Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.3.1
7.3.1 Een eerste illustratie: overwegingen van rechters in casus ‘Jeffrey’
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Gelet op de omvang van dit hoofdstuk, is casus ‘Bart’ als bijlage 6 opgenomen. Wel worden in dit hoofdstuk zo nu en dan overwegingen van rechters in casus ‘Bart’ aangehaald.
Vgl. casus ‘Bart’ voor een qua strafbaar feit zwaardere casus.
de weergegeven casus is toegespitst op rechters-commissarissen. deze casus is evenwel – mutatis mutandis – ook aan raadkamerrechters voorgelegd. in totaal hebben acht rechters de casus als rechter-commissaris behandeld en twaalf rechters als raadkamerrechter. vgl. tabel 6.5 (hoofdstuk 6).
Dit betreffen drie rechters-commissarissen en negen raadkamerrechters.
Dit betreffen vier rechters-commissarissen en drie raadkamerrechters.
Zie paragraaf 6.5 voor een methodologische reflectie op het gebruik van vignetten.
Zie paragraaf 4.6 over deze ‘tweeledige’ structuur van de voorlopige hechtenisbeslissing.
Ook in onderzoek in andere jurisdicties is gesignaleerd dat er tussen rechters principiele individuele verschillen kunnen bestaan in interpretatie, opvatting en perceptie bij de beslissing over de voorlopige hechtenis. Dit wordt ook wel aangeduid als “disagreement” (Dhami 2005, p. 368). Zie paragraaf 5.4.3.1.
Tijdens de interviews zijn aan rechters (N=20) twee fictieve casus voorgelegd: casus ‘Jeffrey’ en casus ‘Bart’. De rechters zijn verzocht om de casus rustig door te lezen, vervolgens hardop hun overwegingen uit te spreken en uiteindelijk een beslissing te nemen over de voorlopige hechtenis van Jeffrey en Bart. In deze paragraaf wordt casus ‘Jeffrey’ beschreven en worden de overwegingen en beslissingen van een drietal rechters weergegeven (voor casus ‘Bart’ wordt verwezen naar bijlage 61). Casus ‘Jeffrey’ betreft een relatief ‘lichte’ zaak die daardoor niet per se karakteristiek is voor de doorsnee zaken die de rechters-commissarissen en raadkamers voor zich krijgen.2 Desalniettemin is deze casus gebaseerd op een zaak uit de praktijk waarin een minderjarige daadwerkelijk is voorgeleid aan de rechter-commissaris. Gebleken is dat juist in een dergelijke – qua strafbaar feit – relatief lichte casus met een jonge verdachte waarover wel de nodige zorgen zijn voor wat betreft zijn ontwikkeling, de uiteenlopende percepties van rechters over de functie van de voorlopige hechtenis en de schorsing onder voorwaarden naar voren komen. Hiermee ontstaat een eerste beeld van de uiteenlopende opvattingen van rechters en de verschillende wijzen waarop zij in een concrete casus invulling geven aan de wettelijke criteria en hun discretionaire beslisruimte.
Casus jeffrey3
Jeffrey is 16 jaar en wordt verdacht van een poging tot zware mishandeling (art. 302 Sr), subsidiair mishandeling (art. 300 Sr), van Ronald (eveneens 16 jaar) op [datum] om 16.00 uur bij een skatebaan in [plaats]. Ronald heeft aangifte gedaan en heeft verklaard dat Jeffrey hem twee harde vuistslagen op zijn gezicht en een trap tegen zijn ribben heeft gegeven en dat Jeffrey daarna is weggerend. Dit is bevestigd door meerdere getuigen. Ook Jeffrey heeft dit tegenover de politie bekend. Jeffrey heeft verklaard dat hij al een paar weken werd gepest door Ronald en dat hij op de bewuste maandagmiddag door Ronald werd uitgelachen toen hij tijdens het skaten onderuit ging. Jeffrey heeft verklaard dat hij zijn woede toen niet meer kon beheersen. Ronald heeft twee gekneusde ribben, een bloedneus en een blauw oog opgelopen, maar geen blijvend letsel.
Jeffrey zegt tijdens de voorgeleiding dat hij veel spijt heeft van wat hij heeft gedaan. Hij is erg geschrokken. Het is de eerste keer dat Jeffrey met justitie in aanraking is gekomen. De Raad voor de Kinderbescherming vindt het positief dat Jeffrey inzicht toont in zijn gedrag, maar vindt het wel zorgelijk dat Jeffrey ten tijde van het delict kennelijk niet in staat was om zijn woede te beheersen en zo excessief heeft gereageerd. Jeffrey woont bij zijn moeder; zijn ouders zijn gescheiden. Ook zijn moeder is erg geschrokken van hetgeen er is gebeurd. Zij kent Jeffrey helemaal niet als een agressieve jongen. Jeffrey zit in Havo 4. De Raad voor de Kinderbescherming stelt dat er zorgen zijn over de frequente afwezigheid van Jeffrey tijdens lessen. Ook is de Raad bezorgd over het middelengebruik van Jeffrey; hij blowt vrijwel elke avond met vrienden op straat.
Jeffrey is aangehouden en in verzekering gesteld. De officier van justitie vordert de inbewaringstelling voor de duur van veertien dagen op basis van de ‘recidivegrond’, omdat volgens hem zeker niet kan worden uitgesloten dat Jeffrey wederom een soortgelijke woede-uitbarsting krijgt wanneer hij in een soortgelijke situatie belandt.
De Raad voor de Kinderbescherming adviseert de voorlopige hechtenis te schorsen, omdat de JJI geen geschikte plaats is voor Jeffrey. De Raad adviseert als bijzondere voorwaarden op te nemen: ‘houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook als dit inhoudt het volgen van een agressieregulatietraining’, geen contact met het slachtoffer, verplicht naar school gaan, een avondklok van 19.00 tot 07.00 uur en een verbod op middelengebruik.
De raadsman van Jeffrey verzoekt primair om de vordering van de officier af te wijzen. De raadsman stelt zich op het standpunt dat er geen gronden zijn. Jeffrey is nooit eerder met justitie in aanraking gekomen. Volgens de raadsman is er duidelijk sprake van een incident, waarvan de verdachte veel spijt heeft. Van recidivegevaar is volgens de raadsman dan ook geen sprake. Subsidiair verzoekt de raadsman de inbewaringstelling te schorsen, eventueel onder bijzondere voorwaarden.
U bent de rechter-commissaris die over de vordering moet beslissen. Wat zou uw beslissing zijn?
In casus ‘Jeffrey’ komt één rechter tot de beslissing om de vordering tot voorlopige hechtenis toe te wijzen en ook daadwerkelijk ten uitvoer te laten leggen. Het is rechter-commissaris F die besluit om de inbewaringstelling te bevelen en niet te schorsen, waardoor Jeffrey voor veertien dagen in een justitiële jeugdinrichting wordt geplaatst:
“Nou ik denk dat ik hier deze jongen toch maar even veertien dagen de bewaring in zou laten gaan om te zeggen dat de Raad een plan kan opstellen en kan zorgen dat er wat meer begeleiding ingebed kan worden. Je ziet hier een jongen die duidelijk even de weg kwijt is. Dit geweld is gewoon te veel even om maar gewoon te laten liggen. Dus ik denk dat ik hier zou zeggen van: in bewaring stellen op basis van inderdaad gevaar voor herhaling. Uhmm.. en dat herhalingsgevaar zit dan – want hij heeft geen documentatie zie ik – dat zit ‘m dan vooral in dat plotselinge, excessieve reageren, waardoor je zegt van: ‘ja, ik wil eigenlijk eerst eens even zien hoe dat nu komt, want alleen maar een beetje pesten hoeft niet tot dat soort reacties te leiden’. Dan zou ik toch graag willen dat daar eerst wat meer duidelijkheid over komt, hoe daarmee omgegaan moet worden om dan tot een schorsing [van de voorlopige hechtenis, YB] te komen. Want ja, dan zie ik toch… en natuurlijk ook op school gaat het niet goed, middelengebruik… dus ja, deze jongen moet volgens mij eerst even duidelijk begrijpen dat dit zo niet kan. En dan kan je hem daarna weer vrijheden gaan geven. Dan kan je hem gaan schorsen. En dan moet er een plan liggen waardoor hij gewoon verder kan. Nu is dat [schorsen, YB] nog te vroeg.”
Twaalf rechters besluiten om de voorlopige hechtenis weliswaar te bevelen, maar de tenuitvoerlegging van dat bevel vervolgens wel onmiddellijk te schorsen onder bijzondere voorwaarden.4 Zo ook rechter-commissaris P, die als volgt tot deze beslissing komt:
“Nou ja, de ernstige bezwaren zijn hier niet zo’n probleem, want de verdachte heeft bekend. De gronden, daar wordt eigenlijk alleen de recidivegrond opgevoerd. Daar heb ik wel moeite mee, want die haal je meestal uit documentatie of politiecontacten en die zijn er niet. En de algemene bewering [van de officier, YB] van ‘het kan niet worden uitgesloten dat hij weer een woede-uitbarsting krijgt’, dat moet wel een beetje handen en voeten krijgen wat mij betreft. Dat heeft het hier eigenlijk te weinig. Dus je zou kunnen zeggen: vanwege het ontbreken van gronden wijs ik de vordering af. Aan de andere kant moet ik zeggen dat ik, gezien de zorgen die er zijn, in dit soort situaties ook wel kies voor een praktische oplossing, dat je zegt: ‘het is misschien niet de koninklijke weg, maar ik neem die gronden dan toch maar aan en ik ga hem schorsen, want dan heb ik hem in tang’. Want het lijkt wel dat er wat moet gebeuren en dan kan dat meteen een aanvang nemen. Dus ik denk dat ik dat uiteindelijk zou doen. En dan zou ik ook weer die voorwaarden bespreken tijdens de voorgeleiding en het in principe zodanig dichtbouwen dat hij aan de slag kan [met de jeugdreclassering, YB] en te zijner tijd op de zitting kan laten zien hoe het is gegaan.”
Zeven rechters beslissen om de vordering tot voorlopige hechtenis af te wijzen, vanwege het gebrek aan gronden of omdat het anticipatiegebod van artikel 67a, derde lid Sv aan toewijzing in de weg staat.5 Zo stelt rechter-commissaris R:
“In deze casus zou ik het met de raadsman van Jeffrey eens zijn en zou ik de vordering van de officier afwijzen. Ik zie hier geen recidivegrond. Ik denk dat als er allemaal zorgen zijn en die jongen moet uiteindelijk een agressieregulatietraining krijgen, dan moet dat maar in het kader van de strafzaak. Om dat nu al te gaan doen, op basis van één incident, en daar nu al zo’n kader op te zetten... Dan denk ik: je moet straks in de strafzaak nog überhaupt kijken wat er aan de hand is. Om op voorhand al te zeggen dat er een recidivegrond is… Er is in deze fase nog weinig onderzoek gedaan door de Raad, die hebben zo’n jongen even gesproken. Dan vind ik het nogal een conclusie om te zeggen dat er een recidivegrond is en al helemaal om hem daarvoor vast te houden. Dus ik zie die recidivegrond niet zo en dan moet je gewoon de vordering afwijzen.”
Uit de bovenstaande overwegingen kan worden opgemaakt dat verschillende rechters in een identieke casus tot verschillende beslissingen over de voorlopige hechtenis van een minderjarige verdachte kunnen komen. Hierbij zou een rol kunnen spelen dat – zoals ook in paragraaf 7.2.4 is beschreven – rechters in de praktijk geen beslissingen nemen op basis van enkel een papieren casus van één pagina; de details van een strafdossier en de persoonlijke interacties tussen de rechter(s) en de overige actoren ter zitting kunnen immers nooit worden gevat in een dergelijk vignet.6 Hierdoor is het bijvoorbeeld mogelijk dat de ene rechter de ernst van het strafbare feit in de casus zwaarder inschat dan de andere rechter, terwijl daar in een werkelijke casus met een volledig dossier, waarin bijvoorbeeld ook foto’s van de verwondingen van het slachtoffer zijn opgenomen, mogelijk meer consensus over zou bestaan. Dergelijke verschillen in de interpretatie van de casus kunnen doorwerken in de beslissingen van de rechters. Voorts moet nogmaals worden benadrukt dat het hier om een relatief lichte casus gaat, die niet per se karakteristiek is voor een standaardzaak in de voorlopige hechtenispraktijk. Een aantal rechters beslist dan ook tot afwijzing van de vordering op basis van de afwezigheid van gronden. Dit staat haaks op de bevindingen van het observatieonderzoek, waarin tijdens de 225 geobserveerde voorgeleidingen en raadkamerzittingen juist geen enkele vordering tot voorlopige hechtenis is afgewezen vanwege het ontbreken van gronden (zie par. 7.4.3).
Desalniettemin kunnen – en dat is de meerwaarde geweest van casus ‘Jeffrey’ in dit onderzoek – uit de overwegingen principieel uiteenlopende opvattingen worden afgeleid over de invulling van de wettelijke gronden en de functie die voorlopige hechtenis en de schorsing onder voorwaarden mag vervullen in het jeugdstrafrecht. Zo heeft rechter-commissaris F er ogenschijnlijk weinig moeite mee om – op basis van de “excessieve” aard van het strafbare feit – de recidivegrond aan te nemen bij een minderjarige verdachte die first offender is, terwijl rechters-commissarissen P en R daar veel terughoudender in zeggen te zijn. Laatstgenoemde beslist uiteindelijk om deze grond niet aan te nemen en de vordering af te wijzen. Rechter-commissaris P kiest daarentegen voor, wat hij noemt, een “praktische oplossing” die “niet de koninklijke weg” is en beslist om de vordering toch toe te wijzen, waarbij hij duidelijk voor ogen heeft om de schorsing onder voorwaarden te gebruiken om controle te houden op Jeffrey en jeugdreclasseringsbegeleiding (lees: hulpverlening) op te starten. Rechter-commissaris F, die de vordering toewijst en niet schorst, ziet in de inbewaringstelling een geschikt middel om Jeffrey te laten “begrijpen dat dit zo niet kan” en deze periode te benutten om de Raad voor de Kinderbescherming een plan van aanpak voor begeleiding en hulpverlening te laten opstellen.
In de volgende paragrafen zal dieper op deze verschillende opvattingen worden ingegaan, waarbij eerst aandacht is voor de beslissing over het al dan niet bevelen van voorlopige hechtenis (de ‘bevelsbeslissing’; par. 7.4) en vervolgens voor de beslissing over het tenuitvoerleggen dan wel schorsen van de voorlopige hechtenis (de ‘tenuitvoerleggingsbeslissing’; par. 7.5).7 Dat rechters uiteenlopende opvattingen kunnen hebben over de voorlopige hechtenis van minderjarigen, zal als een rode draad door het hoofdstuk lopen.8