De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/28.3:28.3 De keuze tussen verval- en verjaringstermijnen
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/28.3
28.3 De keuze tussen verval- en verjaringstermijnen
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS370160:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Köster, WPNR 1962.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het voorgaande ging over verschillen tussen verval en verjaring. Het doel was te komen tot gedachtevorming over de vier genoemde aspecten. In deze paragraaf wordt het vizier afgedraaid van wat is, en gericht op wat komen gaat: wanneer moet, in het licht van het voorgaande, de wetgever kiezen voor verval en wanneer voor verjaring?
In de met afstand meest doorwrochte publicatie over de verhouding tussen verjaring en verval in de Nederlandse literatuur, heeft Köster"1 de stelling betrokken dat vervaltermijnen buiten het vermogensrecht moeten worden gehouden en dienen gereserveerd te zijn voor kwesties waarmee de openbare orde gemoeid is. Alleen in dat domein hebben de partijautonomie beperkende regels die vervaltermijnen worden toegedicht goede zin, zo was zijn stelling. Hoewel mijn opvatting overigens sterk verwant is aan die van Koster, ben ik het hier toch niet met hem eens.
Althans, voor zover het bevoegdheden en de obliegenheiten betreft. Ik deel de mening van IOster dat alle vermogensrechtelijke vorderingsrechten aan een verjaringstermijn onderworpen zouden moeten zijn. Als daartoe enig verdragsrechtelijk beletsel bestaat, zou de wetgever wat mij betreft moeten bezien in hoeverre het verdrag ruimte laat om de vervaltermijn toch zoveel mogelijk verjaringrechtelijke eigenschappen te geven. Te denken is in dit verband met name aan de mogelijkheid van stuiting.
Voor de bevoegdheden en de obliegenheiten zou ik de vervaltermijn willen behouden. Wij zagen weliswaar dat op de veronderstelde verschillen tussen verval en verjaring veel valt af te dingen, maar een in praktische zin zeer belangrijk verschil valt niet te loochenen: vervaltermijnen zien over het algemeen op bevoegdheden en obliegenheiten, en daar werkt de stuiting niet goed. In het kader van deze paragraaf kunnen wij het misschien beter omdraaien: als wij te maken hebben met een bevoegdheid of met een obliegenheit, dan moet de regel die de temporele geldigheid daarvan bepaalt, niet voorschrijven dat de termijn wordt 'gestuit' doordat de crediteur laat weten dat het hem nog ernst is. Die reden waarom niet, gaf ik hiervoor.
Bedacht zij in dit verband dat de mogelijkheid de termijn te verlengen in praktische zin de belangrijkste van de hiervoor bediscussieerde kwesties is. De vragen naar ambtshalve toepassing, de mogelijkheid van afstand en de sterke/zwakke werking spelen naar mijn inschatting in het rechtsleven een veel minder grote rol.
Terug naar Koster. Waar lopen onze opvattingen nu precies uiteen? Koster geeft de gangbare opvatting over de werking van stuiting weer, vindt dat die veronderstelde regels niet zouden moeten gelden voor kwesties niet van openbare orde, en suggereert, de communis opinio als geldend recht beschouwend, dat dus die kwesties niet aan een vervaltermijn onderworpen moeten zijn. Mijn benadering is anders, in die zin dat ik de communis opinio over de werking van vervaltermijnen niet tot uitgangspunt neem, maar betwist. Ik pleit ervoor de werking van vervaltermijnen toe te spitsen op vermogensrechtelijke bevoegdheden en obliegenheiten, langs de in de vorig paragrafen geschetste lijnen. Het voor die gevallen ongeschikte stuitingsregime dat de verjaring mee zich meebrengt, blijft zo buiten boord.