Einde inhoudsopgave
Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (herschikking)
Artikel 131 Financiële kaderpartnerschappen
Geldend
Geldend vanaf 29-09-2024
- Bronpublicatie:
23-09-2024, PbEU L 2024, 2024/2509 (uitgifte: 26-09-2024, regelingnummer: 2024/2509)
- Inwerkingtreding
29-09-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
23-09-2024, PbEU L 2024, 2024/2509 (uitgifte: 26-09-2024, regelingnummer: 2024/2509)
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
EU-recht / Financiering
1.
De Commissie kan overeenkomsten inzake financieel kaderpartnerschap sluiten voor een langdurige samenwerking met personen en entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, punt c), of met begunstigden. Onverminderd lid 4, punt c), van dit artikel worden overeenkomsten inzake financieel kaderpartnerschap in de loop van elk meerjarig financieel kader ten minste één keer geëvalueerd. In het kader van dergelijke overeenkomsten kunnen bijdrage- of subsidieovereenkomsten worden ondertekend.
2.
Het doel van een overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap is bij te dragen tot het behalen van beleidsdoelstellingen van de Unie door de contractuele voorwaarden van de samenwerking vast te leggen. De overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap vermeldt de vormen van financiële samenwerking en bevat een verplichting om in de specifieke overeenkomsten die onder de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap worden gesloten, monitoringsregelingen op te nemen met betrekking tot het behalen van specifieke doelstellingen. In die overeenkomsten wordt, op basis van de uitkomsten van een beoordeling vooraf, ook vermeld of de Commissie mag vertrouwen op de systemen en procedures van de personen of entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, punt c), of van begunstigden, met inbegrip van auditprocedures.
3.
Met het oog op het optimaliseren van de kosten en baten van audits en het faciliteren van de coördinatie kunnen audit- of verificatie-overeenkomsten worden gesloten met personen en entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, punt c), of met begunstigden. Dergelijke overeenkomsten laten de artikelen 127 en 129 onverlet.
4.
In het geval van financiële kaderpartnerschappen die worden uitgevoerd door middel van specifieke subsidies, geldt het volgende:
- a)
de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap specificeert, naast de in lid 2 genoemde informatie, de volgende elementen:
- i)
de aard van de geplande acties of werkprogramma's;
- ii)
de procedure voor de toekenning van specifieke subsidies, met inachtneming van de procedurele beginselen en voorschriften van titel VIII;
- b)
de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap en de specifieke subsidieovereenkomst als geheel genomen voldoen aan de vereisten van artikel 204;
- c)
de duur van het financieel kaderpartnerschap mag niet langer zijn dan vier jaar, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen, die duidelijk vermeld worden in het in artikel 74, lid 9, bedoelde jaarlijks activiteitenverslag;
- d)
het financieel kaderpartnerschap wordt uitgevoerd in overeenstemming met de beginselen van transparantie en gelijke behandeling van de aanvragers;
- e)
het financieel kaderpartnerschap wordt gelijkgesteld met een subsidie wat betreft programmering, bekendmaking vooraf en toekenning;
- f)
specifieke subsidies op basis van het financieel kaderpartnerschap zijn onderworpen aan de procedures inzake de bekendmaking achteraf als bepaald in artikel 38.
5.
Een overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap die door middel van specifieke subsidies wordt uitgevoerd, kan erin voorzien dat mag worden vertrouwd op de systemen en procedures van de begunstigde overeenkomstig lid 2 van dit artikel, wanneer die systemen en procedures zijn beoordeeld overeenkomstig artikel 157, leden 2, 3 en 4. In dat geval is artikel 199, lid 1, eerste alinea, punt d), niet van toepassing. Wanneer de procedures van de begunstigde voor het verstrekken van financiering aan derden zoals bedoeld in artikel 157, lid 4, eerste alinea, punt d), door de Commissie positief zijn beoordeeld, zijn de artikelen 207 en 208 niet van toepassing.
6.
In het geval van een overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap die door middel van specifieke subsidies wordt uitgevoerd, geschiedt de in artikel 201 bedoelde verificatie van de financiële en operationele capaciteiten vóór de ondertekening van de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap. De Commissie mag vertrouwen op een gelijkwaardige verificatie van de financiële en operationele capaciteiten door andere donoren.
7.
In het geval van financiële kaderpartnerschappen die worden uitgevoerd door middel van bijdrageovereenkomsten voldoen de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap en de bijdrageovereenkomst als geheel genomen aan artikel 129 en artikel 158, lid 7.