Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/7.3.8
7.3.8 Buitengewone behoedzaamheid
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
HR 20 december 1926, NJ 1927, 85. Zie over de eis van behoedzaamheid Corstens/Borgers 2014, p. 785-786.
Vgl. onderdeel 5 van de noot van Schalken onder EHRM (GC) 15 december 2011, NJ 2012, 283.
Expliciet: HR 1 december 1992, NJ 1993, 320. Zie ook HR 21 september 1999, NJ 2000, 380.
Wanneer er geen verweer op wordt gevoerd, is de rechter niet gehouden om de betrouwbaarheid uit eigen beweging te motiveren. Zo mag een later ingetrokken getuigenverklaring in beginsel zonder nadere motivering voor het bewijs worden gebruikt (HR 10 mei 1994, NJ 1994, 643). In bepaalde gevallen zal de EHRM-jurisprudentie echter dwingen tot motivering. Zie § 2.5 van hoofdstuk 4.
Uit bijvoorbeeld HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1425 blijkt dat deze motiveringsplicht serieus wordt genomen.
Vóór het arrest Al-Khawaja & Tahery eiste het ehrm dat de rechter buitengewoon behoedzaam omging met de verklaring van een niet door de verdediging ondervraagde getuige. Deze behoedzaamheid moest blijken uit de motivering van de geloofwaardigheid van de getuige of van de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring. Sinds het arrest Al-Khawaja & Tahery kan de behoedzame omgang van de rechter met de getuigenverklaring compensatie opleveren.
Wanneer het ondervragingsrecht in het geding is, is bijna altijd sprake van de-auditu-verklaringen. Deze verklaringen mogen volgens de Hoge Raad voor het bewijs worden gebruikt onder de voorwaarde dat deze door de rechter ‘met uiterste behoedzaamheid moeten worden beschouwd’.1 Dit is echter een nogal ‘zachte’ eis.2 Rechters geven er – zonder dat de Hoge Raad ingrijpt – over het algemeen weinig blijk van de betrouwbaarheid van de-auditu-verklaringen te hebben onderzocht en lijken die betrouwbaarheid te veronderstellen, tenzij een bijzondere aanleiding bestaat om eraan te twijfelen.
Voor het specifieke geval waarin een ondervragingsgelegenheid heeft ontbroken, heeft de Hoge Raad geen extra voorwaarden gesteld. Van een algemene motiveringsplicht bij beperking van de ondervraging is geen sprake.3 In twee gevallen is motivering in zo’n geval wel verplicht. In de eerste plaats kan de verdediging als uitdrukkelijk verweer hebben gevoerd dat de getuigenverklaring onbetrouwbaar is.4Artikel 359 lid 2 Sv verplicht de rechter om dan aan te geven waarom hij meent dat de getuigenverklaring wel voldoende betrouwbaar is om voor het bewijs te kunnen gebruiken. In de tweede plaats verplicht artikel 360 Sv in bepaalde gevallen tot een ambtshalve motivering. Het betreft hier – voor zover relevant voor het ondervragingsrecht – een motivering in het geval een verklaring van een (beperkt) anonieme getuige of kroongetuige aan het bewijs bijdraagt.5