De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/28.4:28.4 Conclusie
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/28.4
28.4 Conclusie
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS372594:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel breed aanvaard wordt, zowel door de wetgever als in de doctrine, dat vervaltermijnen te divers van aard zijn om algemeen geldende regels voor hun functioneren op te stellen, worden die algemene regels in de literatuur tóch geformuleerd: verval heeft sterke werking, vervaltermijnen worden ambtshalve toegepast, van vervaltermijnen kan geen afstand worden gedaan en verval kan niet worden gestuit. In dit hoofdstuk is gebleken dat die generaliserende benadering inderdaad onverantwoord is met uitzondering van de kwestie zwakke/sterke werking.
Die bedenking had met name betrekking op de strikt vermogensrechtelijke verval-termijnen. Die termijnen raken louter het belang van de betrokken partijen, en zijn dus, anders dan veelal stilzwijgend lijkt te worden verondersteld, niet van openbare orde. Zodra men dat aanvaardt, valt niet meer in te zien waarom dat type vervaltermijn ambtshalve zou moeten worden toegepast, waarom men van verval in mindere mate dan van verjaring afstand zou kunnen doen en waarom feiten en omstandigheden binnen de partijverhouding de termijn niet zouden vermogen te 'verlengen'.
Meer in het bijzonder werd over de drie genoemde aspecten, voor zover het dus vermogensrechtelijke vervaltermijnen betreft, het volgende geconcludeerd.
Vervaltermijnen behoren door de rechter niet ambtshalve te worden toegepast. Als over de overschrijding van de termijn door partijen niet is gedebatteerd, neemt de rechter een ontoelaatbare verrassingsbeslissing als hij de termijn toch toepast. Als de door de crediteur genomen periode tussen partijen wel onderwerp van discussie is geweest, maar de debiteur geen of een verkeerde vervaltermijn inroept, kan de rechter, afhankelijk van de inhoud van het debat, de vervaltermijn bij wijze van aanvulling van rechtsgronden toepassen.
Nadat de vervaltermijn is verstreken, kan de debiteur 'afstand doen van verval'. Voordat de termijn is verstreken, kan dat onder omstandigheden, in dier voege dat als partijen afstand overeen zijn gekomen, een beroep op de termijn in strijd met de redelijkheid en billijkheid kan zijn. Ik noemde een aantal gezichtspunten die de rechter in zijn oordeel daarover zou kunnen betrekken. In het bijzonder valt op te merken dat waar het einde van de termijn in zicht komt en partijen, bijvoorbeeld om onderhandelingen te kunnen voortzetten, er welbewust voor kiezen de vervaltermijn terzijde te schuiven, het daarop volgende beroep op die termijn door de debiteur onaanvaardbaar is.
Voor zover vervaltermijnen betrekking hebben op vorderingsrechten, moeten de verjaringsrechtelijke stuitingsregels zoveel mogelijk analogisch worden toegepast. Dat kan ofwel via de redelijke wetsuitleg ofwel via de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Voor zover het gaat om vervaltermijnen die geen vorderingsrecht maar een bevoegdheid of obliegenheit tot onderwerp hebben, is de stuitingsfiguur niet goed te transponeren, omdat stuiting iets zegt over de vraag of de crediteur zijn recht nog zal gaan afdwingen, terwijl dat afdwingen bij bevoegdheden en obliegenheiten niet aan de orde is — de crediteur is daar almachtig. Desalniettemin kan ook waar het om bevoegdheden en obliegenheiten gaat, om op de verjaringsrechtelijke stuiting geïnspireerde redenen een beroep op de vervaltermijn van de debiteur in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn.
Tot slot werd aan de wetgever geadviseerd in het vermogensrecht daar waar het hem vrij staat vorderingsrechten aan een verjaringstermijn te onderwerpen. Bevoegdheden en obliegenheiten moeten aan vervaltermijnen en niet aan verjaringstermijnen onderworpen blijven, omdat daar het verjaringsrechtelijke stuitingregime niet past.