De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/27.5:27.5 Onder het nieuwe verjaringsrecht lijkt de oude communis opinio niet langer bruikbaar
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/27.5
27.5 Onder het nieuwe verjaringsrecht lijkt de oude communis opinio niet langer bruikbaar
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS367806:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Noot van P.A. Stein onder BR 25 februari 1994, NJ 1994, 450.
Tjittes, NTBR 1999, p. 196.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vraag wat 'enkel tijdsverloop' is, en dus ook wat dan 'meer dan enkel tijdsverloop' is, is onder het oude recht veelvuldig onderwerp van rechtspraak en literatuur geweest. Het klinkt bijna provocatief, maar het lijkt mij toch wel juist: de gehele oogst uit die periode lijkt met de komst van het nieuwe verjaringsrecht in één klap achterhaald. Wat was communis opinio? Nogmaals, voor de duidelijkheid in een NJ-noot samengevat:
"Rechtsverwerking geeft aanleiding tot verlies van een recht (...), ook als geen verjaring heeft plaats gevonden. Daarvoor dient, naast het stilzitten, nog aan een ander vereiste te zijn voldaan. Een element dat daarbij van belang kan zijn is dat door het langdurig talmen van de schuldeiser verzwaring van de positie van de debiteur te duchten is, indien alsnog tot rechtsuitoefening wordt overgegaan, doordat laatstgenoemde daardoor voor onontwarbare problemen komt te staan (...). Ook kan het gegeven, dat bij de debiteur door houding van de crediteur het vertrouwen is gewekt dat deze van rechtsuitoefening afziet, van belang zijn (...). Zo zijn er in de heersende opvattingen ten aanzien van rechtsverwerking twee elementen die daarbij een rol spelen: verzwaring van de positie van de schuldenaar of het bij laatstgenoemde opgewekte vertrouwen dat de schuldeiser niet meer tot rechtsuitoefening zal overgaan.”,1
Waarom is dit achterhaald? De beide elementen voor het aannemen van rechtsverwerking in de traditionele opvatting, dus zowel de bezwaarde positie van de debiteur als het bij hem opgewekte vertrouwen, zijn rechtvaardigingsgronden voor de subjectieve vijfj aarstermijn. Dat zo zijnde kunnen die omstandigheden op zichzelf een beroep op rechtsverwerking vóór ommekomst van die relatieve termijn niet meer rechtvaardigen. Gebruiken wij die omstandigheden wél om rechtsverwerking op te funderen, dan raakt de vaste subjectieve termijn uitgehold.
Vergelijkbaar, zij het wellicht wat minder uitgesproken, lijkt mij wat Tjittes schrijft:
"De korte verjaringstermijnen van vijf jaar dienen volgens de parlementaire geschiedenis mede om bewijsmoeilijkheden voor de debiteur te voorkomen. Die omstandigheid is reeds verdisconteerd in de korte verjaringstermijn. Het gaat dan niet aan om dat argument nogmaals, maar dan voor het aannemen van rechtsverwerking binnen die korte verjaringstermijn, in stelling te brengen."2
Tjittes noemt hier slechts de bewijsmoeilijkheden, maar als men met mij aanneemt dat aan de subjectieve termijn tevens de bezwaarde positie van de debiteur in bredere zin, en het bij hem ontstane vertrouwen ten grondslag liggen, geldt daarvoor hetzelfde.
Het is misschien ook nog anders te zeggen: de wetgever heeft met de subjectieve termijn de rechtsverwerkingsfiguur 'verwijtbaar stilzitten met nadeel voor de debiteur tot gevolg' willen standaardiseren om de kenbaarheid van het recht te vergroten. Dat effect wordt tenietgedaan als wij vervolgens het individuele geval op het bestaan van precies die gronden gaan onderzoeken. In feite staat in deze paragraaf hetzelfde als in de vorige: in de vorige paragraaf schreef ik dat het leerstuk van de rechtsverwerking bij tijdsverloop zich onder het oude recht in feite tot een subjectieve verjaringsfiguur heeft ontwikkeld; in deze paragraaf staat dat de subjectieve verjaring nu in de wet geregeld is, zodat voor de oude, 'buitenwettelijke subjectieve verjaring' geen plaats meer is.