Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.4.5.1
7.4.5.1 Maatwerk
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Raadkamerzitting 133.
Raadkamerzitting 95; Raadkamerzitting 106; Raadkamerzitting 121.
Raadkamerzitting 81; Raadkamerzitting 121; Raadkamerzitting 123; Raadkamerzitting 129;
Zie paragraaf 7.5.1.2, onder D.
Raadkamerzitting 6; Raadkamerzitting 93.
Interview raadkamerrechter I.
Interview raadkamerrechter B.
Raadkamerzitting 70.
Raadkamerzitting 37; Raadkamerzitting 69; Raadkamerzitting 71; Raadkamerzitting 84.
Raadkamerzitting 80; Raadkamerzitting 112.
Interview raadkamerrechter J.
Raadkamerzitting 7; Raadkamerzitting 65; Raadkamerzitting 96.
Raadkamerzitting 65.
In twee geobserveerde zaken besloot de rechter-commissaris de inbewaringstelling te bevelen voor de duur van zeven dagen in plaats van de gebruikelijke veertien dagen. Voorts werd door raadkamers in verschillende zaken besloten de gevangenhouding van een minderjarige verdachte te bevelen voor een kortere duur dan 30 dagen. De redenen die hieraan ten grondslag lagen zijn voor een deel reeds in de voorgaande paragrafen beschreven. Zo was in één zaak de magere ernstige bezwaren in combinatie met de onderzoeksgrond de reden om de duur van het bevel tot gevangenhouding te beperken tot zeven dagen, om de officier van justitie en de politie nog even de tijd te geven voor het onderzoek (zie ook: par. 7.4.2.2 en 7.4.3.3).1 Ook is in een drietal zaken gebleken dat de raadkamer zich op grond van het anticipatiegebod van artikel 67a, derde lid Sv genoodzaakt kan voelen om de gevangenhouding voor een kortere duur dan 30 dagen te bevelen (zie ook: par. 7.4.4).2
Voorts wordt in de praktijk wel eens een kortdurend bevel tot voorlopige hechtenis afgegeven in het geval waarin de rechter-commissaris of raadkamer de toepassing van de voorlopige hechtenis, gelet op de persoon van de verdachte, eigenlijk niet wenselijk acht, maar er volgens de betreffende rechter(s) nog geen mogelijkheid is om op een verantwoorde manier te schorsen.3 In zo’n geval wil de rechter dat de hulpverlenende instanties (lees: Raad voor de Kinderbescherming en/of jeugdreclassering) zo spoedig mogelijk een plan van aanpak opstellen, zodat kan worden geschorst onder voorwaarden. Door de duur van het bevel tot inbewaringstelling of gevangenhouding te beperken tot zeven á veertien dagen voert de rechter-commissaris of raadkamer de druk op ten aanzien van de hulpverlenende instanties om binnen die periode een plan van aanpak op te stellen, dan wel een geschikte verblijfplaats of dagbesteding voor de minderjarige te organiseren, zodat op de (volgende) raadkamerzitting kan worden geschorst.4 In een aantal zaken trachtte de raadkamer eenzelfde effect te bewerkstelligen door weliswaar de gevangenhouding voor de duur van 30 dagen te bevelen, maar wel binnen 14 dagen een nieuwe raadkamerzitting te plannen om de mogelijkheden voor schorsing (wederom) te bekijken.5
Tijdens de observaties en interviews is daarentegen ook gebleken dat raadkamerrechters soms afwijken van het eerder genoemde uitgangspunt (30 dagen) door de gevangenhouding te bevelen voor de duur van 60 of zelfs 90 dagen. De reden hiervoor kan voor sommige rechters gelegen zijn in de ernst van het feit waarop de verdenking betrekking heeft.
“[Dat] hangt van de ernst af. We doen niet heel vaak 90 dagen, tenzij het heel ernstig is. Dan gebeurt het nog wel eens. Als het voor de zoveelste keer is en echt weer heel ernstig.”6
Een raadkamerrechter legt hierbij tijdens een interview uitdrukkelijk het verband tussen de ernst van het feit, de grond van de geschokte rechtsorde en de duur van het bevel tot gevangenhouding (“Dat het zo ernstig is dat je op voorhand al weet van: nou hier is de rechtsorde zo geschokt, ik ga je gewoon 90 dagen geven.”).7 Ook blijkt de ernst van het feit, zoals in paragraaf 7.4.4.5 reeds duidelijk werd, via het “omgedraaide” anticipatiegebod te kunnen resulteren in een bevel tot van gevangenhouding van 60 of 90 dagen (“Gelet op de straftoemetingsrichtlijnen is 60 dagen heel redelijk.”).8
Een andere reden om een bevel tot gevangenhouding langer dan 30 dagen te laten voortduren kan zijn dat een intramuraal persoonlijkheidsonderzoek (PO) wordt afgenomen, waarvan de uitkomsten, naar het oordeel van de raadkamer, moeten worden afgewacht alvorens over een eventuele schorsing te kunnen beslissen. Tijdens een aantal geobserveerde raadkamerzittingen werd de gevangenhouding voor de duur van 60 of 90 dagen bevolen, omdat de raadkamer verwachtte dat het NIFP die periode nodig zou hebben om het PO te kunnen uitvoeren en daarover te rapporteren.9 In twee andere zaken besloot de raadkamer daarentegen, ondanks de door de officier van justitie gevorderde 60 en 90 dagen, toch de gevangenhouding voor de duur van 30 dagen te bevelen om “een vinger aan de pols te houden” ten aanzien van de voortgang van het PO.10 Een raadkamerrechter legt tijdens een interview uit hoe het PO de duur van het bevel tot gevangenhouding kan beïnvloeden:
“Soms zijn er feiten waarvan ik denk ‘nou 60 dagen, want het is een heel heftig feit en er moet eerst een psycholoog en een psychiater naar je kijken, binnen 30 dagen is dat echt nog niet klaar ’. Kortom, dan doen we nu 60 dagen. Dan zou je kunnen zeggen: ‘dan kunnen we ook 90 dagen doen, want binnen 60 dagen is het misschien ook nog niet helemaal helder ’, maar ik wil wel de druk op die ketel houden. Dan doen we 60 dagen, want ‘misschien, hulpverlening’, zeg ik dan, ‘kan het best zo zijn dat er over 60 dagen er al wel wat doorsijpelt van de eventuele conclusies van het NIFP’. En die wil ik dan wel horen, want dan wil ik kijken of het toch haalbaar is om te schorsen.”11
Tot slot viel tijdens de observaties op dat de raadkamer in een aantal zaken de gevangenhouding voor de duur van 60 of 90 dagen beval, terwijl de tenuitvoerlegging daarvan werd geschorst.12 In één van deze zaken werd hiermee uitdrukkelijk beoogd een “flinke stok achter de deur” te creëren om de verdachte ertoe aan te zetten zich aan de schorsingsvoorwaarden te houden.13