Einde inhoudsopgave
De kredietwaardigheidstoets bij kredietverlening aan consumenten (R&P nr. FR19) 2020/5.2.5.5
5.2.5.5 Stap 2: beoordeling
Mr. dr. J.M. Meindertsma, datum 01-06-2020
- Datum
01-06-2020
- Auteur
Mr. dr. J.M. Meindertsma
- JCDI
JCDI:ADS210022:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Bij doorlopende kredietvormen moet de kredietgever er in beginsel van uitgaan dat de consument het krediet in een keer volledig opneemt en binnen een redelijke tijd, middels gelijke bedragen, aflost. Zie art. 5.2A.27 R CONC.
Een onderzoek naar het inkomen en uitgaven is dan niet nodig. Zie art. 5.2A.15 (1)(b) R jo. 5.2A.17 (1)(a) CONC.
Art. 5.2A.13 R CONC.
Ibid.
Zo kan bijvoorbeeld rekening worden gehouden met het vermogen als de consument dringend op zoek is naar contanten, maar zijn vermogen niet snel genoeg kan omzetten in liquide middelen. Zie FCA juli 2017, p. 28.
Art. 5.2A.15 (3) R CONC en art. 5.2A.17 (3) R CONC.
Art. 5.2.A.11 G CONC.
De kredietgever moet aannemelijk kunnen maken dat de consument naar redelijke verwachting beschikt over voldoende vrij besteedbaar inkomen om te kunnen voldoen aan de betreffende terugbetaalplichten.1 Eventueel mag de kredietgever ook of alleen2 rekening houden met het vermogen van de consument.3 In dat laatste verband moet voldaan zijn aan meerdere voorwaarden. Om te beginnen moet er een duidelijk indicatie zijn dat de consument het vermogen zal willen opgeven voor het beoogde krediet. Deze voorwaarde lijkt te impliceren dat de kredietgever mag uitgaan van een verklaring waarin de consument aangeeft dat hij bereid is de betreffende terugbetaaloffers te maken. Daarnaast moet de kredietgever aannemelijk kunnen maken dat het voor de consument verantwoord is om rekening te houden met het betreffende vermogen. Daarbij moet de kredietgever specifiek ingaan op drie factoren.4 Ten eerste moet hij stilstaan bij de reden dat het betreffende vermogen door de consument wordt aangehouden. Ten tweede moet hij ingaan op de mate van waarschijnlijkheid dat de consument dat vermogen tijdig kan aanspreken voor de voldoening van de beoogde terugbetaalplichten. Tot slot moet de kredietgever aandacht besteden aan de ernst van de verwachte gevolgen die samenhangen met het opofferen van het bedoelde vermogen.5
Hoewel de kredietwaardigheid in beginsel wordt afgestemd op de huidige betaalcapaciteit van de consument, moet de kredietgever voorts rekening houden met concreet voorzienbare negatieve veranderingen van het inkomen of de niet-discretionaire uitgaven.6 Dit impliceert dat de consument als niet-kredietwaardig moet worden gezien ook al beschikt hij ‘pas’ in een concreet voorzienbaar scenario over onvoldoende betaalcapaciteit. Het is echter niet duidelijk hoe de kredietgever in zulke gevallen moet handelen. Volstaat bijvoorbeeld een waarschuwing voor de nadelige gevolgen van dat scenario? Of mag de kredietgever het krediet pas verstrekken als er maatregelen zijn getroffen die ervoor zorgen dat de terugbetaalplichten in dat scenario betaalbaar blijven? Hoewel de CONC hierop geen antwoord geeft, lijkt de FCA een voorkeur te hebben voor de laatste optie. Deze voorkeur volgt uit het richtsnoer waarin staat dat de kredietgever zich redelijk moet gedragen als na de kredietverstrekking blijkt dat een, op voorhand verwachte, inkomstenstijging niet heeft plaatsgevonden. Aangenomen dat de kredietwaardigheid destijds wel is afgestemd op dat hogere inkomen, zal de kredietgever bijvoorbeeld kunnen overwegen om de periodieke terugbetaalplichten tijdelijk te verlagen:
Art. 5.2A.16 (4) G CONC
An example of where it may be reasonable to take into account an expected future increase in income would be a loan to fund the provision of further or higher education, provided that an appropriate assessment required by this section is carried out. If, in such a case, the customer’s income does not increase in line with expectations, the firm should consider deferring or limiting the obligation to repay until the customer’s income has reached an appropriate level.
Dat er een zekere aandacht is vereist voor negatieve veranderingen, betekent niet dat de consument als niet-kredietwaardig moet worden aangemerkt alleen omdat zijn betaalcapaciteit incidenteel tekort zal schieten. Dit volgt uit het richtsnoer waaruit blijkt dat de kredietgever onder omstandigheden – dus niet altijd – rekening moet houden met het risico dat de consument eenmalig niet (tijdig) voldoet aan een terugbetaalplicht.7 Dit betekent dat de consument onder omstandigheden mag worden aangemerkt als kredietwaardig, ook al is op dat moment duidelijk dat hij een enkele keer niet (verantwoord) zal kunnen voldoen aan een terugbetaalplicht. Niet duidelijk is echter welke, strikt genomen, onacceptabele terugbetaaloffers de consument hoelang mag maken voordat hij wel als niet-kredietwaardig moet worden gezien.