no longer enjoys immunity from civil suit in the courts of another State where acts of torture are alleged.
(…)
66. The Court, while noting the growing recognition of the overriding importance of the prohibition of torture, does not accordingly find it established that there is yet acceptance in international law of the proposition that States are not entitled to immunity in respect of civil claims for damages for alleged torture committed outside the forum State. (…).’
3.11
In het arrest inzake Stichting Mothers of Srebrenica e.a./Nederland9.heeft het EHRM de vraag beantwoord of de Verenigde Naties (VN) een beroep kunnen doen op immuniteit van jurisdictie in geval van een gestelde schending van een norm van jus cogens. In de zaak die aan dit arrest ten grondslag heeft gelegen, heeft de Hoge Raad beslist dat de VN immuniteit toekomt, onder verwijzing naar de overwegingen van het IGH in Jurisdictional Immunities ten aanzien van staatsimmuniteit:
‘4.3.14 Hoewel de VN-Immuniteit te onderscheiden valt van staatsimmuniteit, is niet sprake van een verschil dat rechtvaardigt met betrekking tot de verhouding tussen eerstgenoemde immuniteit en het recht op toegang tot de rechter anders te oordelen dan het IGH heeft beslist ten aanzien van de verhouding tussen staatsimmuniteit en het recht op toegang tot de rechter. Die immuniteit komt de VN toe ongeacht de buitengewone ernst van de verwijten die de Stichting c.s. aan hun vorderingen ten grondslag leggen.’10.
3.12
Het EHRM heeft zich bij het oordeel van de Hoge Raad aangesloten en heeft daartoe overwogen:
‘158. (…) International law does not support the position that a civil claim should override immunity from suit for the sole reason that it is based on an allegation of a particularly grave violation of a norm of international law, even a norm of ius cogens. In respect of the sovereign immunity of foreign States this has been clearly stated by the ICJ in Jurisdictional Immunities of the State (Germany v. Italy: Greece intervening), judgment of 3 February 2012, §§ 81-97. In the Court’s opinion this also holds true as regards the immunity enjoyed by the United Nations.’11.
3.13
De vraag of, naast staatsimmuniteit en VN-immuniteit, ook de functionele immuniteit van rechtsmacht zich uitstrekt tot gestelde schendingen van jus cogens, was aan de orde in de zaak die heeft geleid tot het arrest Jones e.a./Verenigd Koninkrijk.12.In dit arrest uit 2014 bouwt het EHRM voort op Al-Adsani/Verenigd Koninkrijk. In de civiele procedure die ten grondslag lag aan het arrest inzake Jones e.a./Verenigd Koninkrijk waren vorderingen ingediend tegen zowel de Staat Saudi-Arabië als Saudische overheidsfunctionarissen. Saudi-Arabië heeft een beroep gedaan op staatsimmuniteit en op functionele immuniteit. Over het beroep op staatsimmuniteit heeft het EHRM overwogen dat geen sprake was van schending van art. 6 lid 1 EVRM en dat het, gezien het arrest van het IGH inzake Jurisdictional Immunities, waarin het IGH de stand van het internationaal gewoonterecht betreffende staatsimmuniteit in 2012 heeft beschreven, niet nodig is om in het kader van de proportionaliteitstoets te onderzoeken of zich ontwikkelingen hebben voorgedaan in het internationaal gewoonterecht.13.
3.14
Bij de beoordeling van het beroep op functionele immuniteit van jurisdictie heeft het EHRM in Jones e.a./Verenigd Koninkrijk vooropgesteld dat de immuniteit die wordt toegekend aan de functionarissen van een staat ook staatsimmuniteit betreft en een legitiem doel heeft.14.In het kader van de proportionaliteitstoets heeft het EHRM onderzocht of sprake is van (i) een algemene regel van internationaal gewoonterecht waaruit volgt dat de nationale rechter het beroep van een staat op immuniteit in relatie tot diens overheidsfunctionarissen moet honoreren en (ii) een bijzondere regel of uitzondering op voornoemde algemene regel met betrekking tot foltering. De eerste vraag heeft het EHRM bevestigend beantwoord. Volgens het EHRM is het uitgangspunt dat voor de gedragingen van overheidsfunctionarissen functionele immuniteit geldt. Zou dat anders zijn, dan zou staatsimmuniteit steeds kunnen worden omzeild door de desbetreffende functionarissen te dagen. Het EHRM heeft in dit verband ook gewezen op het Verdrag van de Verenigde Naties van 2 december 2004 inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen15.(hierna: VN-Verdrag), dat nog niet in werking is getreden, maar dat in de Nederlandse rechtspraak grotendeels wordt beschouwd als een weergave van het internationaal gewoonterecht.16.In art. 2 lid 1, aanhef en onder b, VN-Verdrag wordt het begrip ‘State’ als volgt gedefinieerd:
(i) the State and its various organs of government;
(ii) constituent units of a federal State or political subdivisions of the State, which are entitled to perform acts in the exercise of sovereign authority, and are acting in that capacity;
(iii) agencies or instrumentalities of the State or other entities, to the extent that they are entitled to perform and are actually performing acts in the exercise of sovereign authority of the State;
(iv) representatives of the State acting in that capacity;
3.15
Het VN-Verdrag is nog niet door Nederland geratificeerd. Bij de Tweede Kamer is op het moment van het nemen van deze conclusie aanhangig het wetsvoorstel tot goedkeuring van dit verdrag.17.Ten aanzien van de definitie van het begrip ‘staat’ wordt in de memorie van toelichting opgemerkt:
‘Immuniteit geldt voor de «staat» in de ruimste zin van het woord. Dat wil zeggen alle staatkundige onderdelen ervan, ook instanties als agentschappen of andere entiteiten. Hieronder vallen ook vertegenwoordigers van de staat die bevoegd zijn handelingen te verrichten ten behoeve van
soevereine bevoegdheden en in die hoedanigheid op te treden (eerste lid, onderdeel b).’18.
3.16
Het EHRM heeft in het arrest inzake Jones e.a./Verenigd Koninkrijk verwezen naar een reeks van rechterlijke uitspraken uit verschillende landen en hieruit geconcludeerd dat de zienswijze dat handelingen van overheidsambtenaren in de uitoefening van hun functie in het kader van staatsimmuniteit moeten worden toegerekend aan de staat namens welke zij handelen, ook breed gedragen wordt in de nationale en internationale rechtspraak.19.
3.17
Bij de bespreking van de vraag of op de regel van functionele immuniteit een uitzondering geldt voor schendingen van jus cogens, heeft het EHRM vooropgesteld dat functionele immuniteit slechts betrekking heeft op handelingen ter uitoefening van soevereine bevoegdheden van de staat. De omstandigheid dat er geen algemene jus cogens-uitzondering is aanvaard voor staatsimmuniteit, is volgens het EHRM daarom niet beslissend in relatie tot een vordering tegen de desbetreffende overheidsfunctionaris.20.Het EHRM doelt hier op de kwestie of het plegen van een internationaal misdrijf (in casu foltering) kan worden beschouwd als handelen in de uitoefening van een officiële functie.
3.18
Op basis van een analyse van de nationale rechtspraak, van verdragen en andere documenten, waaronder de Draft Articles on Responsibility of States for Internationally Wrongful Acts van de International Law Commission, heeft het EHRM geconcludeerd dat uit het merendeel van de bronnen volgt dat het recht van een staat op immuniteit niet omzeild mag worden door een civiele procedure te beginnen tegen de functionarissen van die staat, ook waar de vorderingen betrekking hebben op daden van foltering:
‘213. Having regard to the foregoing, while there is in the Court’s view some emerging support in favour of a special rule or exception in public international law in cases concerning civil claims for torture lodged against foreign State officials, the bulk of the authority is (…) to the effect that State’s right to immunity may not be circumvented by suing its servants or agents instead.’21.
3.19
Hoewel het EHRM heeft overwogen dat de statenpraktijk met betrekking tot dit vraagstuk in beweging is, heeft het in Jones e.a./Verenigd Koninkrijk gekozen voor een terughoudende opstelling, waarbij het de verdragsstaten heeft opgedragen om de kwestie, gezien de verwachte ontwikkelingen, nauwlettend in de gaten houden.22.In zijn annotatie onder het arrest heeft Alkema gesteld dat de behoudende lijn die door het EHRM is gekozen, verdedigbaar is gezien de taakverdeling tussen rechters van verschillende staten. Alkema schrijft:
‘Het is voor de burgerlijke rechter buitengewoon moeilijk om feitelijke gebeurtenissen die buiten de landsgrenzen hebben plaats gehad en waar een andere staat bij betrokken is te beoordelen en een slachtoffer zo nodig adequate schadevergoeding of genoegdoening toe te kennen. Daar komt nog bij dat executie van dergelijke vonnissen op grote praktische en internationaalpolitieke bezwaren kan stuiten en lang niet altijd gewaarborgd zal zijn: immuniteit van jurisdictie en van executie zijn niet geheel identiek.’23.
3.20
Volgens Alkema was in 2015 de gedachte van een human rights exception, waarbij geen immuniteit wordt aangenomen in geval van een schending van jus cogens, ‘sympathiek maar nog lang niet rijp’. Ik ben van mening dat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat dit anders is naar de huidige stand van het internationaal gewoonterecht.24.Uit de analyse die het hof in het bestreden arrest heeft gemaakt van nationale en internationale rechtspraak over dit onderwerp (rov. 3.8-3.15) volgt dat in het merendeel van de uitspraken immuniteit van jurisdictie in een civiele procedure wordt toegekend ook in het geval van een gestelde schending van jus cogens. Ik wijs ook op het arrest inzake J.C. e.a./België van 12 oktober 202125., waarin het EHRM heeft overwogen dat de verzoekers in die zaak geen bewijs hebben aangevoerd waaruit blijkt dat het internationale recht zich sinds 2012 (het jaar waarin het IGH het arrest inzake Jurisdictional Immunities heeft gewezen) zodanig heeft ontwikkeld dat de vaststellingen van het EHRM over het internationaal gewoonterecht in onder andere het arrest inzake Jones e.a./Verenigd Koninkrijk niet langer zouden gelden.26.
3.21
Na deze inleidende opmerkingen kom ik toe aan de bespreking van het cassatiemiddel. Het middel bestaat na een inleiding uit drie onderdelen, die in verschillende subonderdelen uiteen vallen.
3.22
Onderdeel I is gericht tegen rov. 3.2, 3.8 en 3.17 van het bestreden arrest. In rov. 3.2 heeft het hof overwogen dat het zal nagaan wat het internationale recht ten aanzien van functionele immuniteit inhoudt. In rov. 3.8 heeft het hof overwogen dat nationale en internationale rechtspraak niet de stelling ondersteunt dat in civiele zaken op de immuniteit van jurisdictie van (voormalige) overheidsfunctionarissen een uitzondering moet worden gemaakt voor oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid. In rov. 3.17 heeft het hof overwogen dat de rechtspraak in civielrechtelijke zaken in de overgrote meerderheid van de gevallen geen uitzondering op (functionele) immuniteit voor internationale misdrijven erkent. Het onderdeel valt uiteen in twee subonderdelen.
3.23
Onderdeel 1.1 stelt dat het hof met bovengenoemde oordeelsvorming heeft miskend hoe gewoonterecht wordt gevormd. Internationaal recht is niet statisch. Geklaagd wordt dat het hof de vorming van (nieuw) recht en de eigen rechtsvormende taak van het hof heeft miskend, omdat het hof er ten onrechte vanuit gaat dat slechts in het geval van een praktijk waarin vrijwel alle rechtspraak dezelfde kant op wijst, sprake kan zijn van ontwikkeling. Voor het vaststellen van internationaal recht moet volgens het onderdeel belang worden toegekend aan internationale commissies en opvattingen van nationale regeringen. Het hof miskent bovendien dat het zelf ook deel uitmaakt van de rechtsontwikkeling c.q. daaraan kan bijdragen. Volgens het onderdeel blijft het hof teveel ‘aan de zijlijn’ staan, zonder in te gaan op de daadwerkelijke merites van de zaak en kan op grond van de door het hof gehanteerde rechtsopvatting nooit nieuw gewoonterecht ontstaan. Het hof heeft miskend dat slechts kijken naar het verleden geen recht doet aan de vorming van gewoonterecht en ook dat rechtsmacht de hoofdregel is en immuniteit de uitzondering daarop vormt, aldus het onderdeel. Onderdeel 1.2 bouwt op het voorgaande voort met het betoog dat het hof met zijn rechtsopvatting eveneens een holistische benadering heeft miskend voor de vinding en vorming van het recht en voor de vraag die werkelijk aan de rechter voorligt. In dit geval gaat het om oorlogsmisdrijven waarvoor [eiser] bij geen enkele instantie genoegdoening kan krijgen, aldus het onderdeel.
3.24
De beide onderdelen kunnen gezamenlijk worden besproken. Art. 38 lid 1 van het Statuut van het IGH27.bevat een (niet-limitatieve) opsomming van bronnen van het internationale recht, waaronder (onder b) ‘international custom, as evidence of a general practice accepted as law’. Voor de identificatie van internationaal gewoonterecht wordt gebruik gemaakt van een zogenoemde ‘two-elements approach’, waarbij aan twee voorwaarden wordt getoetst: algemene statenpraktijk en rechtsovertuiging (opinio juris).28.
3.25
Met de term ‘statenpraktijk’ wordt gedoeld op de handelingen van alle staatsorganen (wetgever, rechter, regering).29.Van ‘algemene statenpraktijk’ is volgens het IGH sprake indien de statenpraktijk zowel omvangrijk (‘extensive’) als vrijwel uniform (‘virtually uniform’) is.30.In zijn arrest inzake Nicaragua v. United States of America31.heeft het IGH overwogen:
‘186. (…) The Court does not consider that, for a rule to be established as customary, the corresponding practice must be in absolutely rigorous conformity with the rule. In order to deduce the existence of customary rules, the Court deems it sufficient that the conduct of States should, in general, be consistent with such rules, and that instances of States conduct inconsistent with a given rule should generally have been treated as breaches of that rule, not as indications of the recognition of a new rule. If a State acts in a way prima facie incompatible with a recognized rule, but defends its conduct by appealing to exceptions or justifications contained within the rule itself, then whether or not the State’s conduct is in fact justifiable on that basis, the significance of that attitude is to confirm rather than to weaken the rule.’
3.26
In het bestreden arrest heeft het hof de vraag centraal gesteld of het internationaal gewoonterecht naar de huidige stand van zaken inhoudt dat in een civielrechtelijke procedure tegen een overheidsfunctionaris een uitzondering dient te worden gemaakt op de functionele immuniteit van jurisdictie vanwege de ernst van de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten. Vervolgens heeft het hof een uitvoerige analyse gemaakt van de nationale en internationale statenpraktijk, van de rechtspraak van het IGH en het EHRM, en van gezaghebbende documenten over staatsimmuniteit en functionele immuniteit van jurisdictie, waaronder die van de International Law Commission. Het hof is op basis van zijn analyse tot de conclusie gekomen dat naar de huidige stand van het internationaal gewoonterecht zo’n uitzondering niet kan worden aangenomen (rov. 2.23).
3.27
Niet valt in te zien dat het hof, zoals het onderdeel stelt, met zijn overwegingen over de actuele stand van het internationaal gewoonterecht de wijze waarop het internationaal gewoonterecht ontstaat heeft miskend. Uit de overwegingen van het hof volgt immers dat het hof met behulp van de relevante bronnen de statenpraktijk en de opinio juris in kaart heeft gebracht met het doel zich van de actuele stand van het internationaal gewoonterecht te vergewissen.32.Het hof heeft op basis van deze bronnen geconcludeerd dat sprake is van een van duidelijke regel van internationaal gewoonterecht op grond waarvan [verweerders] functionele immuniteit van jurisdictie genieten in civiele procedures (rov. 3.22) en dat hierop geen uitzondering dient te worden gemaakt vanwege de ernst van de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten (rov. 3.23). De stelling dat het hof zijn eigen rol in de vorming van het internationaal gewoonterecht heeft miskend, is daarmee ook onjuist. Een regel van internationaal gewoonterecht is bindend voor alle staten en hun organen (waaronder de gerechten), tenzij de staat gedurende de consolidatie van de gewoonte hiertegen aanhoudend bezwaar heeft gemaakt. In dit verband kan worden gewezen op het antwoord dat de regering heeft gegeven op een vraag van de CDA-fractie in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel tot goedkeuring van het VN-Verdrag. De CDA-fractie heeft gevraagd in hoeverre het VN-Verdrag het gewoonterecht weergeeft, waarop de regering heeft geantwoord:
‘Daar waar het Verdrag een weergave betreft van het gewoonterecht, is dit gebaseerd op een wijdverspreide en uniforme statenpraktijk in combinatie met de overtuiging dat men rechtens gebonden is aan deze praktijk. Ook staten die geen partij zijn bij het Verdrag, zijn aan dit gewoonterecht gebonden tenzij zij hier stelselmatig bezwaar tegen hebben gemaakt. De Nederlandse rechtspraktijk heeft daar geen invloed op.’33.
3.28
Het onderdeel klaagt ook dat het hof heeft miskend dat rechtsmacht de hoofdregel is en functionele immuniteit de uitzondering hierop. Het hof heeft in rov. 3.23 geoordeeld dat geen redelijke twijfel bestaat dat het internationaal gewoonterecht naar de huidige stand van zaken inhoudt dat in een civielrechtelijke procedure tegen een overheidsfunctionaris geen uitzondering op de functionele immuniteit dient worden gemaakt vanwege de ernst van de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten. Dit betekent volgens het hof dat de stelling van [eiser] , dat jurisdictie uitgangspunt is en dat [verweerders] de uitzondering daarop (immuniteit) moeten aantonen, niet besproken hoeft te worden. Uit deze rechtsoverweging volgt dat ook indien rechtsmacht als hoofdregel heeft te gelden, naar het oordeel van het hof voldoende is aangetoond dat de uitzondering van functionele immuniteit in het onderhavige geval van toepassing is (en zich dus ook uitstrekt tot (gestelde) oorlogsmisdrijven). De klacht dat het hof dit heeft miskend, berust op een verkeerde lezing van het arrest.
3.29
Uit het voorgaande volgt dat onderdeel 1.1 in zijn geheel faalt. Onderdeel 1.2 bouwt voort op onderdeel 1.1 en deelt het lot daarvan, omdat het in de kern genomen ook klaagt dat het hof de totstandkoming van internationaal gewoonterecht heeft miskend.
3.30
Onderdeel II is gericht tegen rov. 3.2-3.4 (en alle daarop volgende overwegingen), waarin het hof voor de beantwoording van de in dit geschil voorliggende vraag over de aanwezigheid van functionele immuniteit aansluiting zoekt bij de rechtspraak over staatsimmuniteit, in het bijzonder bij het arrest van het IGH inzake Jurisdictional Immunities. Het onderdeel valt uiteen in vier subonderdelen (2.1 t/m 2.4).
3.31
Onderdeel 2.1 betoogt dat op basis van (de ontwikkeling van) het internationaal gewoonterecht personen op grond van hun individuele aansprakelijkheid kunnen worden aangesproken voor internationale misdrijven, ongeacht of zij een staat vertegenwoordigen. De schending door die persoon van internationale normen staat los van eventuele parallelle aansprakelijkheid van de staat voor die schending. Op basis van individuele aansprakelijkheid hebben personen die normaliter functionele immuniteit genieten, die immuniteit dus niet voor internationale misdrijven. Het hof heeft ten onrechte zijn oordeel niet gebaseerd op het vertrekpunt van de ontwikkeling van individuele aansprakelijkheid, zodat zijn oordeelsvorming omtrent een uitzondering op de functionele immuniteit in het geval van oorlogsmisdrijven niet in stand kan blijven. Het hof heeft ten onrechte het arrest van het IGH inzake Jurisdictional Immunities, waarin het ging om civiele vorderingen tegen een staat, tot uitgangspunt genomen en daarmee een te beperkt toetsingskader gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of sprake is van functionele immuniteit (geldend voor individuen). Daardoor zijn ook diens (andere) overwegingen over de uitleg van het internationaal gewoonterecht onjuist, aldus het onderdeel.
3.32
Vooropgesteld kan worden dat geen klacht is gericht tegen de kwalificatie van het hof in rov. 3.2 dat het in dit geval gaat over de functionele immuniteit. Begrijp ik de klacht goed, dan betoogt het onderdeel dat [verweerders] op grond van hun individuele/persoonlijke aansprakelijkheid kunnen worden aangesproken en dat op die grond sprake is van een uitzondering op hun functionele immuniteit. Deze door het onderdeel bepleite opvatting wordt ook verdedigd in het reeds aangehaalde CAVV-advies 2011. In haar advies gaat de CAVV in op drie benaderingen ter beargumentering van een beperking van de functionele immuniteit in verband met internationale misdrijven.34.De eerste benadering gaat ervan uit dat het plegen van een internationaal misdrijf geen officiële taak van een staat kan zijn en dat de pleger daarom geen functionele immuniteit kan inroepen. De CAVV acht deze benadering niet overtuigend vanwege de vaak feitelijk aantoonbare verwevenheid van veel internationale misdrijven met het staatsapparaat. De tweede benadering huldigt het standpunt dat het begaan van internationale misdrijven een schending van het jus cogens inhoudt en dat deze normen voorrang hebben op andere normen van internationaal recht, inclusief de regels over immuniteit. De CAVV wijst deze benadering af, omdat hierin het verschil tussen het materiële karakter van jus cogens en het procedurele karakter van regels van immuniteit wordt veronachtzaamd. De CAVV kiest voor de derde benadering die inhoudt dat een beroep op functionele immuniteit faalt, omdat het een beschuldiging betreft van het plegen van internationale misdrijven. De CAVV stelt:
‘Deze benadering gaat uit van individuele aansprakelijkheid van personen voor internationale misdrijven, ongeacht of zij een staat vertegenwoordigen. Internationale misdrijven worden gepleegd door personen, ook al maken zij daarbij gebruik van de middelen van een staat, of geven zij daarmee uitvoering aan statelijk beleid. De persoon schendt internationale normen. Dit staat los van eventuele parallelle aansprakelijkheid van de staat hiervoor. Terwijl in het klassieke internationaal recht handelingen van ambtsdragers in de uitoefening van hun taak alleen aan de staat konden worden toegerekend, heeft de ontwikkeling betreffende internationale misdrijven binnen het internationaal recht tot gevolg dat ook de persoon die het misdrijf pleegt hiervoor verantwoordelijk kan worden gehouden.’35.
3.33
De CAVV heeft in haar advies benadrukt dat de keuze voor deze benadering een rechtspolitieke keuze is, aangezien het hier gaat om een ontwikkeling die in het internationaal recht nog niet is uitgekristalliseerd:
‘Deze benadering aanvaardt de individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid van personen voor internationale misdrijven als zelfstandig rechtsbeginsel en is niet afhankelijk van een meer indirecte redenering zoals in de voorgaande twee benaderingen. De CAVV benadrukt, dat de keuze voor de hier geschetste benadering tevens een rechtspolitieke keuze is, aangezien het hier gaat om een ontwikkeling die in het internationaal recht nog niet is uitgekristalliseerd. Het gaat uiteindelijk ook om een afweging tussen enerzijds het belang van de ongestoorde internationale betrekkingen en anderzijds het belang van de bestrijding van de straffeloosheid van 20 internationale misdrijven. Zo lang hoge ambtsdragers in functie zijn, kan het eerste belang zwaarder wegen. Maar als de ambtsdragers niet langer in functie zijn, moet groter gewicht worden toegekend aan het tweede belang. Nederland kan, door te kiezen voor de hier verdedigde benadering, een nuttige bijdrage leveren aan de vorming van internationaal gewoonterecht, dat immers afhankelijk is van de statenpraktijk.’36.
3.34
Het advies van de CAVV richt zich vooral op de vraag of de functionele immuniteit moet worden beperkt ten faveure van de bestraffing van internationale misdrijven. De bronnen waarin de CAVV steun vindt voor de door haar gekozen benadering zijn voor het overgrote deel strafrechtelijk van aard. Wat betreft civiele vorderingen van schadevergoeding verwijst de CAVV naar een zeer beperkt aantal bronnen. In art. 14 van het Verdrag tegen foltering37.staat dat staten die partij zijn bij dat verdrag moeten waarborgen dat een slachtoffer van foltering genoegdoening krijgt en een rechtens afdwingbaar recht heeft op schadevergoeding. De CAVV wijst erop dat deze verplichting alleen betrekking heeft op de staat op wiens grondgebied foltering heeft plaatsgevonden. Voorts noemt de CAVV het Verdrag inzake bescherming tegen gedwongen verdwijningen38., waarin wordt voorzien in de waarborg van schadeloosstelling voor slachtoffers van gedwongen verdwijningen.39.
3.35
De CAVV gaat er in haar advies vanuit dat Nederland de mogelijkheid heeft om te kiezen voor de door haar verdedigde benadering. In haar reactie op het advies is de Nederlandse regering gereserveerder:
‘De regering onderschrijft hetgeen de CAVV schrijft over de ontwikkelingen op het gebied van functionele immuniteit, al is zij wat terughoudender wat betreft de mogelijkheden tot vorming van internationaal gewoonterecht op dit punt. Anderzijds laat de CAVV zien dat ook in de huidige internationale rechtsorde buitenlandse ambtsdragers aanspraak kunnen blijven maken op immuniteit, indien zij geconfronteerd worden met juridische procedures voor een buitenlandse rechter. Het belang van ongestoorde bilaterale betrekkingen wordt daarmee onderstreept.’40.
3.36
Het advies van de CAVV is gepubliceerd in 2011, dus vóór het arrest van het IGH inzake Jurisdictional Immunities en vóór het arrest van het EHRM inzake Jones e.a./Verenigd Koninkrijk. Naar mijn mening heeft Nederland naar de huidige stand van het internationaal gewoonterecht in civiele procedures geen ruimte om te kiezen voor de door de CAVV voorgestelde benadering. Zoals hierboven is opgemerkt, zijn de statenpraktijk en de opinio juris voldoende consistent om aan te nemen dat het internationaal gewoonterecht géén uitzondering toestaat op de functionele immuniteit van jurisdictie in civiele procedures in geval van (gestelde) schendingen van jus cogens. Nederland is hieraan gebonden.
3.37
In het bestreden arrest heeft het hof onderzocht of in civiele procedures op basis van het internationaal gewoonterecht een uitzondering dient te worden gemaakt op de functionele immuniteit van jurisdictie vanwege de ernst van de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten. Weliswaar vangt de analyse van het hof aan met een bespreking van het arrest inzake Jurisdictional Immunities, waarin het IGH inzake staatsimmuniteit geen uitzondering heeft erkend voor schendingen van jus cogens, maar vervolgens heeft het hof onderzocht of datzelfde geldt voor functionele immuniteit. Het hof heeft na bestudering van nationale en internationale rechtspraak en andere gezaghebbende bronnen geconcludeerd dat het internationaal gewoonterecht inhoudt dat zo’n uitzondering ook niet geldt voor functionele immuniteit in het kader van een civiele procedure. In het oordeel van het hof ligt besloten dat het internationaal gewoonterecht ook geen beperking van de functionele immuniteit in civiele procedures toestaat op grond van de individuele aansprakelijkheid van de gezagsdrager. Dit oordeel getuigt, gelet op het voorgaande, niet van een onjuiste rechtsopvatting over het internationaal gewoonterecht, zodat het onderdeel faalt.
3.38
Onderdeel 2.2 klaagt kort gezegd dat het hof een inhoudelijk oordeel had moeten geven over de door [verweerders] gepleegde handelingen en niet alleen een ‘veronderstellenderwijs’- oordeel in rov. 3.1. Het onderdeel betoogt dat het antwoord op de vraag of sprake is van oorlogsmisdrijven de kernvraag is in het kader van het beroep op immuniteit, waarbij het, anders dan het hof en [verweerders] menen, gaat om een voorlopig inhoudelijk oordeel dat slechts van belang is voor de beantwoording van de immuniteitsvraag.
3.39
Het hof heeft, in navolging van de rechtbank41., overwogen:
‘3.1 Bij het bespreken van de grieven zal het hof er, net als de rechtbank, veronderstellenderwijs van uitgaan dat [verweerder 1] en [verweerder 2] bij het uitvoeren van het bombardement op 20 juli 2014 internationale misdrijven hebben gepleegd. Dit betekent niet, zoals [eiser] veronderstelt, dat de rechtbank of het hof al een ‘voorlopig oordeel’ geven over deze handelingen. Het betekent alleen dat het hof over de kwalificatie van deze handelingen nog geen oordeel geeft maar eerst nagaat of, gesteld dat de kwalificatie die [eiser] aan deze handelingen geeft juist is, [verweerders] een beroep op immuniteit van jurisdictie toekomt.’ [voetnoot weggelaten, A-G]
3.40
Het hof heeft vervolgens geconcludeerd dat het internationaal gewoonterecht inhoudt dat géén uitzondering dient te worden gemaakt op de functionele immuniteit vanwege de ernst van de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten. Niet valt in te zien dat dit oordeel anders was geweest wanneer het hof niet slechts een ‘veronderstellenderwijs’-oordeel had geveld, maar een ‘voorlopig inhoudelijk oordeel’ over de vraag of sprake was van oorlogsmisdrijven. Het onderdeel faalt hiermee wegens gebrek aan belang.
3.41
Ten overvloede wijs ik erop dat de rechter ook bij het vellen van een ‘voorlopig inhoudelijk oordeel’ onderzoek naar de zaak ten gronde zou moeten verrichten. In het arrest Jurisdictional Immunities heeft het IGH hierop ook gewezen:
‘82. At the outset, however, the Court must observe that the proposition that the availability of immunity will be to some extent dependent upon the gravity of the unlawful act presents a logical problem. Immunity from jurisdiction is an immunity not merely from being subjected to an adverse judgment but from being subjected to the trial process. It is, therefore, necessarily preliminary in nature. Consequently, a national court is required to determine whether or not a foreign State is entitled to immunity as a matter of international law before it can hear the merits of the case brought before it and before the facts have been established. If immunity were to be dependent upon the State actually having committed a serious violation of international human rights law or the law of armed conflict, then it would become necessary for the national court to hold an enquiry into the merits in order to determine whether it had jurisdiction. If, on the other hand, the mere allegation that the State had committed such wrongful acts were to be sufficient to deprive the State of its entitlement to immunity, immunity could, in effect be negated simply by skilful construction of the claim.’
3.42
Onderdeel 2.3 klaagt dat voor zover het hof met diens overweging in rov. 3.4 dat niet in geschil is dat het optreden van het Israëlische leger acta jure imperii zijn, heeft bedoeld dat niet in geschil is dat het optreden van [verweerders] vanuit het oogpunt van immuniteit louter moet worden beschouwd als handelen van de Staat Israël, die overweging onjuist dan wel onbegrijpelijk is, nu [eiser] heeft betoogd dat individueel militair optreden moet worden onderscheiden van immuniteit die hoort bij publiek staatsoptreden en dat het handelen van [verweerder 1] dus niet oplost in staatshandelen. Volgens het onderdeel is het op het terrein van militaire operaties dat de noodzaak is vastgesteld om onrechtmatig van rechtmatig optreden te onderscheiden en aan onrechtmatig handelen van individuele militairen individuele aansprakelijkheid te koppelen. Het onderdeel betoogt verder dat voor zover het hof diens constatering dat het optreden van het Israëlische leger acta jure imperii zijn mede ten grondslag heeft gelegd aan het aannemen van functionele immuniteit, het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in het licht van onderdeel 2.1.
3.43
Onderdeel 2.4 stelt dat het onjuiste vertrekpunt van de blik op de Staat Israël in plaats van op de aangesproken individuen, meebrengt dat ook het oordeel van het hof in rov. 3.7 onjuist of onbegrijpelijk is. In rov. 3.7 heeft het hof overwogen dat aan diens beslissing niet afdoet dat Israël mogelijk niet gehouden is [verweerders] schadeloos te stellen voor een toewijzende uitspraak en dat een uitspraak niet tegen Israël ten uitvoer zal worden gelegd. Het onderdeel betoogt dat bij veroordeling in deze zaak geen maatregelen tegen Israël worden genomen en Israël op geen enkele manier in zijn handelen wordt belemmerd. De uitleg die het hof heeft gegeven van het internationale gewoonterecht en in het bijzonder van de vraag wanneer sprake is van (een uitzondering op) functionele immuniteit, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aldus het onderdeel.
3.44
De onderdelen 2.3 en 2.4 bouwen in de kern genomen voort op onderdeel 2.1 en behoeven geen afzonderlijke bespreking. De onderdelen falen op dezelfde gronden.
3.45
Onderdeel III is eveneens gericht tegen rov. 3.2-3.24 en stelt, in de kern genomen, dat voor zover het hof terecht aansluiting heeft gezocht bij het internationaal gewoonterecht inzake staatsimmuniteit, zijn oordeel dat in dit geval immuniteit moet worden aangenomen, ook dan getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof is uitgegaan van een onjuiste uitleg van het internationaal gewoonterecht en in het bijzonder door in dit verband geen of te weinig belang te hechten aan verschillende omstandigheden. Het onderdeel valt uiteen in 10 subonderdelen (3.1 t/m 3.10).
3.46
Onderdeel 3.1 betoogt dat het hof in rov. 3.8 ten onrechte onder verwijzing naar het arrest van het EHRM inzake Jones e.a./Verenigd Koninkrijk heeft overwogen dat dit arrest de stelling niet ondersteunt dat in civiele zaken op de immuniteit van jurisdictie van (voormalige) overheidsfunctionarissen een uitzondering moet worden gemaakt voor oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid. Volgens het onderdeel kan aan deze uitspraak geen doorslaggevende waarde worden gehecht voor de uitleg van het huidige recht, nu deze zaak dateert uit 2014, betrekking had op de uitleg van het internationaal gewoonterecht in 2006 en sindsdien de nodige ontwikkelingen hebben plaatsgevonden.
3.47
Zoals hierboven reeds is vermeld, is er – anders dan het onderdeel betoogt – onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat het arrest Jones e.a./Verenigd Koninkrijk niet de huidige stand van het internationaal gewoonterecht weergeeft. De klacht faalt derhalve.
3.48
Het onderdeel klaagt verder dat het EHRM zich in Jones e.a./Verenigd Koninkrijk slechts moest buigen over de vraag of het toekennen van immuniteit in strijd was met art. 6 EVRM. Het onderdeel stelt ook dat common law jurisdicties, zoals het Verenigd Koninkrijk, minder dan civil law jurisdicties, zoals Nederland, de action civile (het indienen van een civiele vordering in het strafproces) kennen, zodat ook om die reden het aansluiten bij het EHRM-arrest getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
3.49
Deze klachten falen, omdat zij eraan voorbijgaan dat het EHRM zich in Jones e.a./Verenigd Koninkrijk in het kader van de proportionaliteitstoets van art. 6 EVRM wel degelijk heeft uitgelaten over de stand van het internationaal gewoonterecht en heeft geconcludeerd dat ‘the bulk of the authority is (…) to the effect that State’s right to immunity may not be circumvented by suing its servants or agents instead’.42.Het feit dat het EHRM zich heeft uitgesproken over de stand van het internationaal gewoonterecht, maakt dat deze uitspraak relevant is voor alle jurisdicties, ongeacht of zij behoren tot de civil law of tot de common law. Dat hetgeen het EHRM in Jones e.a./Verenigd Koninkrijk heeft overwogen over de stand van het internationaal gewoonterecht inzake immuniteit van jurisdictie niet relevant zou zijn voor civil law-jurisdicties als Nederland, zoals het middel suggereert, valt ook niet te rijmen met het reeds aangehaalde arrest inzake J.C./België, waarin het EHRM, in een zaak tegen België – een civil law-jurisdictie die de mogelijkheid van de action civile kent – heeft overwogen dat de verzoekers onvoldoende bewijs naar voren hebben gebracht waaruit zou blijken dat het internationaal gewoonterecht zich inmiddels zodanig heeft ontwikkeld dat de vaststellingen hieromtrent in het arrest Jones e.a./Verenigd Koninkrijk niet langer zouden gelden.43.
3.50
Aan het slot van onderdeel 3.1 betoogt het middel dat het vereenzelvigen van individuele ambtsdragers met de staat bij beantwoording van de immuniteitsvraag in het geval van een internationaal misdrijf strijdig is met kernbeginselen van internationaal recht betreffende de persoonlijke aansprakelijkheid van folteraars.
3.51
Deze klacht bouwt voort op onderdeel 2.1 en deelt het lot daarvan.
3.52
Onderdeel 3.2 betoogt dat het hof in rov. 3.7 ten onrechte heeft geconcludeerd dat het aannemen van civiele jurisdictie in deze zaak, ook als [eiser] alleen [verweerders] aansprakelijk stelt, een inbreuk op de staatsimmuniteit vormt. Het oordeel van het hof impliceert dat geen enkel overheidsoptreden van een vreemde staat ter discussie kan staan bij de Nederlandse rechter omdat in het geval van een aansprakelijkstelling van individuele functionarissen immers altijd een link met de staat namens wie de functionarissen optreden, kan worden gemaakt. Het aannemen van civiele jurisdictie in dit geval vormt echter geen inbreuk op de staatsimmuniteit, aldus het onderdeel.
3.53
Ook deze klacht bouwt voort op onderdeel 2.1, waarin werd betoogd dat het hof de individuele aansprakelijkheid van [verweerders] als vertrekpunt had moeten nemen. Het faalt om dezelfde redenen.
3.54
Het onderdeel betoogt tevens dat het hof ten onrechte geen, althans onvoldoende, (expliciete) aandacht heeft besteed aan verschillende (essentiële) stellingen van [eiser] , te weten:
i) Het toewijzen van een civiele vordering heeft de Nederlandse rechter ook eerder gedaan, onder verwijzing naar de processtukken waarin [eiser] heeft verwezen naar Rb. Den Haag 15 december 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:14782 en Rb. Den Haag 21 maart 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9748.
ii) Het relevante criterium voor de uitoefening van civiele jurisdictie is of daarmee de immuniteit van de Staat Israël daadwerkelijk wordt geraakt, maar dat is in dit geschil – gelet op de vordering van [eiser] – niet het geval.
iii) Indien – zoals in dit geval – geen sprake is van exclusieve aansprakelijkheid van de Staat, en een individu kan worden aangesproken op zijn persoonlijke, individuele aansprakelijkheid, komt de ratio van functionele immuniteit niet in het geding. In deze zaak, waar sprake is van parallelle aansprakelijkheid, maakt het geen verschil of de persoon bij bepaald handelen ook een Staat vertegenwoordigt of niet, het gaat louter om de inhoudelijke kwalificatie van dat handelen.
3.55
Het hof heeft in rov. 3.13 overwogen dat [eiser] heeft gewezen op een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 maart 2012. Het hof heeft hierbij opgemerkt dat het feit dat het vonnis geen overwegingen bevat over functionele immuniteit, erop wijst dat de rechtbank dit punt niet onder ogen heeft gezien en dat dit vonnis dan ook op het punt dat hier aan de orde is, niet als gezaghebbend of als bewijs van statenpraktijk kan worden beschouwd. De klacht dat het hof aan de stelling van [eiser] geen, althans onvoldoende (expliciete) aandacht heeft besteed, mist dus feitelijke grondslag en faalt.
3.56
Ook faalt de klacht dat het hof geen aandacht heeft besteed aan het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 december 2017. Dit vonnis betreft een strafrechtelijk vonnis. Het hof heeft in rov. 3.17-3.21 uiteengezet waarom het strafrechtelijke bronnen niet bepalend acht voor de vraag of [verweerders] in de onderhavige civielrechtelijke zaak aanspraak kunnen maken op immuniteit van jurisdictie. Deze kwestie komt hieronder aan de orde bij de bespreking van onderdeel 3.4.
3.57
De hierboven vermelde stellingen onder ii) en iii) bouwen voort op de door [eiser] naar voren gebrachte zienswijze dat [verweerders] individueel aansprakelijk kunnen worden gesteld voor internationale misdrijven en dat deze individuele aansprakelijkheid op grond van het internationaal gewoonterecht een uitzondering vormt op de functionele immuniteit van jurisdictie in civiele zaken. In zoverre bouwt het onderdeel voort op onderdeel 2.1 en faalt het in het voetspoor daarvan. Daarbij komt dat het onderdeel het (impliciete) rechtsoordeel van het hof dat het internationaal gewoonterecht een dergelijke uitzondering niet toelaat, lijkt te bestrijden met een motiveringsklacht, hetgeen niet mogelijk is. Het onderdeel faalt ook daarom.
3.58
Onderdeel 3.3 stelt dat het hof zijn uitleg van het internationaal gewoonterecht in rov. 3.9 en 3.10 ten onrechte (mede) heeft gebaseerd op de in die overwegingen vermelde uitspraken, die volgens het middel (in ieder geval deels) oudere uitspraken betreffen, zodat die uitspraken in ieder geval niet van doorslaggevend belang kunnen zijn voor de huidige stand van het internationaal gewoonterecht. Het hof heeft in ieder geval niet afdoende duidelijk gemaakt wat precies het belang is van de uitspraken van de High Court of New Zealand, de Supreme Court of Canada en de jurisprudentie in de Verenigde Staten, zeker niet wanneer dat wordt afgezet tegen het betoog van [eiser] dat immuniteit niet in beton is gegoten en dat staatsimmuniteit is gerelativeerd in de afgelopen decennia, aldus het onderdeel.
3.59
Het hof heeft onderzoek gedaan of in nationale en internationale rechtspraak een uitzondering wordt gemaakt op de functionele immuniteit van jurisdictie in het geval van een schending van jus cogens. De uitspraken die het hof in rov. 3.9 en 3.10 heeft aangehaald, hebben alle op dit onderwerp betrekking. Daarmee valt niet in te zien dat het hof niet afdoende duidelijk heeft gemaakt wat precies het belang is van deze uitspraken. Op de vindplaats waar volgens de procesinleiding het betoog van [eiser] staat dat staatsimmuniteit in de afgelopen decennia is gerelativeerd44., staan met name verwijzingen naar strafrechtelijke documenten, die – naar het oordeel van het hof – niet relevant zijn voor deze zaak. Ik merk nog op dat een regel van internationaal gewoonterecht binnen zeer korte tijd kan ontstaan, maar dat is vooral het geval als het een handeling betreft op een terrein waarop tevoren geen regel of praktijk bestond.45.Uit de aangehaalde uitspraken blijkt juist dat er ten aanzien van functionele immuniteit in verband met schendingen van jus cogens wél al langere tijd sprake is van een vrij consistente statenpraktijk. Tegen deze achtergrond faalt het onderdeel.
3.60
Onderdeel 3.4 stelt dat het hof ten onrechte in rov. 3.16-3.21 heeft geoordeeld dat de aard van de ter discussie staande handelingen de immuniteit niet kan doorbreken en dat het hof de in het strafrecht ontwikkelde lijn van doorbreking van immuniteit in geval van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid niet heeft doorgetrokken naar het civiele recht. Volgens het onderdeel is dit oordeel onjuist dan wel onbegrijpelijk op grond van de volgende door [eiser] aangevoerde (essentiële) stellingen: (i) er is geen principieel onderscheid aan te brengen tussen straf- en civiele rechtsmacht en het daartussen gemaakte onderscheid is dus artificieel, zo blijkt uit diverse (door [eiser] naar voren gebrachte) gezaghebbende bronnen, en (ii) bij de uitoefening van civiele rechtsmacht maakt individuele aansprakelijkheid van ambtsdragers voor internationale misdrijven (net als geldt voor de uitoefening van strafrechtsmacht) geen onaanvaardbare inbreuk op de staatsimmuniteit.
3.61
Stelling (i) en de argumenten die in het kader daarvan in het onderdeel naar voren worden gebracht, zien in de kern genomen op de vraag of het hof in zijn oordeel over de vraag of functionele immuniteit van jurisdictie in civiele procedures zich uitstrekt tot (gestelde) internationale misdrijven, aansluiting had moeten zoeken bij de ontwikkelingen van functionele immuniteit in het strafrecht. Het hof heeft overwogen:
‘3.17 Zoals hiervoor is besproken, erkent de rechtspraak in civielrechtelijke zaken in de overgrote meerderheid van de gevallen geen uitzondering op (functionele) immuniteit voor internationale misdrijven. Tegen die achtergrond is er onvoldoende aanleiding om voor de reikwijdte van deze regel in civielrechtelijke zaken te rade te gaan bij het strafrecht. In de (internationale) rechtspraktijk wordt de functionele immuniteit van jurisdictie in strafzaken ook veelal expliciet onderscheiden van functionele immuniteit in een civiel geding, op grond van de verschillen tussen beide vormen van rechtspleging (…). Dat een dergelijk onderscheid vanuit rechtssystematisch oogpunt wellicht niet in alle opzichten bevredigend wordt gevonden, bijvoorbeeld omdat bepaalde rechtsstelsels de mogelijkheid kennen om in een strafzaak ook een vordering tot schadevergoeding in te stellen, doet daar niet aan af. Voor de interpretatie van het internationaal gewoonterecht is in de eerste plaats van belang wat rechters in de praktijk beslissen. (…).’
3.62
Het oordeel van het hof dat strafrechtelijke bronnen niet bepalend zijn voor de vraag of een overheidsfunctionaris in een civiele procedure aanspraak kan maken op immuniteit van jurisdictie, vindt steun in een groot aantal bronnen. Het hof heeft zelf gewezen op het rapport van de ILC, waarin Dire Tladi, de Special Rapporteur inzake jus cogens, schrijft:
‘Second, and more importantly, as agreed at the commencement of the consideration of the topic, what should guide the Commission should be State practice and not theoretical considerations. It is particularly important to observe, in this regard, that some cases upholding immunity in civil matters have noted that different rules may apply to criminal matters. To the extent that State practice, in the form of national court cases, supports the distinction, the Commission should follow that practice.’46.[voetnoot weggelaten, A-G]
3.63
Het hof heeft er ook op gewezen dat het IGH en het EHRM in hun rechtspraak over immuniteit van jurisdictie expliciet een relevant verschil tussen civiele en strafrechtelijke procedures hebben onderkend.
3.64
Anders dan het hof, is de rechtbank in haar vonnis van 29 januari 2020 wél ingegaan op de vraag of er een regel van internationaal gewoonterecht is die inhoudt dat functionele immuniteit van jurisdictie in een strafrechtelijke procedure wordt beperkt in het geval van berechting van internationale misdrijven door nationale gerechten (rov. 4.36-4.48). De rechtbank heeft overwogen dat een dergelijke regel van internationaal gewoonterecht ontbreekt en dat daarom ook geen sprake kan zijn van enig doortrekken of naar analogie toepassen van die regel in civiele procedures (rov. 4.51). Hierover heeft Ryngaert opgemerkt dat de rechtbank zich had kunnen onthouden van een oordeel over het internationaal gewoonterecht inzake functionele immuniteit in strafrechtelijke zaken, nu het gaat om een civiele zaak en het EHRM in Jones e.a./Verenigd Koninkrijk heeft beslist dat art. 6 EVRM niet is geschonden indien een nationale rechtbank in een civiele procedure over foltering, functionele immuniteit toekent aan een vreemde gezagsdrager. Ryngaert stelt dat het onvermijdelijk is dat enige fragmentatie blijft bestaan tussen verschillende vormen van immuniteit, zoals immuniteit in civiele versus strafrechtelijke zaken.47.
3.65
Het hof heeft, mijns inziens met juistheid, geconcludeerd dat het internationaal gewoonterecht inhoudt dat in civiele procedures geen uitzondering geldt op de functionele immuniteit van jurisdictie in het geval van oorlogsmisdrijven. Anders dan het onderdeel betoogt, was het hof niet verplicht om aansluiting te zoeken bij eventuele ontwikkelingen in het strafrecht. Dat het onderscheid tussen civiele en strafrechtelijke procedures enigszins artificieel kan zijn, met name wanneer het slachtoffer in een strafrechtelijke procedure een civiele vordering kan indienen, doet hieraan niet af. Zulke rechtssystematische overwegingen zijn bij de vaststelling van het internationaal gewoonterecht van ondergeschikt belang. De klacht stuit hierop af.
3.66
De in het onderdeel genoemde stelling (ii) en de argumenten die daarbij worden gegeven, bouwen voort op onderdeel 2.1 en 3.2. De klacht deelt het lot van die onderdelen. Voor zover het onderdeel nog klaagt dat het oordeel van het hof in het licht van de stellingen die betrekking hebben op de uitleg van het internationaal gewoonterecht, onbegrijpelijk is, gaat het eraan voorbij dat een rechtsoordeel niet met een motiveringsklacht kan worden bestreden en faalt het eveneens.
3.67
Onderdeel 3.5 klaagt dat het hof ten onrechte geen betekenis heeft toegekend aan het feit dat individuele aansprakelijkheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter, ook in civiele procedures kan worden aangenomen, omdat het EHRM onder art. 6 EVRM een beoordelingsmarge aan staten laat om een eigen beleid op dit terrein te implementeren.
3.68
Ook deze klacht bouwt voort op onderdeel 2.1 en faalt in het voetspoor daarvan. Bovendien gaat de klacht eraan voorbij dat het hof heeft geoordeeld dat het internationaal gewoonterecht géén uitzondering toestaat op de functionele immuniteit van [verweerders] De ‘margin of appreciation’ in het kader van art. 6 EVRM is voor het hof daarmee niet relevant (zie ook rov. 3.22).
3.69
Het onderdeel klaagt verder dat het hof ten onrechte niet, althans onvoldoende heeft meegewogen dat [eiser] heeft gesteld dat er geen alternatief forum beschikbaar is, waaraan hij zijn vordering kan voorleggen. Het hof heeft ten onrechte geen proportionaliteitstoets uitgevoerd of in dit geval de beperking van toegang tot de rechter door het aannemen van immuniteit, is gerechtvaardigd. Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt, zo stelt het onderdeel, dat sprake moet zijn van ‘limits to immunity’, omdat ‘it would not be consistent with the rule of law in a democratic society with the basic principle underlying Article 6 par. 1 – namely that civil claims must be capable of being submitted to a judge for adjudication – if a State could, without restraint or control by the Convention enforcement bodies, remove from the jurisdiction of the courts a whole range of civil claims or confer immunities from civil liability on large groups or categories of persons’.
3.70
Ik merk over deze klacht het volgende op. Het hof heeft in rov. 3.22 het volgende overwogen:
‘(…). Uit het oordeel van het IGH in de Jurisdictional Immunities-zaak (…) volgt dat de vraag of de eiser een alternatief rechtsmiddel ter beschikking staat geen rol speelt bij de vraag of een Staat immuniteit van jurisdictie geniet. Niet valt in te zien waarom dat voor de, van de immuniteit van de Staat afgeleide, functionele immuniteit van jurisdictie van zijn functionarissen anders zou zijn. Het EHRM heeft evenmin belang toegekend aan de vraag of een alternatieve rechtsgang openstond, hoewel op het ontbreken daarvan wel een beroep was gedaan. Daarbij komt dat de stelling van [eiser] dat een alternatieve rechtsgang ontbreekt omdat hem, kort gezegd, in Israël geen eerlijk proces wacht, noodzakelijkerwijs een beoordeling zou vergen van het rechtssysteem van de Staat Israël. De strekking van de immuniteit van een vreemde Staat is echter dat het niet aan de rechter van het forum is daarover een oordeel te geven.’ [voetnoot weggelaten, A-G]
3.71
Het hof heeft in rov. 3.22 verwezen naar de arresten van het EHRM in de zaken Jones e.a./Verenigd Koninkrijk en J.C. e.a./België. In eerstgenoemde zaak hadden de verzoekers betoogd dat het EHRM moest afwijken van zijn benadering uit Al-Adsani/Verenigd Koninkrijk door in het kader van de proportionaliteitstoets (onder meer) mee te wegen of er alternatieve middelen bestaan. Het EHRM heeft niet specifiek op dit punt gereageerd, maar heeft wel overwogen dat de benadering uit Al-Adsani moest worden gevolgd.48.De zaak J.C. e.a./België had betrekking op seksueel misbruik binnen de Katholieke Kerk in België en op de vraag of het toekennen van staatsimmuniteit aan de Heilige Stoel in strijd met art. 6 EVRM was. Het EHRM overwoog ten overvloede dat de slachtoffers wel beschikten over alternatieve middelen, omdat zij de kerkelijke functionarissen in België konden aanspreken in een civiele procedure, die zich dan uiteraard niet op functionele immuniteit kunnen beroepen.49.
3.72
In een recent arrest van 5 februari 2019 heeft het EHRM, onder verwijzing naar het arrest van het IGH inzake Jurisdictional Immunities, in het kader van staatsimmuniteit uitdrukkelijk overwogen dat de vraag of verlening van immuniteit van jurisdictie aan een staat verenigbaar is met art. 6 lid 1 EVRM niet afhangt van het bestaan van redelijke alternatieven voor de oplossing van het geschil.50.
3.73
Met het hof ben ik het eens dat er geen reden is om aan te nemen dat de verlening van functionele immuniteit van jurisdictie bij gebrek aan redelijke alternatieve middelen voor de rechtzoekende wél een schending van art. 6 lid 1 EVRM zou betekenen. Dat Nederland door in de gegeven omstandigheden immuniteit te aanvaarden een hele reeks civiele vorderingen aan de bevoegdheid van de rechter zou onttrekken of grote groepen of categorieën personen zou vrijwaren van civiele aansprakelijkheid, is onvoldoende gesteld. Uit het voorgaande volgt dat het hof, anders dan het onderdeel stelt, niet verplicht was om de beschikbaarheid van een alternatief forum in zijn oordeel mee te wegen, zodat het onderdeel faalt.
3.74
Onderdeel 3.6 is gericht tegen rov. 3.19 van het bestreden arrest. Daarin heeft het hof overwogen dat in deze zaak voldoende51.reden is om de immuniteit van de Staat Israël door te trekken naar [verweerders] , nu (i) het gaat om een militaire operatie die berustte op officieel beleid van de Staat Israël en niet op, bijvoorbeeld, een individuele actie van een enkele overheidsfunctionaris, en (ii) tussen het strafrecht en civiele recht verschillen bestaan, zoals dat in het strafrecht de staat de aanklager is en in het civiele recht niet en dat de mogelijkheid bestaat van vexatious charges die in het strafrecht kunnen worden uitgefilterd. Het onderdeel betoogt dat deze overweging getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, nu het feit dat handelingen voortvloeien uit een militaire operatie, niet betekent dat niet ook sprake kan zijn van handelingen die strafrechtelijk laakbaar zijn. Het onderdeel verwijst naar de klachten van de onderdelen 2.1-2.3. Volgens het onderdeel heeft het hof het toetsingskader miskend dat geldt bij de beantwoording van de vraag of er in het geval van internationale misdrijven sprake is van functionele immuniteit en ook dat er geen kunstmatig onderscheid tussen het strafrecht en het civiele recht moet worden gemaakt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van (functionele) immuniteit. In ieder geval had het hof zijn beslissing nader dienen te motiveren, aldus het onderdeel.
3.75
Het onderdeel bouwt deels voort op eerdere onderdelen en deelt in zoverre het lot daarvan. Voor zover het onderdeel betoogt dat het hof in rov. 3.20 heeft overwogen dat handelingen die voortvloeien uit een militaire operatie niet strafrechtelijk laakbaar kunnen zijn, gaat het uit van een verkeerde lezing van het arrest en faalt het om die reden. Dat handelingen worden verricht in het kader van een militaire operatie die berust op officieel beleid van de staat, is relevant om na te gaan of sprake is van handelingen die zijn verricht in het kader van de officiële functieuitoefening, waartoe functionele immuniteit zich beperkt. Daarmee is niet gezegd dat deze handelingen niet strafrechtelijk laakbaar kunnen zijn.
3.76
Onderdeel 3.7 is gericht tegen rov. 3.20, waarin het hof heeft overwogen dat de stelling van [eiser] dat het vervolgen van oorlogsmisdrijven verplicht is, eraan voorbijziet dat de beoordeling of iets een oorlogsmisdrijf is en of de verdenking sterk genoeg is om de zaak voor de rechter te brengen, in handen ligt van het Openbaar Ministerie. Volgens het onderdeel heeft het hof de strekking van de stelling van [eiser] miskend en aldus ervan blijk gegeven de parallellen tussen het civiele recht en het strafrecht waar het gaat om de immuniteitsvraag, niet te onderkennen althans niet op de juiste waarde te schatten, althans de stellingen van [eiser] op onbegrijpelijke wijze te interpreteren. Volgens het onderdeel heeft [eiser] erop gewezen dat het ook in het strafrecht aan de rechter is om de vraag te beantwoorden of sprake is van immuniteit en dat het OM altijd moet vervolgen in het geval van oorlogsmisdrijven. Het onderdeel klaagt dat het hof het accent ten onrechte heeft verlegd naar de vervolgingsbeslissing van het OM en niet afdoende heeft meegewogen dat art. 146 van de Geneefse Conventie bepaalt dat er vervolgd moet worden bij oorlogsmisdrijven (en dat bovendien art. 12 van het Wetboek van Strafvordering erin voorziet dat als het OM een daad niet als oorlogsmisdrijf beschouwt, de beslissing om niet te vervolgen aan de rechter kan worden voorgelegd).
3.77
Het hof heeft in rov. 3.20 overwogen dat de stelling van [eiser] dat het vervolgen van oorlogsmisdrijven verplicht is, eraan voorbij ziet dat de beoordeling of iets een (voor de strafrechter bewijsbaar) oorlogsmisdrijf is, en of de verdenking sterk genoeg is om de zaak voor de rechter te brengen, in het strafrecht in handen ligt van het Openbaar Ministerie en dat dit in een civiel geding onmiskenbaar anders ligt. Deze overweging moet worden bezien in het licht van het slot van rov. 3.19, waarin het hof verwijst naar de opmerking van Justice LeBel van de Canadian Supreme Court dat een relevant verschil tussen strafrechtelijke en civiele procedures is dat bij een strafrechtelijke vervolging ‘vexatious charges’ kunnen worden uitgefilterd. Anders dan bij een strafrechtelijke procedure, vindt in een civiele procedure geen selectie aan de poort plaats door een van partijen onafhankelijke instantie.52.Indien een uitzondering op de immuniteit zou gelden voor gestelde schendingen van jus cogens, zou de civiele rechter zich moeten buigen over het handelen van (de functionarissen namens) een andere staat, ook indien uit de feiten of omstandigheden geen redelijk vermoeden van schuld aan een schending van jus cogens zou voortvloeien. Het belang van ongestoorde bilaterale betrekkingen zou daarmee ernstig onder druk kunnen komen te staan. Tegen deze achtergrond faalt het onderdeel.
3.78
Onderdeel 3.8 betoogt dat het hof onder andere in rov. 3.23 heeft miskend dat indien geen duidelijk uitgekristalliseerde regel bestaat die immuniteit van jurisdictie voor ambtsdragers bepleit, het die ruimte kan en moet gebruiken om de nationale bevoegdheidsregels toe te passen, zowel in strafrechtelijke als civielrechtelijke procedures. Het hof had het grijze gebied over de inhoud van het internationaal gewoonterecht – mede gelet op eerder geuite opvattingen van de Nederlandse regering – zelf kunnen en moeten invullen. Het hof had mede acht moeten slaan op het feit dat de door [eiser] aangehaalde en door het hof (in rov. 3.12, 3.14 en 3.15) besproken uitspraken van de Seoul District Court en het Italiaanse Constitutionele Hof erop duiden dat het grijze gebied in andere landen meer dan voorheen leidt tot het niet aannemen van (functionele) immuniteit, zeker bij oorlogsmisdrijven c.q. misdrijven tegen de misdaden tegen de menselijkheid, aldus het onderdeel.
3.79
Het hof heeft in rov. 3.23 op basis van zijn analyse van de statenpraktijk en de opinio juris geconcludeerd dat het internationaal gewoonterecht inhoudt dat in civiele procedures géén uitzondering dient te worden gemaakt op de functionele immuniteit van jurisdictie vanwege de ernst van de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten. Zoals ik hierboven reeds heb opgemerkt, is deze conclusie van het hof naar mijn mening juist. Ten aanzien van het beroep dat [eiser] heeft gedaan op de uitspraak van de Seoul District Court van 8 januari 2021 en de uitspraak van het Italiaanse Constitutionele Hof van 22 oktober 2014 ter ondersteuning van diens betoog dat sprake is van ten minste een grijs gebied, merk ik het volgende op. In de literatuur is naar aanleiding van deze uitspraken betoogd dat, voor zover hieruit al (de ontwikkeling van) een uitzondering op immuniteit van jurisdictie in civiele procedures kan worden afgeleid, sprake is van een nauwgedefinieerde exceptie, die alleen betrekking heeft op schendingen van jus cogens die hebben plaatsgevonden op het grondgebied van de forumstaat.53.De zaak die in cassatie aan de orde is, gaat over (gestelde) oorlogsmisdrijven die buiten Nederland zijn begaan en zou daarom buiten de exceptie vallen. Het onderdeel gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting en faalt dus.
3.80
Onderdeel 3.9 klaagt dat het hof ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de afwezigheid van een alternatief forum. Het onderdeel betoogt dat de afwezigheid van een alternatief forum alleen in het geval van staatsimmuniteit en van de immuniteit van de VN geen rol kan spelen. In dit geval moet dus wel rekening worden gehouden met de afwezigheid van een alternatief forum. De uitspraak van het Italiaanse Constitutionele Hof bevestigt dat, nu het oordeelde dat de regel van immuniteit in strijd was met het in de Italiaanse Grondwet vastgelegde recht op toegang tot de rechter, aldus het onderdeel.
3.81
Het onderdeel bouwt voort op onderdeel 3.5 en deelt het lot daarvan. Overigens zie ik niet in dat uit de uitspraak van het Italiaanse Constitutionele Hof zou volgen dat bij functionele immuniteit rekening moet worden gehouden met de afwezigheid van een alternatief forum, zoals het onderdeel suggereert. Deze uitspraak heeft immers betrekking op staatsimmuniteit.
3.82
Onderdeel 3.10 is gericht tegen rov. 3.24. Het onderdeel stelt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door een te beperkte ontwikkeling in het strafrecht te ontwaren en te oordelen dat (kennelijk) slechts in het geval van handelen door een laaggeplaatste militair sprake kan zijn van doorbreking van immuniteit.
3.83
Overweging 3.24, die direct volgt op de conclusie van het hof dat de immuniteit van [verweerders] in het onderhavige geding voldoende vaststaat, is een overweging ten overvloede die de beslissing niet draagt. Het onderdeel faalt derhalve bij gebrek aan belang.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑03‑2023
Zie rov. 2.1-2.6 van het bestreden arrest van het hof Den Haag van 7 december 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2374.
Jurisdictional Immunities of the State (Germany v. Italy; Greece intervening), I.C.J. Reports 2012, p. 99.
Advies Nr. 20 van de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken over de immuniteit van buitenlandse ambtsdragers 2011, te raadplegen op https://www.adviescommissievolkenrecht.nl/publicaties/adviezen/2011/05/02/de-immuniteit-van-buitenlandse-ambtsdragers, p. 11. Zie in dezelfde zin P.D. Mora, ‘The immunities of state officials in civil proceedings involving allegations of torture’, Australian International Law Journal 2017, p. 27-28.
Jurisdictional immunities, reeds aangehaald, punt 96.
EHRM 21 november 2001, nr. 35763/97, ECLI:CE:ECHR:2001:1121JUD003576397.
Jurisdictional immunities, reeds aangehaald, punten 90 en 96.
Al-Adsani/Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, punt 56.
EHRM 11 juni 2013, nr. 65542/12, NJ 2014/263, m.nt. N.J. Schrijver.
HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1999, NJ 2014/262, m.nt. N.J. Schrijver onder NJ 2014/263.
Stichting Mothers of Srebrenica e.a./Nederland, reeds aangehaald.
EHRM 14 januari 2014, nrs. 34356/06 en 40528/06, ECLI:CE:ECHR:2014:0114JUD003435606, NJ 2015/364 m.nt. E.A. Alkema, EHRC 2015/246 m.nt. P.B.C.D.F. van Sasse van Ysselt, AA 2014/299, m.nt. L.J. van den Herik.
Jones e.a./Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, punt 198.
Jones e.a./Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, punt 200.
Zie Trb. 2010, 272 (Engelse en Franse authentieke teksten; Nederlandse vertaling).
Zie HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:45, NJ 2014/453, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.6.2. Zie ook Kamerstukken II 2021-2022, 36027 (R2160), nr. 3 (MvT), p. 2-3: ‘Ook in de Nederlandse rechtspraktijk blijkt een groot deel van de verdragsrechtelijke regels inzake staatsimmuniteit al te worden toegepast vanwege het bestaan van gewoonterecht op dit terrein. (…). Nu gebleken is dat ook de Nederlandse rechters de bepalingen van het Verdrag grotendeels zien als een weergave van het gewoonterecht, is de ratificatie van het Verdrag dat deze regels vastlegt een voor de hand liggende stap’.
Kamerstukken II 2021-2022, 36027 (R2160), nr. 2. Behandeling van het wetsvoorstel is voorzien eind maart 2023, zie p. 9 van de volgende digitale vindplaats: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/behandelddossier/ag-tk-2023-02-10.pdf
Kamerstukken II 2021-2022, 36027 (R2160), nr. 3 (MvT), p. 5.
Jones e.a./Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, punt 203-204.
Jones e.a./Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, punt 205.
Jones e.a./Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, punt 213.
Jones e.a./Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, punt 215.
Noot bij Jones e.a./Verenigd Koninkrijk, NJ 2015/364.
Zie ook Cecily Rose e.a., An Introduction to Public International Law, Cambridge University Press, 2022, p. 134, waar in verband met de vraag of voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid een uitzondering moet worden gemaakt op functionele immuniteit wordt opgemerkt: ‘It remains to be seen how state practice will evolve on this issue, and whether sufficient body of domestic court decisions and domestic legislation will develop to provide robust support for the existence of an exception with respect to international crimes’.
EHRM 12 oktober 2021, nr. 11625/17, ECLI:CE:ECHR:2021:1012JUD001162517, EHRC 2021-0262, m.nt. C. Ryngaert.
J.C. e.a./België, reeds aangehaald, punt 64.
Statuut van het Internationaal Gerechtshof, San Francisco, 26 juni 1945, Trb. 1951, 90.
Zie ook conclusie 3 van Draft conclusions on identification of customary international law, zoals bij de tweede lezing in 2018 aangenomen door de International Law Commission van de Verenigde Naties (A/73/10, para. 65) (hierna: ILC Draft conclusions), te raadplegen op https://legal.un.org/ilc/texts/instruments/english/draft_articles/1_13_2018.pdf.
Conclusie 5 van de ILC Draft Conclusions, reeds aangehaald; A. Nollkaemper, Kern van het internationaal publiekrecht 2022/150.
IGH, North Sea Continental Shelf (Germany v. Denmark; Germany v. The Netherlands), I.C.J. Reports 1969, par. 42.
IGH, Military and Paramilitary Activities in and against Nicaragua (Nicaragua v. United States of America), I.C.J. Reports 1986.
Vgl. Alkema in zijn noot bij Jones e.a./Verenigd Koninkrijk, NJ 2015/364.
Kamerstukken II 2022-2023, 36027 (R2160), nr. 6 (nota naar aanleiding van het verslag), p. 8.
CAVV-advies 2011, reeds aangehaald, p. 18-21.
CAVV-advies 2011, reeds aangehaald, p. 20.
CAVV-advies 2011, reeds aangehaald, p. 20.
Verdrag tegen de foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, New York, 10 december 1984, Trb. 1985, 69.
Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijningen, New York, 20 december 2006, Trb. 2008, 173.
CAVV-advies 2011, reeds aangehaald, p. 25-26.
Zie rov. 4.20 van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 29 januari 2020.
Jones e.a./Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, punt 213.
J.C./België, reeds aangehaald, punt 64.
Dit betoog is te vinden in nr. 24-39 van productie 15 zijdens [eiser] (pleitnota hoger beroep).
Nollkaemper, a.w., 2022/153.
Third report on peremptory norms of general international law (jus cogens), 70th session of the ILC (2018), UN/GA, A/CN.4/714, par. 130, te raadplegen op: https://legal.un.org/ilc/guide/1_14.shtml.
C. Ryngaert, ‘Functionele immuniteit van vreemde gezagsdragers in de context van internationale misdrijven. Een uitdaging voor Nederlandse rechtbanken’, NJB 2020-23, p. 1658, onder verwijzing naar P. Webb, ‘How far does the systematic approach to immunities take us?’, AJIL Unbound 2018, p. 21.
Jones e.a. t. Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, punt 195.
J.C./België, reeds aangehaald, punt 71.
EHRM 5 februari 2019, Ndayegamiye-Mporamazina/Zwitserland, nr. 16874/12, punt 64: ‘Quant à l’argument de la requérante selon lequel, en raison de l’octroi de l’immunité de juridiction à la République du Burundi, le Tribunal fédéral l’a privée de la possibilité de faire valoir des prétentions devant un tribunal digne de ce nom, la Cour rappelle que la compatibilité de l’octroi de l’immunité de juridiction à un État avec l’article 6 § 1 de la Convention ne dépend pas de l’existence d’alternatives raisonnables pour la résolution du litige (Stichting Mothers of Srebrenica et autres c. Pays-Bas (déc.), no 65542/12, § 164, CEDH 2013 (extraits), avec référence à la jurisprudence de la Cour internationale de justice, qui avait explicitement réfuté l’existence d’une règle selon laquelle, en l’absence d’autre recours, la reconnaissance de l’immunité entraînerait ipso facto une violation du droit d’accès à un tribunal ; voir l’arrêt Immunités juridictionnelles de l’État (Allemagne c. Italie ; Grèce (intervenant)) du 3 février 2012, CIJ, Recueil 2012, § 101).’ Zie ook Guide on Article 6 of the European Convention on Human Rights – Right to a fair trial (civil limb) van 31 augustus 2022, te raadplegen op https://www.echr.coe.int/documents/guide_art_6_eng.pdf, p. 40, waar in het kader van staatsimmuniteit wordt opgemerkt: ‘In the absence of an alternative remedy, there is not ipso facto a violation of the right of access to a court […].’
Abusievelijk spreekt het onderdeel van ‘onvoldoende’ reden.
Zie V. Terzieva, ‘State Immunity and Victims’ Rights to Access to Court, Reparation, and the Truth’, International Criminal Law Journal 2022, p. 787-788. In dit verband kan ook worden gewezen op art. 12 VN-Verdrag, dat in de Nederlandse vertaling als volgt luidt: ‘Tenzij anders overeengekomen tussen de betrokken staten, kan een staat geen beroep doen op immuniteit van rechtsmacht ten overstaan van de rechter van een andere staat die voor het overige bevoegd is ter zake van een geding dat betrekking heeft op financiële schadevergoeding wegens overlijden of persoonlijk letsel, of schade aan of verlies van materiële eigendommen, veroorzaakt door handelen of nalaten waarvan gesteld wordt dat dat toe te schrijven is aan de staat, indien het handelen of nalaten geheel of gedeeltelijk plaatsvond op het grondgebied van die andere staat en degene die heeft gehandeld of heeft nagelaten te handelen zich op dat grondgebied bevond op het tijdstip van dat handelen of nalaten.’ Het IGH heeft overwogen dat deze bepaling niet het internationaal gewoonterecht weergeeft voor zover sprake is onrechtmatige daden die op het grondgebied van de forumstaat zijn gepleegd door strijdkrachten van een andere staat in het kader van een gewapend conflict, zie Jurisdictional Immunities, reeds aangehaald, punt 69.
Beroepschrift 03‑03‑2022
PROCESINLEIDING VORDERINGSPROCEDURE HOGE RAAD
Algemeen
Gerecht: | Hoge Raad der Nederlanden |
Adres: | Korte Voorhout 8 |
2511 EK DEN HAAG | |
Datum indiening: | 3 maart 2022 |
Uiterste verschijningsdatum verweerders: | 8 april 2022 |
De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in art. 15 Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10:00 uur.
Partijen en advocaten
Eiser tot cassatie
Naam: | [eiser] |
Woonplaats: | [woonplaats] |
Advocaten bij de Hoge Raad: | mrs. R.T. Wiegerink en N. van Triet, die door eiser als zodanig worden aangewezen om hem in het geding in cassatie te vertegenwoordigen |
Kantoor en kantooradres advocaat: | Van der Feltz advocaten N.V. |
Javastraat 22 | |
2585 AN DEN HAAG |
Verweerders in cassatie
Naam: | [verweerder 1] en [verweerder 2] |
Wonende: | beiden te Israël |
Advocaat laatste feitelijke instantie: | mr. C.G. van der Plas |
Kantoor en kantooradres advocaat: | Jahae Raymakers |
Mondriaantoren 19e verdieping | |
Amstelplein 40 | |
1096 BC Amsterdam |
Bestreden uitspraak
Eiser stelt beroep in cassatie in tegen de volgende uitspraak:
Instantie: | Gerechtshof Den Haag |
Datum: | 7 december 2021 |
Zaaknummer: | 200.278.760/01 |
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van het vormvereiste van een toereikende motivering doordat het hof heeft geoordeeld als hierna vermeld, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen:
Inleiding1.
In juli en augustus 2014 heeft het Israëlische leger in de Gazastrook een militaire operatie uitgevoerd. In het kader van die militaire operatie heeft de Israëlische luchtmacht op 20 juli 2014 een bombardement uitgevoerd. Bij dat bombardement zijn zes familieleden van [eiser] (‘[eiser]’) om het leven gekomen en is het huis van de familie van [eiser] verwoest.
Ten tijde van het bombardement was [verweerder 1] (‘[verweerder 1]’) bevelhebber over het Israëlische leger en [verweerder 2] (‘[verweerder 2]’, gezamenlijk hierna ook wel aangeduid als ‘[verweerders] c.s.’2.) bevelhebber van de Israëlische luchtmacht.
[eiser] heeft [verweerder 1] en [verweerder 2] in deze procedure persoonlijk aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade als gevolg van de door [verweerder 1] en [verweerder 2] gepleegde misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden. Hij vordert een verklaring voor recht dat [verweerders] c.s. jegens hem onrechtmatig hebben gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die hij heeft geleden en zal lijden door die onrechtmatige daad.
[verweerder 1] en [verweerder 2] hebben zich in een door hen opgeworpen incident met verwijzing naar art. 13a Wet algemene bepalingen beroepen op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter wegens immuniteit van jurisdictie.
Zowel de rechtbank als het hof hebben zichzelf onbevoegd verklaard van de vordering kennis te nemen wegens immuniteit van jurisdictie, omdat het bombardement is uitgevoerd in de uitoefening van de publieke taak van de Staat Israël. [verweerders] c.s. hebben volgens het hof uitsluitend gehandeld in hun officiële hoedanigheid als overheidsfunctionarissen van de Staat Israël. Volgens het hof geldt op grond van internationaal gewoonterecht dat [verweerders] c.s. als buitenlandse ambtsdragers (functionele) immuniteit van jurisdictie voor de Nederlandse rechter genieten.
[eiser] voert klachten aan tegen de oordeelsvorming van het hof omtrent de uitleg van internationaal recht en zijn conclusie dat [verweerders] c.s. zich in onderhavig geval op functionele immuniteit kunnen beroepen.
De klachten dienen zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang te worden beschouwd.
Klachten
In rov. 3.2–3.24 behandelt het hof de vraag of [verweerders] c.s. zich op functionele immuniteit kunnen beroepen, en de Nederlandse rechter daarom onbevoegd is over de zaak te oordelen. Het hof komt op basis van een uitleg van het internationaal gewoonterecht tot het oordeel dat in onderhavig geval een beroep kan worden gedaan op functionele immuniteit. Tegen deze oordeelsvorming van het hof richt [eiser] meerdere klachten.
Onderhavig geschil ziet volledig op toepassing van het (internationaal) recht. De klachten van [eiser] bestrijden weliswaar specifieke onderdelen van de oordeelsvorming van het hof, maar in wezen worden alle aan het oordeel van het hof ondersteunende overwegingen bestreden. [eiser] herhaalt niet al zijn in feitelijke aanleg ingenomen stellingen en verwijzingen naar rechtspraak en literatuur, maar meent dat daarmee wel rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van zijn cassatieberoep. Met dit cassatiemiddel wil [eiser] de uitleg van het recht in volle breedte aan uw Raad voorleggen.
I. Miskenning van de vorming van gewoonterecht
Oordelen hof
In rov. 3.2 overweegt het hof ten aanzien van het beroep op functionele immuniteit dat het zal ‘nagaan wat het internationale recht ten aanzien van dit onderwerp [functionele immuniteit, advocaten] inhoudt’. In rov. 3.8 overweegt het dat nationale en internationale rechtspraak niet de stelling ondersteunt dat in civiele zaken op de immuniteit van jurisdictie van (voormalige) overheidsfunctionarissen een uitzondering moet worden gemaakt voor oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid en in rov. 3.17 dat de rechtspraak in civielrechtelijke zaken in de overgrote meerderheid van de gevallen geen uitzondering op (functionele) immuniteit voor internationale misdrijven erkent.
Klachten
1.1
Het hof heeft met bovengenoemde oordeelsvorming miskend hoe gewoonterecht wordt gevormd.3. Internationaal recht is niet statisch. Een wijziging van internationaal gewoonterecht begint bij de nationale rechtbanken. Eén begint, en andere rechtbanken zullen (uiteindelijk tot in hoogste instantie) volgen.4. Uit de oordeelsvorming van het hof volgt een miskenning van de vorming van (nieuw) recht en de eigen rechtsvormende taak van het hof. Het hof gaat er ten onrechte van uit dat slechts in geval van een praktijk waarin vrijwel alle rechtspraak dezelfde kant op wijst, sprake kan zijn van ontwikkeling. Voor het vaststellen van internationaal recht moet belang worden toegekend aan internationale commissies (zoals de Internationaal Law Commission) en opvattingen van nationale regeringen. Het hof miskent bovendien in dat verband dat het zelf ook deel uitmaakt van de rechtsontwikkeling c.q. daaraan kan bijdragen en het hof blijft in dat verband teveel ‘aan de zijlijn’ staan, zonder in te gaan op de daadwerkelijke merites van de zaak. Op grond van de door het hof gehanteerde rechtsopvatting kan nooit nieuw gewoonterecht ontstaan.5. Het hof heeft in dat verband in het bijzonder miskend dat het slechts kijken naar het verleden geen recht doet aan de vorming van gewoonterecht en ook dat rechtsmacht de hoofdregel is en immuniteit de uitzondering daarop vormt.
1.2
Een dergelijke rechtsopvatting miskent eveneens een holistische benadering voor de vinding en vorming van het recht en de vraag die werkelijk aan de rechter voorligt. In dit geval gaat het om oorlogsmisdrijven waarvoor [eiser] bij geen enkele instantie genoegdoening kan krijgen.6.
II. Onjuiste uitleg van het recht door aansluiting te zoeken bij regels inzake staatsimmuniteit
Oordelen hof
In rov. 3.2–3.4 (en in alle daaropvolgende overwegingen) zoekt het hof voor de beantwoording van de in dit geschil voorliggende vraag over de aanwezigheid van functionele immuniteit, aansluiting bij de rechtspraak over staatsimmuniteit.
In rov. 3.3 zoekt het hof voor de beantwoording van de vraag of [verweerders] c.s. zich kunnen beroepen op functionele immuniteit, aansluiting bij het arrest van het Internationale Gerechtshof (IGH) van 3 februari 2012 inzake Jurisdictional Immunities of State (‘het arrest van het IGH’). Die zaak behelst een geschil tussen Duitsland en Italië. Italiaanse slachtoffers van door Duitse functionarissen in de Tweede Wereldoorlog gepleegde oorlogsmisdrijven eisten schadevergoeding van de Bondsrepubliek Duitsland.
In rov. 3.4 overweegt het hof dat de in dat arrest gegeven regels ook van toepassing zijn op een civiele vordering tegen functionarissen van de vreemde Staat, zoals [verweerder 1] en [verweerder 2].
Vanaf rov. 3.5 beoordeelt het hof het verweer van [verweerders] c.s. slechts in het licht van functionele immuniteit als een afgeleide van staatsimmuniteit, om in rov. 3.23 tot het eindoordeel te komen dat het internationale gewoonterecht naar de huidige stand van zaken inhoudt dat geen uitzondering op de functionele immuniteit dient te worden gemaakt vanwege de ernst van de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten.
Klachten
2.1
Voor de beantwoording van de vraag of [verweerders] c.s. zich kunnen beroepen op functionele immuniteit, heeft het hof ten onrechte louter de regels inzake staatsimmuniteit toegepast.7. Op grond van (de ontwikkeling van) het internationale gewoonterecht kunnen personen op grond van hun individuele aansprakelijkheid worden aangesproken voor internationale misdrijven, ongeacht of zij een Staat vertegenwoordigen. De schending door die persoon van internationale normen staat los van eventuele parallelle aansprakelijkheid van de Staat voor die schending.8. Op basis van individuele aansprakelijkheid hebben personen die normaliter functionele immuniteit genieten, die immuniteit dus niet voor internationale misdrijven.9. [eiser] heeft in dit civielrechtelijke geding nadrukkelijk niet de Staat Israël aangesproken, maar [verweerder 1] en [verweerder 2] aansprakelijk gesteld voor hun persoonlijke en individuele handelen en [eiser] heeft daarbij aangegeven dat een toewijzende uitspraak alleen tegen [verweerders] c.s. ten uitvoer zal worden gebracht.10. Het hof heeft weliswaar in rov. 3.1 veronderstellenderwijs tot uitgangspunt genomen dat sprake is van internationale misdrijven van [verweerders] c.s. — hetgeen ook in cassatie als vaststaand heeft te gelden —, maar mede in het licht van dat uitgangspunt heeft het ten onrechte zijn oordeel niet gebaseerd op het vertrekpunt van de ontwikkeling van individuele aansprakelijkheid en de door [eiser] ingestelde vordering tegen [verweerders] c.s. (en niet: tegen de Staat Israël), zodat zijn oordeelsvorming omtrent een uitzondering op de functionele immuniteit in geval van oorlogsmisdrijven niet in stand kan blijven. Het hof heeft immers ten onrechte in rov. 3.3 e.v. het arrest van het IGH tot uitgangspunt genomen bij diens beoordeling, nu het in die zaak — zoals het hof op zichzelf wel heeft onderkend in rov. 3.4 — ging om civiele vorderingen tegen een Staat. In die zaak stond derhalve niet de vraag centraal of in geval van internationale misdrijven functionele immuniteit aan de orde is of kan zijn, maar of een Staat een beroep kan doen op immuniteit indien hij wordt beschuldigd van oorlogsmisdrijven. Door de beoordeling in onderhavig geschil desalniettemin op dat arrest te baseren, althans dat arrest daarbij tot uitgangspunt te nemen, heeft het hof een te beperkt toetsingskader gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of sprake is van functionele immuniteit (dat geldt voor individuen) en daardoor zijn ook diens (andere) overwegingen over de uitleg van internationaal gewoonterecht onjuist.
2.2
Vanuit de bestaande internationale consensus over doorbreking van immuniteit in individuele gevallen in geval van internationale misdrijven,11. althans de ontwikkeling daarvan, had het hof een inhoudelijk — en niet alleen een ‘veronderstellenderwijs’ oordeel zoals het heeft gedaan in rov. 3.1 — oordeel moeten geven over de rechtmatigheid van de door [verweerder 1] en [verweerder 2] gepleegde handelingen en niet in rov. 3.3–3.24 tot immuniteit van [verweerder 1] en [verweerder 2] kunnen concluderen. Voor de beantwoording van de immuniteitsvraag in een zaak als de onderhavige, is de beantwoording van de vraag of sprake is van oorlogsmisdrijven immers de kernvraag in het kader van het beroep op immuniteit. De misvatting die niet alleen bij het hof, maar ook bij [verweerders] c.s. heerst12., is (kennelijk) dat er al sprake zou zijn van een inhoudelijke beoordeling (‘trial’) als ook de betreffende handeling wordt betrokken bij de beantwoording van de vraag of sprake is van immuniteit. Terwijl het daarbij, zoals [eiser] ook heeft betoogd, (slechts) gaat om een voorlopig inhoudelijk oordeel, dat slechts van belang is voor de beantwoording van de immuniteitsvraag (en dus de vaststelling van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter) zoals die in het onderhavige geval aan de orde is (en niet voor de inhoudelijke beoordeling).13.
2.3
Voor zover het hof met diens overweging in rov. 3.4, dat niet in geschil is dat het optreden van het Israëlische leger acta jure imperii zijn, heeft bedoeld dat niet in geschil is dat het optreden van [verweerders] c.s. vanuit het oogpunt van immuniteit louter moet worden beschouwd als handelen van de Staat Israël, is die overweging onjuist dan wel onbegrijpelijk, nu [eiser] heeft betoogd dat individueel militair optreden moet worden onderscheiden van immuniteit die hoort bij publiek staatsoptreden en dat het handelen van [verweerders] c.s. dus niet oplost in staatshandelen.14. Sterker: het is op het terrein van militaire operaties dat de noodzaak is vastgesteld om onrechtmatig van rechtmatig militair optreden te onderscheiden en aan onrechtmatig handelen van individuele militairen individuele aansprakelijkheid te koppelen.15. [eiser] doet in deze zaak nadrukkelijk geen beroep op de aansprakelijkheid van de Staat Israël, noch op afgeleide aansprakelijkheid daarvan, maar op de individuele aansprakelijkheid van de (voormalig) ambtsdragers voor ernstige schendingen van het oorlogsrecht.16. Beide generaals hebben hun handelen zich ook toegeëigend en publiekelijk gepresenteerd als eigen handelen.17. Voor zover het hof diens constatering dat het optreden van het Israëlische leger acta jure imperii zijn mede ten grondslag heeft gelegd aan het aannemen van functionele immuniteit, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in het licht van de hiervoor in subonderdeel 2.1 opgenomen klacht.
2.4
Het onjuiste vertrekpunt van de blik op de Staat Israël in plaats van de aangesproken individuen, maakt ook het oordeel van het hof in rov. 3.7 dat aan diens beslissing niet afdoet dat Israël mogelijk niet gehouden is [verweerders] c.s. schadeloos te stellen voor een toewijzende uitspraak en dat een uitspraak niet tegen Israël ten uitvoer wordt gelegd, onjuist dan wel onbegrijpelijk. Het hof licht niet toe waarom zijn beslissing er ‘niet aan afdoet’ door slechts te wijzen op de mogelijk negatieve consequenties voor Israël. Eventuele schadevergoeding zal immers worden verhaald op gedaagden zelf en er bestaat onder internationaal recht geen plicht voor Staten om schade te vergoeden waarvoor hun ambtenaren zijn veroordeeld.18. Zoals [eiser] heeft aangevoerd, worden bij veroordeling in deze zaak geen maatregelen tegen Israël genomen en wordt Israël op geen enkele manier in zijn handelen belemmerd.19. Ook in zoverre geeft 's hofs uitleg van het internationale gewoonterecht en in het bijzonder van de vraag wanneer sprake is van (een uitzondering op) functionele immuniteit, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
III. Onjuiste uitleg van het recht door te oordelen dat [verweerders] c.s. zich kunnen beroepen op immuniteit
Voor zover het hof terecht aansluiting heeft gezocht bij de rechtspraak en regels zoals ontwikkeld in het internationale gewoonterecht inzake staatsimmuniteit (en bij diens beoordeling het arrest van het IGH tot uitgangspunt mocht nemen), getuigt het oordeel van het hof in rov. 3.2–3.24 ook dan van een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof in zijn oordeelsvorming uit is gegaan van een onjuiste uitleg van het internationaal gewoonterecht door in het onderhavige geval immuniteit aan te nemen en in het bijzonder door in dit verband aan de volgende omstandigheden geen of te weinig belang te hechten bij de beantwoording van de vraag of [verweerder 1] en [verweerder 2] zich met vrucht op immuniteit van jurisdictie kunnen beroepen.
3.1
Ten onrechte heeft het hof in rov. 3.8 onder verwijzing naar (onder meer) het EHRM arrest Jones t. Verenigd Koninkrijk20. overwogen dat dit arrest niet de stelling ondersteunt dat in civiele zaken op de immuniteit van jurisdictie van (voormalige) overheidsfunctionarissen een uitzondering moet worden gemaakt voor oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid. Dit is onjuist, gelet op de datum van dat arrest en de datum van het in dat geval voorliggende geschil. Zoals [eiser] heeft aangevoerd, kan aan Jones geen doorslaggevende waarde worden gehecht voor de uitleg van het huidig recht, nu die zaak dateert uit 2014 en ging over de uitleg van het internationaal gewoonterecht in 2006 en sindsdien de nodige ontwikkelingen hebben plaatsgevonden.21. Bovendien moest het EHRM zich slechts buigen over de vraag of het toekennen van immuniteit in strijd was met art. 6 EVRM22. en kennen common law jurisdicties (zoals het Verenigd Koninkrijk) minder dan civil law jurisdictions (zoals Nederland) de action civile, zodat ook om die reden het aansluiten bij dat EHRM-arrest getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.23. Het vereenzelvigen van individuele ambtsdragers met de Staat bij de beantwoording van de immuniteitsvraag in geval van een internationaal misdrijf, is strijdig met kernbeginselen van internationaal recht betreffende de persoonlijke aansprakelijkheid van folteraars.24.
3.2
In rov. 3.7 concludeert het hof ten onrechte dat het feit dat het aannemen van civiele jurisdictie in onderhavige zaak, ook als [eiser] alleen [verweerders] c.s. aansprakelijk stelt, een inbreuk op de staatsimmuniteit vormt. Het oordeel van het hof impliceert dat geen enkel overheidsoptreden van een vreemde Staat ter discussie kan staan bij de Nederlandse rechter omdat in geval van een aansprakelijkstelling van individuele functionarissen immers altijd een link met de Staat namens wie de functionarissen optreden, kan worden gemaakt. Het aannemen van civiele jurisdictie vormt in onderhavig geval echter geen inbreuk op de staatsimmuniteit.25. Het hof heeft bij diens beoordeling ten onrechte geen, althans onvoldoende, (expliciete) aandacht besteed aan de volgende (essentiële) stellingen van [eiser]:
- •
Het toewijzen van een civiele vordering heeft de Nederlandse rechter ook eerder gedaan.26.
- •
Het relevante criterium voor de uitoefening van civiele jurisdictie is of daarmee de immuniteit van de Staat Israël daadwerkelijk wordt geraakt, maar dat is in onderhavig geschil — gelet op de vordering van [eiser] — niet het geval.27.
- •
Indien — zoals in onderhavig geval — geen sprake is van exclusieve aansprakelijkheid van de Staat, en een individu kan worden aangesproken op zijn persoonlijke, individuele aansprakelijkheid, komt de ratio van functionele immuniteit niet in het geding. In deze zaak, waar sprake is van parallelle aansprakelijkheid, maakt het geen verschil of de persoon bij bepaald handelen ook een Staat vertegenwoordigt of niet, het gaat louter om de inhoudelijke kwalificatie van dat handelen.28.
3.3
Het hof heeft zijn uitleg van het internationaal gewoonterecht in rov. 3.9 en 3.10 ten onrechte (mede) gebaseerd op de in die overwegingen vermelde uitspraken. Het gaat (in ieder geval deels) om oudere uitspraken, zodat die uitspraken in ieder geval niet van doorslaggevend belang kunnen zijn voor de huidige stand van het internationale gewoonterecht (zeker gezien de elkaar snel opvolgende ontwikkelingen in dat rechtsgebied). Het hof heeft in ieder geval niet afdoende duidelijk gemaakt wat precies het belang is van de uitspraken van het High Court of New Zealand, het Supreme Court of Canada, die worden belicht in rov. 3.9 en de jurisprudentie in de Verenigde Staten, zeker niet wanneer dat wordt afgezet tegen het betoog van [eiser] dat immuniteit niet in beton is gegoten en dat staatsimmuniteit is gerelativeerd in de afgelopen decennia.29.
3.4
Ten onrechte heeft het hof in rov. 3.16–3.21 geoordeeld dat de aard van de ter discussie staande handelingen de immuniteit niet kan doorbreken30. en de in het strafrecht ontwikkelde lijn van doorbreking van immuniteit in geval van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid niet doorgetrokken naar het civiele recht.31. Dit oordeel is onjuist dan wel onbegrijpelijk op grond van de volgende door [eiser] aangevoerde (essentiële) stellingen.
- •
Er is geen principieel onderscheid aan te brengen tussen straf- en civiele rechtsmacht en het daartussen gemaakte onderscheid is dus artificieel, zo blijkt uit diverse (door [eiser] naar voren gebrachte) gezaghebbende bronnen.32.
- ○
Het onderscheid tussen civiel en strafrecht wordt vervaagd door de mogelijkheid die vele rechtssystemen bieden aan slachtoffers om zich in het strafproces te voegen en een vordering tot schadevergoeding in te stellen.33. Wanneer de Nederlandse strafrechter rechtsmacht heeft, mag hij dus ook oordelen over een mogelijke civiele vordering tot schadevergoeding die voortvloeit uit het strafbare feit.34. In Nederland is schadevergoeding voor internationale misdrijven bovendien bij wet geregeld in art. 21a WIM jo. art. 51f WsSV, op grond waarvan het voor benadeelde partijen van internationale misdrijven mogelijk is om schadevergoeding te vorderen.35.
- ○
De reden voor het niet toekennen van immuniteit door de strafrechter is gelegen in de aard van de handelingen waarvan een verdenking bestaat, namelijk internationale misdrijven. Diezelfde handelingen liggen ten grondslag in een civiele procedure (en in het onderhavige geval geldt veronderstellenderwijs dat daarvan sprake is, zoals blijkt uit rov. 3.1 van het arrest van het hof), zodat geen goede reden bestaat om in die civiele procedure wel immuniteit aan te nemen.36. Dat in het strafrecht het OM beslist of tot vervolging wordt overgegaan, kan in dat geval geen relevant verschil maken, zodat het oordeel van het hof in rov. 3.20 onjuist dan wel onbegrijpelijk is. [eiser] heeft de plicht tot vervolging immers aangevoerd om duidelijk te maken dat het OM geen beslissingsruimte heeft, omdat er tot vervolging moet worden overgegaan in het geval van oorlogsmisdrijven en dat er dus geen reden bestaat waarom diezelfde oorlogsmisdrijven in het civiele recht niet ook tot aansprakelijk kunnen leiden.
- ○
De mogelijkheid dat slachtoffers in het kader van het strafprocedures een civiele vordering tot schadevergoeding indienen, bestaat ook in het internationaal recht. Het Statuut van Internationaal Strafhof biedt die mogelijkheid in art. 75 (2).37.
- ○
Vooraanstaande juristen hebben erop gewezen dat strafrechtsmacht tevens de mogelijkheid impliceert om civielrechtelijke schadevergoeding te vorderen.38.
- •
Bij de uitoefening van civiele rechtsmacht maakt individuele aansprakelijkheid van ambtsdragers voor internationale misdrijven (net als geldt voor de uitoefening van strafrechtsmacht), geen onaanvaardbare inbreuk op de staatsimmuniteit.39.
- ○
In het internationaal recht bestaat parallelle aansprakelijkheid voor Staten en individuen. De Staat en het individu kunnen niet vereenzelvigd worden. Opnieuw is hier van belang dat [eiser] [verweerder 1] en [verweerder 2] heeft aangesproken, en niet de Staat Israël.40.
- ○
Civiele jurisdictie raakt in onderhavig geval niet daadwerkelijk de staatsimmuniteit.41. Het gaat in onderhavige zaak om immuniteit die voortvloeit uit de functie en niet uit de persoon van [verweerder 1] en [verweerder 2].42. De Staat Israël wordt in deze zaak op geen enkele manier in zijn handelen belemmerd.43.
- ○
De Nederlandse rechter heeft eerder in de [naam 1]-zaak44. civiele rechtsmacht over buitenlandse ambtsdragers aangenomen.45. In die civiele zaak heeft de Rechtbank Den Haag gedaagden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding van € 750.000,-- aan materiële schadevergoeding en een bedrag van € 250.000,-- aan immateriële schadevergoeding. Ten onrechte heeft het hof in rov. 3.13 geoordeeld dat dit vonnis ‘niet als gezaghebbend of als bewijs van statenpraktijk’ kan worden beschouwd.
3.5
Ten onrechte heeft het hof geen betekenis toegekend aan het feit dat individuele aansprakelijkheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter, ook in civiele procedures kan worden aangenomen omdat het EHRM onder artikel 6 een beoordelingsmarge aan Staten laat om een eigen beleid op dit terrein te implementeren (in welk licht voorts van belang is dat, zoals [eiser] heeft gesteld, in ‘common law’ jurisdicties waarop veel van de rechtspraak betrekking heeft, slachtoffers zich niet kunnen voegen in het strafproces, anders dan in landen zoals Nederland en andere civiele jurisdicties, in welke landen wel een verdergaande convergentie tussen het civiele en strafrecht geldt).46. Het Hof heeft voorts ten onrechte niet, althans onvoldoende meegewogen de stelling van [eiser] dat er geen alternatief forum beschikbaar is, waaraan [eiser] zijn vordering kan voorleggen.47.
Het hof heeft — mede in het licht van de gemotiveerde stellingname daaromtrent door [eiser] — ten onrechte geen proportionaliteitstoets uitgevoerd of in onderhavig geval de beperking van toegang tot de rechter door het aannemen van immuniteit, is gerechtvaardigd.48. Uit de rechtspraak van art. 6 EVRM volgt onomstotelijk dat sprake moet zijn van ‘limits to immunity’ omdat ‘it would not be consistent with the rule of law in a democratic society with the basic principle underlying Article 6 par. 1 — namely that civil claims must be capable of being submitted to a judge for adjudication — if a State could, without restraint or control by the Convention enforcement bodies, remove from the jurisdiction of the courts a whole range of civil claims or confer immunities from civil liability on large groups or categories of persons’.49. [eiser] verwijst in dit kader ook naar klacht 3.9 hieronder. Het effect van de uitspraak van het hof is dat [eiser] als Palestijn nergens terecht kan. Zie ook klacht 1.2.
3.6
In rov. 3.19 overweegt het hof ten onrechte dat in onderhavige zaak onvoldoende reden is om de immuniteit door te trekken nu (i) het gaat om een militaire operatie die berustte op officieel beleid van de Staat Israël en (ii) tussen het strafrecht en civiele recht verschillen bestaan, zoals dat in het strafrecht de Staat de aanklager is en in het civiele recht niet en dat de mogelijkheid bestaat van vexatious charges die in het strafrecht kunnen worden uitgefilterd. Deze overweging getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, nu het feit dat handelingen voortvloeien uit een militaire operatie, niet betekent dat niet ook sprake kan zijn van handelingen die strafrechtelijk laakbaar zijn.50. [eiser] verwijst in dat kader voorts naar de hierboven geformuleerde klachten onder 2.1–2.3: het hof miskent het toetsingskader dat geldt bij de beantwoording van de vraag of er in het geval van internationale misdrijven sprake is van functionele immuniteit en ook dat er geen kunstmatig onderscheid tussen het strafrecht en het civiele recht moet worden gemaakt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van (functionele) immuniteit. In ieder geval had het hof zijn beslissing nader dienen te motiveren dan het heeft gedaan in het licht van de bij de hiervoor vermelde subonderdelen vermelde stellingen van [eiser].
3.7
Het hof heeft met diens beslissing in rov. 3.20 dat de stelling van [eiser] dat het vervolgen van oorlogsmisdrijven is verplicht eraan voorbijziet dat de beoordeling of iets een oorlogsmisdrijf is en of de verdenking sterk genoeg is om de zaak voor de rechter te brengen, in handen ligt van het Openbaar Ministerie (‘OM’), de strekking van de stelling van [eiser] miskend en aldus ervan blijk gegeven ook in zoverre de parallellen tussen het civiele en het strafrecht waar het gaat om de immuniteitsvraag, niet te onderkennen althans niet op de juiste waarde te schatten, althans de stellingen van [eiser] op onbegrijpelijke wijze te interpreteren. [eiser] heeft erop gewezen dat het ook in het strafrecht aan de rechter is om de vraag te beantwoorden of er sprake is van immuniteit en heeft onder meer gesteld dat het OM altijd moet vervolgen als er sprake is van oorlogsmisdrijven.51. Het hof heeft het accent bij diens beslissing ten onrechte verlegd naar de vervolgingsbeslissing van het OM en niet afdoende meegewogen dat art. 146 van de Geneefse Conventie bepaalt dat er vervolgd moet worden bij oorlogsmisdrijven (en dat bovendien art. 12 van het Wetboek van Strafvordering erin voorziet dat als het OM een daad niet als oorlogsmisdrijf beschouwt, de beslissing niet te vervolgen aan de rechter kan worden voorgelegd).
3.8
Het hof heeft onder andere in rov. 3.23 miskend dat indien geen duidelijk uitgekristalliseerde regel bestaat die immuniteit van jurisdictie voor ambtsdragers bepleit, het die ruimte kan en moet gebruiken om de nationale bevoegdheidsregels toe te passen, zowel in strafrechtelijke als civielrechtelijke procedures.52. Het hof had het grijze gebied over de inhoud van het internationale gewoonterecht — mede gelet op eerder geuite opvattingen van de Nederlandse regering53. — kortom zelf kunnen en moeten invullen54.. Het hof had in dat verband mede acht moeten slaan op het feit dat de door [eiser] aangehaalde en door het hof (in rov. 3.12, 3.14 en 3.15) besproken uitspraken van de Seoul District Court en het Italiaanse Constitutionele Hof erop duiden dat het grijze gebied in andere landen meer dan voorheen leidt tot het niet aannemen van (functionele) immuniteit, zeker bij oorlogsmisdrijven c.q. misdrijven tegen de misdaden tegen de menselijkheid.
3.9
Bij die beoordeling heeft het hof ten onrechte geen rekening gehouden met de afwezigheid van een alternatief forum.55. De afwezigheid van een alternatief forum kan alleen in geval van staatsimmuniteit en de immuniteit van de VN geen rol spelen.56. In onderhavig geval moet dus wel rekening worden gehouden met de afwezigheid van een alternatief forum. De uitspraak van het Italiaanse Constitutionele Hof bevestigt dat, nu het oordeelde dat de regel van immuniteit in strijd was met het in de Grondwet vastgelegde recht op toegang tot een rechter.
3.10
In rov. 3.24 gaat het hof opnieuw uit van een onjuiste rechtsopvatting door een te beperkte ontwikkeling in het strafrecht te ontwaren en te oordelen dat (kennelijk) slechts in geval van handelen door een laaggeplaatste militair sprake kan zijn van doorbreking van immuniteit. Het hof hanteert daar een onjuiste uitleg van de ontwikkeling in het strafrecht ten aanzien van de immuniteit van functionele jurisdictie (die, zoals [eiser] heeft aangevoerd in zijn processtukken, bepaald meer behelst dan enkele gevallen van strafbaarstelling van daden van laaggeplaatste57. militairen58.) en kent ten onrechte doorslaggevend belang toe aan het gegeven dat het in de onderhavige zaak gaat om hooggeplaatste militairen die het officiële beleid van de Staat Israël hebben uitgevoerd. Het feit dat sprake is van militair optreden staat bij uitstek niet in de weg aan het aannemen van onrechtmatig handelen van individuele militairen59. en de positie van de aangesproken personen is in het internationaalrechtelijke leerstuk van de functionele immuniteit, nadrukkelijk niet van belang.60. Het hof heeft dit alles miskend.
IV. Slotsom
Op grond van dit middel vordert eiser vernietiging van het bestreden arrest met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad passend acht, met veroordeling van verweerders in de kosten van het geding, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen arrest.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 03‑03‑2022
Ontleend aan rov. 2.1–2.7 van het bestreden arrest.
In navolging van de aanduiding die het hof in zijn arrest toepast. N.B. het hof duidt [verweerders] c.s. in het proces-verbaal van de zitting aan als ‘Israëlische officials’. Die aanduiding acht [eiser] tendentieus en ook getuigen van een niet neutrale benadering. Het gaat erom dat [verweerders] c.s. in de onderhavige procedure uit hoofde van onrechtmatige daad persoonlijk worden aangesproken op de daden (internationale misdrijven) die zij hebben verricht. Dat zij Israëlische officials zijn, is juist, maar het hof lijkt daarmee voor te sorteren op zijn (in cassatie bestreden) beslissing over de functionele immuniteit.
Zie par. 3 pleitnota Hof Den Haag.
Zie ook de opmerking van Mr. L. Zegveld ter zitting van het hof in het proces-verbaal op p. 2 over rechtsvorming en de analogie met het verlaten van absolute staatsimmuniteit.
Zie ook het proces-verbaal van het hof p. 2 waarin het hof aan Mr. Th.O.M. Dieben vragen stelt over de vorming van een nieuwe regel van gewoonterecht.
Zie ook in zijn woorden het proces-verbaal ter zitting van het hof onder p. 2.
Zie uitdrukkelijk randnr. 16 pleitnota Hof Den Haag.
Zie onder andere par. 2.4 conclusie van antwoord in incident; par. 2.1 pleitnota Rechtbank Den Haag; randnr. 70–71 en 114 en 152 memorie van grieven en par. 2 pleitnota Hof Den Haag.
Randnr. 40 conclusie van antwoord in incident; randnr. 45–57 memorie van grieven, met verwijzing naar voorbeelden en randnr. 70–77 memorie van grieven.
Dit volgt uit de processtukken van [eiser], die vertrekken vanuit het uitgangspunt dat (i) immuniteit de uitzondering is en rechtsmacht de regel (randnr. 5–6 en 126–131 pleitnota Hof Den Haag) en (ii) de uitzonderingen die zijn aangenomen voor individuele handelingen in het strafrecht, zouden moeten worden doorgetrokken naar het civiele aansprakelijkheidsrecht. Zie uitdrukkelijk randnr. 13 memorie van grieven.
Zie onder andere grief 3 en 5 van de memorie van grieven; randnr. 7–8 pleitnota Hof Den Haag.
Zie de opmerking ter zitting van het hof van Mr. Th.O.M. Dieben dat er niet zou kunnen worden gekeken naar de handeling, zoals opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van het hof van 23 september 2021, p. 4.
Randnr. 19 memorie van grieven.
Randnr. 17–20 pleitnota Hof Den Haag; randnr. 18 pleitnota Rechtbank Den Haag en randnr. 63 memorie van grieven. In rov. 3.24 lijkt het hof dat opnieuw ten onrechte te impliceren dat handelingen namens de Staat nooit kunnen leiden tot individuele aansprakelijkheid.
Randnr. 17 pleitnota Hof Den Haag.
Randnr. 35 memorie van grieven.
Randnr. 6–8 pleitnota Rechtbank Den Haag.
Randnr. 100–101 conclusie van antwoord in incident; randnr. 156–164 memorie van grieven. [eiser] heeft erop gewezen dat zolang en voor zover de uitoefening van civiele jurisdictie de staatsimmuniteit niet daadwerkelijk raakt, uitoefening van civiele jurisdictie aanvaardbaar is. Zie voorts de opmerking ter zitting van het hof van Mr. L. Zegveld dat er geen plicht bestaat voor de Staat Israël om de schadevergoeding te betalen en dat er in deze procedure iets wordt gevraagd dat vele malen minder ver gaat, zoals opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van het hof van 23 september 2021, p. 2.
Randnr. 160–164 memorie van grieven.
EHRM 14 januari 2014, Jones e.a. t. VK, nrs. 34356/06 en 40258/06. De verwijzing naar de zaak tegen het Vaticaan over seksueel misbruik aan het eind van rov. 3.8 gaat om dezelfde reden evenmin op.
Randnr. 25–33 conclusie van antwoord in incident; randnr. 22–40 memorie van grieven.
Randnr. 94 pleitnota Rechtbank Den Haag; randnr. 30 memorie van grieven.
Randnr. 97–98 pleitnota Rechtbank Den Haag; randnr. 170 memorie van grieven.
Randnr. 152–155 memorie van grieven.
Randnr. 156–164 memorie van grieven.
Rb. Den Haag 15 december 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:14782 (Eshetu-Alemu), zie randnr. 127 memorie van grieven en Rb. 's‑Gravenhage 21 maart 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9748 (naam 1.).
Randnr. 160 memorie van grieven.
Randnr. 43 conclusie van antwoord in incident; par. 4.4 pleitnota Hof Den Haag. Zie ook hierboven rechtsklacht 2.1.
Randnr. 24–39 pleitnota Hof Den Haag.
Zie onder andere randnr. 37–41 pleitnota Rechtbank Den Haag.
Zie onder andere par. 2.3 pleitnota Rechtbank Den Haag; grief 5 van de memorie van grieven; par. 5 pleitnota Hof Den Haag en de noot van B.R. Tromp, RAV 2020/36 bij de rechtbankuitspraak in onderhavige zaak.
Randnr. 68 en par. 2.6.1 conclusie van antwoord in incident; randnr. 117–149 memorie van grieven; par. 5.1 pleitnota Hof Den Haag. Zie voorts de opmerking ter zitting van het hof van Mr. L. Zegveld dat [verweerders] c.s. het verschil tussen het civiele en het strafrecht niet duidelijk hebben gemaakt (terwijl het aannemen van functionele immuniteit, ook volgens [verweerders] c.s., wordt verlaten in het strafrecht), zoals opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van het hof van 23 september 2021, p. 2.
Randnr. 119 memorie van grieven.
Randnr. 70 conclusie van antwoord in incident. In randnr. 71 heeft [eiser] in dat kader verwezen naar de Eshetu-Alemu-zaak, Rb. Den Haag 15 december 2017, ECLI:NL:RBDGA:2017:14782. Zie ook randnr. 106, 127–129 memorie van grieven.
Randnr. 128 memorie van grieven.
Randnr. 84 conclusie van antwoord in incident; randnr. 37 en 41 en 49 pleitnota Rechtbank Den Haag; randnr. 136, 143–144 memorie van grieven. Zie ook de eerste klacht hierboven.
Randnr. 75 conclusie van antwoord in incident.
Randnr. 76–83 en 85–86 en 89 conclusie van antwoord in incident en randnr. 40 pleitnota Rechtbank Den Haag, waarin [eiser] verwijst naar Justice Beyer, rechter Kalaydjieva, het Institut de droit International, the International Law Commission, de Nederlandse Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken en Alebeek. Zie ook randnr. 120–126 en 145–146 memorie van grieven.
Par. 2.6.2 conclusie van antwoord in incident; randnr. 150–164 memorie van grieven.
Randnr. 92 conclusie van antwoord in incident; randnr. 152 memorie van grieven.
Randnr. 95 conclusie van antwoord in incident.
Randnr. 97 conclusie van antwoord in incident.
Randnr. 100 conclusie van antwoord in incident.
Rb. Den Haag 21 maart 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9748.
Randnr. 104–107 conclusie van antwoord in incident en par. 2.5 pleitnota Rechtbank Den Haag; randnr. 138–140 memorie van grieven. In randnr. 99–104 en 108–110 memorie van grieven verwijst [eiser] naar voorbeelden uit het strafrecht. Ten aanzien van de naam 1.-zaak geldt het volgende. Op 14 december 2011 is — zoals blijkt uit rov. 1.1 van het eindvonnis van 21 maart 2012 — een tussenuitspraak gewezen. In die (nog niet gepubliceerde) tussenuitspraak is gevraagd aan partijen zich uit te laten over de vraag van immuniteit, onder 2 van het vonnis: ‘Krachtens de op het volkenrecht gebaseerde regel van immuniteit zijn nationale gerechten niet bevoegd ten aanzien van rechtsvorderingen tegen een vreemde staat, zijn ambtsdragers en staatsdiensten. Eiser wordt verzocht zich uit te laten over deze regel in het kader van de onderhavige procedure.’ Dit heeft eiser gedaan en vervolgens heeft de rechtbank blijkens haar eindvonnis van 21 maart 2012 op grond van art. 9 aanhef en onder c Rv rechtsmacht aangenomen. Hetgeen het hof heeft overwogen in rov. 3.13 ten aanzien van het belang van deze uitspraak is dan ook onjuist, nu het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat in de naam 1.-zaak de civiele rechter zich niet heeft gebogen over de immuniteitsvraag op grond van het volkenrecht. [eiser] voegt een kopie van de mondelinge uitspraak aan deze procesinleiding (bijlage 1).
Par. 2.7 conclusie van antwoord in incident; randnr. 166–170 memorie van grieven.
Pleitnota Hof Den Haag, randnr. 114.
Pleitnota Hof Den Haag, randnr. 111–113.
Zie bijv. randnr. 69–71 memorie van grieven, waarin wordt verwezen naar art. 58 Articles on State Responsibility.
Randnr. 130–134 memorie van grieven.
Randnr. 44–67 conclusie van antwoord in incident, waarin uitgebreid wordt verwezen naar art. 6 en 7 van het Handvest van deInternationale Militaire Rechtbank, de doorvoering van de Neurenberg-lijn dat immuniteit niet kan worden ingeroepen voor internationale misdrijven in het Statuut van het Joegoslavië Tribunaal, het Statuut van het Rwanda Tribunaal en het Statuut van het Internationaal Strafhof. Veel strafbaarstellingen zijn bovendien gericht tegen (ook hoge) ambtsdragers, zoals volgt uit art. 4 van het Genocide Verdrag, de Verdragen van Genève uit 1949, het Verdrag tegen Foltering, de Commissie van Advies Volkenrechtelijke Vraagstukken welke erop wijst dat functionele immuniteit voor verdragsrechtelijk verboden misdrijven niet kan worden aangenomen, nationale rechters die gewoonterechtelijke regel ook hebben geaccepteerd en toegepast op ambtsdragers die internationale misdrijven hebben begaan, militaire handleidingen en dat er nationale wetgeving van verschillende Staten bestaat waarin is bepaald dat personen individueel verantwoordelijk zijn voor internationale misdrijven, ongeacht bijvoorbeeld de positie van legercommandant of een andere positie alsmede dat er Nederlandse rechtspraak bestaat waarin is bevestigd dat functionele immuniteit niet kan worden ingeroepen voor internationale misdrijven. Tevens heeft [eiser] gewezen op vooraanstaande internationale juristen zoals de International Law Commission, de Nederlandse Commissie van Advies van Volkenrechtelijke Vraagstukken. Zie ook grief 3 van de memorie van grieven, in het bijzonder randnr. 79–85. Zie randnr. 12, 118 en 21–40 memorie van grieven.
Randnr. 90–97 en 112, 193 memorie van grieven; randnr. 32–39 en 103–105 pleitnota Hof Den Haag.
Randnr. 112 en 118, 184–187, 191–193 memorie van grieven; par. 3 pleitnota Hof Den Haag. Zie voorts de opmerking ter zitting van het hof van Mr. L. Zegveld dat de absolute staatsimmuniteit is verlaten door rechtbanken en dat ditzelfde geldt voor de functionele immuniteit, zoals opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van het hof van 23 september 2021, p. 2.
Dat daarvan sprake is, heeft [eiser] betoogd in hoofdstuk 3 tot en met 6 conclusie van antwoord in incident; hoofdstuk 3 pleitnota Rechtbank Den Haag; randnr. 176–190 memorie van grieven en par. 5.3 pleitnota Hof Den Haag.
Randnr. 116 conclusie van antwoord in incident; randnr. 190 memorie van grieven; randnr. 117–118 pleitnota Hof Den Haag. Zie ook HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1956, rov. 3.2.2–3.2.4.
Zie uitdrukkelijk randnr. 84 memorie van grieven, randnr. 78 pleitnota Hof Den Haag: bij functionele immuniteit wordt geen onderscheid tussen hogere en lagere posities van ambtenaren van een Staat en zie voorts de opmerking ter zitting van het hof van Mr. L. Zegveld dat de Duitse rechter (zie randnr. 81 pleitnota Hof Den Haag) uitsluitend rechtspraak aanhaalt waarin het ging om hogere gezagsdragers, zoals opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van het hof van 23 september 2021, p. 2, bovenaan.
Zie uitgebreid randnr. 44–67 conclusie van antwoord in incident; randnr. 1–4; 11–13 en par. 2.4 pleitnota Rechtbank Den Haag; par. 4 pleitnota Hof Den Haag.
Randnr. 17 pleitnota Hof Den Haag en randnr. 114, 136 en 191 memorie van grieven.
Randnr. 78–80 pleitnota Hof Den Haag, met verwijzing naar rechtspraak en randnr. 84 memorie van grieven. Zie tevens de opmerking van Mr. L. Zegveld ter zitting van het hof in het proces-verbaal op p. 2.