Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/1.7
1.7 Definities en afbakeningen
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het voortduren van voorlopige hechtenis na een ‘pro forma zitting’ komt beknopt aan de orde in de analyse van de wettelijke regeling. Het empirische onderzoek richt zich echter uitsluitend op voorlopige hechtenisbeslissingen van de rechter-commissaris en raadkamer voorafgaand aan de eerste zitting.
Deze groep valt ook nog steeds onder bescherming van het IVRK. Volgens de toelichting van het Kinderrechtencomité van de Verenigde Naties op artikel 40, derde lid IVRK in General Comment No 10 (par. 31) zijn de IVRK-bepalingen die relevant zijn voor het jeugdstrafrecht van toepassing op alle verdachten die ten tijde van het delict minderjarig waren.
Sinds 1 april 2014 kan de officier van justitie reeds bij de vordering tot inbewaringstelling van jongvolwassen verdachten kenbaar maken dat hij voornemens is afdoening volgens het jeugdsanctierecht te eisen (art. 63, vijfde lid Sv jo. art. 77c Sr). Dit heeft tot gevolg dat artikel 493 Sv en artikel 8 Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) van overeenkomstige toepassing worden verklaard op de voorlopige hechtenis van de betreffende jongvolwassenen. Deze groep valt echter in beginsel buiten de reikwijdte van dit onderzoek.
Vgl. art. 2, eerste lid IVBPR en art. 1 EVRM.
Er wordt in dit onderzoek afgezien van het maken van een fundamenteel onderscheid tussen kinder- en mensenrechten, daar is gebleken dat de scheidslijn tussen beide bijzonder troebel kan zijn, bijvoorbeeld als het EHRM, met verwijzing naar IVRK-bepalingen, een ‘kindspecifieke’ uitleg geeft aan een EVRM-bepaling.
Een goed begrip van de centrale vraagstelling en het doel van het onderhavige onderzoek vergt duidelijkheid over de definities van een aantal sleutelbegrippen, alsook over de reikwijdte van dit onderzoek. Dit geldt in elk geval voor de term ‘voorlopige hechtenis’. Hieronder wordt verstaan de inbewaringstelling en gevangenhouding, dan wel gevangenneming van een verdachte (vgl. artikel 133 Sv). De voorlopige hechtenis vormt een onderdeel van het ‘voorarrest’ in brede zin. Hiermee wordt gedoeld op de gehele periode van vrijheidsbeneming in de voorfase van het strafproces, vanaf het moment van de aanhouding tot aan de invrijheidstelling of veroordeling van de verdachte. Voorarrest omvat derhalve, naast de voorlopige hechtenis, ook het daaraan voorafgaande ophouden voor verhoor en de inverzekeringstelling van de verdachte. Deze initiële fase valt echter buiten de reikwijdte van het onderhavige onderzoek. Hetzelfde geldt voor voorlopige hechtenis in de fase van het hoger beroep. Het onderzoek richt zich primair op voorlopige hechtenis in de periode voorafgaand aan de eerste zitting.1
Het onderzoek spitst zich toe op voorlopige hechtenis van ‘minderjarige verdachten’, ook wel aangeduid als ‘jeugdige verdachten’. Hiermee wordt gedoeld op verdachten, in de zin van artikel 27 Sv, die op het moment van het (vermeend) begaan van het strafbare feit de leeftijd van 12 jaar, doch niet die van 18 jaar hebben bereikt (vgl. artikel 486 Sv en artikel 488, tweede lid Sv). Dit betekent dat het mogelijk is dat sommige ‘minderjarige verdachten’ ten tijde van de voorlopige hechtenis inmiddels niet minderjarig meer zijn; deze groep valt onverkort binnen de reikwijdte van dit onderzoek.2 Jongvolwassen verdachten, die reeds ten tijde van het begaan van het delict meerderjarig waren, vallen daarentegen in beginsel buiten de reikwijdte van dit onderzoek, ook als hun strafzaak volgens het jeugdsanctierecht wordt afgedaan.3 Als in het onderhavige onderzoek wordt gesproken over ‘voorlopige hechtenis in het jeugdstrafrecht’ – zoals ook in de titel van dit boek – wordt aldus uitsluitend gedoeld op voorlopige hechtenis van ‘minderjarige verdachten’. Indien wordt verwezen naar het ‘commune strafrecht’, dan wordt bedoeld het strafrecht voor volwassenen (lees: personen die meerderjarig waren ten tijde van het begaan van het strafbare feit).
De Nederlandse wet en toepassingspraktijk van voorlopige hechtenis van minderjarigen wordt in dit onderzoek geanalyseerd in het licht van ‘internationale en Europese kinder- en mensenrechten’. Hiermee wordt gedoeld op het hele scala aan kinder- en mensenrechtenstandaarden, waaronder verdragsbepalingen, richtlijnen en rechtspraak, die relevant zijn voor de voorlopige hechtenis van minderjarigen (zie par. 1.6.1). ‘Internationale’ standaarden hebben betrekking op VN-standaarden die in beginsel een wereldwijd bereik hebben. Onder ‘Europese’ standaarden worden begrepen de ‘regionale’ standaarden die zijn ontwikkeld door de Raad van Europa (inclusief het EHRM) of de EU. Met ‘kinderrechten’ wordt gedoeld op internationaal en/of regionaal erkende standaarden die specifiek zijn ontwikkeld voor de bescherming van fundamentele rechten van minderjarigen en ook uitsluitend op minderjarigen van toepassing zijn.4 ‘Mensenrechten’ betreffen internationaal en/of regionaal erkende fundamentele rechten die gelden voor ‘een ieder ’, waaronder dus ook minderjarigen.5 Kinder- en mensenrechten vormen in dit onderzoek tezamen het overkoepelende analysekader.6
Dit kader wordt concreet gevormd door het kinder- en mensenrechtelijke verbod op onrechtmatige en willekeurige vrijheidsbeneming (zie par. 1.6.1.2). In dit verband ziet ‘vrijheidsbeneming’ – evenals ‘vrijheidsberoving’ en ‘vrijheidsontneming’ – op een inbreuk op het recht op persoonlijke vrijheid, zoals is neergelegd in artikel 9, eerste lid IVBPR, artikel 5, eerste lid EVRM en ten grondslag ligt aan artikel 37(b) IVRK. Vrijheidsbeneming moet worden onderscheiden van ‘vrijheidsbeperking’, hetgeen een inbreuk op het recht op vrije verplaatsing betreft (vgl. art. 12, eerste lid IVBPR en art. 2 Vierde Protocol bij het EVRM). Een nadere uitwerking van de definitie en reikwijdte van vrijheidsbeneming en haar verhouding tot vrijheidsbeperking, alsook van de betekenis en implicaties van de noties ‘(on)rechtmatigheid’ en ‘willekeur ’, volgt in het volgende hoofdstuk.