Einde inhoudsopgave
Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (herschikking)
Artikel 144 Systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting
Geldend
Geldend vanaf 29-09-2024
- Bronpublicatie:
23-09-2024, PbEU L 2024, 2024/2509 (uitgifte: 26-09-2024, regelingnummer: 2024/2509)
- Inwerkingtreding
29-09-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
23-09-2024, PbEU L 2024, 2024/2509 (uitgifte: 26-09-2024, regelingnummer: 2024/2509)
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
EU-recht / Financiering
1.
De informatie die wordt uitgewisseld binnen het in artikel 137 bedoelde systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting, wordt gecentraliseerd in een door de Commissie opgezette databank (de databank) en wordt beheerd met inachtneming van het recht op persoonlijke levenssfeer en andere rechten waarin is voorzien in Verordening (EU) 2018/1725.
Informatie over gevallen van vroegtijdige opsporing, uitsluiting en/of financiële sancties wordt door de bevoegde ordonnateur na kennisgeving aan de in artikel 137, lid 2, bedoelde persoon of entiteit in kwestie in de databank opgenomen. Deze kennisgeving kan in uitzonderlijk omstandigheden worden uitgesteld indien er zwaarwegende legitieme redenen zijn om het vertrouwelijke karakter van een onderzoek of van een nationale gerechtelijke procedure te waarborgen, totdat die zwaarwegende legitieme redenen om het vertrouwelijke karakter te waarborgen, vervallen.
Overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1725 informeert de Commissie op verzoek de in artikel 137, lid 2, bedoelde persoon of entiteit die onderworpen is aan het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting, over de in de databank bewaarde gegevens met betrekking tot die persoon of entiteit.
De in de databank vervatte informatie wordt, waar passend, geactualiseerd na rectificatie, verwijdering of wijziging van gegevens. Ze wordt alleen bekendgemaakt overeenkomstig artikel 142.
2.
Het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting berust op feiten en bevindingen zoals bedoeld in artikel 138, lid 3, vierde alinea, en op de doorgifte van informatie aan de Commissie door, met name:
- a)
het EOM ten aanzien van de lidstaten die deelnemen aan nauwere samenwerking uit hoofde van Verordening (EU) 2017/1939, of OLAF, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013, indien uit een lopend of afgerond onderzoek blijkt dat het ter bescherming van de financiële belangen van de Unie passend zou kunnen zijn uit voorzorg maatregelen te nemen of acties te ondernemen, waarbij terdege wordt gelet op de eerbiediging van procedurele en grondrechten, en op de bescherming van klokkenluiders;
- b)
een ordonnateur van de Commissie, van een door de Commissie opgericht Europees bureau of van een uitvoerend agentschap;
- c)
een instelling van de Unie, een Europees bureau, een agentschap, anders dan bedoeld in punt b), of een orgaan dat of een persoon die belast is met de uitvoering van GBVB-acties;
- d)
entiteiten die de begroting uit hoofde van artikel 62, lid 1, eerste alinea, punt b), uitvoeren en personen en entiteiten die middelen uitvoeren in het kader van de uitvoering van de begroting uit hoofde van artikel 62, lid 1, eerste alinea, punt a), met de lidstaten, in het geval van feiten en bevindingen die alleen zijn vastgesteld in het kader van definitieve uitspraken of definitieve administratieve besluiten met betrekking tot de in artikel 138, lid 1, punt c), iv) en punt d) genoemde redenen, alsook vastgestelde fraude en/of onregelmatigheden en de follow-up ervan, indien de doorgifte van informatie vereist is overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving;
- e)
personen of entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, punt c), in het geval van vastgestelde fraude en/of onregelmatigheden en de follow-up ervan.
3.
Behalve wanneer informatie moet worden ingediend overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving, omvat de krachtens lid 2 van dit artikel door te geven informatie:
- a)
de identificatie van de entiteit of persoon in kwestie;
- b)
een overzicht van de opgespoorde risico's of de desbetreffende feiten;
- c)
informatie die voor de ordonnateur nuttig kan zijn bij het verrichten van de in lid 4 van dit artikel bedoelde verificatie of bij het nemen van een besluit tot uitsluiting zoals bedoeld in artikel 138, lid 1 of 3, of een besluit tot oplegging van een financiële sanctie zoals bedoeld in artikel 140;
- d)
in voorkomend geval, informatie over speciale maatregelen die nodig zijn om het vertrouwelijke karakter van de doorgegeven informatie te waarborgen, met inbegrip van maatregelen voor het vrijwaren van bewijs ter bescherming van het onderzoek of de nationale gerechtelijke procedures.
4.
De Commissie geeft de in lid 3 bedoelde informatie onverwijld door aan haar ordonnateurs en aan die van haar uitvoerende agentschappen, alle andere instellingen en organen van de Unie en Europese bureaus en agentschappen door middel van de in lid 1 bedoelde databank, teneinde deze in staat te stellen de nodige verificatie te verrichten met betrekking tot hun lopende toekenningsprocedures en bestaande juridische verbintenissen.
Bij het verrichten van die verificatie oefent de bevoegde ordonnateur zijn bevoegdheden uit als bepaald in artikel 74 en gaat hij niet verder dan hetgeen is bepaald in de voorwaarden van de toekenningsprocedure en de juridische verbintenissen.
De overeenkomstig lid 3 van dit artikel verstrekte informatie betreffende de vroegtijdige opsporing wordt niet langer dan een jaar bewaard. Indien de bevoegde ordonnateur tijdens die termijn de instantie verzoekt een aanbeveling te doen in een geval betreffende uitsluiting of een financiële sanctie, kan de bewaringstermijn worden verlengd totdat de bevoegde ordonnateur een besluit heeft genomen.
5.
Alle personen en entiteiten die betrokken zijn bij de uitvoering van de begroting overeenkomstig artikel 62, krijgen van de Commissie toegang tot de informatie over besluiten inzake uitsluiting krachtens artikel 138 om hen in staat te stellen na te gaan of er sprake is van uitsluiting in het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting wanneer zij overeenkomsten gunnen of begunstigden selecteren om middelen van de Unie uit te voeren.
Behalve wanneer de uitvoering van begroting wordt toevertrouwd aan in artikel 62, lid 1, eerste alinea, punt c), bedoelde personen of entiteiten onder de in artikel 157, lid 4, bedoelde voorwaarden, voeren alle personen en entiteiten die betrokken zijn bij de uitvoering van de begroting, dergelijke besluiten uit ten aanzien van de persoon of entiteit die middelen van de Unie aanvraagt of geselecteerd is om deze uit te voeren.
6.
In het kader van het jaarlijkse verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad, uit hoofde van artikel 325, lid 5, VWEU, verstrekt de Commissie geaggregeerde informatie over de besluiten die uit hoofde van de artikelen 137 tot en met 144 van deze verordening door de ordonnateurs zijn genomen. Dat verslag verstrekt ook verdere informatie over besluiten die uit hoofde van artikel 138, lid 9, eerste alinea, punt b), en artikel 142, lid 2, van deze verordening door de ordonnateurs zijn genomen en over besluiten van de ordonnateurs om af te wijken van de aanbeveling van de instantie uit hoofde van artikel 145, lid 6, derde alinea, van deze verordening.
De in de eerste alinea van dit lid bedoelde informatie wordt verstrekt met inachtneming van vertrouwelijkheidsvereisten en mag het met name niet mogelijk maken de in artikel 137, lid 2, bedoelde persoon of entiteit in kwestie te identificeren.