Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/27.4
27.4 Met de komst van het nieuwe verjaringsrecht is rechtsverwerking op grond van louter tijdsverloop niet langer aanvaardbaar
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS369009:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 8.3.
Vermelding verdient in dit verband de volgende overweging van de Hoge Raad uit zijn arrest van 17 februari 2006, RvdW 2006, 204, r.o. 4.8.: 'Ingevolge art. 7:658 lid 2 BW rust op [de werkgever] de bewijslast en daarmee het bewijsrisico ter zake van de juistheid van haar verweer. Met het oog op de omstandigheid dat het hier gaat om een situatie van thans veertig jaar geleden, mogen aan het bewijs geen hoge eisen worden gesteld.' Een dergelijke overweging plooit men eenvoudig in het voordeel van de debiteur die door nodeloos jarenlang stilzitten van de crediteur in zijn bewijspositie is geschaad (dat nodeloze stilzitten was overigens in het arrest niet aan de orde).
R.o. 3.2. Een ander voorbeeld biedt Hof Den Haag 16 december 1994, NJ 1996, 132: 'Het feit dat de gemeente in de periode dat zij terzake een beleidsvrijheid had gedurende zeven jaren niet heeft verhaald, maakt dan ook niet dat de gemeente het recht op verhaal voor de toekomst heeft verwerkt. Wel ziet het hof, evenals de rechtbank, in dit tijdsverloop in beginsel aanleiding om voor de bepaling van de draagkracht van de man uit te gaan van de huidige financiële situatie en daarbij rekening te houden met het feit dat de man gewend is aan een ruimer bestedingspatroon, zoals telefoongesprekken met zijn in het buitenland verblijvende zoon, dan wanneer de gemeente eerder verhaal had gezocht.'
Onder het oude recht werd ten aanzien van de rechtsverwerking een soort gedoogbeleid gevoerd: bij louter tijdsverloop was volgens de leer voor rechtsverwerking geen plaats, maar in de praktijk was dat wegens de te lange wettelijke termijn noodzakelijk anders. Maar nu het nieuwe recht. Moet de dubbele bodem verdwijnen?
Ik schreef al: doordat de termijnen drastisch verkort zijn, zal het probleem van rechtsverwerking op grond van tijdsverloop minder spelen. In zaken tussen de vijf en de dertig jaar oud deed het onderhavige probleem zich vroeger voor en nu niet meer. Maar daarmee is niet gezegd dat in zaken jonger dan vijf jaar de door de Hoge Raad benoemde bijzondere omstandigheden zich niet zouden kunnen voordoen.
Stel: tijdens de bezichtiging van een museum loopt een man in aanwezigheid van zijn vrouw en twee vrienden met zijn hoofd tegen een uitstekende kast. Hij moet als gevolg hiervan een oog missen, zo blijkt direct. De man stelt zich tegenover het museum op het standpunt dat het door de gekozen gevaarlijke inrichting voor zijn schade aansprakelijk is. Hij laat dat weten in een telefoongesprek daags na het ongeval. Het museum laat in datzelfde gesprek weten zich niet aansprakelijk te achten.
Vier jaren gaan voorbij zonder dat het museum nog iets van de man hoort. Dan laat hij plotseling bij monde van zijn advocaat weten dat hij tot dagvaarding zal overgaan als het museum geen aansprakelijkheid erkent. Hij stuurt verklaringen van zijn vrouw en twee vrienden mee, waarin beschreven wordt waar de kast in de ruimte geplaatst was en waarom dat zo een ongelukkige plek was. Het museum kan geen verweer voeren, omdat de inrichting nadien weer vele malen gewijzigd is en er binnen de organisatie niemand meer is die zich nog weet te herinneren hoe de ruimte destijds was ingericht. Van enig telefoongesprek over het voorval weet niemand in het museum zich iets te herinneren.
Van dit soort casusposities zijn er talloze te verzinnen. De moraal zal duidelijk zijn: voor ommekomst van de vijfj aarstermijn doen zich hier de door de Hoge Raad bedoelde 'bijzondere omstandigheden' voor. Het museum is er na de stilte die op het telefoontje volgde op gaan vertrouwen niet meer te worden aangesproken, vertrouwen dat met de loop der tijd overging in totale vergetelheid, en de bewijspositie van het museum is door tijdsverloop wezenlijk ondergaven. Dat het museum met de nakoming van de vordering geen rekening meer had gehouden blijkt niet direct, maar ook die omstandigheid had zonder al te veel fantasie in de casus ingebouwd kunnen worden.
Moet in dit soort situaties rechtsverwerking worden aangenomen? Ik zou menen dat bij positieve beantwoording van die vraag inderdaad de vaste verjaringstermijnen al te zeer worden aangetast. Steeds moet worden bezien of in de voorliggende casus de 'bijzondere omstandigheden' zich voordoen. Rechterlijke uitspraken verliezen aan voorspelbaarheid, advocaten kunnen minder zeker adviseren, partijen kunnen hun positie niet bepalen, noem alle gevolgen van de beperkte kenbaarheid van het recht maar op.
Niettegenstaande die opvatting ben ik tegelijkertijd van mening dat afwijzing van het rechtsverwerkingsberoep in de casus van het museum niet echt bevredigt. Als niets de benadeelde man belette direct na het ongeval tot juridische actie te komen, dan zou het nadeel dat het museum door zijn jarenlange dralen ondervindt, eigenlijk niet voor rekening van het museum, maar voor rekening van de man moeten komen. En toch faalt dus wat mij betreft het beroep op rechtsverwerking.
De reden is dat deze casus behoort tot wat men de 'snijresten' van standaardisatie zou kunnen noemen. Als wij een bepaalde vorm van rechtsverwerking standaardiseren en dus niet langer alle omstandigheden van het geval bij de beoordeling betrekken, dan zijn er gevallen waarvoor die gestandaardiseerde oplossing minder passend is. Dat is onvermijdelijk. Het is geen nieuws dat rechtszekerheid ten koste kan gaan van de rechtvaardigheid in het individuele geval.
Achter die snel geschreven laatste zin gaat een klassiek dilemma schuil. Er zijn heel goed situaties denkbaar waarin de vaste grens wegens wat de Hoge Raad wel de 'individuele gerechtigheid' noemt, toch niet gehandhaafd kan blijven. Het verjaringsrecht kent daarvan diverse voorbeelden: (i) de oude dertigjaarstermijn werd ondergraven doordat hij werd 'ingehaald' door de rechtsverwerking (ii) de nieuwe objectieve dertigjaarstermijn verloor zijn absolute karakter doordat de Hoge Raad asbestslachtoffers die na ommekomst van de verjaringstermijn pas ziek werden hun vordering niet wilde ontzeggen.
Dat hier toch de termijn gehandhaafd moet blijven, heeft wat mij betreft te maken met de kwaliteit van die termijn, en met de relatief geringe mate van onrecht die zijn handhaving teweegbrengt. De verdienste van de subjectieve termijn heb ik eerder in dit boek verdedigd; het verjaringrecht heeft een korte termijn nodig, die aanvangt op het moment waarop van de debiteur juridische actie verlangd kan worden.1 De subjectieve termijn is die termijn. Daarmee komt hem een hoge mate van beschermwaardigheid toe.
Wat betreft de mate van onrecht die zijn handhaving teweegbrengt: het oordeel dat van rechtsverwerking geen sprake is, hoewel dus materieel gezien veel voor rechtsverwerking te zeggen valt, hoeft voor de debiteur niet desastreus te zijn. Weliswaar kan de rechter de vordering niet in één haal ontzeggen, maar wel heeft hij andere middelen om het nadeel van tijdsverloop voor de debiteur in meer of mindere mate te neutraliseren. Illustratief in dit verband is wat Scholten al in 1968 in zijn noot onder het Pekingeendenarrest schreef. De goede trouw kan ook andere beperkende gevolgen hebben dan verval van recht:
"Met name zal die andere werking op het gebied van de bewijslast kunnen liggen. De goede trouw kan ook meebrengen instandhouding van het recht maar met omkering van de bewijslast omtrent de kwaliteit, of — iets zwaarder — instandhouding van het recht met omkering van de bewijslast, maar alleen indien aan de wederpartij de werkelijke mogelijkheid voor tegenbewijs gelaten was; zo niet dan verval van recht. Ziehier een aanknopingsmogelijkheid voor goede trouw en bewijslast. M.i. dient men geregeld deze schaal af te tasten voordat men tot volledig tenietgaan concludeert. De beperkende werking van de goede trouw mag nooit verder gaan dan nodig is."
Scholten legt hier de nadruk op het bewijs, en ook ik zou menen dat met name daar behoefte bestaat aan een vanaf de rechtsverwerking geleidelijk omlaag lopende trap.2 In de praktijk ziet men de rechter echter ook de omvang van de vordering wel 'matigen' en de rechtspraak van de Hoge Raad lijkt daartoe ook de ruimte te bieden. Zie bijvoorbeeld HR 18 januari 1991:
"(...) ook wanneer geen sprake is van rechtsverwerking in de door het hof bedoelde zin, [is] niet uitgesloten dat bijzondere omstandigheden de slotsom wettigen dat de Staat na verloop van tijd niet meer in redelijkheid heeft kunnen besluiten het conflict te beëindigen door over te gaan tot inning van het volledige bedrag van het hem verschuldigde."3
Gegeven deze mogelijkheden de nadelige gevolgen van tijdsverloop voor de debiteur in overweging te kunnen nemen, is handhaving van de subjectieve termijn waar materieel veel voor rechtsverwerking te zeggen valt, dus aanzienlijk minder pijnlijk dan, bijvoorbeeld, handhaving van de objectieve termijn bij asbestslachtoffers.
Concluderend: het leerstuk van rechtsverwerking op grond van tijdsverloop is in het relatieve verjaringsvacuilm van het oude recht tot ontwikkeling gekomen. Het oude verjaringsrecht vorderde wegens zijn te lange termijn dat de facto ook bij louter tijdsverloop het beroep op rechtsverwerking slaagde. Nu wij aannemen dat het nieuwe recht wel een beschermingswaardige termijn kent, is het ons plotseling met het adagium dat louter tijdsverloop niet volstaat, weer ernst. Neemt men onder het nieuwe recht bij louter tijdsverloop rechtsverwerking aan, dan heeft dat de afkalving van de nieuwe subjectieve termijn tot gevolg, en dat willen wij wél voorkomen.
En daarmee zijn terug bij de oude vraag: wat is 'enkel tijdsverloop' eigenlijk?