Zie onder meer HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, NJ 2019/103 m.nt. Wolswijk.
HR, 11-02-2025, nr. 23/00958
ECLI:NL:HR:2025:141
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-02-2025
- Zaaknummer
23/00958
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:141, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑02‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2023:1840
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1285
ECLI:NL:PHR:2024:1285, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑12‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:141
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑03‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0047
NJ 2025/96 met annotatie van W.H. Vellinga
Uitspraak 11‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Dodelijk verkeersongeval door op besneeuwd wegdek met bijna dubbele van toegestane maximumsnelheid op kruispunt af te rijden, geen voorrang te geven aan auto van rechts en daarmee in botsing te komen, waarna zijn auto tegen boom tot stilstand komt. Dood door schuld in het verkeer (art. 6 WVW 1994), doodslag (art. 287 Sr) en verlaten plaats ongeval (art. 7.1 WVW 1994). Bewijsklacht doodslag. Heeft verdachte aanmerkelijke kans op dood van slachtoffer bewust aanvaard? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2003:AE9049 en HR:2018:718 m.b.t. voorwaardelijk opzet op gevolg. Hof heeft vastgesteld dat verdachte met op dat moment nog snelheid van ongeveer 70 km/u, frontaal tegen bestuurderszijde van de van rechts komende auto van slachtoffer is gebotst. Onder verwijzing naar deze toedracht heeft hof (niet onbegrijpelijk) geoordeeld dat verdachte moet hebben geweten dat hij die aanrijding heeft veroorzaakt. Verder heeft hof vastgesteld dat slachtoffer met haar auto in naastgelegen sloot is terechtgekomen a.g.v. die botsing, waarbij haar auto op linkerzijde in water lag. Auto van verdachte is voor sloot tegen boom tot stilstand gekomen. Verdachte is bijna direct na ongeval uit zijn auto gestapt, heeft vriend uit die auto bevrijd, heeft hulpdiensten niet gebeld en heeft tegen omstander op intimiderende manier gezegd dat hij niet wilde dat politie zou komen. Verdachte heeft niemand verteld over andere auto waarmee hij in aanrijding was gekomen en is vervolgens rustig weggelopen, terwijl hij belde met vriend om te vragen of hij ergens kon worden opgehaald. Slachtoffer is aan gevolgen van aanrijding ((traumatische) hersenbeschadiging en longbeschadiging t.g.v. (bijna) verdrinking) overleden. Hof heeft overwogen dat uit art. 7.1 WVW 1994 “specifieke zorgplicht” volgt voor veroorzaker van verkeersongeval, die inhoudt dat het is verboden om plaats van ongeval te verlaten als daardoor ander in hulpeloze toestand wordt achtergelaten. Tegen deze achtergrond heeft hof verder overwogen dat op veroorzaker van zo’n botsing plicht rust te doen wat in zijn vermogen ligt om ervoor te zorgen dat tijdig noodzakelijke hulp wordt verschaft aan inzittenden van auto waartegen hij is aangereden. Daaronder valt volgens hof ook plicht om zich na botsing tijdig op hoogte te stellen van wat met andere auto en inzittenden van die auto is gebeurd. Hof heeft in aansluiting op zijn vaststellingen overwogen dat verdachte zich niet op hoogte heeft gesteld van wat er direct na ongeval met andere auto en daarin aanwezige slachtoffer is gebeurd en haar ook geen hulp heeft geboden, terwijl verdachte wel in staat was na te denken en situatie te overzien. ‘s Hofs hierop gebaseerde oordeel dat verdachte welbewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat slachtoffer (mede) a.g.v. het te lang uitblijven van hulpverlening zou komen te overlijden, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van wat is vooropgesteld toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00958
Datum 11 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 maart 2023, nummer 21-002243-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde. Het klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer bewust heeft aanvaard.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1.hij op 09 december 2017 te [plaats] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, (de [a-straat] en de [b-straat] ), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat hij zeer, onvoorzichtig en onoplettend, met dat motorrijtuig
- terwijl de weg bedekt was met een dunne laag natte sneeuw met een snelheid van ongeveer 98 kilometer per uur, althans een aanmerkelijk hogere snelheid dan ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en gelet op de wegomstandigheden niet veilige snelheid rijdende op de kruising van de [a-straat] en de [b-straat] is genaderd en
- bij de nadering van die kruising waar met borden en haaientanden was aangegeven dat hij voorrang moest verlenen aan het kruisende verkeer, zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast en
- de vlak voor die kruising een in de [a-straat] gelegen buiging naar rechts niet heeft gevolgd maar rechtdoor over een verhoogde middengeleider gelegen in de [a-straat] is gereden en
- vervolgens in een hoek van ongeveer 45 graden de vier rijstroken van de zuidelijk rijbaan van de [b-straat] en groenstrook tussen de zuidelijke en de noordelijke rijbaan van aan van de [b-straat] is overgestoken en
- tegen een andere op de noordelijke rijbaan van de [b-straat] rijdende auto, Renault Clio (welke hij voorrang had moeten verlenen) is gebotst, waardoor die Renault Clio in een parallel aan die [b-straat] gelegen sloot is terecht gekomen,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] , zijnde een inzittende van die Renault Clio) werd gedood,
terwijl het ongeval is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate is overschreden.
2.hij op 09 december 2017 te [plaats] , opzettelijk een persoon, te weten [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hebbende hij, verdachte, nadat de auto welke die [slachtoffer] bestuurde, was aangereden door de auto waarin verdachte zat en door die aanrijding met haar auto (op de zijkant met de bestuurderszijde aan de onderzijde) in een sloot, terecht was gekomen,
en terwijl hij wist dat die auto van die [slachtoffer] betrokken was bij die aanrijding, niet heeft gekeken waar de auto van die [slachtoffer] terecht was gekomen en
zonder zich ervan te vergewissen dat die [slachtoffer] veilig was,
- opzettelijk heeft nagelaten om de hulpdiensten in kennis te stellen van de betrokkenheid van de auto van die [slachtoffer] bij die aanrijding en
- nadat omstanders ter plaatse van de aanrijding waren gekomen teneinde te kijken of zij hulp konden bieden, opzettelijk heeft nagelaten om deze omstanders in kennis te stellen van de betrokkenheid van de auto van [slachtoffer] bij die aanrijding en
- opzettelijk tegen een of meer ter plaatse gekomen omstanders heeft gezegd dat hij geen politie wilde en
- opzettelijk heeft nagelaten om ter plaatse van de aanrijding gekomen politiemedewerkers in kennis te stellen van de betrokkenheid van de auto van [slachtoffer] bij de aanrijding waardoor die [slachtoffer] (langer dan nodig) in haar voertuig onder water is blijven liggen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] (op 20 december 2017) is overleden.
3.hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in [plaats] op de [b-straat] , op 09 december 2017 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en schade was toegebracht.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van 18 juni 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik was de bestuurder van de Audi op 9 december 2017 in [plaats] . Twee vrienden zaten bij mij in de auto. Ik reed vanuit de [a-straat] richting de [b-straat] . Ik ben daar bekend. Ik ken ook het knikje in de weg op het einde van de [a-straat] , vlak voor het kruispunt met de [b-straat] . Het was glad weer die avond, een beetje sneeuw, en het was donker. Nadat onze auto tegen een boom tot stilstand was gekomen, heb ik een van mijn vrienden via de bestuurderskant uit de auto gehaald. Vervolgens ben ik weggelopen. Ik heb een vriend gebeld en gevraagd of hij me op wilde halen. Het klopt dat ik mij vervolgens op 20 december 2017 bij de politie heb gemeld.
2. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 20 december 2017 (proces-verbaalnummer 2017371361), p. 240-241 Algemeen Dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Later toen ik nadacht na het ongeluk, graafde ik in mijn geheugen. Dacht ik dat het een frontale botsing zou worden. Ik herinner mij dat ik over de stoep tussen een boom en een paal reed. Ik zag de auto en wilde die niet frontaal raken. Er lag ook sneeuw.
V: En toen?A: Toen was de ongeluk gebeurd. De auto draaide rondjes, ik weet het niet meer. Toen we stil stonden, zag ik getuigen. Ik stapte uit. ik haalde [betrokkene 1] eruit. Ik probeerde de deur open te doen, maar dat lukte niet. Ik ben daarna weggegaan. Ik hoorde politie aan komen. Ik ben in paniek weggegaan.
Ik droeg op 9 december 2017 een groene jas.
V: We hebben twee getuigen gesproken. Zij verklaren dat ze eerst een claxon hoorden en daarna een aanrijding?A: dat kan ik mij niet herinneren. Ik wilde een frontale botsing vermijden, ik wilde de auto niet raken.V: Waar wilde je heen rijden?A: Ik weet dan niet precies. Op dat moment dat ik de auto zag wilde ik die ontwijken, anders was ik rechtdoor gereden. Rechtdoor richting station Overvecht.
3. Een proces-verbaal verhoor van verdachte afgenomen op 22 december 2017 bij de rechter-commissaris in de rechtbank Midden-Nederland (los stuk in het dossier):
Wat ik mij kan herinneren, is dat ik die auto zag en gelijk in een fractie van een seconde naar links heb gestuurd over de stoep om de auto te ontwijken. Dat is toch niet helemaal gebeurd. U vraagt mij of ik links langs de auto wilde. Ik heb gelijk naar links gestuurd, over de stoep, dus tegen het verkeer in, tussen de bomen en stoep. Anders zou het een frontale botsing worden en dat wilde ik voorkomen.
4. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 27 december 2017 (proces-verbaalnummer 2017371361), p. 251 en 253 Algemeen Dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: Het moment voor de aanrijding, kun je die voor je halen?A: Wat ik al had gezegd, ik zag een auto en die wilde ik ontwijken.
V: Heb jij geremd voor die bocht, voor de knik?A: Ik heb sowieso geremd, ik weet dat die knik er is. (..) Ik zag haar en wilde haar ontwijken maar dat lukte niet.
5. Een proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse (proces-verbaalnummer 2017371361-23), op pagina 17-19, 21-22, 43, 49 en 51 van het Forensisch Dossier voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, met daarbij de eigen waarneming van het hof ten aanzien van de foto op pagina 49 van het dossier:
Op 9 december 2017 heeft op de [b-straat] te [plaats] een aanrijding plaatsgevonden waarbij een tweetal personenauto’s betrokken was. De bestuurder van de Audi (kenteken [kenteken 1] ), hierna te noemen voertuig 1, reed over de [a-straat] richting het kruispunt met de [b-straat] . De bestuurder van de Renault Clio, hierna te noemen voertuig 2, reed op de [b-straat] . Ten gevolge van de aanrijding raakte voertuig 2 te water in de rechts van de rijbaan gelegen sloot. Na de aanrijding met voertuig 2, botste voertuig 1 tegen een boom. De [b-straat] is door middel van een groenstrook verdeeld in twee rijbanen. Aan het einde van de [a-straat] buigt de rijbaan met een bocht naar rechts af om vervolgens haaks te kunnen aansluiten op het kruisingsvlak met de [b-straat] . Voor het kruisingsvlak zijn beide rijstroken gescheiden door middel van een verhoogde middengeleider. De [b-straat] was middels borden aangeduid als voorrangsweg. Voor bestuurders die de [b-straat] over de [a-straat] naderden werd dit middels borden en haaientanden op het wegdek kenbaar gemaakt. De ter plaatse toegestane maximumsnelheid voor motorvoertuigen bedroeg 50 kilometer per uur. Wij zagen dat straatverlichting aanwezig was en dat deze naar behoren functioneerde. Op het moment van het ongeval of net daarvoor was sprake van natte sneeuw.
Tijdens ons onderzoek meldde zich een getuige die een foto had gemaakt direct nadat de botsing had plaatsgevonden. Hierop zagen wij dat er een dunne laag sneeuw op de rijbaan lag. Op de foto zagen wij ook een tweesporig rijspoor door de sneeuw. Dit rijspoor was afgetekend vanaf de [a-straat] tot in de middenberm van de [b-straat] . Het spoor was tevens afgetekend over de middengeleider en eindigde in de middenberm. Op de middengeleider van de [a-straat] en op de middenberm van de [b-straat] was het rijspoor nog deels zichtbaar in de restanten sneeuw en in het gras. Aan dit rijspoor konden wij geen kenmerken waarnemen dat er over de lengte van dit spoor is geremd.
Op basis van het uitlezen van de technische voertuigdata (storingen) van voertuig 1 wordt geconcludeerd dat het verloop van de storingen past bij een aanrijding waarbij voertuig 1 met de voorzijde voertuig 2 heeft geraakt. De botssnelheid waarbij de eerste storing optrad betrof 70 kilometer per uur. Dit betrof een ‘frontcrash’ die past bij de botsing met voertuig 2. De botssnelheid waarbij een storing van het rechter voorportier optrad betrof 45 kilometer per uur. Deze storing past bij de botsing met de boom.
Aan de hand van de schade en de aangetroffen sporen is vastgesteld onder welke hoek de voertuigen elkaar hebben geraakt. De bestuurder van voertuig 1 heeft aan het eind van de [a-straat] niet de doorgaande rijbaan gevolgd, maar is rechtdoor gereden. Hierbij is de bestuurder over een middengeleider gereden heeft hij de middenberm doorkruist. Hierop is voertuig 1 vanuit de berm dwars op de rijbaan van de [b-straat] terechtgekomen. Hier reed bestuurster van voertuig 2 op de rechter rijstrook. Zij werd in de linkerflank geraakt door voertuig 1. Dit is te zien op foto 23 op pagina 49 van het dossier. Door de botsing veranderde de richting van beide voertuigen. Voertuig 1 roteerde en eindigde met de rechterzijde tegen een boom. Voertuig 2 raakte te water.
(...)
8. Een proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 2] (proces-verbaalnummer 2017371361-19), p. 282-283 Algemeen Dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op zaterdag 9 december 2017 werd ik wakker van een enorme knal. Ik keek uit het raam en zag een auto helemaal in puin tegen een boom aan staan. Ik ging naar buiten. Toen ik bij de auto kwam, zag ik dat de voorbumper van de auto weg was. Ik stond aan de bestuurderszijde en zag een man buiten de auto staan. Ik noem hem man 2. Hij had een groene jas aan. Ik zag dat man 2 man 3 uit de auto probeerde te krijgen. Ik zei vervolgens tegen man 2 en man 3 dat de politie was gebeld. Terwijl ik dat zei, zag ik dat man 2 zich omdraaide. Man 2 stond tegenover mij. Ik hoorde dat man 2 naar mij schreeuwde: ‘Geen politie, geen politie!!’. Daarbij zwaaide hij met zijn arm en maakte daarmee een ‘nee’ beweging. Ik zag dat man 2 weer in de auto klom om man 3 eruit te krijgen. Ik voelde mij niet veilig en rende naar huis.
9. Een proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 3] (proces-verbaalnummer 2017371361-20), p. 279 Algemeen Dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Als ik op mijn balkon sta heb ik zicht op de [b-straat] . Ik zag knipperlichten en rook. Ik liep mijn woning uit en zag dat er een auto tegen een boom aan stond. Ik zag mannen bij de auto staan die probeerden iemand uit de auto te halen. Een van de mannen bij de auto had een groene jas aan. Nadat die man uit de auto was gehaald zag ik dat de man met de groene jas heel rustig weg liep.
10. Een proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer 2017371361-3), p. 321-322 Algemeen Dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 9 december 2017 werden wij, verbalisanten, om 06.54 uur verzocht om te gaan naar de [a-straat] in [plaats] . Hier zou een eenzijdig ongeval hebben plaatsgevonden. Omstreeks 07.00 uur kwamen wij ter plaatse. Ik zag dat er een Audi op de [b-straat] met de rechterzijde tegen een boom stond. Ik zag twee personen die gewond waren. Ik heb één van de gewonde personen gesproken die in de Audi had gezeten. Ik hoorde dat hij zei dat de bestuurder weg was. Ik zag dat de andere gewonde man inmiddels door een medewerker van de ambulancedienst werd behandeld. Terwijl ik met die man in gesprek was, hoorde ik een man roepen: ‘Hey er ligt een auto in het water’. Ik zag de man wijzen richting het water parallel aan de [b-straat] . Ik zag vervolgens een auto in het water liggen. Ik zag dat dit voertuig op de linkerzijde in het water lag. Ik heb direct om brandweer verzocht.
11. Een proces-verbaal van verhoor getuige (proces-verbaalnummer 2017371361), p. 319-320 Algemeen Dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik ben werkzaam bij de brandweer in [plaats] . Op 9 december 2017 om 07.02 uur kregen wij als brandweer een zogenaamde Prio 2 melding met de informatie dat er een eenzijdige aanrijding had plaatsgevonden met een voertuig, waarbij sprake was van rookontwikkeling. Lopende de melding werd de informatie veranderd, dat er een voertuig te water lag. Dit maakte dat de melding werd veranderd naar een Prio 1 melding. Dit gebeurde om 07.04.36 uur. Doordat de melding in eerste instantie werd uitgegeven als een Prio 2 melding, is er tijd verloren gegaan. Wij waren om 07.08 uur ter plaatse. Als we in het begin gelijk juist gealarmeerd waren om 6:54 uur bij de alarmcentrale, waren we om 06.58/06.59 uur ter plaatse geweest. Dit is een verschil van 8 minuten met de huidige situatie. Ik zag dat er een voertuig op zijn kant in het water lag en dat de bestuurderskant onder water lag. Het slachtoffer is door ons uit de auto bevrijd.
12. Een proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer 2017371361-52). p. 329-330 Algemeen Dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Wij kregen het verzoek om te gaan naar de [b-straat] in verband met een eenzijdige aanrijding.(...)Hierna hebben wij samen met de brandweer het slachtoffer uit de auto gehaald. Na onderzoek bleek het slachtoffer te zijn genaamd: [slachtoffer] .
13. Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’, p. 136 en 140 van het Forensisch Dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
[slachtoffer] is op 20 december 2017 overleden. Het overlijden van [slachtoffer] wordt verklaard door verwikkelingen van een auto-ongeval, te weten (traumatische) hersenbeschadiging en longbeschadiging ten gevolge van (bijna) verdrinking.
14. Een proces-verbaal van bevindingen (proces-verbaalnummer 2017371361), p. 398 Algemeen Dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op vrijdag 22 december 2017 was ik aanwezig bij de sectie van het slachtoffer. Daarna volgde het bespreken van het sectierapport door dokter B. Kubat. Patholoog anatoom van het NFI. Ik stelde de vraag of met zekerheid gezegd kon worden dat het slachtoffer het overleefd had wanneer ze korter in het water gelegen had. Dokter Kubat zei dat dat niet met zekerheid gezegd kon worden. Hij vertelde dat als het slachtoffer minder lang in het water gelegen had, het slachtoffer, en dus de hersenen minder lang zonder zuurstof zou hebben gezeten, wat de kans op overleven zou vergroten.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder onder meer overwogen:
“Het hof acht de tenlastegelegde feiten bewezen. Wat de motivering betreft sluit het hof zich grotendeels aan bij de overwegingen van de rechtbank. Deze overwegingen worden hieronder cursief weergegeven. De aanvullende overwegingen van het hof worden niet cursief weergegeven.
Verdachte reed in de vroege ochtend van 9 december 2017 als bestuurder van de Audi met een snelheid van bijna 100 kilometer per uur op de [a-straat] richting de kruising met de [b-straat] , een voorrangsweg in de bebouwde kom van [plaats] . De ter plaatse geldende maximumsnelheid bedroeg 50 kilometer per uur. Het was op dat moment nog donker en op het wegdek lag natte sneeuw. De [a-straat] buigt vlak voor het kruispunt met de [b-straat] – alwaar voorrang moet worden verleend af naar rechts. Verdachte was bekend met de situatie ter plaatse. Verdachte heeft die bocht niet gehaald en reed in een rechte, diagonale streep – over de middengeleider en een groenstrook – de [b-straat] over, waar hij met een snelheid van zo’n 70 kilometer per uur tegen de bestuurderszijde van de auto van [slachtoffer] botste, die op dat moment van rechts kwam. [slachtoffer] is als gevolg van deze botsing met haar auto in een naastgelegen sloot terechtgekomen. De auto van verdachte is – vóór deze sloot – tegen een boom tot stilstand gekomen. [slachtoffer] is op 20 december 2017 overleden aan de gevolgen van de aanrijding. Kort na de aanrijding heeft verdachte de plaats van het ongeval verlaten. Pas elf dagen later heeft hij zich bij de politie gemeld.
(...)
Feit 2
Wetenschap bij verdachte
Verdachte heeft tijdens zijn eerste verhoren bij de politie op 20 en 27 december 2017 en bij de rechter-commissaris op 22 december 2017 verklaard dat hij de auto van [slachtoffer] – vlak voor het ongeval – wel had gezien en dat hij had geprobeerd om uit te wijken. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg echter ontkend dat hij wist van de aanrijding met een andere auto. Hij dacht dat hij enkel tegen een boom was aangereden. Pas een dag later zou hij via berichtgeving in het nieuws van de andere auto op de hoogte zijn geraakt.
In hoger beroep heeft verdachte opnieuw ontkend dat hij wist dat hij tegen een andere auto was aangereden en heeft hij aangevuld dat zijn blik gefocust was op links omdat hij een boom en paal wilde ontwijken. De verdediging heeft ter onderbouwing hiervan een deskundige een reconstructie laten maken. Dit ‘filmpje links’ is ter zitting bekeken. Het filmpje toont het beeld dat verdachte gehad zou hebben als hij ten tijde van het rijden op de kruising alleen naar links zou hebben gekeken.
Het hof hecht geloof aan de eerste verklaringen bij de politie maar acht de latere verklaringen van verdachte ongeloofwaardig, mede gelet op de objectieve gegevens over het ongeval in het dossier. Het hof is het met de rechtbank eens als die overweegt: uit het proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse, in samenhang bezien met foto 23 in het proces-verbaal van reconstructie blijkt immers dat verdachte de auto van [slachtoffer] met de voorkant van zijn auto heeft geraakt ter hoogte van het bestuurdersportier en dat de gehele linkerkant van de auto van [slachtoffer] – vlak voor de aanrijding – zichtbaar was door de voorruit van de auto van verdachte. Dit wordt naar het oordeel van het hof ook niet weerlegd door de resultaten van het door de verdediging overgelegde aanvullend onderzoek. Ook op het ‘filmpje links’ is de auto van het slachtoffer door de voorruit te zien, vlak voor de aanrijding. Het hof neemt daarbij net als de rechtbank mede in aanmerking dat de straatverlichting werkte ten tijde van het ongeval en uit niets – ook niet uit verklaringen van verdachte zelf – is gebleken dat verdachte geen goed zicht zou hebben gehad. Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte, ter onderbouwing van zijn ontkennende verklaring, meermaals gezegd dat de politieagenten tijdens het verhoor tegen hem gezegd hebben dat hij de auto niet kon hebben gezien. Het hof kan uit de processen-verbaal van verhoor echter niet afleiden dat de verbalisanten hebben gezegd dat verdachte de auto helemaal niet heeft kunnen zien. In ieder geval moet verdachte naar het oordeel van het hof de auto hebben waargenomen.
De rechtbank overweegt verder: dat verdachte ook niet zou hebben gevoeld dat er een botsing met een andere auto heeft plaatsgevonden, laat zich eveneens moeilijk rijmen met de objectieve gegevens uit het dossier. Daaruit blijkt namelijk dat de auto waarin verdachte reed met een snelheid van zo’n 70 kilometer per uur tegen de auto van [slachtoffer] is gebotst. Het met een dergelijke hoge snelheid frontaal in de flank van een andere auto botsen moet een enorme klap hebben gegeven en verdachte moet die klap hebben gevoeld. Dat verdachte in de veronderstelling was dat hij slechts (en niet méér dan) een boom had geraakt, is om voornoemde redenen ongeloofwaardig.
Verdachte heeft verklaard dat hij geenszins onder invloed is geweest van middelen die zijn bewustzijn en waarneming kunnen hebben verminderd. Ook blijkt uit het dossier niet dat verdachte tijdens of direct na het ongeval buiten bewustzijn is geweest. Integendeel, uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in staat was om bijna direct na het ongeval uit de auto te stappen, een vriend van hem uit de auto te bevrijden en tegen een omstander te zeggen dat hij niet wilde dat de politie zou komen. Vervolgens was hij ook nog in staat om rustig weg te lopen, onderwijl bellend met een vriend om te vragen of hij ergens kon worden opgehaald. Verdachte heeft niemand verteld over de aanrijding met een andere auto.
De overwegingen van de rechtbank neemt het hof over. Gelet op de bewijsmiddelen, in onderling verband bezien, moet verdachte hebben geweten dat hij een aanrijding had veroorzaakt met een andere auto en dat hij die auto met hoge snelheid frontaal in de zijkant heeft geraakt.
(Voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] ?
Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte daadwerkelijk uit was op de dood van [slachtoffer] . Er is daarom geen sprake van vol opzet. De vraag is dan ook of sprake was van voorwaardelijk opzet.
Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Het hof betrekt bij de beoordeling dat uit artikel 7 lid 1 Wegenverkeerswet een specifieke zorgplicht volgt voor de veroorzaker van een verkeersongeval. Het is verboden om de plaats van een ongeval te verlaten indien daardoor een ander in hulpeloze toestand wordt achtergelaten. Dit ter bescherming van het belang van het leven en de lichamelijke gezondheid van verkeersdeelnemers.
Verdachte is met een snelheid van zo’n 70 kilometer per uur frontaal in botsing gekomen met de bestuurderszijde van de auto van [slachtoffer] . Zoals eerder overwogen, heeft verdachte dit gezien. Bij een dergelijke botsing bestaat de aanmerkelijke kans dat inzittenden van de andere auto ernstig of levensgevaarlijk gewond raken. Op de veroorzaker van de botsing rust de plicht te doen wat in zijn vermogen ligt om ervoor te zorgen dat tijdig de noodzakelijke hulp wordt verschaft aan de inzittenden van de auto waartegen hij is aangereden. Dit omvat de plicht om zich na de botsing tijdig op de hoogte te stellen van hetgeen met de andere auto en de inzittenden van die auto is gebeurd.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte geen hulp heeft geboden aan de inzittende van de andere auto. Uit de bewijsmiddelen blijkt ook dat verdachte zich niet op de hoogte heeft gesteld van hetgeen met de andere auto en de inzittende van die auto is gebeurd. Verdachte was naar het oordeel van het hof zeer wel in staat de situatie te overzien. Verdachte was bij kennis, heeft zijn vrienden geholpen met uit de auto komen, waarbij hij zich er ook van bewust is geweest dat er ontploffingsgevaar was aangezien de auto rookte. Verdachte was daarmee in staat om na te denken en om zich heen te kijken. Dat hij in shock of in paniek was, zoals hij enkele malen heeft verklaard, acht het hof niet aannemelijk. Verdachte was bekend met de verkeerssituatie ter plekke. Vaststaat dat de auto waar hij tegen aan was gereden niet meer op de kruising stond. Direct achter de eindpositie van de Audi bevond zich de sloot waarin de auto van [slachtoffer] als gevolg van de botsing terecht was gekomen. Uit niets – ook niet uit verklaringen van verdachte zelf – is gebleken dat hij op enig moment heeft gekeken waar de auto die hij zojuist had aangereden terecht was gekomen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat hij ook niemand in kennis heeft gesteld van de betrokkenheid van een andere auto bij het ongeval terwijl hij daar alle gelegenheid toe had. Verdachte heeft de hulpdiensten niet gebeld en heeft zelfs op een intimiderende wijze tegen een omstander gezegd dat hij er geen politie bij wilde.
Uit het voorgaande leidt het hof af dat verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de inzittende(n) van het betrokken voertuig, [slachtoffer] , zonder hulpverlening of als gevolg van te late hulpverlening zou komen te overlijden.
Causaal verband
De volgende vraag die het hof moet beantwoorden, is of de dood van [slachtoffer] verdachte redelijkerwijs kan worden toegerekend.
Het hof overweegt met de rechtbank het volgende.
Het NFI heeft geconcludeerd dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van verwikkelingen van een auto-ongeval, te weten (traumatische) hersenbeschadiging en longbeschadiging ten gevolge van (bijna) verdrinking.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat omstanders en politiemedewerkers die na het ongeval ter plaatse kwamen, er van uitgingen dat sprake was van een eenzijdig ongeval. Als verdachte direct had gemeld dat er nog een andere auto bij het ongeval was betrokken of als hijzelf goed om zich heen had gekeken, was de auto van [slachtoffer] eerder gevonden en had eerder hulp kunnen worden verleend. Bovendien was de brandweer – vanwege het feit dat de melding dan een andere prioriteit had gekregen – 8 tot 9 minuten eerder ter plaatse geweest en was [slachtoffer] eerder uit de auto gehaald. De patholoog anatoom van het NFI heeft verklaard dat [slachtoffer] een grotere kans op overleven zou hebben gehad, als zij minder lang in het water zou hebben gelegen.
Het is een feit van algemene bekendheid dat de kans op overlijden door een zuurstofgebrek door verdrinking toeneemt naarmate het zuurstofgebrek langer aanhoudt. Door niet om te kijken naar het andere slachtoffer, niet de hulpdiensten in te schakelen en tegen de omstanders niet te vertellen dat er een tweede auto bij het ongeval betrokken was, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer – dat onder water was beland – aan de verwondingen zou bezwijken of – zoals in casu – te lang geen zuurstof zou krijgen en daaraan zou overlijden. Het hof is van oordeel dat de verdachte het gevaar dat het slachtoffer zou komen te overlijden – welk gevaar zich een aantal dagen na de botsing heeft verwezenlijkt – in zodanige mate heeft verhoogd dat dat overlijden redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend als gevolg van diens nalaten tijdig adequate hulp in te (doen) roepen.
Het hof komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde, met uitzondering van het medeplegen.”
2.3
Voor de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende bepalingen van belang.
- Artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht:
“Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan doodslag, gestraft met (...).”
- Artikel 7 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994), zoals dat luidde ten tijde van het bewezenverklaarde:
“Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien:
a. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan een ander is toegebracht;
b. daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.”
2.4.1
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet het volgende worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
2.4.2
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
2.4.3
Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. In dat verband kunnen de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behalve als sprake is van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. (Vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049 en HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718.)
2.5.1
Het hof heeft – kort gezegd – vastgesteld dat de verdachte op 9 december 2017, komend vanuit de [a-straat] in [plaats] met op dat moment nog een snelheid van ongeveer 70 kilometer per uur, frontaal tegen de bestuurderszijde van de van rechts komende auto van het slachtoffer is gebotst. Onder verwijzing naar deze toedracht heeft het hof – niet onbegrijpelijk – geoordeeld dat de verdachte moet hebben geweten dat hij die aanrijding heeft veroorzaakt.Verder heeft het hof vastgesteld dat het slachtoffer met haar auto in een naastgelegen sloot is terechtgekomen als gevolg van die botsing, waarbij haar auto op de linkerzijde in het water lag. De auto van de verdachte is voor de sloot tegen een boom tot stilstand gekomen. De verdachte is bijna direct na het ongeval uit zijn auto gestapt, heeft een vriend uit die auto bevrijd, heeft de hulpdiensten niet gebeld en heeft tegen een omstander op een intimiderende manier gezegd dat hij niet wilde dat de politie zou komen. De verdachte heeft niemand verteld over de andere auto waarmee hij in aanrijding was gekomen en is vervolgens rustig weggelopen, terwijl hij belde met een vriend om te vragen of hij ergens kon worden opgehaald. Op 20 december 2017 is het slachtoffer aan de gevolgen van de aanrijding – te weten (traumatische) hersenbeschadiging en longbeschadiging ten gevolge van (bijna) verdrinking – overleden.
2.5.2
Het hof heeft overwogen dat uit artikel 7 lid 1 WVW 1994 een “specifieke zorgplicht” volgt voor de veroorzaker van een verkeersongeval, die inhoudt dat het is verboden om de plaats van een ongeval te verlaten als daardoor een ander in hulpeloze toestand wordt achtergelaten. Tegen deze achtergrond heeft het hof verder overwogen dat op de veroorzaker van zo’n botsing de plicht rust te doen wat in zijn vermogen ligt om ervoor te zorgen dat tijdig de noodzakelijke hulp wordt verschaft aan de inzittenden van de auto waartegen hij is aangereden. Daaronder valt volgens het hof ook de plicht om zich na de botsing tijdig op de hoogte te stellen van wat met de andere auto en de inzittenden van die auto is gebeurd.
2.5.3
Het hof heeft in aansluiting op zijn hiervoor onder 2.5.1 weergegeven vaststellingen overwogen dat de verdachte zich niet op de hoogte heeft gesteld van wat er direct na het ongeval met de andere auto en het daarin aanwezige slachtoffer is gebeurd en haar ook geen hulp heeft geboden, terwijl de verdachte wel in staat was na te denken en de situatie te overzien. Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer (mede) als gevolg van het te lang uitblijven van hulpverlening zou komen te overlijden, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van wat onder 2.4 is vooropgesteld toereikend gemotiveerd.
2.6
Het cassatiemiddel faalt in zoverre.
2.7
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaren en zes maanden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vier jaren en vier maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2025.
Conclusie 03‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. 1. Overtreding art. 6 WVW 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, 2 primair. doodslag (art. 287 Sr), en 3. verlaten plaats van ongeval (art. 7, lid 1, WVW 1994). M1. Vijf falende deelklachten inhoudende (i) dat bewezenverklaring onder 2 primair ontoereikend is gemotiveerd omdat verdachte niet heeft gezien dat slachtoffers auto in het water was beland; (ii) dat nadere bewijsoverweging en gebezigd bewijsmiddel tegenstrijdig zijn; (iii) dat ’s hofs oordeel inzake voorwaardelijk opzet onder 2 primair niet te rijmen is met bewezenverklaring onder 3; (iv) dat ’s hofs oordeel inzake voorwaardelijk opzet onder 2 duidt op schuld en onvoldoende is voor bewijs opzet; (v) dat arrest lijdt aan tegenstrijdigheid doordat hof heeft bewezenverklaard dat verdachte aan slachtoffers dood schuld én opzet heeft (vgl. HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1660). M2. Overschrijding inzendtermijn. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00958
Zitting 3 december 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 3 maart 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem wegens 1. " overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood", 2 primair. "doodslag" en 3. "overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot 4 jaren en 6 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr alsmede een rijontzegging voor de duur van 5 jaren. Het hof heeft daarnaast de vorderingen van de benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partije [benadeelde 2] gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en het hof heeft de benadeelde partij [benadeelde 3] niet ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.J. van Berlo en R.J. Baumgardt, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring ‘s hofs bewijsoverweging en de voor de bespreking van het eerste middel relevante bewijsmiddelen weer.
Het hof heeft in het bestreden arrest ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“1.
hij op 09 december 2017 te [plaats] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, (de [a-straat] en de [b-straat] ), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat hij zeer, onvoorzichtig en onoplettend, met dat motorrijtuig
- terwijI de weg bedekt was met een dunne laag natte sneeuw met een snelheid van ongeveer 98 kilometer per uur, althans een aanmerkelijk hogere snelheid dan ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en gelet op de wegomstandigheden niet veilige snelheid rijdende op de kruising van de [a-straat] en de [b-straat] is genaderd en
- bij de nadering van die kruising waar met borden en haaientanden was aangegeven dat hij voorrang moest verlenen aan het kruisende verkeer, zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast en
- de vlak voor die kruising een in de [a-straat] gelegen buiging naar rechts niet heeft gevolgd maar rechtdoor over een verhoogde middengeleider gelegen in de [a-straat] is gereden en
- vervolgens in een hoek van ongeveer 45 graden de vier rijstroken van de zuidelijk rijbaan van de [b-straat] en groenstrook tussen de zuidelijke en noordelijke rijbaan van aan van de [b-straat] is overgestoken en
- tegen een andere op de noordelijke rijbaan van de [b-straat] rijdende auto, Renault Clio (welke hij voorrang had moeten verlenen) is gebotst, waardoor die Renaul Clio in een parallel aan die [b-straat] gelegen sloot is terechtgekomen,
waardoor een andere (genaamd [slachtoffer] , zijnde een inzittende van die Renault Clio) werd gedood,
terwijl
het ongeval is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate is overschreden.
2. primair
hij op 09 december 2017 te [plaats] , opzettelijk een persoon, te weten [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hebbende hij, verdachte, nadat de auto welke die [slachtoffer] bestuurde, was aangereden door de auto waarin verdachte zat en door die aanrijding met haar auto (op de zijkant met de bestuurderszijde aan de onderzijde) in een sloot, terecht was gekomen,
en terwijl hij wist dat die auto van die [slachtoffer] betrokken was bij die aanrijding, niet heeft gekeken waar de auto van die [slachtoffer] terecht was gekomen en
zonder zich ervan te vergewissen dat die [slachtoffer] veilig was,
- opzettelijk heeft nagelaten om de hulpdiensten in kennis te stellen van de betrokkenheid van de auto van die [slachtoffer] bij die aanrijding en
- nadat omstanders ter plaatse van de aanrijding waren gekomen teneinde te kijken of zij hulp konden bieden, opzettelijk heeft nagelaten om deze omstanders in kennis te stellen van de betrokkenheid van de auto van [slachtoffer] bij die aanrijding
- opzettelijk tegen een of meer ter plaatse gekomen omstanders heeft gezegd dat hij geen politie wilde en
- opzettelijk heeft nagelaten om ter plaatse van de aanrijding gekomen politiemedewerkers in kennis te stellen van de betrokkenheid van de auto van [slachtoffer] bij de aanrijding waardoor die [slachtoffer] (langer dan nodig) in haar voertuig onder water is blijven liggen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] (op 20 december 2017) is overleden.
3.
hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in [plaats] op de [b-straat] , op 09 december 2017 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en schade was toegebracht.”
3.1 Het hof heeft in het bestreden arrest inzake het bewijs onder meer het volgende overwogen (met weglating van een verwijzing):
“Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen voor alle aan hem ten laste
gelegde feiten. Ten aanzien van feit 1 heeft hij gevorderd verdachte - net als in eerste aanleg
- vrij te spreken van roekeloos rijgedrag en de strafverzwarende omstandigheid dat
verdachte ten tijde van het ongeval verkeerde onder invloed van alcohol en/of drugs.
Daarnaast heeft hij ten aanzien van dit feit aangevoerd dat feitelijk kan worden vastgesteld
dat verdachte de maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, maar dat dit sinds 1
januari 2020 niet meer te gelden heeft als strafverzwarende omstandigheid.
Ten aanzien van feit 2 primair heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat verdachte wist dat
hij een aanrijding met een andere auto had gehad en zich realiseerde dat de persoon in de
andere auto hulp nodig had. Uit artikel 7 Wegenverkeerswet 1994 volgt dat verdachte een
zorgplicht had. Verdachte heeft echter geen enkele actie ondernomen en is weggegaan.
Verdachte heeft met zijn handelen voorwaardelijk opzet gehad op de dood van het
slachtoffer. Er is sprake van een causaal verband tussen het niet inschakelen van hulp door
verdachte en het overlijden van het slachtoffer.
Verdachte heeft erkend dat hij de plaats van het ongeval heeft verlaten, dus feit 3 kan ook
bewezenverklaard worden.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de ten laste gelegde doodslag. Voorts heeft zij aangevoerd dat de rechtbank juist heeft beslist ten aanzien van de deelvrijspraken ter zake van feit 1. Voor wat betreft feit 3 heeft zij geen verweer gevoerd.
Verdachte wist niet dat hij een andere auto had geraakt. De eerste verklaringen die hij hierover heeft afgelegd - inhoudende dat hij de auto wel heeft gezien - kloppen niet en stroken ook niet met de objectieve bevindingen. Verdachte kan zich niet herinneren wat er precies gebeurd is, maar hij weet zeker dat hij niet heeft geweten dat hij een andere auto heeft geraakt. Als hij dit wel had geweten dan had hij daarnaar gehandeld en zich bekommerd om het slachtoffer. Het beeld zoals te zien is (…) is niet het beeld wat verdachte heeft gezien; hij was gefocust op links. Hij zag wat te zien is op het door de verdediging overgelegde ‘filmpje links’. Het gevoel van meer botsingen impliceert niet dat verdachte wist dat hij een auto had geraakt voordat de auto tegen de boom aankwam. Het gebeurde allemaal heel snel en onder niet ideale omstandigheden. Het was donker en er was veel paniek in de auto. Ook de passagiers die bij Verdachte in de auto zaten hebben niet in de gaten gehad dat er een aanrijding met een andere auto had plaatsgevonden.
Verdachte heeft ook niet gezien dat er een auto in de sloot lag. Gelet op de omstandigheid dat ook getuigen en politie dit niet hebben opgemerkt was de auto ook niet goed zichtbaar.
Het verlaten van de plaats van het ongeval door verdachte is niet van enige invloed geweest op het gevolg. De hulpdiensten waren al onderweg toen hij wegging. Dat verdachte niet zelf 112 heeft gebeld heeft geen enkele bijdrage gehad aan de duur van het te water blijven van het slachtoffer. Bovendien blijkt uit het dossier dat verdachte zeer waarschijnlijk zou zijn tegengehouden als hij zelf in het water had willen, springen. Daarenboven kan niet vastgesteld worden of het eerder ter plaatse zijn van de politie of brandweer enig verschil had gemaakt.
Oordeel hof
Het hof acht de tenlastegelegde feiten bewezen. Wat de motivering betreft sluit het hof zich grotendeels aan bij de overwegingen van de rechtbank. Deze overwegingen worden hieronder cursief weergegeven. De aanvullende overwegingen van het hof worden niet cursief weergegeven.
Verdachte reed in de vroege ochtend van 9 december 2017 als bestuurder van de Audi met een snelheid van bijna 100 kilometer per uur op de [a-straat] richting de kruising met de [b-straat] , een voorrangsweg in de bebouwde kom van [plaats] . De ter plaatse geldende maximumsnelheid bedroeg 50 kilometer per uur. Het was op dat moment nog donker en op het wegdek lag natte sneeuw. De [a-straat] buigt vlak voor het kruispunt met de [b-straat] - alwaar voorrang moet worden verleend af naar rechts. Verdachte was bekend met de situatie ter plaatse. Verdachte heeft die bocht niet gehaald en reed in een rechte, diagonale streep — over de middengeleider en een groenstrook— de [b-straat] over, waar hij met een snelheid van zo’n 70 kilometer per uur tegen de bestuurderszijde van de auto van [benadeelde 3] botste, die op dat moment van rechts kwam. [benadeelde 3] is als gevolg van deze botsing met haar auto in een naastgelegen sloot terechtgekomen. De auto van verdachte is — voor deze sloot — tegen een boom tot stilstand gekomen. [benadeelde 3] is op 20 december 2017 overleden aan de gevolgen van de aanrijding. Kort na de aanrijding heeft verdachte de plaats van het ongeval verlaten. Pas elf dagen later heeft hij zich bij de politie gemeld.
Feit 1
Schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet
Aan verdachte is onder feit 1 ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet (WVW). Bij de vraag of sprake is van schuld in de zin van dit artikel komt het volgens vaste rechtspraak aan op het geheel van gedragingen, van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Gelet op de ernst en de aard van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor vastgesteld, in onderling verband bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of sprake was van roekeloosheid. Roekeloosheid is een juridisch begrip dat niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat daaronder in het normale spraakgebruik wordt verstaan. In artikel 175, tweede lid, onder a, WVW is bepaald dat een overtreding van artikel 6 WVW dubbel zo zwaar zou kunnen worden bestraft als de schuld bestaat in roekeloosheid. Schuld in de zin van roekeloosheid is dus een zwaardere vorm van schuld. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat sprake is van roekeloosheid indien er zodanige feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Voorbeelden van zaken waarin bewezen is verklaard dat sprake was van roekeloosheid zijn zaken waarin sprake was van snelheidswedstrijden of kat- en muisspelen op de openbare weg. Alhoewel verdachte zeer gevaarlijk heeft gereden, voldoet zijn handelen naar het oordeel van de rechtbank niet aan de hoge eisen die door de Hoge Raad zijn gesteld ten aanzien van het begrip roekeloosheid. De rechtbank is wel van oordeel dat het rijgedrag van verdachte moet worden aangemerkt als zeer onvoorzichtig en onoplettend.
Gebruik van alcohol en/of lachgas
Alhoewel het dossier indicaties bevat dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit onder invloed was van alcohol en/of lachgas, kan dit naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend worden bewezen. Zowel verdachte als de bijrijders verklaren wisselend over zijn gebruik. Het procesdossier bevat ook geen waarnemingen van verbalisanten over de staat waarin verdachte verkeerde na de aanrijding, nu hij de plaats van het ongeval vrijwel direct heeft verlaten. Ook objectief bewijs in de vorm van bloedonderzoek heeft niet kunnen plaatsvinden, gelet op het tijdsverloop tussen het verlaten van de plaats van het ongeval en het moment waarop verdachte zich (elf dagen later) bij de politie heeft gemeld. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in aanloop naar de aanrijding onder zodanige invloed was van alcohol of lachgas (of een andere stof) dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van dat gedeelte van de tenlastelegging.
Conclusie
Het hof neemt de hierboven weergegeven overweging van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof de ten laste gelegde overtreding van artikel 6 WVW wettig en overtuigend bewezen. Het rijgedrag van verdachte wordt daarbij aangemerkt als zeer onvoorzichtig en onoplettend. Verdachte wordt dus vrijgesproken van roekeloosheid en het rijden onder invloed van alcohol en/of lachgas.
Feit 2
Wetenschap bij de verdachte
Verdachte heeft tijdens zijn eerste verhoren bij de politie op 20 en 27 december 2017 en bij de rechter-commissaris op 22 december 2017 verklaard dat hij de auto van [benadeelde 3] - vlak voor het ongeval - wel had gezien en dat hij had geprobeerd om uit te wijken. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg echter ontkend dat hij wist van de aanrijding met een andere auto. Hij dacht dat hij enkel tegen een boom was aangereden. Pas een dag later zou hij via berichtgeving in het nieuws van de andere auto op de hoogte zijn geraakt.
In hoger beroep heeft verdachte opnieuw ontkend dat hij wist dat hij tegen een andere auto was aangereden en heeft hij aangevuld dat zijn blik gefocust was op links omdat hij een boom en paal wilde ontwijken. De verdediging heeft ter onderbouwing hiervan een deskundige een reconstructie laten maken. Dit ‘filmpje links’ is ter zitting bekeken. Het filmpje toont het beeld dat verdachte gehad zou hebben als hij ten tijde van het rijden op de kruising alleen naar links zou hebben gekeken.
Het hof hecht geloof aan de eerste verklaringen bij de politie maar acht de latere verklaringen van verdachte ongeloofwaardig, mede gelet op de objectieve gegevens over het ongeval in het dossier. Het hof is het met de rechtbank eens als die overweegt: uit het proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse, in samenhang bezien met foto 23 in het proces-verbaal van reconstructie blijkt immers dat verdachte de auto van [benadeelde 3] met de voorkant van zijn auto, heeft geraakt ter hoogte van het bestuurdersportier en dat de gehele linkerkant van de auto van [benadeelde 3] - vlak voor de aanrijding - zichtbaar was door de voorruit van de auto van verdachte. Dit wordt naar het oordeel van het hof ook niet weerlegd door de resultaten van het door de verdediging overgelegde aanvullend onderzoek. Ook op het ‘filmpje links’ is de auto van het slachtoffer door de voorruit te zien, vlak voor de aanrijding. Het hof neemt daarbij net als de rechtbank mede in aanmerking dat de straatverlichting werkte ten tijde van het ongeval en uit niets ook niet uit verklaringen van verdachte zelf - is gebleken dat verdachte geen goed zicht zou hebben gehad.
Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte, ter onderbouwing van zijn ontkennende verklaring, meermaals gezegd dat de politieagenten tijdens het verhoor tegen hem gezegd hebben dat hij de auto niet kon hebben gezien. Het hof kan uit de processen-verbaal van verhoor echter niet afleiden dat de verbalisanten hebben gezegd dat verdachte de auto helemaal niet heeft kunnen zien. In ieder geval moet verdachte naar het oordeel van het hof de auto hebben waargenomen.
De rechtbank overweegt verder: dat verdachte ook niet zou hebben gevoeld dat er een botsing met een andere auto heeft plaatsgevonden, laat zich eveneens moeilijk rijmen met de objectieve gegevens uit het dossier. Daaruit blijkt namelijk dat de auto waarin verdachte reed met een snelheid van zo’n 70 kilometer per uur tegen de auto van [benadeelde 3] is gebotst. Het met een dergelijke hoge snelheid frontaal in de flank van een andere auto botsen moet een enorme klap hebben gegeven en verdachte moet die klap hebben gevoeld. Dat verdachte in de veronderstelling was dat hij slechts (en niet méér dan) een boom had geraakt, is om voornoemde redenen ongeloofwaardig.
Verdachte heeft verklaard dat hij geenszins onder invloed is geweest van middelen die zijn bewustzijn en waarneming kunnen hebben verminderd. Ook blijkt uit het dossier niet dat verdachte tijdens of direct na het ongeval buiten bewustzijn is geweest. Integendeel, uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in staat was om bijna direct na het ongeval uit de auto te stappen, een vriend van hem uit de auto te bevrijden en tegen een omstander te zeggen dat hij niet wilde dat de politie zou komen. Vervolgens was hij ook nog in staat om rustig weg te lopen, onderwijl bellend met een vriend om te vragen of hij ergens kon worden opgehaald. Verdachte heeft niemand verteld over de aanrijding met een andere auto.
De overwegingen van de rechtbank neemt het hof over. Gelet op de bewijsmiddelen, in onderling verband bezien, moet verdachte hebben geweten dat hij een aanrijding had veroorzaakt met een andere auto en dat hij die auto met hoge snelheid frontaal in de zijkant heeft geraakt.
(Voorwaardelijk) opzet op de dood van [benadeelde 3] ?
Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte daadwerkelijk uit was op de dood van [benadeelde 3] . Er is daarom geen sprake van vol opzet. De vraag is dan ook of sprake was van voorwaardelijk opzet.
Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Het hof betrekt bij de beoordeling dat uit artikel 7 lid 1 Wegenverkeerswet een specifieke zorgplicht volgt voor de veroorzaker van een verkeersongeval. Het is verboden om de plaats van een ongeval te verlaten indien daardoor een ander in hulpeloze toestand wordt achtergelaten. Dit ter bescherming van het belang van het leven en de lichamelijke gezondheid van verkeersdeelnemers.
Verdachte is met een snelheid van zo’n 70 kilometer per uur frontaal in botsing gekomen met de bestuurderszijde van de auto van [benadeelde 3] . Zoals eerder overwogen, heeft verdachte dit gezien. Bij een dergelijke botsing bestaat, de aanmerkelijke kans dat inzittenden van de andere auto ernstig of levensgevaarlijk gewond raken. Op de veroorzaker van de botsing rust de plicht te doen wat in zijn vermogen ligt om ervoor te zorgen dat tijdig de noodzakelijke hulp wordt verschaft aan de inzittenden van de auto waartegen hij is aangereden. Dit omvat de plicht om zich na de botsing tijdig op de hoogte te stellen van hetgeen met de andere auto en de inzittenden van die auto is gebeurd.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte geen hulp heeft geboden aan de inzittende van de andere auto. Uit de bewijsmiddelen blijkt ook dat verdachte zich niet op de hoogte heeft gesteld van hetgeen met de andere auto en de inzittende van die auto is gebeurd. Verdachte was naar het oordeel van het hof zeer wel in staat de situatie te overzien. Verdachte was bij kennis, heeft zijn vrienden geholpen met uit de auto komen, waarbij hij zich er ook van bewust is geweest dat er ontploffingsgevaar was aangezien de auto rookte. Verdachte was daarmee in staat om na te denken en om zich heen te kijken. Dat hij in shock of in paniek was, zoals hij enkele malen heeft verklaard, acht het hof niet aannemelijk. Verdachte was bekend met de verkeerssituatie ter plekke. Vaststaat dat de auto waar hij tegen aan was gereden niet meer op de kruising stond. Direct achter de eindpositie van de Audi bevond zich de sloot waarin de auto van [benadeelde 3] als gevolg van de botsing terecht was gekomen. Uit niets - ook niet uit verklaringen van verdachte zelf - is gebleken dat hij op enig moment heeft gekeken waar de auto die hij zojuist had aangereden terecht was gekomen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat hij ook niemand in kennis heeft gesteld van de betrokkenheid van een andere auto bij het ongeval terwijl hij daar alle gelegenheid toe had. Verdachte heeft de hulpdiensten niet gebeld en heeft zelfs op een intimiderende wijze tegen een omstander gezegd dat hij er geen politie bij wilde.
Uit het voorgaande leidt het hof af dat verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de inzittende(n) van het betrokken voertuig, [benadeelde 3] , zonder hulpverlening of als gevolg van te late hulpverlening zou komen te overlijden.
Causaal verband
De volgende vraag die het hof moet beantwoorden, is of de dood van [benadeelde 3] verdachte redelijkerwijs kan worden toegerekend.
Het hof overweegt met de rechtbank het volgende.
Het NFI heeft geconcludeerd dat [benadeelde 3] is overleden als gevolg van verwikkelingen van een auto-ongeval, te weten (traumatische) hersenbeschadiging en longbeschadiging ten gevolge van (bijna) verdrinking.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat omstanders en politiemedewerkers die na het ongeval ter plaatse kwamen, er van uitgingen dat sprake was van een eenzijdig ongeval. Als verdachte direct had gemeld dat er nog een andere auto bij het ongeval was betrokken of als hijzelf goed om zich heen had gekeken, was de auto van [benadeelde 3] eerder gevonden en had eerder hulp kunnen worden verleend. Bovendien was de brandweer - vanwege het feit dat de melding dan een andere prioriteit had gekregen - 8 tot 9 minuten eerder ter plaatse geweest en was [benadeelde 3] eerder uit de auto gehaald. De patholoog anatoom van het NFI heeft verklaard dat [benadeelde 3] een grotere kans op overleven zou hebben gehad, als zij minder lang in het water zou hebben gelegen.
Het is een feit van algemene bekendheid dat de kans op overlijden door een zuurstofgebrek door verdrinking toeneemt naarmate het zuurstofgebrek langer aanhoudt. Door niet om te kijken naar het andere slachtoffer, niet de hulpdiensten in te schakelen en tegen de omstanders niet te vertellen dat er een tweede auto bij het ongeval betrokken was, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer - dat onder water was beland - aan de verwondingen zou bezwijken of - zoals in casu - te lang geen zuurstof zou krijgen en daaraan zou overlijden. Het hof is van oordeel de verdachte het gevaar dat het slachtoffer zou komen te overlijden - welk gevaar zich een aantal dagen na de botsing heeft verwezenlijkt - in zodanige mate heeft verhoogd dat dat overlijden redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend als gevolg van diens nalaten tijdig adequate hulp in te (doen)roepen.
Het hof komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde, met uitzondering van het medeplegen.
Feit 3
Verdachte heeft bekend dat hij de plaats van het ongeval heeft verlaten en dat hij zich pas elf dagen later bij de politie heeft gemeld. Dat verdachte ten tijde van het ongeval wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan een ander letsel en schade was toegebracht, blijkt uit hetgeen reeds ten aanzien van feit 2 is overwogen.
Het hof acht het onder feit 3 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.”
3.2 In de aanvulling op het arrest zijn onder meer de volgende bewijsmiddelen opgenomen (met weglating van verwijzingen):
“2. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 20 december 2017 (…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Later toen ik nadacht na het ongeluk, graafde ik in mijn geheugen. Dacht ik dat het een frontale botsing zou worden. Ik herinner mij dat ik over de stoep tussen een boom en een paal reed. Ik zag de auto en wilde die niet frontaal raken. Er lag ook sneeuw.
V: En toen?
A: Toen was de ongeluk gebeurd. De auto draaide rondjes, ik weet het niet meer. Toen we stil stonden, zag ik getuigen. Ik stapte uit. ik haalde [betrokkene 1] eruit. Ik probeerde de deur open te doen, maar dat lukte niet. Ik ben daarna weggegaan. Ik hoorde politie aan komen. Ik ben in paniek weggegaan.
Ik droeg op 9 december 2017 een groene jas.
V: We hebben twee getuigen gesproken. Zij verklaren dat ze eerst een claxon hoorden en daarna een aanrijding?
A: dat kan ik mij niet herinneren. Ik wilde een frontale botsing vermijden, ik wilde de auto niet raken. V: Waar wilde je heen rijden?
A: Ik weet dan niet precies. Op dat moment dat ik de auto zag wilde ik die ontwijken, anders was ik rechtdoor gereden. Rechtdoor richting station Overvecht.”
(…)
8. Een proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 2] (…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op zaterdag 9 december 2017 werd ik wakker van een enorme knal. Ik keek uit het raam en zag een auto helemaal in puin tegen een boom aan staan. Ik ging naar buiten. Toen ik bij de auto kwam, zag ik dat de voorbumper van de auto weg was. Ik stond aan de bestuurderszijde en zag een man buiten de auto staan. Ik noem hem man 2 Hij had een groene jas aan. Ik zag dat man 2 man 3 uit de auto probeerde te krijgen. Ik zei vervolgens tegen man 2 en man 3 dat de politie was gebeld. Terwijl ik dat zei, zag ik dat man 2 zich omdraaide. Man 2 stond tegenover mij. Ik hoorde dat man 2 naar mij schreeuwde: ‘Geen politie, geen politie!!’. Daarbij zwaaide hij met zijn arm en maakte daarmee een ‘nee’ beweging. Ik zag dat man 2 weer in de auto klom om man 3 eruit te krijgen. Ik voelde mij niet veilig en rende naar huis.
9. Een proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 3] (…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Als ik op mijn balkon sta heb ik zicht op de [b-straat] . Ik zag knipperlichten en rook. Ik liep mijn woning uit en zag dat er een auto tegen een boom aan stond. Ik zag mannen bij de auto staan die probeerden iemand uit de auto te halen. Een van de mannen bij de auto had een groene jas aan. Nadat die man uit de auto was gehaald zag ik dat de man met de groene jas heel rustig weg liep.”
4. Het eerste middel
4.1
Het eerste middel valt uiteen in vijf deelklachten die opkomen op tegen het door het hof onder 2 primair bewezenverklaarde feit. De derde en vijfde deelklacht raken tevens de door het hof respectievelijk onder 3 en 1 bewezenverklaarde feiten. De eerste en vierde deelklacht bespreek ik gezamenlijk.
4.2
De eerste deelklacht houdt in dat de bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde feit (doodslag) ontoereikend is gemotiveerd, omdat het hof heeft vastgesteld dat verdachte zich niet op de hoogte heeft gesteld van hetgeen met de andere auto en de inzittende van die auto is gebeurd en dat uit niets is gebleken dat de verdachte op enig moment heeft gekeken waar de auto die hij zojuist had aangereden terecht was gekomen. Dat de auto van het slachtoffer in het water is beland heeft verdachte, aldus de stellers van het middel, dan ook niet waargenomen. De vierde deelklacht houdt in dat ’s hofs oordeel, “dat de verdachte het gevaar dat het slachtoffer zou komen te overlijden - welk gevaar zich een aantal dagen na de botsing heeft verwezenlijkt - in zodanige mate heeft verhoogd dat dat overlijden redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend als gevolg van diens nalaten tijdig adequate hulp in te (doen) roepen”, op schuld duidt en ook onvoldoende is om opzet aan te nemen.
4.3
Ik stel voorop dat de beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor wat betreft de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo een kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.
Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.1.
4.4
De materiële norm neergelegd in art. 287 Sr behelst niet alleen een verbod op het teweegbrengen van het in die bepaling gespecificeerde gevolg door een opzettelijk handelen. Onder omstandigheden kan ook diegene die opzettelijk niet heeft gehandeld waar dat wel geboden was – dat wil zeggen, heeft nagelaten – art. 287 Sr overtreden. Men spreekt dan wel van een oneigenlijk omissiedelict, of in het juridisch Latijn van ooit: delictum comissionis per omissionem.2.Voor de nalater moet in een dergelijk geval, volgens de heersende leer in de literatuur, een ‘bijzondere zorgplicht’ ten aanzien van het betrokken rechtsgoed bestaan.
4.5
Het is het bestaan van een bijzondere zorgplicht dat het strafrechtelijk irrelevante niet doen onderscheidt van het strafrechtelijk wel relevante nalaten. De aansprakelijkheid van het nalaten – die anders oeverloos zou worden – wordt daarmee ingeperkt. De rechtsplicht is bijzonder in die zin dat hij niet is ontleend aan de delictsomschrijving, maar zijn oorsprong elders vindt. De bijzondere zorgplicht kan zo worden gedifferentieerd, aldus Knigge, “van de algemene (op een ieder rustende) zorgplicht die bij elk delict kan worden verondersteld”.3.
4.6
Over de oorsprong, aard en vorm van de plicht bestaat in de literatuur discussie.4.Ik merk daarbij op dat de Hoge Raad in het hierna te bespreken arrest van 8 juni 1971 de term ‘bijzondere zorgplicht’ niet bezigt.5.Ook in arresten van latere datum kom ik het begrip ‘bijzondere zorgplicht’ in het kader van art. 287 Sr als zodanig niet tegen. In het arrest van de Hoge Raad van 12 december 2000, waarin het hof (passieve) medeplichtigheid aan doodslag door na te laten het slachtoffer te beschermen bewezen had verklaard, oordeelde de Hoge Raad dat het hof – overeenkomstig hetgeen kon worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen – had vastgesteld dat “de verdachte wist dat het slachtoffer, tevens zijn huisgenoot, volstrekt weerloos was” en dat, omdat het hof tevens had vastgesteld dat die weerloosheid door de verdachte was veroorzaakt, het hof kennelijk en terecht had geoordeeld dat daardoor op de verdachte de rechtsplicht was komen te rusten om het slachtoffer te beschermen tegen het door de medeverdachte in de woning van de verdachte en in diens bijzijn jegens het slachtoffer gepleegde geweld. Knigge merkt in zijn noot onder het arrest op dat de Hoge Raad heeft gekozen voor een sterk situatie-gebonden ‘rechtsplicht’ en dat de term ‘zorgplicht’ wordt vermeden. Een verklaring daarvoor kan worden gevonden in de omstandigheid dat tussen de verdachte en het slachtoffer geen verzorgingsrelatie bestond. Op de vraag waarop de rechtsplicht tot ingrijpen is gebaseerd heeft de Hoge Raad, aldus Knigge, in dit arrest geen “kant en klaar” antwoord gegeven en heeft de Hoge Raad volstaan met “met het noemen van de factoren die hebben gemaakt dat op de verdachte een rechtsplicht kwam te rusten”.6.
4.7
In de onderhavige zaak heeft het hof, in zijn bewijsoverweging, de “specifieke zorgplicht” die volgt uit art. 7, eerste lid, WVW 1994 tot uitgangspunt heeft genomen. Nu richt die norm zich eensdeels tot iedere betrokkene bij een verkeersongeval, maar anderdeels ook tot de veroorzaker van het ongeval. Op die laatste categorie heeft het hof klaarblijkelijk het oog, nu het heeft overwogen dat op de veroorzaker van de botsing de plicht rust te doen wat in zijn vermogen ligt om ervoor te zorgen dat tijdig de noodzakelijke hulp wordt verschaft aan de inzittenden van de auto waartegen hij is aangereden, waaronder ook valt de plicht om zich na de botsing tijdig op de hoogte te stellen van hetgeen met de andere auto en de inzittenden van die auto is gebeurd. Over het bestaan van die plicht wordt in cassatie niet geklaagd. In de rest van deze conclusie hanteer ik – in de wetenschap van alle daarmee gepaard gaande haken en ogen – het begrip ‘plicht’.
4.8
Illustratief voor de plicht tot (anders) handelen is de casus, bestaande uit een complex van handelen en nalaten, die ten grondslag lag aan het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 1971. De verdachte had het dronken slachtoffer eerst geslagen, gestompt en geschopt, het slachtoffer van zijn kleding ontdaan en daarna ‘s nachts, vrijwel naakt in de vrieskou achtergelaten, ten gevolge waarvan het slachtoffer kwam te overlijden.7.De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsmiddelen het voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer kon worden afgeleid en verwierp het cassatieberoep. Lindenberg en Wolswijk leiden uit dit arrest af dat verdachtes voorafgaand gevaarzettend handelen de bijzondere plicht schiep om voor het slachtoffer te zorgen.8.
4.9
In de onderhavige zaak heeft het hof inzake het voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer vastgesteld dat de verdachte met een snelheid van zo’n 70 kilometer per uur frontaal in botsing is gekomen met de bestuurderszijde van de auto van het slachtoffer en dat de verdachte dit heeft gezien. Het hof heeft overwogen dat bij een dergelijke botsing de aanmerkelijke kans bestaat dat inzittenden van de andere auto ernstig of levensgevaarlijk gewond raken en dat op de veroorzaker van de botsing de plicht rust “te doen wat in zijn vermogen ligt om ervoor te zorgen dat tijdig de noodzakelijke hulp wordt verschaft aan de inzittenden van de auto waartegen hij is aangereden”, waaronder ook de plicht valt om zich na de botsing tijdig op de hoogte te stellen van hetgeen met de andere auto en de inzittenden van die auto is gebeurd.
4.10
Het hof heeft uit de bewijsmiddelen onder meer afgeleid dat de verdachte, kort gezegd, geen hulp heeft geboden aan de inzittende van de andere auto; dat de verdachte zich niet op de hoogte heeft gesteld van hetgeen met de andere auto en de inzittende is gebeurd, terwijl hij wel in staat was de situatie te overzien, dat vaststaat dat de auto waar hij tegen aan was gereden niet meer op de kruising stond en dat direct achter de eindpositie van de auto waar de verdachte in reed zich de sloot bevond waarin de auto van het slachtoffer als gevolg van de botsing terecht was gekomen; dat uit niets blijkt dat de verdachte op enig moment heeft gekeken waar de auto die hij zojuist had aangereden terecht was gekomen; dat de verdachte niemand in kennis heeft gesteld van de betrokkenheid van een andere auto bij het ongeval; dat de verdachte de hulpdiensten niet heeft gebeld terwijl hij daar alle gelegenheid toe had; en dat de verdachte op intimiderende wijze tegen een omstander heeft gezegd dat hij er geen politie bij wilde.
4.11
Het hof heeft op grond van de bewijsmiddelen geoordeeld dat de verdachte niet heeft gehandeld waar dat, gelet op de plicht die op hem in de onderhavige omstandigheden rustte wel geboden was en dat de verdachte, gelet op onder meer die omstandigheid, welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zonder hulpverlening of als gevolg van te late hulpverlening zou komen te overlijden. Dat oordeel geeft naar mijn mening geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is naar ik meen ook niet onbegrijpelijk.
4.12
Dat de verdachte – zoals door de stellers van het middel is aangevoerd – niet heeft gezien dat de auto van het slachtoffer in het water is beland, al zou dat zo zijn, doet, mede gelet op hetgeen hiervoor in 4.9 tot en met 4.11 is besproken, aan de toereikendheid van de motivering van het onder 2 primair bewezenverklaarde dan ook niet af. Dat er ook omstanders aanwezig waren en zij de auto in het water niet hebben waargenomen doet aan de toereikendheid van de motivering evenmin af. Uit bewijsmiddelen 8 en 9 blijkt dat zij, in tegenstelling tot de verdachte, niet de daaraan voorafgaande aanrijding hebben gezien.
4.13
Gelet op het voorgaande kan voorts – anders dan het middel aanvoert – niet worden gezegd dat het bestreden oordeel op schuld duidt en/of onvoldoende is om opzet aan te nemen. Ten overvloede merk ik op dat de door de stellers aangehaalde overweging van het hof met betrekking tot de causaliteit evenmin op schuld duidt; deze staat immers (uitsluitend) in het teken van het oorzakelijk verband.
4.14
De eerste deelklacht en de vierde deelklacht falen.
4.15
De tweede deelklacht houdt in dat de bewezenverklaring onder 2 primair niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, omdat het hof, aldus de stellers van het middel, heeft overwogen dat het niet aannemelijk heeft geacht “dat verdachte na de aanrijding in paniek was, zoals hij enkele malen heeft verklaard”, terwijl het hof de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij in paniek is weggegaan, in de aanvulling op het arrest tot het bewijs heeft gebezigd.
4.16
Het hof heeft onder het tussenkopje “(Voorwaardelijk) opzet op de dood van [benadeelde 3] ?” geoordeeld dat de verdachte “zeer wel in staat” was “de situatie te overzien”, dat de verdachte bij kennis was, dat hij zijn vrienden heeft geholpen met uit de auto komen – “waarbij hij zich er ook van bewust is geweest dat er ontploffingsgevaar was aangezien de auto rookte” – en dat de verdachte daarmee in staat was “om na te denken en om zich heen te kijken”. Dat de verdachte “in shock of paniek was, zoals hij enkele malen heeft verklaard” heeft het hof niet aannemelijk geacht.
4.17
In de aanvulling op het arrest is bewijsmiddel 2 opgenomen, inhoudende een proces-verbaal van verhoor van verdachte (zie 3.2 voor de volledige weergave). Op de vraag “En toen?” heeft de verdachte als volgt verklaard: “Toen was de ongeluk gebeurd. De auto draaide rondjes, ik weet het niet meer. Toen we stil stonden, zag ik getuigen. Ik stapte uit. ik haalde [betrokkene 1] eruit. Ik probeerde de deur open te doen, maar dat lukte niet. Ik ben daarna weggegaan. Ik hoorde politie aan komen. Ik ben in paniek weggegaan.”
4.18
Uit de bewijsoverweging blijkt dat het hof verdachtes verklaringen dat hij onmiddellijk na het verkeersongeval in paniek verkeerde – en, zo begrijp ik, om die reden zich niet op de hoogte heeft gesteld van hetgeen met de auto en het slachtoffer is gebeurd – niet aannemelijk heeft geacht. Uit bewijsmiddel 2 blijkt dat de verdachte de politie hoorde aankomen en in paniek is weggegaan. Het hof heeft daaruit kennelijk afgeleid dat de paniek bij de verdachte ontstond op het moment dat hij de politie hoorde aankomen en wegging en niet eerder, in de momenten onmiddellijk na het verkeersongeval. Het hof heeft aldus in de bewijsmiddelen ook niet een verklaring van de verdachte gebezigd die het niet aannemelijk heeft geacht. Niet gezegd kan worden dat de bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig is en dat de bewezenverklaring onder 2 primair om die reden niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
4.19
Ook de tweede deelklacht faalt.
4.20
De derde deelklacht houdt in dat ’s hofs oordeel, dat de “verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de inzittende(n) van het betrokken voertuig, [benadeelde 3] , zonder hulpverlening of als gevolg van te late hulpverlening zou komen te overlijden”, niet te rijmen is met hetgeen het hof onder 3 bewezen heeft verklaard, te weten dat de verdachte, “als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in [plaats] op de [b-straat] , op 09 december 2017 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en schade was toegebracht.”
4.21
Het hof heeft, onder het tussenkopje “(Voorwaardelijk) opzet op de dood van [benadeelde 3] ?”, geoordeeld dat de “verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de inzittende(n) van het betrokken voertuig, [benadeelde 3] , zonder hulpverlening of als gevolg van te late hulpverlening zou komen te overlijden”, welk gevolg – zo heeft het hof verderop in het arrest overwogen – zich een aantal dagen nadien heeft verwezenlijkt. Ter onderbouwing van dit oordeel heeft het hof, kort gezegd, overwogen dat bij de door de verdachte waargenomen aanrijding, en de omstandigheden waaronder deze zich heeft afgespeeld, de aanmerkelijke kans bestond dat inzittenden van de andere auto ernstig of levensgevaarlijk gewond zouden raken, dat op de veroorzaker van een dergelijke aanrijding de plicht rust te doen wat in zijn vermogen ligt om ervoor te zorgen dat tijdig de noodzakelijk hulp wordt verschaft aan de inzittenden van de auto waartegen hij is aangereden, en dat de verdachte dat heeft nagelaten.
4.22
Het onder 3 bewezenverklaarde betreft het verwijt dat de verdachte op het moment dat hij de plaats van het ongeval heeft verlaten, heeft geweten of redelijkerwijs moest vermoeden dat het slachtoffer letsel en schade was toegebracht. Het hof heeft inzake het bewijs van het onder 3 bewezenverklaarde feit overwogen dat dit blijkt uit “hetgeen reeds ten aan zien van feit 2 is overwogen”. Ik begrijp dat het hof hiermee verwijst naar zijn eerdere vaststellingen, inhoudende dat de verdachte met een snelheid van zo’n 70 kilometer per uur frontaal in botsing is gekomen met de bestuurderszijde van de auto van het slachtoffer en dat de verdachte dit heeft gezien.
4.23
De nadruk bij het in de deelklacht bestreden oordeel van het hof, en in bredere zin het onder 2 primair bewezenverklaarde, ligt, kort gezegd,9.op het nalaten en het door de verdachte bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer ten gevolge daarvan zou komen te overlijden, terwijl het bij het onder 3 bewezenverklaarde gaat over het verlaten van de plaats van het ongeval hoewel hij op dat moment wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat letsel en schade aan het slachtoffer was toegebracht ten gevolge van dat verkeersongeval. ’s Hofs bestreden oordeel inzake het voorwaardelijk opzet en ’s hofs bewezenverklaring onder 3 kunnen naar mijn oordeel naast elkaar bestaan zonder afbreuk te doen aan de begrijpelijkheid van de bewijsconstructie van het onder 2 primair bewezenverklaarde feit of aan de bewezenverklaring onder 3. Daartoe wijs ik er nog op dat het begrip ‘weet’, dat onderdeel is van het samenstel ‘weten of redelijkerwijze moeten vermoeden’ uit art. 7, eerste lid, WVW 1994 ook voorwaardelijk opzet bestrijkt.10.
4.24
Ook de derde deelklacht faalt.
4.25
De vijfde deelklacht houdt in dat ’s hofs arrest lijdt aan innerlijke tegenstrijdigheid, doordat het hof enerzijds het onder 1 tenlastegelegde (art. 6 WVW 1994) heeft bewezenverklaard – dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ongeval waarbij een ander wordt gedood en dat hierin is vastgesteld dat de verdachte aan die dood schuld (culpa) heeft – en anderzijds het onder 2 primair tenlastegelegde (doodslag) heeft bewezenverklaard – dat de dood van het slachtoffer niet is veroorzaakt door schuld, maar door voorwaardelijk opzet (dolus). Een persoon kan, aldus de stellers van het middel, maar eenmaal het leven verliezen, en een verdachte kan daaraan schuld óf opzet hebben: de “gradatie van 'opzet' absorbeert de lagere gradatie schuld”.
4.26
In de toelichting op het middel wordt, ter onderbouwing van het bovenstaande, een beroep gedaan op een arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2015.11.De uitspraak die in cassatie voorlag betrof het volgende feitencomplex. De verdachte was bij nadering van politieambtenaren weggerend met een plastic boodschappentas, welke € 39.520,- aan bankbiljetten bleek te bevatten. De verdachte verklaarde dat hij dat geld had verdiend met de verkoop van kleding. Aan de verdachte was tenlastegelegd dat hij, kort gezegd, bankbiljetten had verworven, voorhanden had gehad, had overgedragen en/of omgezet, althans daarvan gebruik had gemaakt, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat die biljetten afkomstig waren uit enig misdrijf. Niet witwassen (art. 420bis Sr) maar schuldwitwassen (art. 420quater Sr) was ten laste gelegd. Het hof had de verdachte in het bestreden arrest vrijgesproken van schuldwitwassen, na te hebben vastgesteld dat de verdachte zich had schuldig gemaakt aan opzetwitwassen, welk feit niet aan de verdachte ten laste was gelegd.
4.27
In zijn tot cassatie strekkende conclusie voor HR 16 juni 2015 is (destijds) AG Bleichrodt ingegaan op de vraag of schuld iets geheel anders is dan opzet dan wel dat opzet schuld insluit.12.Die vraag kreeg betekenis doordat de tenlastelegging in de betrokken zaak enkel was toegesneden op de culpoze variant van een strafbaarstelling (schuldwitwassen, art. 420quater Sr), terwijl de rechter van mening was dat opzettelijk was gehandeld (witwassen, art. 420bis Sr). In de ‘aliud-theorie’, waarin opzet als iets wezenlijk anders wordt gezien dan schuld, zou de rechter in deze situatie niet tot een veroordeling kunnen komen. In de ‘minus-theorie’, waarin als uitgangspunt wordt genomen dat opzet schuld insluit, behoort een veroordeling wegens het culpoze feit wel tot de mogelijkheden. In zijn conclusie geeft Bleichrodt vervolgens een overzicht van de argumenten die voor deze beide theorieën naar voren zijn gebracht. Ik verwijs daarvoor graag naar zijn uitgebreide verhandeling op dit punt. Vervolgens komt Bleichrodt tot de volgende slotsom: “Naar mijn mening past de zogenoemde ‘minus’-theorie, zeker in een zaak waarin de verhouding tussen opzetwitwassen en schuldwitwassen centraal staat, beter bij de ontwikkelingen in de wetgeving en de rechtspraak ten aanzien van beide schuldvormen dan de ‘aliud’- theorie. Deze kent bovendien niet de praktische nadelen van laatstgenoemde theorie.” Met die praktische nadelen duidt Bleichrodt op de situatie waarin de officier van justitie een persoon vervolgt ter zake van (bijvoorbeeld) schuldheling, terwijl de rechter van oordeel is dat opzet kan worden aangenomen. Dan zou bij hantering van de ‘aliud’-theorie vrijspraak moeten volgen.
4.28
De Hoge Raad casseerde in de hierboven beschreven zaak en overwoog onder meer dat de omstandigheid dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld op zichzelf “niet uitsluit” dat, “indien zulks is tenlastegelegd, bewezen kan worden verklaard dat de verdachte "redelijkerwijs moest vermoeden" dat het geld uit misdrijf afkomstig was en dat het handelen van de verdachte daarom kan worden aangemerkt als schuldwitwassen als bedoeld in art. 420quater Sr”.
4.29
Als ik de stellers van het middel goed begrijp beogen deze in de onderhavige zaak, met het beroep op het arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2015, een variant op de ‘minus-theorie’ ingang te doen vinden. De consequentie daarvan zou dan (moeten) zijn dat verdachtes opzet op de dood van het slachtoffer (feit 2, art. 287 Sr) de schuld daaraan (feit 1, art. 6 WVW 1994) absorbeert. De tegenstrijdigheid in het arrest zou, bij het aanhangen van deze theorie, bestaan in de omstandigheid dat het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte zowel opzet als schuld op de dood van het slachtoffer had. Het lijkt mij dat de stellers van het middel hierbij begripsmatig gezien niet het juiste spoor volgen. Als schuld - zoals zijzelf postuleren - een ‘lagere’ gradatie van opzet is, is een bewezenverklaring van beide juist niet uit te sluiten. Of het meerdere het mindere absorbeert is dan hooguit een vraag naar de toepassing van de samenloopregeling op beide feiten. Maar daarop is het middel niet gericht, zodat ik dat punt laat rusten.
4.30
Belangrijker is echter dat de strijd tussen aanhangers van de ‘aliud-theorie’ en de ‘minus-theorie’ in deze zaak noch in zijn algemeenheid noch toegespitst op de artikelen 6 WVW 1994 en 287 Sr hoeft te worden beslecht. De vraag die in 2015 in cassatie voorlag – kort gezegd, of een verdachte die één verwijt is gemaakt voor een culpoos delict kan worden veroordeeld, wanneer opzettelijk handelen zou kunnen worden vastgesteld – is wezenlijk anders dan de vraag die in de onderhavige zaak speelt. De verdachte in de onderhavige zaak wordt, voor zover voor de bespreking van het middel hier van belang, niet één maar een tweetal verwijten gemaakt: kort gezegd dat hij zodanig onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden (onder 1 tenlastegelegd) én het hebben nagelaten hulp te bieden aan het slachtoffer nadat zij met haar auto door voornoemd ongeluk in een sloot terecht was gekomen, terwijl de verdachte wist dat de auto van het slachtoffer bij de aanrijding betrokken was en de verdachte niet heeft gekeken waar de auto van het slachtoffer terecht was gekomen en zich er niet van heeft vergewist dat het slachtoffer veilig was (onder 2 primair tenlastegelegd). Het gevolg, de dood van het slachtoffer, vindt zijn oorzaak – zo heeft het hof vastgesteld – in verwikkelingen van een auto-ongeval, te weten (traumatische) hersenbeschadiging én longbeschadiging ten gevolge van (bijna) verdrinking. Het is uitsluitend in het gevolg dat de twee tenlastegelegde gedragingen convergeren.13.
4.31
Dat het hof ervan uit is gegaan dat de verdachte aan de dood van het slachtoffer zowel opzet als schuld heeft gehad, zoals door de stellers van het middel is aangevoerd, berust op een verkeerde lezing van het arrest, nu in ’s hofs arrest de opvatting besloten ligt dat de schuld in art. 6 WVW 1994 op het verkeersongeval betrokken is en niet op het gevolg. Die opvatting getuigt naar ik meen niet van een onjuiste rechtsopvatting.
4.32
De opvatting dat het schuldvereiste slechts betrokken is op het verkeersongeval leid ik allereerst af uit de redactionele wijziging die de delictsomschrijving bij de totstandkoming van de WVW 1994 heeft ondergaan. Art. 36, eerste lid, van de oude Wegenverkeerswet uit 1935 luidde als volgt: “Degene aan wiens schuld, bij gelegenheid van eene botsing, aan- of overrijding met een door hem bestuurd motorrijtuig, of bij gelegenheid van eenige handeling ter voorkoming van botsing met of aan- of overrijding door dat motorrijtuig, de dood van een ander te wijten is, wordt, indien de dood door de botsing, aan- of overrijding dan wel door de handeling ter voorkoming daarvan is veroorzaakt, gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie”. Het huidige art. 6 WVW 1994 luidt als volgt: “Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat”. In art. 36 WVW 1935 was het schuldverband duidelijk betrokken op de dood. Het gebruik van het woord ‘waardoor’ in het gewijzigde art. 6 WVW 1994 wijst er evenwel op dat tussen het verkeersongeval en het gevolg enkel een oorzakelijk verband moet bestaan. Het schuldverband is uitsluitend betrokken op het ongeval en niet op het gevolg.
4.33
De wetsgeschiedenis biedt ook aanwijzingen voor de door mij voorgestane lezing van art. 6 WVW 1994: “Waar het om gaat is dat er een aan schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden”, aldus de memorie van toelichting.14.Ook wordt in dezelfde memorie van toelichting, inzake “de voor deze bepaling zo kenmerkende dubbele causaliteit”, opgemerkt dat geen wijziging optreedt. Wel brengt de gewijzigde redactie mee “dat die dubbele causaliteit anders van opzet wordt. In de voorgestelde bepaling wordt primair causaal verband geëist tussen de schuld en het ongeval en vervolgens tussen het ongeval en het gevolg.”15.
4.34
Ook de vooropstelling die de Hoge Raad steevast hanteert inzake dood door schuld in het verkeer spreekt over schuld aan het verkeersongeval. Zo stelt de Hoge Raad in zijn arrest van 1 juni 2004 voorop dat in cassatie slechts kan “worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 Wegenverkeerswet 1994 (…) uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid”.16.De Hoge Raad heeft die vooropstelling in 2024, zo blijkt uit zijn arrest van 15 oktober 2024, niet losgelaten.17.
4.35
Het standpunt dat tussen het verkeersongeval en het gevolg slechts een causaal verband vereist is, heeft eveneens in de literatuur pleitbezorgers gevonden. Krabbe heeft beargumenteert dat met de gewijzigde redactie in art. 6 WVW 1994 een systeembreuk heeft plaatsgevonden, dat art. 6 zelfstandig is geworden ten opzichte van art. 307 Sr en art. 308 Sr, dat art. 6 meer gelijkenissen vertoont met de misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen wordt in gevaar gebracht, en dat met de gewijzigde redactie het “object van de schuld is verplaatst van het uiteindelijke gevolg bij het slachtoffer naar het typische verkeersrechtelijke onderdeel, het verkeersongeval”.18.Ik onderschrijf die opvatting.
4.36
Gelet op het bovenstaande lijdt ’s hofs arrest naar ik meen niet aan innerlijke tegenstrijdigheid. In ’s hofs arrest ligt besloten dat het slachtoffer opzettelijk door de verdachte van het leven is beroofd en dat, hoewel het verkeersongeluk aan verdachtes onvoorzichtige en onoplettende rijden te wijten is, dat niet geldt voor dood die mede ten gevolge daarvan is ingetreden. Deswege faalt de vijfde deelklacht.
4.37
Ik ben mij er echter wel van bewust dat een andere lezing van art. 6 WVW 1994, waarbij het schuldverband wel op de dood is betrokken, niet is uitgesloten. Zo zou het ontbreken van een komma tussen ‘plaatsvindt’ en ‘waardoor’ in de delictsomschrijving er volgens Van Dijk op wijzen dat sprake is van “een samenhangend geheel” waaruit volgt “dat de schuld betrekking heeft op ‘een verkeersongeval waardoor een ander wordt gedood’.”19.Ook elders in de literatuur is het standpunt bepleit dat de schuld betrokken is op de dood. Otte schrijft dat, wil “veroordeling voor dood door schuld volgen”, het nodig is dat “de verdachte schuld heeft aan de dodelijke gevolgen. De culpose dader kon en behoorde te voorzien dat zijn onvoorzichtige verkeersgedrag tot deze gevolgen zou kunnen leiden. Kon de dader niet voorzien dat zijn gedrag tot zo'n ernstig gevolg kon leiden, dan is van schuld geen sprake”.20.De wetsgeschiedenis bevat ook wel aanwijzingen in die richting. De memorie van toelichting wijst er namelijk, naast hetgeen hierboven is opgenomen, ook op dat “voor wat betreft de inhoud van het begrip schuld” geen wijziging is beoogd.21.
4.38
Dat er onduidelijkheid bestaat over het schuldverband van art. 6 WVW 1994 wordt in de literatuur ook wel als zodanig opgemerkt. Wolswijk, Postma en Keulen schrijven dat het duidelijk is dat in ieder geval de schuld op het ongeval betrokken is. “Minder duidelijk is of ook de dood of het (zware) letsel aan verdachtes schuld te wijten moet zijn”.22.Zij wijzen erop dat de reeds hierboven besproken redactie van art. 6 WVW 1994 en de wetsgeschiedenis voor meerdere lezingen vatbaar zijn. Indien de Hoge Raad al dan niet de door mij gekozen koers bij de bespreking van de deelklacht volgt, kan dat wellicht de nodige opheldering over het schuldverband van art. 6 WVW 1994 verschaffen.
4.39
Het eerste middel faalt.
5. Het tweede middel
5.1
Het tweede middel bevat de klacht dat de berechting van de verdachte niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, nu de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
5.2
Op 10 maart 2023 is namens de verdachte beroep in cassatie is ingesteld. De stukken van het geding zijn op 17 januari 2024 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden met meer dan twee maanden. Dit dient tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf te leiden.23.
5.3
Het middel slaagt.
Slotsom
6. Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑12‑2024
Over dergelijke oneigenlijke omissiedelicten – naar de wettelijke omschrijving commissiedelicten die ook door een nalaten kunnen worden gepleegd – en de daaraan gekoppelde bijzondere zorgplicht zie (in het algemeen) onder meer J. Remmelink, Mr. D. Hazewinkel-Suringa’s Inleiding tot de studie van het Nederlands strafrecht, Deventer: Gouda Quint 1996, p. 164-168; H.D. Wolswijk, ‘Strafbaar nalaten: een zorgplicht minder’, in: A.E. Harteveld, D.H. de Jong en E. Stamhuis (red.), Systeem in ontwikkeling. Liber amicorum G. Knigge, Nijmegen: Wolf Legal Publishers, p. 547-565; K. Lindenberg en H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 75-76; C. Kelk en F. de Jong, Studieboek materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 57-58; T.J. Noyon, G.E. Langemeijer en J. Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, voortgezet door J.W. Fokkens, E.J. Hofstee en A.J.M. Machielse, Deventer, aant. 2 bij commentaar op art. 287 Sr; J. de Hullu en P.H.P.H.M.C van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 87-89.
G. Knigge, ‘Doen en laten; enkele opmerkingen over daderschap’, DD 1992, afl. 2, p. 133-134. Zie ook Wolswijk, a.w., p. 547-565.
Voor een overzicht verwijs ik naar Wolswijk, a.w., p. 547-565; voor een kritische analyse over de bijzondere zorgplicht en wat daaronder verstaan moet worden, wijs ik op Knigge 1992, a.w.
HR 8 juni 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB4152, NJ 1972/90 m.nt. Bronkhorst.
Zie HR 12 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8966, NJ 2002/516 m.nt. Knigge, onder 3. Vgl. HR 27 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4434, NJ 2002/517 m.nt. Knigge.
HR 8 juni 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB4152, NJ 1972/90 m.nt. Bronkhorst.
Lindenberg en Wolswijk, a.w., p. 76. Knigge stelt de vraag of wel van een bijzondere zorgplicht gesproken kan worden, omdat het erop lijkt dat de verdachte het slachtoffer die avond in een café had opgepikt en de verdachte het slachtoffer niet kende. Knigge 1992, a.w., p. 134.
Het onder 2 primair bewezenverklaarde bestaat niet alleen uit nalaten, maar ook uit een doen (het door de verdachte opzettelijk tegen een of meer ter plaatse gekomen omstanders zeggen dat hij geen politie wilde).
Vgl. HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8673, NJ 2008/318.
HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1660, NJ 2015/362 m.nt. Keijzer.
Conclusie AG Bleichrodt voor HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1660, NJ 2015/362 m.nt. Keijzer.
Ten aanzien van het oordeel van het hof op het punt van de (meervoudige) causaliteit wordt in het middel geen klacht geformuleerd. Terzijde merk ik op dat dit oordeel, dat er op neer komt dat de dood van het slachtoffer zowel aan het ongeval als aan het (latere) nalaten kan worden toegerekend naar mijn mening geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is, gelet op de feitelijke vaststellingen die het hof als uitgangspunt heeft genomen.
Kamerstukken II 1990/91, 22 030, nr. 3, p. 68-69.
HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822, NJ 2005/252 m.nt. Knigge, rov. 3.5.
HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398, rov. 2.6.2.
H.G.M. Krabbe, ‘De artikelen 5 en 6. Gevaar veroorzaken, hinderen en schuld aan een verkeersongeval’, in: A.E. Harteveld en H.G.M. Krabbe (red.), De Wegenverkeerswet 1994. Een strafrechtelijk commentaar, 2e druk, Deventer: Gouda Quint 1999, p. 118-123, 129-130. Zie ook A.E. Harteveld & R. Robroek, Hoofdwegen door het verkeersrecht (Studiepockets Strafrecht nr. 4) 2021, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 80-82.
A.A. van Dijk, Strafrechtelijke aansprakelijkheid heroverwogen. Over opzet, schuld, schulduitsluitingsgronden en straf (diss. Groningen), Apeldoorn: Maklu 2008, p. 37.
M. Otte, Opzet en schuld in het verkeer (oratie Groningen), Deventer: Gouda Quint 2001, p. 2 en 27.
H.D. Wolswijk, A. Postma en B.F Keulen, Ernstige verkeersdelicten, Zutphen: Uitgeverij Paris 2017, p. 42.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, rov. 3.3.
Beroepschrift 11‑03‑2024
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 23/00958
Betekening aanzegging: 30 januari 2024
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
wonende te [woonplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo
dossiernummer: D20240068
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 3 maart 2023, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden. Daarnaast is aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vijf jaren opgelegd. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van een vordering van een benadeelde partij.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard dat verdachte op 09 december 2017 te [a-plaats], opzettelijk een persoon, te weten [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hebbende hij, verdachte, nadat de auto welke die [slachtoffer] bestuurde, was aangereden door de auto waarin verdachte zat en door die, aanrijding met haar auto in een sloot terecht was gekomen, en terwijl hij wist dat dat die auto van die [slachtoffer] betrokken was bij die aanrijding, niet gekeken waar de auto van die [slachtoffer] terecht was gekomen en zonder zich ervan te vergewissen dat die [slachtoffer] veilig was, opzettelijk nagelaten om de hulpdiensten in kennis te stellen van de betrokkenheid van de auto van die [slachtoffer] bij die aanrijding; nadat omstanders ter plaatse van de aanrijding waren gekomen teneinde te kijken of zij hulp konden bieden, opzettelijk nagelaten om deze omstander in kennis te stellen van de betrokkenheid van de auto van [slachtoffer] bij die aanrijding; opzettelijk tegen een of meer ter plaatse gekomen omstanders heeft gezegd dat hij geen politie wilde en opzettelijk heeft nagelaten om ter plaatse van de aanrijding gekomen politiemedewerkers in kennis te stellen van de betrokkenheid van de auto van [slachtoffer] bij de aanrijding waardoor die [slachtoffer] (langer dan nodig) in haar voertuig onder water is blijven liggen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] (op [overlijdensdatum] 2017) is overleden.
In het arrest heeft het hof onder meer vastgesteld dat het slachtoffer is overleden als gevolg van verwikkelingen van een auto-ongeval, te weten (traumatische) hersenbeschadiging en longbeschadiging ten gevolge van (bijna) verdrinking doordat de door haar bestuurde auto in het water is beland. In de onderhavige zaak heeft het hof evenwel ook (onder meer) vastgesteld dat verdachte zich niet op de hoogte heeft gesteld van hetgeen met de andere auto en de inzittende van die auto is gebeurd; niet heeft waargenomen waar de auto die hij zojuist had aangereden terecht was gekomen. Dat de auto van het slachtoffer in het water is beland heeft verdachte dan ook niet waargenomen. In dit licht bezien schiet de bewezenverklaring dan ook te kort, nog afgezien van de omstandigheid dat het hof ook heeft vastgesteld dat ook anderen ter plekke aanwezig waren. Voorts is het arrest innerlijk tegenstrijdig omdat de verdachte zowel schuld (culpa) als opzet (dolus) wordt verweten aan de dood van het slachtoffer.
Dat het hof niet aannemelijk acht dat verdachte na de aanrijding in paniek was, zoals hij enkele malen heeft verklaard, is niet te rijmen met hetgeen het hof in de bewijsmiddelen heeft vastgesteld, te weten dat verdachte ‘in paniek’ is weggegaan. Dat verdachte ‘welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de inzittende(n) van het betrokken voertuig, [benadeelde 3], zonder hulpverlening of als gevolg van te late hulpverlening zou komen te overlijden’ is voorts niet te rijmen met hetgeen het hof ten aanzien van feit 3 bewezen heeft verklaard, te weten dat verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten. [slachtoffer]) letsel en schade was toegebracht. Het oordeel van het hof, dat het overlijden van het slachtoffer ‘redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend als gevolg van diens nalaten tijdig adequate hulp in te (doen)roepen’ duidt daarnaast op schuld en is ook onvoldoende om opzet aan te nemen.
Gelet op het bovenstaande getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting en/of is de verwerping van het verweer/bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
Voorts is het arrest, wat de gradatie van schuld of opzet betreft van de verdachte aan de dood van het slachtoffer, innerlijk tegenstrijdig zodat het arrest daarom niet in stand kan blijven.
Toelichting
1.1
Aan verdachte is tenlastegelegd, dat:
- ‘1.
hij op of omstreeks 09 december 2017 te [a-plaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van eed motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, (de [a-straat] en/of de [b-straat]), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met dat motorrijtuig
- —
terwijl de weg bedekt was met een dunne laag (smeltende/natte) sneeuw en/of ijsvorming met een snelheid van ongeveer 98 kilometer per uur, althans een aanmerkelijk hogere snelheid dan ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en/of gelet op de wegomstandigheden niet veilige snelheid rijdende op de [a-straat] de kruising van de [a-straat] en de [b-straat] is genaderd en/of
- —
bij de nadering van die kruising waar met borden en/of haaientanden was aangegeven dat hij voorrang moest verlenen aan het kruisende verkeer, zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast en/of
- —
de vlak voor die kruising een in de [a-straat] gelegen buiging naar rechts niet heeft gevolgd maar rechtdoor over een verhoogde middengeleider gelegen in de [a-straat] is gereden en/of
- —
(vervolgens) (in een hoek van ongeveer 45 graden) de vier rijstroken, van de zuidelijk rijbaan van de [b-straat] en/of groenstrook tussen de zuidelijke en, de noordelijke rijbaan van aan van de [b-straat] is overgestoken/gereden en/of
- —
tegen een andere op de noordelijke rijbaan van de [b-straat] rijdende auto, Renault Clio (welke hij voorrang had moeten verlenen) is gereden, en/of gebotst, waardoor die Renault Clio in een parallel aan die [b-straat] gelegen vaart/sloot is terecht gekomen,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer], zijnde een inzittende van die Renault Clio) werd gedood, althans zwaar lichamelijk letsel werd, toegebracht, te weten hersenbeschadiging en/of ernstige onderkoeling,
terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet
en/of het ongeval is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid, in ernstige mate is overschreden.
- 2.
primair
hij op of omstreeks 09 december 2017 te [a-plaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon, te weten [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) nadat de auto wélke die [slachtoffer] bestuurde, was aangereden door de auto waarin verdachte en/of zijn medeverdachte(n) zaten en door die, aanrijding met haar auto (op de zijkant met de bestuurderszijde aan de onderzijde) in een vaart/sloot, althans het water, terecht was gekomen,
en/of terwijl hij en/of zijn medeverdachten wisten dat dat die auto van die [slachtoffer] betrokken was bij die aanrijding, niet gekeken waar de auto van die [slachtoffer] terecht was gekomen en/of
zonder zich ervan te vergewissen dat die [slachtoffer] veilig was,
- —
opzettelijk nagelaten om de hulpdiensten in kennis te stellen van de betrokkenheid van de auto van die [slachtoffer] bij die aanrijding en/of
- —
nadat omstanders ter plaatse van de aanrijding waren gekomen teneinde te kijken of zij hulp konden bieden, opzettelijk nagelaten om deze omstander in kennis te stellen van de betrokkenheid van de auto van [slachtoffer] bij die aanrijding en/of
- —
opzettelijk tegen een of meer ter plaatse gekomen omstanders gezegd dat zij geen politie wilden en/of dat zij geen hulp nodig hadden en/of met hun handen te gebaren dat die omstander(s) weg moest(en) gaan en/of
- —
opzettelijk nagelaten om ter plaatse van de aanrijding gekomen politiemedewerkers in kennis te stellen van de betrokkenheid van de auto van [slachtoffer] bij de aanrijding waardoor die [slachtoffer] (langer dan nodig) in haar voertuig onder water is blijven liggen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] (op [overlijdensdatum] 2017) is overleden.
- 2.
subsidiair
hij op of omstreeks 09 december 2017 te [a-plaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk de gezondheid van [slachtoffer] hebben/heef benadeeld door nadat de auto welke die [slachtoffer] bestuurde, was aangereden door de auto waarin verdachte en/of zijn medeverdachte(n) zaten en door die aanrijding met haar auto op de zijkant (met de bestuurderszijde aan de onderkant) in een vaart/sloot, althans het water, terecht was gekomen,
- —
opzettelijk na te laten de hulpdiensten in kennis te stellen van de betrokkenheid van de auto van die [slachtoffer] bij die aanrijding en/of
- —
nadat omstanders ter plaatse van de aanrijding waren gekomen teneinde te kijken of zij hulp konden bieden, opzettelijk na te laten om deze omstanders in kennis te stellen van de betrokkenheid van de auto van [slachtoffer] bij die aanrijding en/of
- —
tegen een of meer ter plaatse gekomen omstanders te zeggen dat zij geen politie wilden en/of dat zij geen hulp nodig hadden en/of met hun handen te gebaren dat die omstander(s) weg moest(en) gaan en/of
- —
opzettelijk na te, laten om ter plaatse van de aanrijding gekomen politiemedewerkers in kennis te, stellen van de betrokkenheid van de auto van [slachtoffer] bij de aanrijding
ten gevolge waarvan de hulpverlening aan die [slachtoffer] ernstige vertraging heeft opgelopen en/of die [slachtoffer] langer dan onvermijdelijk en/of noodzakelijk in haar auto in het water heeft gelegen ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer], is overleden, althans zwaar lichamelijk letsel (hersenletsel en/of ernstige onderkoeling), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen.
- 3.
hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in [a-plaats] op/aan [b-straat], op of omstreeks 09 december 2017 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en/of schade was toegebracht.’
1.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 februari 2023 is onder meer gerelateerd:
‘Verdachte wordt in de gelegenheid gesteld de redenen voor het hoger beroep op te geven. Verdachte geeft aan het niet eens te zijn met de veroordeling wegens doodslag.
De raadsvrouw van verdachte vult aan dat het hoger beroep zich richt tegen de veroordeling voor feit 2.
(…)
Verdachte verklaart — kort en zakelijk weergeven — als volgt:
(…)
Ik heb mij totaal gefocust op het in veiligheid stellen van de jongens. Ik wist niet dat die andere auto er was. Al bij een kat was ik in het water gesprongen, laat staan bij een auto.
(…)
Het ging zo snel. Ik kwam tot stilstand en zag getuigen op ons afrennen.
Het is wel mijn schuld, want ik had niet zo hard moeten rijden.
(…)
Ik heb haar niet gezien. Dan was ik wel in het water gesprongen. Dat zou ik blind doen.
Ik ben na de crash om 06:57 uur vertrokken. De auto is gevonden om 07.02 uur. Dat staat in het dossier.
De oudste: raadsheer houdt voor dat de auto om 07.04 uur is gevonden.
Verdachte zegt nogmaals dat het 07.02 uur was.
De oudste raadsheer houdt nogmaals voor dat het om 07.04 uur was.
Verdachte merkt op dat de medeverdachten langer op de plaats delict waren, maar wel zijn vrijgesproken.
(…)
Een getuige liep naar mij toe en zei dat hij de hulpdiensten al had gebeld. Ik hoorde al politiesirenes toen ik wegging. Als ik had geweten dat er een auto in het water lag dan was ik erin gesprongen.
Ik dacht dat het een eenzijdig ongeval was. De volgende dag zag ik op [TV a-plaats] dat er een auto te water was geraakt. Ik kon dat niet geloven. De grond zakte onder mijn voeten vandaan.
(…)
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging conform de ter zitting overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte schriftelijke pleitnotitie.
(…)’
1.3
In de pleitnotities van mr. Cimen, advocate te Amsterdam, is onder meer aangevoerd:
‘Feit 2
(…)
- 30.
Cliënt heeft van meet af aan verklaard dat, hij nooit enige opzet heeft gehad om iemands leven te beroven dan wel opzettelijk iemands gezondheid te benadelen. Van opzet is in dit dossier geenszins gebleken.
- 31.
Uw Hof heeft in de VH-fase op terechte gronden de ernstige bezwaren voor de doodslag afgewezen. Een dappere beslissing en zeker een juridisch zuivere beslissing van uw Hof naar mening van de verdediging. Sindsdien is het dossier weliswaar omgenummerd en heeft het een stempel ‘einddossier’ gekregen, maar inhoudelijk was het dossier op 24 januari 2018 identiek aan het huidige dossier.
- 32.
De verdediging redeneert heel simpel: als er geen ernstige bezwaren konden worden aangenomen dan kan er zeker geen wettig en overtuigend bewijs zijn.
De rechtbank zag dat evenwel anders en heeft dit feit bewezenverklaard. Ten onrechte meent de verdediging.
- 33.
Client heeft verklaard niet te hebben geweten dat de Renault Clio in het water is beland. Zijn medeverdachten hebben dit eveneens verklaard. De klapgetuigen die allemaal vanuit hun huis of van een afstand het hebben gehoord verklaren allemaal ook niet over een auto in de sloot.
- 34.
Getuige [betrokkene 1] is direct na de klap naar de Audi gegaan en heeft gezien dat [betrokkene 2] klem zat en hij losgemaakt werd maar heeft niets gemerkt van een auto in de sloot. Getuige [betrokkene 3] (doss. p. 290) is direct na de crash ter plaatse geweest en heeft aangeboden hulp te verlenen. Toen hij merkte dat de situatie onder controle leek te zijn is hij zijn weg vervolgd. Hij is bij de Audi geweest en heeft dus ook niets gemerkt Van de Renault Clio in de sloot. Maar ook de politie heeft niet direct opgemerkt dat er een auto in de sloot lag. Gerelateerd wordt dat om 6.54 uur een melding binnenkomt van een eenzijdig Ongeval. Wanneer verbalisant [verbalisant 1] ter plaatse is en in gesprek is met [naam] hoort hij een man roepen ‘hey er ligt een auto in het water’.
[verbalisant 1] geeft deze bevindingen direct door en schakelt de brandweer in.
- 35.
Uit de verklaring van de bevelvoerder van de brandweer, [bevelvoerder van de brandweer], blijkt dat het 7.04 uur is (doss. p. 319 ev), Twee minuten eerder, dus om 7.02 uur, had de brandweer een melding van gekregen van een eenzijdige aanrijding met rookontwikkeling waardoor de melding PRIO 2 kreeg en dat van belang is voor de aanrijdtijd. Na de gewijzigde melding van 7.04 uur krijgt de melding PRIO 1 en arriveert de brandweer om 7.08 uur ter plaatse. Om 7.11 uur wordt [benadeelde 3] uit het Water gehaald.
- 36.
De vraag die in deze dient te worden beantwoord is of het weggaan van cliënt van de plaats van het ongeval van enige invloed is geweest op het gevolg.
Cliënts antwoord is dan volmondig: nee. Toen hij vertrok waren de sirenes al hoorbaar. Dit komt overeen met de verklaring van [betrokkene 1] bij de RHC. Hij was als eerste ter plaatse en hoorde, eerst niet maar later wel de sirenes. Volgens zijn eigen verklaring is hij ongeveer 20 seconden ter plaatse geweest. Ook uit de verklaring van [betrokkene 4] bij de RHC kan worden afgeleid dat hij direct 112 heeft gebeld toen hij ter plaatse kwam en de sfeer unheimisch en dreigend vond.
Getuige [betrokkene 3], verklaart bij de RHC dat de hulpdiensten eraan kwamen.
Hij hoorde ze aankomen en is vervolgens weggegaan.
- 37.
Meerdere personen zijn direct of vlak ha het incident aanwezig geweest en hebben allemaal alarmdiensten ingeschakeld zodat het feit dat client niet zelf de politie niet heeft gebeld geen enkele bijdrage heeft gehad in de duur van het te water blijven van het slachtoffer.
(…)
- 40.
Al met al, meent de verdediging dat hier geen sprake is van het medeplegen van een doodslag door weg te gaan en nalaten de hulpdiensten en of anderen in te lichten. In het eerder aangehaalde vonnis van de rechtbank Midden-Nederland (2018:81) verlaat de verdachte die het ongeval heeft veroorzaakt de plaats van het ongeval. Hij wordt echter vervolgd wegens artikel 7, lid 1, WVW 1994 en niet voor poging tot doodslag.
- 41.
In het arrest van het Gerechtshof Den Bosch van 17 januari 2018 (ECLI:NL;GSHE:2018:134) gaat het om een ongeval waarbij de bestuurder eveneens is weggegaan en zich niet om het slachtoffer heeft bekommerd, waardoor het slachtoffer is komen te overlijden. Deze verdachte wordt anders dan cliënt ook niet wordt vervolgd voor het medeplegen van een doodslag maar voor het verlaten van de plaats van het ongeval zoals strafbaar gesteld in de Wegenverkeerswet.
- 42.
Verzoek is om cliënt vrij te spreken van het primaire tenlastegelegde onder feit 2. Dat geldt ook voor het subsidiair tenlastegelegde. Cliënt heeft geen opzet gehad op het benadelen van de gezondheid van het slachtoffer; ook niet in voorwaardelijke zin.’
1.4
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
- ‘1.
hij op 09 december 2017 te [a-plaats], als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van eed motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, (de [a-straat] en de [b-straat]), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, met dat motorrijtuig
- —
terwijl de weg bedekt was met een dunne laag natte sneeuw met een snelheid van ongeveer 98 kilometer per uur, althans een aanmerkelijk hogere snelheid dan ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en gelet op de wegomstandigheden niet veilige snelheid rijdende op de [a-straat] de kruising van de [a-straat] en de [b-straat] is genaderd en
- —
bij de nadering van die kruising waar met borden en haaientanden was aangegeven dat hij voorrang moest verlenen aan het kruisende verkeer, zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast en
- —
de vlak voor die kruising een in de [a-straat] gelegen buiging naar rechts niet heeft gevolgd maar rechtdoor over een verhoogde middengeleider gelegen in de [a-straat] is gereden en
- —
vervolgens in een hoek van ongeveer 45 graden de vier rijstroken, van de zuidelijk rijbaan van de [b-straat] en groenstrook tussen de zuidelijke en, de noordelijke rijbaan van aan van de [b-straat] is overgestoken en
- —
tegen een andere op de noordelijke rijbaan van de [b-straat] rijdende auto, Renault Clio (welke hij voorrang had moeten verlenen) is gebotst, waardoor die Renault Clio in een parallel aan die [b-straat] gelegen sloot is terecht gekomen,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer], zijnde een inzittende van die Renault Clio) werd gedood,
terwijl het ongeval is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid, in ernstige mate is overschreden.
- 2.
primair
hij op 09 december 2017 te [a-plaats], opzettelijk een persoon, te weten [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hebbende hij, verdachte, nadat de auto welke die [slachtoffer] bestuurde, was aangereden door de auto waarin verdachte zat en door die, aanrijding met haar auto (op de zijkant met de bestuurderszijde aan de onderzijde) in een sloot terecht was gekomen,
en terwijl hij wist dat dat die auto van die [slachtoffer] betrokken was bij die aanrijding, niet gekeken waar de auto van die [slachtoffer] terecht was gekomen en
zonder zich ervan te vergewissen dat die [slachtoffer] veilig was,
- —
opzettelijk nagelaten om de hulpdiensten in kennis te stellen van de betrokkenheid van de auto van die [slachtoffer] bij die aanrijding en
- —
nadat omstanders ter plaatse van de aanrijding waren gekomen teneinde te kijken of zij hulp konden bieden, opzettelijk nagelaten om deze omstanders in kennis te stellen van de betrokkenheid van de auto van [slachtoffer] bij die aanrijding en
- —
opzettelijk tegen een of meer ter plaatse gekomen omstanders heeft gezegd dat hij geen politie wilde en
- —
opzettelijk heeft nagelaten om ter plaatse van de aanrijding gekomen politiemedewerkers in kennis te stellen van de betrokkenheid van de auto van [slachtoffer] bij de aanrijding waardoor die [slachtoffer] (langer dan nodig) in haar voertuig onder water is blijven liggen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] (op [overlijdensdatum] 2017) is overleden.
- 3.
hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in [a-plaats] op de [b-straat], op 09 december 2017 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en schade was toegebracht.’
1.5
Ten behoeve van de bewezenverklaarde feiten heeft het hof dezelfde bewijsmiddelen gebruikt. Zo heeft het hof onder meer als bewijsmiddel gebruikt:
‘2.
Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] dd. 20 december 201 7(proces-verbaalnummer 201 73 713 61). p. 240–241 Algemeen Dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Later toen ik nadacht na het ongeluk, graafde ik in mijn geheugen. Dacht ik dat het een frontale botsing zou worden. Ik herinner mij dat ik over de stoep tussen een boom en een paal reed. Ik zag de auto en wilde die niet frontaal raken. Er lag ook sneeuw.
V: En toen?…
A: Toen was de ongeluk gebeurd. De auto draaide rondjes, ik weet het niet meer. Toen we stil stonden, zag ik getuigen. Ik stapte uit. ik haalde [betrokkene 2] eruit. Ik probeerde de deur open te doen, maar dat lukte niet. Ik ben daarna weggegaan. Ik hoorde politie aan komen. Ik ben in paniek weggegaan.
(…)
1.6
In het arrest heeft het hof ten aanzien van het onder feit 2 bewezenverklaarde onder meer overwogen/geoordeeld:
‘Overweging met betrekking tot het bewijs
(…)
Oordeel hof
Het hof acht de tenlastegelegde feiten bewezen. Wat de motivering betreft sluit het hof zich grotendeels aan bij de overwegingen van de rechtbank. Deze overwegingen worden hieronder cursief weergegeven. De aanvullende overwegingen van het hof worden niet cursief weergegeven. 1. (…) (Voorwaardelijk) opzet op de dood van [benadeelde 3]?
Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte daadwerkelijk uit was op de dood van [benadeelde 3]. Er is daarom geen sprake van vol opzet. De vraag is dan ook of sprake was van voorwaardelijk opzet.
Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald, gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een, kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Het hof betrekt bij de beoordeling dat uit artikel 7 lid 1 Wegenverkeerswet een specifieke zorgplicht volgt voor de veroorzaker van een verkeersongeval. Het is verboden om de plaats van een ongeval te verlaten indien daardoor een ander in hulpeloze toestand wordt achtergelaten. Dit ter bescherming van het belang van het leven en de lichamelijke gezondheid van verkeersdeelnemers.
Verdachte is met een snelheid van zo'n 70 kilometer per uur frontaal in botsing gekomen met de bestuurderszijde van de auto van [benadeelde 3]. Zoals eerder overwogen, heeft verdachte dit gezien. Bij een dergelijke botsing bestaat, de aanmerkelijke kans dat inzittenden van de andere auto ernstig of levensgevaarlijk gewond raken. Op de veroorzaker van de botsing rust de plicht te doen wat in zijn vermogen ligt om ervoor te zorgen dat tijdig de noodzakelijke hulp wordt verschaft aan de inzittenden van de auto waartegen hij is aangereden. Dit omvat de plicht om zich na de botsing tijdig op de hoogte te stellen van hetgeen met de andere auto en de inzittenden van die auto is gebeurd.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte geen hulp heeft geboden aan de inzittende van de andere auto. Uit de bewijsmiddelen blijkt ook dat verdachte zich niet op de hoogte heeft gesteld van hetgeen met de andere auto en de inzittende van die auto is gebeurd.
Verdachte was naar het oordeel van het hof zeer wel in staat de situatie te overzien. Verdachte was bij kennis, heeft zijn vrienden geholpen met uit de auto komen, waarbij hij zich er ook van ‘bewust is geweest dat er ontploffingsgevaar was aangezien de auto rookte. Verdachte was daarmee in staat om na te denken en om zich heen te kijken. Dat hij in shock of in paniek was, zoals hij enkele malen heeft verklaard, acht het hof niet aannemelijk. Verdachte was bekend met de verkeerssituatie ter plekke. Vaststaat dat de auto waar hij tegen aan was gereden niet meer op de kruising stond. Direct achter de eindpositie van de Audi bevond zich de sloot waarin de auto van [benadeelde 3] als gevolg van de botsing terecht was gekomen. Uit niets — ook niet uit verklaringen van verdachte zelf — is gebleken dat hij op enig moment heeft gekeken waar de auto die hij zojuist had aangereden terecht was gekomen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat hij ook niemand in kennis heeft gesteld van de betrokkenheid van een andere auto bij het ongeval terwijl hij daar alle gelegenheid toe had. Verdachte heeft de hulpdiensten niet gebeld en heeft zelfs op een intimiderende wijze tegen een omstander gezegd dat hij er geen politie bij wilde.
Uit het voorgaande leidt het hof af dat verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de inzittende(n) van het betrokken voertuig, [benadeelde 3], zonder hulpverlening of als gevolg van te late hulpverlening zou komen te overlijden.
Causaal verband
De volgende vraag, die het hof moet beantwoorden, is of de dood van [benadeelde 3] verdachte redelijkerwijs kan worden toegerekend.
Het hof overweegt met de rechtbank het volgende.
‘Het NFI heeft geconcludeerd dat [benadeelde 3] is overleden als gevolg van verwikkelingen van een auto-ongeval, te weten (traumatische) hersenbeschadiging en longbeschadiging ten gevolge van (bijna) verdrinking.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat omstanders en politiemedewerkers die na het ongeval ter plaatse kwamen, er van uitgingen dat sprake was van een eenzijdig ongeval. Als verdachte direct had gemeld dat er nog een andere auto bij het ongeval was betrokken of als hij zelf goed om zich heen had gekeken, was de auto van [benadeelde 3] eerder gevonden en had eerder hulp kunnen worden verleend. Bovendien was de brandweer — vanwege het feit dat de melding dan een andere prioriteit had gekregen -8 tot 9 minuten eerder ter plaatse geweest en was [benadeelde 3] eerder uit de auto gehaald. De patholoog anatoom van het NFI heeft verklaard dat [benadeelde 3] een grotere kans op overleven zou hebben gehad, als zij minder lang in het water zou hebben gelegen.’
Het is een feit van algemene bekendheid dat de kans op overlijden door een zuurstofgebrek door verdrinking toeneemt naarmate het zuurstofgebrek langer aanhoudt. Door niet om te kijken naar het andere slachtoffer, niet de hulpdiensten in te schakelen en tegen de omstanders niet te vertellen dat er een tweede auto bij het ongeval betrokken was, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer — dat onder water was beland — aan de verwondingen zou bezwijken of — zoals in casu — te lang geen zuurstof zou krijgen en daaraan zou overlijden. Het hof is van oordeel de verdachte het gevaar dat het slachtoffer zou komen te overlijden — welk gevaar zich een aantal dagen na de botsing heeft verwezenlijkt — in zodanige mate heeft verhoogd dat dat overlijden redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend als gevolg van diens nalaten tijdig adequate hulp in te (doen)roepen.’
1.7
Ten aanzien van de strafoplegging heeft het hof onder meer overwogen:
‘Het hof neemt het verdachte allereerst bijzonder kwalijk dat hij zo gevaarlijk en onvoorzichtig heeft gereden en dat hij zich daarbij niet heeft bekommerd om de veiligheid van anderen. Verdachte en zijn vrienden hebben niet alleen direct voor de aanrijding, maar gedurende de gehele nacht veel te hard gereden, terwijl het glad was op de weg en zij in een huurauto reden. Het hof rekent het verdachte nog zwaarder aan dat hij wel zijn eigen vrienden uit de auto heeft bevrijd, maar niet heeft om gekeken naar [benadeelde 3] en heeft geprobeerd om omstanders ervan te weerhouden de politie te bellen. Hij heeft niemand geïnformeerd over de betrokkenheid van een andere auto. Als hij dit wel had gedaan, was de auto van [benadeelde 3] eerder gevonden en was zij eerder uit haar auto bevrijd.’
1.8
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg — zoals hier de dood van een ander — aanwezig wanneer de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Uit die rechtspraak kan worden afgeleid dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg drie condities dienen te zijn vervuld. Dat zijn:
- (1)
de berispelijke gedraging heeft een aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven geroepen;
- (2)
de verdachte heeft ten tijde van de gedraging wetenschap gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg door zijn gedraging zal intreden. Met andere woorden, de verdachte is zich van die aanmerkelijke kans bewust geweest;
- (3)
de verdachte heeft die aanmerkelijke kans ten tijde van de gedraging aanvaard, c.q. op de koop toe genomen.2.
1.9
Uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard. Immers kan ook sprake zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het — behoudens contra-indicaties — niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Het opzettelijk nemen van onverantwoorde risico's is niet hetzelfde als het welbewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg.3.
1.10
Het bewijs van voorwaardelijk opzet van een poging doodslag schoot bijvoorbeeld te kort in de zaak waarin het hof slechts had vastgesteld dat een verdachte met een auto ‘vol gas gaf, zonder zich ervan te vergewissen’ waar aangeefster en een ander slachtoffer zich op dat moment bevonden en/of dat de verdachte er ‘rekening mee had moeten houden’ dat zij zich nog in de buurt van de auto bevonden en zich nog van die auto moesten verwijderen nu daaruit nog niet volgde dat de verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat de beide slachtoffers zich voor de auto zouden bevinden.4.
1.11
In het arrest heeft het hof onder meer vastgesteld dat het slachtoffer is overleden als gevolg van verwikkelingen van een auto-ongeval, te weten (traumatische) hersenbeschadiging en longbeschadiging ten gevolge van (bijna) verdrinking doordat de door haar bestuurde auto in het water is beland. De sprongen die het hof hier heeft gemaakt houden in dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood heeft aanvaard dat hij de andere auto zodanig hard heeft geraakt, dat de inzittende van die auto zich niet zelf zou kunnen bevrijden, dat door de klap de auto in een sloot naast de weg terecht is gekomen en wel op zodanige wijze dat de inzittende onder water terecht is gekomen en omstanders die auto ook niet hebben opgemerkt om hulp te kunnen bieden en dit terwijl de verdachte zelf ook luttele seconden erna hard tegen een boom is gebotst, in paniek was en erna bezig was hulp te bieden aan de inzittenden van de auto die hij zelf bestuurde. In de onderhavige zaak heeft het hof evenwel ook (onder meer) vastgesteld dat verdachte zich niet op de hoogte heeft gesteld van hetgeen met de andere auto en de inzittende van die auto is gebeurd; niet heeft waargenomen waar de auto die hij zojuist had aangereden terecht was gekomen zoals door verdachte ter terechtzitting is ook aangevoerd. Dat de auto van het slachtoffer in het water is beland heeft verdachte dan ook niet waargenomen. In dit licht bezien schiet de bewezenverklaring dan ook te kort, nog afgezien van de omstandigheid dat het hof ook heeft vastgesteld dat ook anderen ter plekke aanwezig waren.
1.12
Dat het hof niet aannemelijk acht dat verdachte na de aanrijding in paniek was, zoals hij enkele malen heeft verklaard, is niet te rijmen met hetgeen het hof in de bewijsmiddelen heeft vastgesteld, te weten dat verdachte ‘in paniek’ is weggegaan.5. Dat verdachte ‘welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de inzittende(n) van het betrokken voertuig, [benadeelde 3], zonder hulpverlening of als gevolg van te late hulpverlening zou komen te overlijden’ is voorts niet te rijmen met hetgeen het hof ten aanzien van feit 3 bewezen heeft verklaard, te weten dat verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten. [slachtoffer]) letsel en schade was toegebracht. Het oordeel van het hof, dat het overlijden van het slachtoffer ‘redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend als gevolg van diens nalaten tijdig adequate hulp in te (doen)roepen’ duidt daarnaast op schuld en is ook onvoldoende om opzet aan te nemen.6.
1.13
Voorts is het volgende van belang. Eerder is Bleichrodt ingegaan op de omstandigheid dat in de literatuur wel de vraag is gesteld of de vraag of schuld iets geheel anders is dan opzet dan wel dat opzet schuld insluit.7. In de ‘aliud-theorie’, waarin opzet als iets wezenlijk anders wordt gezien dan schuld, zou de rechter in deze situatie niet tot een veroordeling kunnen komen. In de ‘minus-theorie’, waarin als uitgangspunt wordt genomen dat opzet schuld insluit, behoort een veroordeling wegens het culpoze feit wel tot de mogelijkheden. Zo hebben Remmelink en Machielse wel aangevoerd dat vanwege de wilsrichting (de psychische instelling) schuld een ‘aliud’ en niet een ‘minus’ ten opzichte van opzet inhoudt, hoewel er bewijstechnisch en ook wezenlijk een geleidelijke overgang plaatsvindt. Dat betekent onder meer dat hij de bewijsmiddelen die op opzet wijzen niet redengevend acht voor het bewijs van de culpa. Ook de ‘minus-theorie’ heeft in de literatuur evenwel pleitbezorgers gevonden. Hij wijst er bijvoorbeeld op dat soms in verschillende strafbepalingen de doleuze en culpoze varianten naast elkaar worden genoemd, met hetzelfde strafmaximum (‘wetende of redelijkerwijs vermoedende’. De ontwikkeling in de rechtspraak waarbij het bewijs van subjectieve bestanddelen voor een belangrijk deel wordt afgeleid uit de aard van de gedragingen en de omstandigheden van het geval past naar zijn mening beter bij de opvatting waarin opzet schuld insluit dan bij de visie waarin opzet schuld uitsluit. De vraag of indien primair de opzetvariant en subsidiair de culpoze variant is ten laste gelegd en de rechter in de ‘aliud-theorie’ voor beide feiten zal moeten vrijspreken als hij de kans dat sprake is van opzet even groot inschat als de kans dat sprake is van schuld is in de Duitse rechtspraak aan de orde gekomen. Hoewel ook in Duitsland wel de opvatting wordt gehuldigd dat opzet en schuld elkaar uitsluiten, is in de rechtspraktijk in een dergelijke situatie gekozen voor een opvatting die veeleer aansluit bij de ‘minus’-theorie. In geval sprake is van opzet of culpa maar niet vastgesteld kan worden welke van beide schuldvormen van toepassing is, behoort een veroordeling wegens de culpoze variant tot de mogelijkheden. Hij wijst er ook nog op dat de ontwikkeling van de schuldvorm ‘roekeloosheid’ en de recente rechtspraak op dat terrein aantoont dat tussen voorwaardelijk opzet en culpa een grensgebied bestaat zonder duidelijke grenspalen en waarbij de invulling ook voornamelijk plaatsvindt aan de hand van objectieve factoren, het uiterlijk waarneembare gedrag. Ook in dat licht bezien ligt het niet voor de hand schuld als een tegenpool van opzet te zien. Wordt toch aangesloten bij een psychische gesteldheid als ‘onverschilligheid’, dan leidt dat evenmin tot een goed hanteerbaar onderscheid tussen beide schuldvormen. Veelzeggend is dat in de literatuur onverschilligheid aan de ene kant wel als wezenlijk kenmerk van roekeloosheid als schuldvorm is aangemerkt, terwijl aan de andere kant erop is gewezen dat onverschilligheid juist tot het domein van het opzet moet worden gerekend. Vervolgens heeft de Hoge Raad in de zaak waarin Bleichroft zijn conclusie heeft genomen geoordeeld dat indien een verdachte zich volgen de rechter schuldig heeft gemaakt aan — het niet tenlastegelegde — ‘opzetwitwassen’, terwijl het dossier onvoldoende bewijs bevat om tot een bewezenverklaring te komen voor het tenlastegelegde ‘schuldwitwassen’ niet wordt uitgesloten dat indien zulks is tenlastegelegd, bewezen kan worden verklaard dat verdachte ‘redelijkerwijs moest vermoeden’ dat het geld uit misdrijf afkomstig was en dat het handelen van verdachte daarom kan worden aangemerkt als ‘schuldwitwassen’ a.b.i. art. 420quarter Sr.8. In zijn noot onder het arrest stelt Keijzer dat nog niet vaststaat of de Hoge Raad ook in het algemeen de mening is toegedaan dat dolus culpa niet uitsluit. Vooralssnog lijkt het mogelijk dat dit per delictsomschrijving kan verschillen. De mogelijkheid wordt bijvoorbeeld opengelaten om aan het delictsbestanddeel ‘aan zijn schuld te wijten’, zoals voorkomt in art. 307 Sr en in art. 6 WV W 1994, niet dezelfde souplesse toe te kennen als aan ‘terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden’ in art. 420quater Sr.
1.14
Nog afgezien van de omstandigheid dat ‘roekeloos rijden’ in deze zaak niet bewezen is verklaard en verdachte daarvan is vrijgesproken is in deze zaak in feit 1 bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ongeval waarbij een ander wordt gedood. Hierin is dus vastgesteld dat de verdachte aan die dood schuld (culpa) heeft. De dood is veroorzaakt door de feiten en omstandigheden opgenomen in de bewezenverklaring, te weten dat door de botsing de auto met het slachtoffer in de sloot terecht is gekomen. Onder 2 is bewezenverklaard dat de dood van het slachtoffer niet is veroorzaakt door schuld, maar door voorwaardelijk opzet (dolus). De verdachte heeft voorwaardelijk opzet op haar dood gehad door kort gezegd nalaten van mensen te informeren over de auto in de sloot. Een persoon kan maar eenmaal het leven verliezen, en een verdachte kan daaraan schuld óf opzet hebben. Niet allebei. Heeft een persoon opzet op de dood, dan wordt schuld aan die door daardoor geabsorbeerd: als iemand een ander opzettelijk dood schiet met boos opzet, dan heeft diegene ook schuld aan de dood, is het ook aan hem te wijten dat die ander dood is. De gradatie van ‘opzet’ absorbeert de lagere gradatie schuld.
1.15
Het arrest is, wat de gradatie van schuld of opzet betreft van de verdachte aan de dood van het slachtoffer, daardoor innerlijk tegenstrijdig en kan niet in stand blijven.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 6 en 13 EVRM, en wel en wel omdat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden.
Toelichting:
Op 10 maart 2023 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. Het hof heeft de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen 8 maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad gezonden, nu de Hoge Raad de stukken pas op 17 januari 2024 heeft ontvangen. Gelet hierop is de redelijke termijn van de berechting is geschonden. Dit dient te leiden tot strafverlaging.9.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 11 maart 2024
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 11‑03‑2024
In de schriftuur worden de overweging van de rechtbank weergegeven in een ander lettertype.
HR 19 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:384, NJ 2019/150; HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, NJ 2019/103 m.nt. Wolswijk; HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:117; HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973, NJ 2017/250; HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:60, NJ 2017/375 m.nt. Keulen; HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:862, NJ 2017/67 m.nt. Mevis; HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5396, NJ 2013/111 m.nt. Keijzer; HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7123, NJ 2012/12; HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4871; HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3888, NJ 2006/123; HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR1860, NJ 2005/154 m.nt. De Jong, en HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Buruma (het hiv I-arrest).
CAG Knigge 4 december 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2548.
HR 23 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG4265, NJ 2009/32.
Vgl. o.m. HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4699; HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0094 en HR 15 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9811.
Zie in dit verband de noot van H.W. Wolswijk onder HR 3 december 2019, NJ 2020/296.
CAG 14 april 2015, ECLI:NL:PHR:2015:928.
HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1660, NJ 2015/362, m.nt. N. Keijzer.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:VD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis.