Einde inhoudsopgave
Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (herschikking)
Artikel 138 Uitsluitingscriteria en besluiten inzake uitsluitingen
Geldend
Geldend vanaf 29-09-2024
- Redactionele toelichting
Gecorrigeerd via een rectificatie (PbEU L, 2026/90105).
- Bronpublicatie:
23-09-2024, PbEU L 2024, 2024/2509 (uitgifte: 26-09-2024, regelingnummer: 2024/2509)
- Inwerkingtreding
29-09-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
23-09-2024, PbEU L 2024, 2024/2509 (uitgifte: 26-09-2024, regelingnummer: 2024/2509)
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
EU-recht / Financiering
1.
De bevoegde ordonnateur sluit een in artikel 137, lid 2, bedoelde persoon of entiteit uit van deelname aan onder deze verordening vallende toekenningsprocedures of van uitvoering van middelen van de Unie wanneer die persoon of entiteit zich in één of meer van de volgende uitsluitingssituaties bevindt:
- a)
de persoon of entiteit is failliet, onderworpen aan insolventie- of liquidatieprocedures, zijn activa worden beheerd door een curator of een gerecht, hij een regeling met schuldeisers heeft getroffen, zijn bedrijfsactiviteiten zijn geschorst of hij in een andere vergelijkbare toestand verkeert als gevolg van een soortgelijke procedure uit hoofde van Unierecht of nationaal recht;
- b)
in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de persoon of entiteit zijn verplichtingen, overeenkomstig het toepasselijke recht, tot betaling van belastingen of socialezekerheidsbijdragen niet nakomt;
- c)
in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de persoon of entiteit een ernstige beroepsfout heeft gemaakt doordat hij/zij de toepasselijke wet- of regelgeving of de ethische normen van de beroepsgroep waartoe hij/zij behoort, heeft overtreden of doordat hij/zij onrechtmatig gedrag heeft vertoond dat zijn professionele geloofwaardigheid aantast wanneer dit gedrag blijk geeft van kwaad opzet of grove nalatigheid, waaronder met name:
- i)
het op frauduleuze of nalatige wijze afleggen van valse verklaringen met betrekking tot de informatie die wordt verlangd voor de verificatie van de afwezigheid van gronden voor uitsluiting of de vervulling van subsidiabiliteits- of selectiecriteria of bij de uitvoering van de juridische verbintenis;
- ii)
het sluiten van een overeenkomst met andere personen of entiteiten met als doel de mededinging te vervalsen;
- iii)
het schenden van intellectuele-eigendomsrechten;
- iv)
het onrechtmatig beïnvloeden of het pogen het besluitvormingsproces onrechtmatig te beïnvloeden teneinde middelen van de Unie te verkrijgen door via misleiding gebruik te maken van een belangenconflict waarbij financiële actoren of andere personen zoals bedoeld in artikel 1, lid 61[lees: artikel 61, lid 1], betrokken zijn;
- v)
het pogen vertrouwelijke informatie te verkrijgen die de persoon of entiteit onrechtmatige voordelen kan opleveren in de toekenningsprocedure;
- vi)
het aanzetten tot discriminatie, haat of geweld tegen een groep personen of een lid van een groep, of soortgelijke activiteiten die in strijd zijn met de in artikel 2 VEU vastgelegde waarden waarop de Unie is gegrondvest, waarbij dergelijk wangedrag de integriteit van de persoon of entiteit schaadt op een manier die negatieve gevolgen meebrengt voor de naleving van de juridische verbintenis of daartoe een concreet risico inhoudt;
- d)
in een definitieve rechterlijke beslissing is vastgesteld dat de persoon of entiteit zich schuldig heeft gemaakt aan een van de volgende feiten:
- i)
- ii)
corruptie, als omschreven in artikel 4, lid 2, van Richtlijn (EU) 2017/1371 of actieve corruptie in de zin van artikel 3 van de Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, vastgesteld bij akte van de Raad van 26 mei 1997 (3), of gedragingen zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, van Kaderbesluit 2003/568/JBZ (4) van de Raad, of corruptie als omschreven in andere toepasselijke regelgeving;
- iii)
gedragingen die verband houden met een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 2 van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad (5);
- iv)
- v)
terroristische misdrijven of strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten zoals gedefinieerd in de artikelen 3 tot en met 12 van Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad (7), dan wel uitlokking van, medeplichtigheid aan of poging tot het plegen van zodanig misdrijf of strafbaar feit, zoals bedoeld in artikel 14 van genoemde richtlijn;
- vi)
kinderarbeid of andere strafbare feiten op het gebied van mensenhandel zoals bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (8);
- e)
de persoon of entiteit aanzienlijk is tekortgeschoten in de nakoming van belangrijke verplichtingen bij de uitvoering van een uit de begroting gefinancierde juridische verbintenis, hetgeen tot
- i)
de vroegtijdige beëindiging van een juridische verbintenis heeft geleid;
- ii)
oplegging van een schadevergoeding of andere contractuele sancties heeft geleid; of
- iii)
na toetsen en audits of onderzoeken door een ordonnateur, OLAF, de Rekenkamer of het EOM aan het licht is gekomen;
- f)
in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de persoon of entiteit een onregelmatigheid in de zin van artikel 1, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad heeft begaan (9);
- g)
in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de persoon of entiteit in een andere jurisdictie een entiteit heeft opgericht met de bedoeling om fiscale, sociale of enige andere wettelijke verplichtingen, onder meer met betrekking tot arbeidsrechten, werkgelegenheid en arbeidsomstandigheden, te omzeilen die in de jurisdictie waar de statutaire zetel, het hoofdbestuur of de hoofdvestiging is gevestigd;
- h)
in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat er een entiteit is opgericht met de bedoeling als vermeld in punt g);
- i)
de entiteit of persoon heeft zich opzettelijk en zonder deugdelijke motivering verzet tegen een onderzoek, toets of audit uitgevoerd door een ordonnateur of zijn vertegenwoordiger of controleur, OLAF, het EOM of de Rekenkamer. Er wordt aangenomen dat de persoon of entiteit zich tegen een onderzoek, toets of audit verzet wanneer deze acties onderneemt die tot doel of tot gevolg hebben dat de uitvoering van activiteiten die nodig zijn in het kader van het onderzoek, de toets of de audit, wordt voorkomen, belemmerd of vertraagd. Tot dergelijke acties behoren met name weigeren van de noodzakelijke toegang tot gebouwen of andere ruimten die voor zakelijke doeleinden worden gebruikt, het verbergen van informatie of het weigeren van de openbaarmaking ervan of het verstrekken van onjuiste informatie.
2.
De bevoegde ordonnateur sluit een in artikel 137, lid 2, eerste alinea, punt i), en vierde alinea, punten a), b) en c), bedoelde persoon of entiteit uit indien die persoon of entiteit zich in een of meer van de in lid 1, punt c), iv), of punt d), van dit artikel bedoelde uitsluitingssituaties bevindt. Indien geen definitieve rechterlijke beslissing of definitief administratief besluit voorhanden is, wordt het besluit genomen op basis van een voorlopige juridische kwalificatie van een in die punten bedoelde gedraging, rekening houdend met de in lid 3, vierde alinea, punten a) en d), van dit artikel bedoelde feiten en bevindingen in de aanbeveling van de in artikel 145 bedoelde instantie.
Alvorens de voorlopige juridische kwalificatie te geven, stelt de in artikel 145 bedoelde instantie de lidstaat in de gelegenheid opmerkingen te maken over de procedure in lid 3 van dit artikel.
Onverminderd artikel 63, lid 2, zorgt de lidstaat ervoor dat betalingsaanvragen met betrekking tot een persoon of entiteit die zich in een uitsluitingssituatie bevindt die is vastgesteld overeenkomstig lid 1 van dit artikel niet voor terugbetaling bij de Commissie worden ingediend.
3.
Indien er geen definitieve rechterlijke beslissing of, indien van toepassing, geen definitief administratief besluit voorhanden is in de in lid 1, punten c), d), f), g) en h), van dit artikel bedoelde gevallen of in het in lid 1, punten e) en i), van dit artikel bedoelde geval, sluit de bevoegde ordonnateur een in artikel 137, lid 2, genoemde persoon of entiteit uit op basis van een voorlopige juridische kwalificatie van een in die punten bedoeld gedrag, rekening houdend met vastgestelde feiten of andere bevindingen in de aanbeveling van de in artikel 145 bedoelde instantie.
De in de eerste alinea van dit lid bedoelde voorlopige kwalificatie laat de beoordeling van het gedrag van de in artikel 137, lid 2, bedoelde persoon of entiteit door de bevoegde instanties van de lidstaten op grond van het nationale recht onverlet. De bevoegde ordonnateur herziet onmiddellijk na de kennisgeving van een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit zijn of haar besluit om de in artikel 137, lid 2, bedoelde persoon of entiteit uit te sluiten en/of de ontvanger een financiële sanctie op te leggen. Indien de duur van de uitsluiting niet is vastgelegd in de definitieve rechterlijke beslissing of het definitieve administratieve besluit, stelt de bevoegde ordonnateur die duur vast op basis van vastgestelde feiten en bevindingen, met inachtneming van de aanbeveling van de in artikel 145 bedoelde instantie.
Indien in die definitieve rechterlijke beslissing of dat definitieve administratieve besluit wordt geoordeeld dat de in artikel 137, lid 2, bedoelde persoon of entiteit zich niet schuldig heeft gemaakt aan het voorlopig juridisch gekwalificeerde gedrag op basis waarvan die persoon of entiteit is uitgesloten, maakt de bevoegde ordonnateur onverwijld een einde aan die uitsluiting en/of betaalt hij, in voorkomend geval, alle opgelegde financiële sancties terug.
Tot de in de eerste alinea bedoelde feiten en bevindingen behoren met name:
- a)
feiten die zijn vastgesteld in het kader van audits of onderzoeken door het EOM ten aanzien van de lidstaten die deelnemen aan nauwere samenwerking overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939, de Rekenkamer, OLAF of de intern controleur, of enige andere toets, audit of controle uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de bevoegde ordonnateur;
- b)
niet-definitieve administratieve besluiten die tuchtmaatregelen kunnen omvatten welke zijn genomen door het bevoegde toezichthoudende orgaan dat verantwoordelijk is voor de verificatie van de toepassing van normen inzake beroepsethiek;
- c)
feiten die worden vermeld in besluiten van personen en entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, punt c);
- d)
informatie die overeenkomstig artikel 144, lid 2, punt d), wordt doorgegeven door entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, punt b), in het bijzonder feiten en bevindingen die in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit op nationaal niveau worden vastgesteld met betrekking tot het bestaan van uitsluitingssituaties zoals bedoeld in lid 1, punt c), iv), of punt d), van dit artikel;
- e)
besluiten van de Commissie betreffende schending van het mededingingsrecht van de Unie of van een nationale bevoegde instantie betreffende de schending van het mededingingsrecht van de Unie of van het nationale mededingingsrecht.
4.
Elk op grond van de artikelen 137 tot en met 144 genomen besluit van de bevoegde ordonnateur of, in voorkomend geval, elke aanbeveling van de in artikel 145 bedoelde instantie wordt genomen in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, waarbij met name rekening wordt gehouden met:
- a)
de ernst van de situatie, met inbegrip van de gevolgen voor de financiële belangen en het imago van de Unie;
- b)
de tijd die is verstreken sinds het betrokken gedrag;
- c)
de duur van het gedrag en de herhaling ervan;
- d)
de vraag of het gedrag opzettelijk was of de mate van aangetoonde nalatigheid;
- e)
in de gevallen bedoeld in lid 1, punt b), de vraag of het gaat om een beperkt bedrag;
- f)
andere verzachtende omstandigheden zoals:
- i)
de mate waarin de in artikel 137, lid 2, bedoelde persoon of entiteit met de bevoegde instantie meewerkt en de bijdrage van die persoon of entiteit aan het onderzoek, zoals erkend door de bevoegde ordonnateur; of
- ii)
de openbaarmaking van de uitsluitingssituatie door middel van een in artikel 139, lid 1, bedoelde verklaring; of
- iii)
de maatregelen die door de lidstaat tegen de persoon of entiteit worden genomen op grond van artikel 63, lid 2.
5.
De bevoegde ordonnateur sluit een in artikel 137, lid 2, bedoelde persoon of entiteit uit indien:
- a)
een natuurlijke persoon of rechtspersoon die lid is van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de in artikel 137, lid 2, bedoelde persoon of entiteit of die vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid heeft ten aanzien van die persoon of entiteit, zich in een of meer van de situaties bevindt zoals bedoeld in lid 1, punten c) tot en met i), van dit artikel;
- b)
een natuurlijke persoon of rechtspersoon die onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de in artikel 137, lid 2, bedoelde persoon of entiteit, zich in een of meer van de situaties bevindt zoals bedoeld in lid 1, punt a) of punt b), van dit artikel;
- c)
een natuurlijke persoon die essentieel is voor de toekenning of voor de uitvoering van de juridische verbintenis zich in een of meer van de situaties bevindt zoals bedoeld in lid 1, punten c) tot en met i), van dit artikel.
De bevoegde ordonnateur ziet erop toe dat de natuurlijke persoon die zich in een of meer van de in de eerste alinea bedoelde situaties bevindt, wordt uitgesloten.
6.
Wanneer een in artikel 137, lid 2, eerste alinea, punten a) tot en met f) en punten h) en i), bedoelde persoon of entiteit wordt uitgesloten, kan de bevoegde ordonnateur ook de uiteindelijk begunstigde of een aan de uitgesloten entiteit verbonden entiteit uitsluiten of een financiële sanctie opleggen. Bij elk besluit van de bevoegde ordonnateur of, in voorkomend geval, bij elke aanbeveling van de in artikel 145 bedoelde instantie wordt in aanmerking genomen of:
- a)
de uitgesloten entiteit functioneel onafhankelijk is van haar verbonden entiteit en van de uiteindelijk begunstigde;
- b)
de fout van de uitgesloten entiteit niet te wijten is aan onvoldoende toezicht of onvoldoende adequate controles;
- c)
de uitgesloten entiteit een commerciële beslissing heeft genomen zonder beïnvloeding door een verbonden entiteit of door de uiteindelijk begunstigde.
7.
In de in lid 3 van dit artikel bedoelde gevallen kan de bevoegde ordonnateur een in artikel 137, lid 2, bedoelde persoon of entiteit voorlopig uitsluiten zonder voorafgaande aanbeveling van de instantie zoals bedoeld in artikel 145, indien hun deelname aan een toekenningsprocedure of hun selectie voor het uitvoeren van middelen van de Unie een ernstige en imminente dreiging voor de financiële belangen van de Unie zou vormen. De bevoegde ordonnateur verwijst de zaak in dergelijke gevallen onmiddellijk naar de in artikel 145 bedoelde instantie en neemt uiterlijk 14 dagen na ontvangst van de aanbeveling van de instantie een definitief besluit.
8.
Op verzoek van de ordonnateur en wanneer de aard of de omstandigheden van de zaak zulks vereisen, kan een verwijzing naar een aanbeveling van de in artikel 145 bedoelde instantie volgens een versnelde procedure worden behandeld, onverminderd het recht van de betrokken persoon of entiteit om te worden gehoord.
9.
Rekening houdend, in voorkomend geval, met de aanbeveling van de in artikel 145 bedoelde instantie, sluit de bevoegde ordonnateur een in artikel 137, lid 2, bedoelde persoon of entiteit niet uit van deelname aan een toekenningsprocedure of van selectie voor uitvoering van middelen van de Unie, indien:
- a)
de persoon of entiteit corrigerende maatregelen heeft genomen als vermeld in lid 10 van dit artikel en wel in voldoende mate om zijn betrouwbaarheid aan te tonen. Dit punt geldt niet in het in lid 1, punt d), van dit artikel bedoelde geval;
- b)
het onontbeerlijk is om de continuïteit van de dienstverlening te waarborgen, voor een beperkte periode en in afwachting van de vaststelling van corrigerende maatregelen als vermeld in lid 7 van dit artikel;
- c)
een dergelijke uitsluiting buiten verhouding zou zijn op basis van de in lid 3 van dit artikel bedoelde criteria.
Bovendien is lid 1, punt a), van dit artikel niet van toepassing op de aankoop van leveringen tegen bijzonder gunstige voorwaarden, hetzij bij een leverancier die zijn handelsactiviteit definitief stopzet, hetzij bij vereffenaars in een insolventieprocedure, een regeling met schuldeisers, of een soortgelijke Unie- of nationaalrechtelijke procedure.
In de gevallen van niet-uitsluiting zoals bedoeld in de eerste en tweede alinea van dit lid specificeert de bevoegde ordonnateur de redenen waarom de in artikel 137, lid 2, bedoelde persoon of entiteit niet wordt uitgesloten en stelt hij de in artikel 145 bedoelde instantie in kennis van die redenen.
10.
Tot de in lid 9, eerste alinea, punt a), bedoelde corrigerende maatregelen behoren met name:
- a)
maatregelen om de oorsprong van de situaties die aanleiding geven tot uitsluiting, in kaart te brengen en concrete technische, organisatorische en personeelsgebonden maatregelen binnen het betrokken werkterrein of de activiteit van de in artikel 137, lid 2, bedoelde persoon of entiteit waarmee het gedrag kan worden gecorrigeerd en herhaling daarvan kan worden voorkomen;
- b)
het bewijs dat de in artikel 137, lid 2, bedoelde persoon of entiteit corrigerende maatregelen heeft genomen om de schade te vergoeden of te herstellen die aan de financiële belangen van de Unie is toegebracht door de onderliggende feiten die aanleiding geven tot de uitsluitingssituatie;
- c)
het bewijs dat de in artikel 137, lid 2, bedoelde persoon of entiteit de door de bevoegde instantie opgelegde boete of de in lid 1, punt b), van dit artikel bedoelde belastingen of socialezekerheidsbijdragen heeft betaald of de betaling daarvan heeft gewaarborgd.
Onverminderd de beoordeling door de bevoegde ordonnateur of het in artikel 145 bedoelde panel legt de persoon of entiteit corrigerende maatregelen voor die door een onafhankelijke externe controleur zijn beoordeeld of op grond van een besluit van een nationale autoriteit of een autoriteit van de Unie toereikend zijn geacht.
11.
Rekening houdend, in voorkomend geval, met de herziene aanbeveling van de in artikel 145 bedoelde instantie, herziet de bevoegde ordonnateur ambtshalve of op verzoek van de uitgesloten in artikel 137, lid 2, bedoelde persoon of entiteit onverwijld zijn besluit tot uitsluiting van die persoon of entiteit, indien deze corrigerende maatregelen heeft genomen die volstaan om zijn/haar betrouwbaarheid aan te tonen of nieuwe elementen heeft verstrekt waaruit blijkt dat de in lid 1 van dit artikel bedoelde uitsluitingssituatie niet langer bestaat.
12.
In de in artikel 137, lid 2, punt b), bedoelde gevallen verlangt de bevoegde ordonnateur dat de gegadigde of inschrijver een entiteit of subcontractant waarop hij voornemens is een beroep te doen en die zich in een in lid 1 van dit artikel bedoelde uitsluitingssituatie bevindt, vervangt.
Voetnoten
Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
PB C 316 van 27.11.1995, blz. 48.
PB C 195 van 25.6.1997, blz. 1.
Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 inzake de bestrijding van corruptie in de privésector (PB L 192 van 31.7.2003, blz. 54).
Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit (PB L 300 van 11.11.2008, blz. 42).
Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).
Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad (PB L 88 van 31.3.2017, blz. 6).
Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad (PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1).
Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).