Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.7.3
7.7.3 Samenhang voorlopige hechtenisbeslissing en straftoemeting
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. de term “prejudiciërend effect” in Berghuis & Tigges 1981, p. 25.
Mogelijk legt de zittingsrechter hier bovenop nog wel een voorwaardelijke vrijheidsstraf of andersoortige straffen of maatregelen op.
Zie: Van den Brink e.a. 2017. En voorts: Berghuis & Tigges 1981; Stevens 2010; Janssen, Van den Emster & Trotman 2013, zoals beschreven in paragrafen 5.4.1 en 5.4.2.
In een interview werd dit (lees: het ‘omdraaien’ van artikel 67a, derde lid Sv) wel uitdrukkelijk zo benoemd door een raadkamerrechter. Vgl. interview raadkamerrechter B.
Vgl. Stevens (2010) en Janssen, Van den Emster & Trotman (2013), die in het kader van de voorlopige hechtenispraktijk van volwassenen een soortgelijke toepassing van het anticipatieverbod signaleren (zie par. 5.4.2).
Vgl. artikel 67a, derde lid Sv en artikel 27 Sr.
Uit het jaarrapport van DJI (2016) kan eveneens worden afgeleid dat weinig jeugdigen vanuit vrijheid instromen in een justitiële jeugdinrichting om een opgelegde onvoorwaardelijke jeugddetentie uit te zitten. In 2015 zijn weliswaar 165 jeugdigen (inclusief jongvolwassenen) op titel van jeugddetentie ingestroomd, maar – zo luidt de toelichting – “ten aanzien van de […] groep jeugddetenties geldt dat dit vooral gaat om zelfmelders met een tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke jeugddetentie of een vervangende jeugddetentie als gevolg van bijvoorbeeld een mislukte taakstraf of een niet betaalde geldboete” (p. 79). Voor de in- en uitstroomcijfers van jeugdigen in voorlopige hechtenis, zie paragraaf 5.2.
Een derde patroon in de rechterlijke besluitvorming betreft de nauwe verwevenheid tussen voorlopige hechtenis en straf. De in paragraaf 7.4.4.5 gepresenteerde bevindingen schetsen een beeld van een praktijk waarin van toepassing van voorlopige hechtenis een ‘prejudiciërende werking’ uitgaat, in die zin dat (de duur van) de voorlopige hechtenis van invloed is op de uiteindelijke straftoemeting door de zittingsrechter.1 Toepassing van voorlopige hechtenis in de voorfase van het strafproces lijkt zich, bij veroordeling ter zitting, niet zelden te vertalen in het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf voor exact het aantal dagen dat de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waardoor de verdachte het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf op het moment van veroordeling reeds heeft uitgezeten (vgl. art. 27 Sr).2 Dit hangt samen met de vaste praktijk dat een verdachte die in de voorfase van het strafproces in vrijheid is gesteld, bijvoorbeeld doordat de voorlopige hechtenis is geschorst, bij veroordeling in beginsel niet wordt teruggestuurd naar de justitiële jeugdinrichting om nog een onvoorwaardelijke detentiestraf uit te zitten, bovenop de periode die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Deze bevindingen sluiten aan bij bevindingen uit eerder onderzoek, waarin de relatie tussen voorlopige hechtenis en straftoemeting in zowel jeugdstrafzaken als strafzaken van volwassenen eveneens aan het licht is gebracht.3
Beslissingen in het kader van de voorlopige hechtenis van minderjarigen kunnen dus van invloed zijn op de uiteindelijke straftoemetingsbeslissing van de zittingsrechter, doch andersom kan de straftoemetingspraktijk ook van invloed zijn op de besluitvorming inzake de voorlopige hechtenis. In paragraaf 7.4.4.5 is helder naar voren gekomen dat rechters-commissarissen en raadkamerrechters zich ervan bewust zijn dat zodra zij de vordering tot voorlopige hechtenis afwijzen, dan wel de voorlopige hechtenis opheffen of schorsen, de zittingsrechter zich bij veroordeling welhaast gedwongen zal voelen om de verdachte geen onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen voor een langere duur dan het voorarrest dat de verdachte reeds heeft uitgezeten. Dit kan in de praktijk, met name in zwaardere zaken, voor de rechter-commissaris of raadkamer een belangrijke overweging zijn om de voorlopige hechtenis niet in een vroeg stadium te schorsen en vormt daarmee een belangrijke verklaring voor de centrale rol van de ernst van het feit als factor in de schorsingsbeslissing (zie ook par. 7.5.1.2, onder A). Wat er in dergelijke gevallen gebeurt, is dat de rechter-commissaris of raadkamerrechter – onbewust of bewust, doch doorgaans zonder dit uitdrukkelijk zo te benoemen4 – het anticipatiegebod van artikel 67a, derde lid Sv als het ware ‘omdraait’: met de beslissing om de voorlopige hechtenis (nog) niet te schorsen en dus ten uitvoer te leggen, wordt geanticipeerd op de onvoorwaardelijke vrijheidsstraf die de zittingsrechter bij veroordeling, op basis van de ernst van het feit, naar verwachting zou willen opleggen om zo de zittingsrechter de mogelijkheid te geven deze straf ook te ‘kunnen’ opleggen. Hiermee kan het anticipatiegebod in de praktijk niet alleen een beperkende werking, maar ook een verruimende werking hebben op de (tenuitvoerlegging van de) voorlopige hechtenis van minderjarigen (zie wederom par. 7.4.4.5).5
Tegelijkertijd zal de rechter-commissaris of raadkamer ervoor proberen te waken dat de zittingsrechter nog voldoende ruimte heeft om bij veroordeling ter zitting een (voorwaardelijke) straf of maatregel te kunnen opleggen en dat deze ruimte niet volledig is opgesoupeerd door de voorlopige hechtenis (zie par. 7.4.4.4).6 Een afwijzing of opheffing van de voorlopige hechtenis op grond van artikel 67a, derde lid Sv geeft immers een signaal af naar de zittingsrechter dat geen langere vrijheidsstraf kan worden opgelegd dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Om deze reden zal de rechter-commissaris of raadkamer trachten te voorkomen dat de voorlopige hechtenis zodanig lang voortduurt dat de in artikel 67a, derde lid Sv neergelegde grens is bereikt en de voorlopige hechtenis op grond daarvan moet worden opgeheven, dan wel niet meer kan worden verlengd. Dit leidt ertoe dat de rechter-commissaris of raadkamer soms ‘anticipeert op het anticipatiegebod’: door de voorlopige hechtenis tijdig te schorsen, wordt voorkomen dat de grens die besloten ligt in artikel 67a, derde lid Sv wordt bereikt.
Aldus is gebleken dat de dynamiek tussen voorlopige hechtenis en straf kan meebrengen dat het anticipatiegebod een sturende rol krijgt voor wat betreft het moment van schorsing (zie ook par. 7.7.1): enerzijds moet de verdachte, vooral in zware zaken, lang genoeg hebben vastgezeten om recht te doen aan de ernst van het feit, want eenmaal geschorst zal hij bij veroordeling geen langere onvoorwaardelijke jeugddetentie opgelegd krijgen dan de reeds uitgezeten voorlopige hechtenis, anderzijds moet genoeg ruimte overblijven voor de zittingsrechter om ter zitting nog een passende straf of maatregel te kunnen opleggen.
De kernbevinding is dat, de dynamiek tussen voorlopige hechtenis en straf overziend, geconcludeerd kan worden dat de praktijk waarin minderjarigen die zich (vermeend) schuldig maken aan ernstige strafbare feiten hun onvoorwaardelijke vrijheidsstraf feitelijk (grotendeels) uitzitten in de voorfase van het strafproces welhaast structureel lijkt te zijn ingebed in het Nederlandse jeugdstrafrecht.7 Tijdens interviews wordt dit door verschillende rechters expliciet erkend en soms ook gerechtvaardigd op basis van ‘pedagogische’ argumenten. Zo zou een directe vrijheidsbenemende reactie op delictgedrag van minderjarigen vanuit pedagogisch oogpunt effectiever zijn. Ook zou de huidige praktijk minder schadelijk zijn voor de ontwikkeling van de minderjarige dan een praktijk waarin de minderjarige zijn proces weliswaar in vrijheid mag afwachten, maar hij vervolgens – maanden later – wordt veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf die hij dan nog moet gaan uitzitten. Andere rechters stellen zich daarentegen kritischer op ten opzichte van de huidige praktijk en menen dat het uitgangspunt te allen tijde zou moeten zijn dat de minderjarige zijn proces in (voorwaardelijke) vrijheid mag afwachten. Niettemin is duidelijk geworden dat veel rechterscommissarissen, raadkamerrechters en zittingsrechters in de dagelijkse praktijk functioneren binnen een stramien waarin de voorlopige hechtenis en de straf onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, hetgeen – zolang dit stramien niet wordt doorbroken – een weerslag zal hebben op zowel hun voorlopige hechtenisbeslissingen als straftoemetingsbeslissingen.