De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/27.6:27.6 Subjectieve verjaring is een specialis van de generalis rechtsverwerking
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/27.6
27.6 Subjectieve verjaring is een specialis van de generalis rechtsverwerking
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS365296:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als de traditionele benadering niet meer voldoet, waar vinden we het onderscheid tussen 'louter tijdsverloop' en 'meer dan louter tijdsverloop' dan wel? Een nuttig uitgangspunt bij nadere gedachtevorming lijkt mij het begrippenpaar generalis-specialis. Ik zette eerder in dit boek uiteen waarom volgens mij de subjectieve verjaringstermijn een vorm van rechtsverwerking is. Om subjectieve verjaring van rechtsverwerking in algemene zin te onderscheiden, zouden wij moeten proberen te benoemen welke elementen 'typisch' zijn aan verjaring krachtens de subjectieve termijn. In casus met die typische elementen moet het rechtsverwerkingsberoep falen. Voor die casus is immers de subjectieve termijn bedoeld. In die casus die deze typische elementen niet vertonen, kan het rechtsverwerkingsberoep slagen.
Wat is typisch aan subjectieve verjaring? Wij kunnen in elke rechtsverwerkingscasus twee perspectieven zien. Ten eerste is er de 'gedraging' van de crediteur; de regel over de verhouding tussen rechtsverwerking en verjaring vindt men ook wel samengevat met de woorden 'louter stilzitten is voor verjaring onvoldoende'. De vraag is dan: wat is 'louter stilzitten' precies?
Het tweede perspectief is het gevolg van de 'gedraging' van de crediteur voor de debiteur. De traditionele benadering kiest dat perspectief: de 'bijzondere omstandigheden' die verjaring van rechtsverwerking zouden onderscheiden, hebben steeds betrekking op de debiteur; het gaat om zijn gerechtvaardigde vertrouwen en over de bezwaring van zijn positie door bewijs- en vermogensplanningsproblemen.
In de volgende paragrafen komen de twee genoemde perspectieven achtereenvolgens aan de orde.