Einde inhoudsopgave
De kredietwaardigheidstoets bij kredietverlening aan consumenten (R&P nr. FR19) 2020/5.2.5.3
5.2.5.3 Een uitleg over de betekenis van risicosignalen
Mr. dr. J.M. Meindertsma, datum 01-06-2020
- Datum
01-06-2020
- Auteur
Mr. dr. J.M. Meindertsma
- JCDI
JCDI:ADS210055:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Art. 5.2A.20 R CONC.
Zie FCA juli 2017, p. 34 en 35 voor een overzicht.
Ibid. Zie ook art. 5.2A.20 (3) R CONC.
FCA juli 2017, p. 35.
Ibid. Zie ook art. 5.2A.20 (3) R CONC. Het betreft dus geen vastomlijnd begrip.
FCA juli 2017, p. 34 en 35 en FCA juli 2018, p. 18. Zie ook art. 5.2A.25 G CONC.
FCA juli 2017, p. 35. Een non-prime consument betreft iemand met ‘an adverse credit history or ‘thin’ credit file’. Zie p. 7.
FCA juli 2018, p. 32. Het betreft dus geen vastomlijnd begrip.
FCA juli 2017, p. 34 – 35.
Ibid. p. 29. Soms kan de kredietgever volstaan met informatie over de arbeidsfunctie van de consument. De kredietgever moet dan wel weten wat iemand in een vergelijkbare functie (minimaal) verdient.
Dit is anders als de kredietgever bijvoorbeeld bekend is met feiten of omstandigheden die erop wijzen dat de consument minder kredietwaardig is dan de enkele verhouding tussen het inkomen en krediet doet vermoeden.
Art. 5.2A15 (1) (a) R jo. art. 5.2A.17 (1) (a) R CONC.
FCA juli 2017, p. 29.
Ibid. p. 35.
De kredietgever moet erop bedacht zijn dat de registers niet altijd up-to-date zijn of andere zwaktes hebben. Zie FCA juli 2018, p. 33.
Vanzelfsprekend moet de kredietgever aannemelijk kunnen maken dat de consument duidelijk kredietwaardig is. Zie art. 5.2A.16 (1) G CONC. Dit kan bijvoorbeeld door te wijzen op het betreffende kredietbedrag en de positieve resultaten van een CRA-check.
Art. 1.4.1 R CONC App e.v. Deze consument kan eventueel nog worden beschermd door art. 140C Consumer Credit Act 1974. Zie art. 1.4.6 R CONC App. Het gaat hier overigens om een consument met een inkomen van minimaal £150,000 en/of een vermogen van ten minste £500,000. Zie art. 1.4.7 R CONC App. Overigens wordt ook niet ingegaan op de strengere bepalingen die zien op de consument met een mental capacity limitation. Zie hierover ook paragraaf 5.2.4.
De vereiste omvang en intensiteit van de kredietwaardigheidstoetsing is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.1 In het bijzonder wordt de kredietgever geacht te handelen naar eventuele risicosignalen. Dit zijn signalen die wijzen op een risico dat het gevraagde krediet een (te) grote impact zal hebben op de betaalcapaciteit van de consument. Hoe sterker de signalen, hoe meer de kredietgever zich zal moeten inspannen om de omvang van de betaalcapaciteit in beeld te brengen.
Er zijn twee soorten van risicosignalen.2 Het eerste risicosignaal vloeit voort uit het kredietproduct dat aan de orde is.3 De FCA heeft ter verduidelijking een onderscheid gemaakt tussen een mainstream en non-mainstream kredietproduct.4 Een mainstream kredietproduct betreft, kort gezegd, een krediet dat zich, qua kosten of andere voorwaarden, niet in een (te) negatieve zin onderscheidt van de reguliere kredietproducten.5 Er is sprake van een risicosignaal als de consument vraagt om een non-mainstream krediet. Het tweede risicosignaal vloeit voort uit de financiële positie van de betreffende consument.6 De FCA heeft ter verduidelijking een onderscheid gemaakt tussen een prime en non-prime consument.7 Een prime consument betreft, kort gezegd, iemand met een goede kredietreputatie en die geen financiële problemen heeft.8 Er is sprake van een risicosignaal als een non-prime consument om krediet vraagt.
De vereiste omvang en diepgang van het kredietwaardigheidsonderzoek is afhankelijk van de eventuele risicosignalen.9 Zo worden aan het onderzoek vergaande eisen gesteld als een non-prime consument vraagt om een non-mainstream krediet. Omdat er meerdere risicosignalen zijn, is een gedetailleerd onderzoek naar het vrij besteedbaar inkomen vereist. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin een consument met een forse betaalachterstand vraagt om een omvangrijk krediet waaraan tamelijk hoge kosten zijn verbonden. Er worden aan het onderzoek echter minder vergaande eisen gesteld als een prime consument vraagt om een mainstream krediet. Gedacht kan worden aan de situatie waarin een consument met een bepaald inkomen vraagt om een relatief klein krediet. De verhouding tussen het inkomen en het krediet geeft dan onvoldoende aanleiding om te denken dat het gevraagde krediet een te grote impact zal hebben op de betaalcapaciteit van de consument.10 Hoewel de kredietgever in dit voorbeeld in beginsel11 geen onderzoek hoeft te doen naar de uitgaven van de consument, is het onder omstandigheden toelaatbaar dat hij ook geen onderzoek doet naar het inkomen. Ter illustratie heeft de FCA gewezen op de kredietaanvraag die is ingediend door een consument die geen kredieten of betaalachterstanden op zijn naam heeft staan en die vraagt om een zeer klein krediet:12
“(..) a firm does not need to estimate or establish the customer’s income (or disposable income) where it can demonstrate that it is obvious in the particular circumstances that the credit is affordable. This may be the case, for example, where a relatively small amount of credit is offered to a customer who shows no signs of financial difficulties and in relation to whom no adverse information is apparent from the application or a CRA check.”13
Ter verduidelijking heeft de FCA een schema opgesteld welke de kredietgever kan helpen bij het bepalen van de omvang en diepgang van het kredietwaardigheidsonderzoek.14 Dit schema komt op het volgende neer:
Blok 1: Laag risico.
Er is geen onderzoek vereist naar het vrij besteedbaar inkomen. Het gaat hier om de aanvraag van een mainstream krediet die is ingediend door een prime consument. Uit een CRA-check kan blijken dat de consument ‘prime’ is. Overigens moet het hierbij wel gaan om ‘small or moderate amounts of credit’.
Blok 2: Gemiddeld risico.
Een onderzoek naar het vrij besteedbaar inkomen is vereist, echter dit onderzoek hoeft niet altijd even gedetailleerd te zijn. Dit is het geval als een non-prime consument een mainstream product vraagt, of als een prime consument vraagt om een non-mainstream product. De kredietgever kan bijvoorbeeld uitgaan van realistische schattingen over de vaste uitgaven van de consument.
Blok 3: Hoog risico.
Een gedetailleerd onderzoek naar het vrij besteedbaar inkomen is vereist. Dit is het geval als een non-prime consument om een non-mainstream product vraagt. De FCA wijst bijvoorbeeld op de consumenten met een laag of onzeker inkomen en die mede daarom minder goed in staat zijn om kleine financiële tegenvallers op te vangen.
Bedacht moet worden dat de vereiste omvang en diepgang van het onderzoek uiteindelijk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. De kredietgever kan dus niet altijd stoppen met het kredietwaardigheidsonderzoek na een positief resultaat van een CRA-check. Zo kan de kredietgever bijvoorbeeld bekend zijn, of worden geacht bekend te zijn, met feiten of omstandigheden die erop wijzen dat de betreffende consument een stuk minder prime is dan hij in eerste instantie lijkt.15 Als de kredietgever eenmaal risicosignalen heeft opgemerkt, beschikt hij over een zekere vrijheid om te bepalen hoe zwaar deze signalen wegen en hoe gedetailleerd het onderzoek vervolgens wordt uitgevoerd. Zie in dit verband het volgende gedeelte van art. 5.2A.21 (2) G CONC:
“When considering (..) what steps the firms needs to undertake to make the creditworthiness assessment a reasonable one, the firm should consider whether the factors point towards a more or less rigorous assessment. Certain factors may point towards a more rigorous assessment and others towards a less rigorous one in which case the firm should weigh up the factors before deciding what type of creditworthiness assessment is required.”
Het vervolg: de drie stappen van de kredietwaardigheidstoets
Hierna wordt verder ingegaan op de drie stappen van de kredietwaardigheidstoets. Daarbij wordt niet ingegaan op de situatie waarin de kredietgever kan aantonen dat de betreffende consument evident kredietwaardig is en er (dus) geen onderzoek is vereist naar het vrij besteedbaar inkomen.16 Voorts wordt niet ingegaan op de situatie waarin een zeer vermogende consument, a high net worth borrower, vooraf een verklaring heeft ondertekend waaruit volgt dat de bepalingen uit de CONC niet voor hem zullen gelden.17