Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/7.3.4
7.3.4 Maatregelen die compenserend kunnen werken
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
De Hoge Raad sprak nog in HR 17 november 2009, NJ 2010, 191 van ‘videoband’, maar die informatiedrager is ondertussen ingehaald door de cd en dvd. Doorslaggevend is overigens niet het type informatiedrager, maar de informatie zelf.
EHRM 2 juli 2002, appl.no. 34209/96 (S.N./Zweden), § 52.
EHRM 2 april 2013, appl.no. 25307/10 (dec.) (D.T./Nederland), § 50.
Zie over de wijze waarop dat onderzoek zou kunnen worden uitgevoerd Rassin 2014.
In Rb. Maastricht 25 januari 2006, ECLI:NL:RBMAA:2006:AV0770 had een rechtspsycholoog geconstateerd dat aanleiding bestond om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de in een verhoorstudio afgelegde getuigenverklaring. Dat leidde ertoe dat de verdachte werd vrijgesproken. Zie ook Rb. Maastricht 14 maart 2007, ECLI:NL:RBMAA:2007:BA0711.
EHRM 20 december 2001, appl.no. 33900/96 (P.S./Duitsland), § 29.
In EHRM 16 december 2003, appl.no. 53972/00 (dec.) (Magnusson/Zweden) merkte het EHRM op dat een onderzoek door een forensische expert tot op zekere hoogte compenserend werkte, maar in die zaak was – evenals in de zaak S.N. – een geboden ondervragingsgelegenheid niet benut, terwijl de getuigenverklaring niet van beslissende betekenis leek te zijn.
In onderdeel 3.11 van zijn conclusie bij HR 6 juli 2010, NJ 2010, 510 was AG Machielse van opvatting dat het onderzoek door een deskundige onvoldoende compensatie bood. Daarbij achtte hij van belang dat – anders dan in de zaak S.N. – in deze zaak geen enkele ondervragingsgelegenheid was geboden.
In NJ 2013, 145 heeft de Hoge Raad overigens geen concrete voorbeelden van compensatie meer genoemd. In HR 17 november 2009, NJ 2010, 191 had het gerechtshof ook het verhoor van de moeder en oma van het slachtoffer aangemerkt als een compenserende maatregelen. De Hoge Raad liet zich niet expliciet uit over de vraag of die maatregel daadwerkelijk compenseerde. Dat was niet noodzakelijk, aangezien de andere twee genoemde maatregelen óók waren getroffen.
Hof Amsterdam 16 mei 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BW6216, r.o. 4.1.
Onderdeel 48 van zijn conclusie bij HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:349.
Hof ’s-Hertogenbosch 28 april 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BI2414; Hof ’s-Hertogenbosch 4 augustus 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AQ6469.
Hof ’s-Gravenhage 28 november 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ9303; Rb. Roermond 2 september 2008, ECLI:NL:RBROE:2008:BE9649.
Rb. Limburg 23 april 2013, ECLI:NL:RBLIM:2013:BZ8503. Zie ook onderdeel 15 van de conclusie van AG Aben bij HR 19 maart 2013, NJ 2013, 193.
In NJ 2003, 672 heeft de Hoge Raad twee maatregelen genoemd die compenserend kunnen werken. Deze maatregelen zijn ontleend aan twee arresten die het ehrm kort daarvoor had gewezen. Deze arresten fungeren uitdrukkelijk ter onderbouwing van de nieuwe regel die de Hoge Raad formuleerde: beslissende getuigenverklaringen mogen voor het bewijs worden gebruikt wanneer voldoende compensatie is geboden. De eerste maatregel is het ter zitting afspelen van een video-opname van het getuigenverhoor.1 De Hoge Raad verwees naar het arrest S.N.2 In die zaak was het ondervragingsrecht nauwelijks aangetast, aangezien een effectieve ondervragingsgelegenheid was geboden, maar niet was benut, terwijl de raadsman van de verdachte, na te hebben kennisgenomen van de opname van het tweede verhoor, geen nadere vragen meer had. Het voert daarom te ver om uit dat arrest af te leiden dat het ter zitting afspelen van een videoregistratie van een getuigenverhoor in het algemeen voldoende compensatie zou kunnen bieden bij doorslaggevende getuigen. Volgens de jurisprudentie van na het arrest Al-Khawaja & Tahery kan deze factor echter wél in het algemeen compensatie opleveren.3 De tweede door de Hoge Raad genoemde factor is het gelasten van een onderzoek door een deskundige van het audiovisueel vastgelegde verhoor.4 Het gelasten van een onderzoek lijkt mij op zichzelf geen compensatie te kunnen bieden. Bedoeld zal zijn dat de deskundige ook daadwerkelijk een rapport heeft uitgebracht, dat bovendien steun zal moeten geven aan de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring.5 Voor deze compenserende maatregel verwees de Hoge Raad naar de zaak P.S., waarin het ehrm het onderzoek door een deskundige onvoldoende compenserend achtte, omdat het pas anderhalf jaar na het incident was uitgevoerd.6 Het ehrm had vóór Al-Khawaja & Tahery in geen enkele zaak vastgesteld dat zo’n onderzoek – eventueel in combinatie met andere factoren – voldoende compenserend werkte.7 Vóór het arrest Al-Khawaja & Tahery kon derhalve niet met zekerheid kon worden gesteld dat de door de Hoge Raad genoemde factoren ook in de ogen van het ehrm compenserend zouden werken.8 Na dat arrest heeft het ehrm echter duidelijk gemaakt dat deze factoren daadwerkelijk kunnen compenseren.
De Hoge Raad heeft niet de intentie gehad een uitputtende opsomming van compenserende maatregelen te geven. De genoemde maatregelen zijn slechts voorbeelden van maatregelen die in zaken met minderjarige slachtoffers van zedendelicten compensatie zouden kunnen bieden. Andere vormen van compensatie zijn dus denkbaar.9 In de zaak rond de afpersing van Willem Endstra kon het slachtoffer, wiens verklaring van beslissende betekenis was, niet worden ondervraagd, omdat het was overleden. Het gerechtshof oordeelde dat voldoende compensatie was geboden. Ten eerste was een aanzienlijk aantal getuigen gehoord. Ten tweede had de verdediging de gelegenheid gekregen om de zogenaamde achterbankgesprekken te beluisteren en om naar aanleiding daarvan onjuistheden in de transcripties ervan te corrigeren. Ten derde had het hof diverse onderzoekswensen van de verdediging ingewilligd. Ten vierde heeft het hof gemotiveerd waarom het de verklaringen van Endstra voldoende betrouwbaar achtte om aan het bewijs te kunnen meewerken, waarbij het zich ervan bewust was dat de getuige mogelijk niet altijd de waarheid sprak.10ag Aben zag hierin voldoende compensatie.11 De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep zonder nadere motivering (art. 81 RO).
In uitspraken van feitenrechters worden voornamelijk de door de Hoge Raad genoemde maatregelen genoemd.12 Ook de mogelijkheid tot ondervraging van andere getuigen, aan wie de niet-ondervraagde getuige heeft verteld wat is voorgevallen, is door feitenrechters soms als compenserende factor aangemerkt.13 De Rechtbank Limburg beschouwde de ondervraging van drie getuigen die het ten laste gelegde feit hadden waargenomen als compenserende maatregel.14