Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/1.3:1.3 De complexiteit van de voorlopige hechtenisbeslissing
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/1.3
1.3 De complexiteit van de voorlopige hechtenisbeslissing
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over het ‘belang van het kind’ in het jeugdstrafrecht: art. 3, eerste lid IVRK en Kinderrechtencomité 2007, par. 10. En specifiek voor het Nederlandse jeugdstrafrecht: Weijers 2014(a), p. 46-52.
Vgl. Gottfredson & Gottfredson 1988, p. 79.
Vgl. Kinderrechtencomité 2007, par. 51.
Vgl. Worrell 1985-1986, p. 174-193.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het rechterlijke besluitvormingsproces over de voorlopige hechtenis van een minderjarige verdachte is complex en delicaat. In de besluitvorming inzake de voorlopige hechtenis van een minderjarige verdachte kunnen vier – juridisch relevante – categorieën belangen worden onderscheiden: (1) strafvorderlijke belangen, (2) belangen van persoonlijke vrijheid, (3) belangen van een eerlijk proces en (4) pedagogische belangen van vroegtijdig ingrijpen. Deze belangen moeten worden afgewogen in het licht van het ‘belang van het kind’ als overkoepelende, primaire overweging in alle beslissingen betreffende minderjarigen in het kader van het jeugdstrafrecht (zie figuur 1.1).1
Voorlopige hechtenis is ontwikkeld als een dwangmiddel dat ten dienste staat van de algemene strafvorderlijke belangen, zoals het waarborgen dat de verdachte op zitting verschijnt, alsook het voorkomen dat de verdachte gedurende het strafproces de waarheidsvinding belemmert, (opnieuw) een strafbaar feit pleegt of onrust in de samenleving veroorzaakt. Tegelijkertijd resulteert voorlopige hechtenis in een inbreuk op het recht op persoonlijke vrijheid van de verdachte, hetgeen noopt tot uiterste terughoudendheid, zeker wanneer het een minderjarige betreft. Voorts moet voorlopige hechtenis worden beschouwd in het licht van het recht op een eerlijk proces, waaronder ook de onschuldpresumptie moet worden begrepen. De belangen van persoonlijke vrijheid en een eerlijk proces kunnen echter op gespannen voet staan met de strafvorderlijke belangen.2 Tot slot wordt de voorlopige hechtenis in de specifieke context van het jeugdstrafrecht ook wel gezien als instrument om snel en ‘op maat’ te reageren op strafbaar gedrag van minderjarigen. Deze benadering beoogt de pedagogische doelstellingen van het jeugdstrafrecht te dienen.3 Tegelijkertijd kan dit op gespannen voet staan met de belangen van een eerlijk proces en de belangen van persoonlijke vrijheid van de minderjarige, die overmatig en oneigenlijk gebruik van voorlopige hechtenis zonder adequate rechtswaarborgen moeten voorkomen.4
Op de rechter rust de complexe taak om deze belangen in ieder individueel geval zorgvuldig af te wegen en tot een beslissing te komen. Op deze wijze dient de rechter in ieder concreet geval maatwerk te leveren. Wel volgt expliciet uit internationale en Europese kinder- en mensenrechtenverdragen dat de voorlopige hechtenis te allen tijde op een rechtmatige wijze moet worden toegepast en dat nimmer sprake mag zijn van willekeur (vgl. artikel 37(b) IVRK, artikel 9, eerste lid Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) en artikel 5, eerste lid EVRM). Dit betreft een absolute basisvoorwaarde voor een kinder- en mensenrechtenconforme toepassing van voorlopige hechtenis van minderjarigen.