Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/2.8
2.8 Eindigen van het algemene opschortingsrecht
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950298:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 3.5.1.
Aldus ook Hijma & Olthof, Compendium Nederlands vermogensrecht 2023/352 en 358. Zie over deze beëindigingsgrond ook § 2.5.2. Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 14 juni 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:4873, r.o. 4.8; Rb. Noord-Holland 15 juni 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:6578, r.o. 4.2 en 4.3; Rb. Noord-Holland 16 maart 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:2530, r.o. 5.4 en Rb. Noord-Nederland 3 september 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:5857, r.o. 4.18. Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 26 april 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:3246, r.o. 3.18.
Zie over dit vereiste § 3.4.
Behoudens de in § 3.4.2 behandelde gevallen.
Zie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 15 november 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3933, r.o. 9.6.3; Hof ’s-Hertogenbosch 12 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2347, r.o. 3.10.7; Hof ’s-Hertogenbosch 19 april 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1251, r.o. 3.35 (opzegging overeenkomst); Hof ’s-Hertogenbosch 5 november 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4066, r.o. 6.6.3; Hof Den Haag 22 januari 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:BY9447, r.o. 12 en Rb. Rotterdam 15 juli 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:5817, r.o. 4.2. Vgl. Rb. Overijssel 23 juni 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:6030, r.o. 4.1. Voor zover na het eindigen van een overeenkomst ongedaanmakingsverbintenissen over en weer bestaan, vloeien deze doorgaans voort uit dezelfde rechtsverhouding en bestaat daartussen in beginsel voldoende samenhang om opschorting te rechtvaardigen (zie § 4.3.3 en § 4.5).
Zie bijv. Rb. Rotterdam 14 oktober 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:8562, r.o. 4.12.
Zie over de vereisten van het algemene opschortingsrecht de hoofdstukken 3 en 4 en over de onaanvaardbaarheid van de uitoefening van het algemene opschortingsrecht hoofdstuk 6.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 212. Zie over art. 6:54 aanhef en onderdeel a BW Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/51; Asser/Sieburgh 6-I 2020/279; Fesevur, Voorrechten en retentierecht (Mon. BW nr. B13) 2017/15 onderdeel d en Klomp 2018a, aant. 3. Zie bijv. Rb. Zeeland-West-Brabant 19 juli 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:5219, r.o. 3.2; Rb. Amsterdam 24 maart 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1224, r.o. 4.3 en 4.6; Rb. Noord-Holland 1 februari 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:1055, r.o. 4.12; Rb. Rotterdam 1 februari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:810, r.o. 7.2; Rb. Rotterdam 6 januari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:313, r.o. 4.4; Rb. Zeeland-West-Brabant 14 december 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:8318, r.o. 4.2; Rb. Noord-Holland 20 april 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:3442, r.o. 5.2, 5.7-5.9; Rb. Noord-Holland 6 april 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:3164, r.o. 4.5; Rb. Noord-Holland 23 maart 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:2525, r.o. 6.13; Rb. Noord-Nederland 15 maart 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:881, r.o. 4.10; Rb. Midden-Nederland 24 november 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:6945, r.o. 2.24 en Rb. Rotterdam 22 oktober 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:12607, r.o. 5.12. Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 28 juni 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:5424, r.o. 3.3 en Rb. Rotterdam 10 maart 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2004, r.o. 4.1.
Aldus ook Hijma & Olthof, Compendium Nederlands vermogensrecht 2023/352. Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 25 januari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:572, r.o. 2.32. Het oordeel van het hof is in HR 30 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:1000, RvdW 2023/757, r.o. 3.1.2, ook uitgelegd als een toepassing van art. 6:54 aanhef en onderdeel a BW.
Zie bijv. Hof Den Haag 18 april 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:638, r.o. 5.8.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 212. Zie voor andere mogelijkheden Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/51.
Zie § 3.4.6.
Zie § 3.6.4.
Zie over art. 6:55 BW Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/54; Asser Sieburgh 6-I 2020/283; Klomp 2018b; Kruissen 2008, p. 50-52 en Linssen 1993, p. 175-176. Zie voor kritiek op de uitzondering in de tenzij-bepaling Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2013/21.2. Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 8 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9631, r.o. 4.22 (“Terecht heeft de rechtbank dus geoordeeld dat Kroezen, met haar voorstel bevrijdend te betalen door storting van het verschuldigde op de g-rekening, voldoende zekerheid heeft aangeboden in de zin van artikel 6:55 BW.”). Zie over art. 6:51 BW Asser/Sieburgh 6-I 2020/269.
Zie § 2.5.4.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 215. Art. 6:55 is op grond van art. 6:264 BW niet van toepassing in geval van opschorting op grond van de enac (art. 6:262 BW) en de onzekerheidsexceptie (art. 6:263 BW).
Fesevur, Voorrechten en retentierecht (Mon. BW nr. B13) 2017/15 onderdeel a. Zie ook § 3.4.5.
Het eindigen van een opschortingsbevoegdheid op grond van artikel 6:52 lid 1 BW veronderstelt dat deze bevoegdheid voordien heeft bestaan. De omstandigheden waaronder het een schuldenaar kan ontbreken aan deze opschortingsbevoegdheid zijn echter tevens van belang voor het eindigen daarvan. Zodra een van deze omstandigheden zich alsnog voordoet in de periode waarin de schuldenaar het algemene opschortingsrecht uitoefent, eindigt de opschortingsbevoegdheid. De opschortingsbevoegdheid eindigt niet door verjaring van de rechtsvordering op de wederpartij.1
De wellicht meest voor de hand liggende wijze waarop een opschortingsbevoegdheid ten einde komt, is door de voldoening van de vordering van de schuldenaar (vgl. art. 6:52 lid 1 BW).2 Door nakoming gaat de vordering teniet.3 Het ontbreekt de schuldenaar dan aan de vereiste opeisbare vordering in verband waarmee hij de nakoming van zijn verbintenis kan opschorten.4 Ook wanneer de vordering anders dan door nakoming niet meer bestaat, eindigt de opschortingsbevoegdheid.5 Bijvoorbeeld wanneer de overeenkomst waaruit een voortdurende verplichting voortvloeit, eindigt en de schuldenaar dus geen aanspraak meer kan maken op de nakoming van die verplichting.6 Een opschortingsbevoegdheid komt ook ten einde als de schuldenaar geen verbintenis meer heeft jegens zijn wederpartij, bijvoorbeeld wanneer een huurprijsvermindering van 80% op grond van artikel 7:207 BW is toegewezen, waardoor de opschorting van de betaling van die 80% door de huurder komt te vervallen.7 Ook wanneer een van de andere vereisten van het algemene opschortingsrecht alsnog ontbreekt of wanneer de uitoefening van het algemene opschortingsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar wordt, eindigt de opschortingsbevoegdheid.8
De schuldenaar is niet bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten als de nakoming van zijn vordering door zijn wederpartij wordt verhinderd door schuldeisersverzuim (art. 6:54 aanhef en onderdeel a BW). In dit geval belet de schuldenaar de nakoming door zijn wederpartij. De wetgever acht ‘het niet gerechtvaardigd dat een partij tot opschorting van nakoming overgaat, indien het aan haarzelf is toe te rekenen dat ten aanzien van haar vordering nakoming uitblijft’.9 Wanneer het beletsel opkomt in de periode waarin de schuldenaar het algemene opschortingsrecht uitoefent, eindigt zijn opschortingsbevoegdheid.10 Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als hij de door zijn wederpartij alsnog aangeboden nakoming weigert.11 De schuldenaar kan zijn opschortingsbevoegdheid onder andere herkrijgen door zijn schuldeisersverzuim te zuiveren, door het beletsel voor de nakoming van zijn vordering door zijn wederpartij weg te nemen.12
Tevens eindigt de opschortingsbevoegdheid als de nakoming van de verbintenis van de wederpartij blijvend onmogelijk is geworden (art. 6:54 aanhef en onderdeel b BW).13 De opschortingsbevoegdheid kan ook eindigen in het geval waarin de nakoming van de verbintenis van de schuldenaar blijvend of tijdelijk onmogelijk is geworden.14
Voorts vervalt de opschortingsbevoegdheid zodra zekerheid is gesteld voor de voldoening van de verbintenis van de wederpartij, tenzij deze voldoening daardoor onredelijk zou worden vertraagd (art. 6:55 jo. 6:51 BW).15 Deze bepaling houdt verband met het zekerheidskarakter van het algemene opschortingsrecht.16 Volgens de wetgever kan het belang van de schuldenaar bij opschorting van zijn prestatie niet meer van voldoende gewicht worden geacht zodra hij van het risico van insolventie van zijn wederpartij is bevrijd door zekerheidsstelling.17 Aan de opschortingsbevoegdheid staat niet in de weg dat de wederpartij zich bereid verklaart en in staat is tot nakoming.18