Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.4.4.5:7.4.4.5 De interactie tussen voorlopige hechtenis en straf
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.4.4.5
7.4.4.5 De interactie tussen voorlopige hechtenis en straf
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Stevens 2010. Zie paragraaf 5.4.2.
Van den Brink e.a. 2017. Zie paragraaf 5.4.1.
Interview raadkamerrechter G.
Interview raadkamerrechter N.
Interview rechter-commissaris P (tevens raadkamer- en zittingsrechter).
Interview raadkamerrechter Q.
Interview rechter-commissaris M.
Raadkamerzitting 62.
Interview raadkamerrechter B.
Interview raadkamerrechter G.
Interview raadkamerrechter C.
Interview raadkamerrechter C.
Interview raadkamerrechter J.
Interview rechter-commissaris M.
Interview rechter-commissaris M.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De toepassing van artikel 67a, derde lid Sv kan niet los worden gezien van de nauwe relatie tussen de toepassing van de voorlopige hechtenis en de straftoemeting. Er lijkt zelfs sprake te zijn van een interactie: de toepassing en duur van de voorlopige hechtenis beïnvloedt de straftoemeting, terwijl de verwachte straf van invloed is op de toepassing en duur van de voorlopige hechtenis.
In eerder onderzoek van Stevens naar de praktijk van de voorlopige hechtenis in het volwassenenstrafrecht kwam reeds naar voren dat de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die bij veroordeling werd opgelegd nogal eens exact gelijk is aan het aantal dagen dat de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.1 Dit betekent dat toepassing van voorlopige hechtenis zich, bij veroordeling, vertaalt in het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf door de zittingsrechter, ook al is die straf ten tijde van de zitting feitelijk reeds uitgezeten. Tegelijkertijd betekent dit dat een verdachte die in de voorfase van het strafproces in vrijheid is gesteld, bijvoorbeeld doordat de voorlopige hechtenis is geschorst, bij veroordeling doorgaans niet wordt teruggestuurd naar de gevangenis om alsnog een onvoorwaardelijke gevangenisstraf uit te zitten, bovenop de periode die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Uit een kwantitatief dossieronderzoek van Van den Brink e.a. is gebleken dat deze praktijk ook in jeugdzaken gangbaar lijkt te zijn, althans binnen sommige rechtbanken.2 Een soortgelijk beeld komt in het onderhavige onderzoek naar voren uit de interviews. Zo geeft een raadkamerrechter aan:
“Gek genoeg, dat doen we misschien toch heel automatisch, dat als er zo veel tijd in voorlopige hechtenis is doorgebracht, dan leg je dat automatisch als straf op. Terwijl je rustig kunt zeggen van ‘nou ik leg daarvan een gedeelte op’ of ‘ik leg een wat hogere werkstraf op en dan wordt dát maar verrekend met die detentie [voorlopige hechtenis, YB] die uitgezeten is’.”3
Niettemin wordt door een rechter van een andere rechtbank aangegeven dat, omdat hij en zijn collega’s de voorlopige hechtenis in jeugdzaken betrekkelijk ruim toepassen ten behoeve van persoonlijkheidsonderzoeken, binnen de rechtbank intern de afspraak is gemaakt dat de voorlopige hechtenis niet bepalend mag zijn voor de strafmaat.
“We hebben wel de afspraak: het mag niet zo zijn dat het voorarrest, de lengte daarvan bijvoorbeeld, al de uiteindelijke strafmaat bepaalt. (…) Het voorarrest wordt betrekkelijk ruim toegepast, maar wel zo veel mogelijk gebruikt voor persoonlijkheidsonderzoek. (…) Maar de balie weet ook dat als de zaak dan op zitting komt dan is het niet zo van: het onderzoek heeft twee maanden gevergd, dus moet je twee maanden zitten [twee maanden jeugddetentie, YB]. We kijken gewoon naar de zaak zelve en als die twee weken voorwaardelijk waard is, dan krijgt hij twee weken voorwaardelijk, al heeft hij 60 dagen gezeten. Daar maken we geen punt van.”4
De praktijk dat een verdachte die in de voorfase van het strafproces in vrijheid is gesteld bij veroordeling niet meer wordt teruggestuurd naar een justitiële jeugdinrichting om nog een onvoorwaardelijke jeugddetentie uit te gaan zitten, wordt echter door de overgrote meerderheid van de geïnterviewde rechters herkend.
“De keren dat je iemand laat gaan en dat er dan een bevel gevangenneming is op de zitting, dat heb ik bij jeugd nooit meegemaakt.”5
Verschillende rechters geven aan dat dit uitgangspunt in jeugdzaken nog zwaarder weegt dan bij volwassenen. Volgens deze rechters is het bij veroordeling terugsturen van een jeugdige naar een justitiële jeugdinrichting, terwijl hij maanden eerder in vrijheid was gesteld en onder begeleiding van de jeugdreclassering zijn leven weer aan het opbouwen is, schadelijk voor de ontwikkeling van de jeugdige en daarmee onverenigbaar met de pedagogische doelstellingen van het jeugdstrafrecht.
“Als je dat heel strikt gaat toepassen ‘de onschuldpresumptie, geen straf opleggen, je wacht maar tot de zitting’, dan krijg je de rare situatie dat jeugd en volwassenen, die zijn eerst een half jaar op vrije voeten, bouwen hun leven weer op en dan komt de rechtbank nog eens met: ‘ga nu maar twee jaar zitten’. Volstrekt onverantwoord in mijn ogen. Maar ja, daar kan je over discussiëren. Alhoewel bij volwassenen is dat iets anders hoor, daar wordt vaak gezegd: ‘einde voorlopige hechtenis, jouw strafzaak komt nog…’. (…) Maar bij jeugd wil je niet dat men weer school oppakt, het leventje weer opbouwt en daarna nog moet gaan zitten. Dat zou de positieve ontwikkeling weer doorbreken.”6
Deze ongeschreven regel in de straftoemetingspraktijk lijkt een stevige weerslag te hebben op de voorlopige hechtenispraktijk in jeugdzaken. Rechters-commissarissen en raadkamerrechters weten dat zodra zij de vordering tot voorlopige hechtenis afwijzen, dan wel de voorlopige hechtenis opheffen of schorsen, de verdachte geen onvoorwaardelijke jeugddetentie zal krijgen, althans niet voor een langere duur dan het voorarrest dat hij al heeft uitgezeten. Een rechter-commissaris vertelt tijdens een interview dat dit, vooral in ernstige zaken, van invloed kan zijn op zijn beslissing:
“Je bent je daar wel van bewust. Ik denk ook dat bij hele ernstige feiten je ook weet van ‘als ik hem nu al schors, dan gaat hij er geen onvoorwaardelijke jeugddetentie voor krijgen’. En dan wordt het een oneigenlijk voorschot. Dat je dan toch zegt: ‘ik houd hem toch nu’. Dat kan gebeuren bij ernstige feiten, want je weet ‘wie ik nu laat gaan, gaat in principe niet meer terug’.” 7
Ook tijdens de observaties bleek dat sommige rechters zich zeer bewust zijn van het uitgangspunt dat verdachten die de justitiële jeugdinrichting in de voorfase van het strafproces mogen verlaten in de regel bij veroordeling niet meer worden teruggestuurd en dat dit – vooral in ernstige zaken – van invloed kan zijn op de beslissingen in het kader van de voorlopige hechtenis. Zo overwoog een raadkamerrechter in een zaak waarin een jeugdige werd verdacht van een overval op supermarkt:
“Het is een heel ernstig feit. (…) Ik ga de vordering van 30 dagen toewijzen. Ik ga nog niet schorsen en ook geen huisarrest, want als het feit wordt bewezen dan heb je nog niet lang genoeg gezeten.”8
Een raadkamerrechter van een andere rechtbank bevestigt dit en legt uitdrukkelijk de link met het voorschrift van artikel 67a, derde lid Sv, dat in feite “wordt omgedraaid”. Hiermee bedoelt deze rechter dat de raadkamer anticipeert op de straf die de zittingsrechter bij veroordeling van de verdachte normaal gesproken zou willen opleggen, zij het in de wetenschap dat de zittingsrechter, in het geval de verdachte door de raadkamer in vrijheid wordt gesteld, zich gedwongen zal voelen om geen langere onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen dan de periode die de verdachte reeds heeft uitgezeten in voorarrest. Als de raadkamer inschat dat de zittingsrechter bij veroordeling van de verdachte, gelet op de ernst van het feit, een langere onvoorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats zal achten dan de duur van de voorlopige hechtenis op het moment van de raadkamerzitting, kan dit volgens deze rechter in de weg staan aan een schorsing. Met een dergelijke beslissing om de voorlopige hechtenis te laten voortduren wordt volgens deze rechter in wezen geanticipeerd op de straf, ook al zal dit niet zo worden benoemd in de motivering.
“Dat weegt wel mee. Je weet ook dat als je gaat schorsen, (…) als hij zich netjes aan de voorwaarden houdt, dan heb je de [zittings]rechter die de zaak moet beoordelen eigenlijk al voor het blok gezet. Dus daar houd je wel rekening mee. Dus dan ga je wel kijken: is het hiermee dan… heeft hij lang genoeg gezeten? (…) Dan denk ik dat iemand die na twee weken inbewaringstelling naar de eerste raadkamer gevangenhouding komt vertellen van ‘67a lid 3 komt in beeld’. Nou, nee dus. Dus we kijken wel: hoe ernstig is het feit en wat zou je er, op basis van wat we nu weten, voor opleggen? Wat doen wij dan in zo’n geval: als dat dan een paar maanden [jeugddetentie, YB] is, makkelijk, gelet op het feit dat hij recidive heeft en je kijkt naar de ernst van het feit, dan zullen wij dat niet zeggen zoals de officier [‘ik vind het nog te vroeg om te schorsen, je hebt drie woninginbraken gepleegd, dan ga je niet naar veertien dagen weer naar huis’, YB], maar dan is dat in wezen wel wat je doet. (…) Je anticipeert natuurlijk in wezen op straf, maar je zegt natuurlijk: ‘de rechtsorde is geschokt, nog steeds, en als jij nu vrij zou komen, dat kan maatschappelijk gezien gewoon niet’. Zo verkopen wij het, maar in feite anticipeer je dan dus ook op de straf.”9
Een dergelijk anticiperen op straf kwam eveneens naar voren tijdens de observaties. Zo werd tijdens een raadkameroverleg over de duur van het bevel tot gevangenhouding, in een zaak waarin een minderjarige werd verdacht van een gewapende overval, overwogen dat niet 30 dagen, maar 60 dagen gevangenhouding, gelet op de straftoemetingsrichtlijnen, heel redelijk zou zijn. Een geïnterviewde raadkamerrechter stelt dan ook dat artikel 67a, derde lid Sv in de praktijk niet alleen een beperkende werking heeft op de toepassing en duur van de voorlopige hechtenis, maar dat het anticiperen op de straf in jeugdzaken ook een verruimende invloed kan hebben op de toepassing of voortzetting van de voorlopige hechtenis.
“Dat speelt zeker bij jeugdigen… Vroeger nog veel vaker. Toen dachten we ‘als we pas over veertien dagen schorsen, heeft hij vier weken gezeten en dat is het dan wel’. Dus het geldt naar beide kanten. Je gebruikt het [anticipatiegebod, YB] om de grens te bepalen van ‘nee, het kan echt niet meer ’, maar ook om eventueel nog wat meer voorlopige hechtenis te geven. Ik denk dat dat nog steeds speelt.”10
Hierbij speelt ook een rol dat sommige rechters een sterk geloof hebben in de ‘pedagogische’ effectiviteit van het gebruik van voorlopige hechtenis als directe reactie op strafbaar gedrag. Zo stelt een raadkamerrechter tijdens een interview:
“Ik [heb] ook een flink aantal zaken gedaan waarin ik first offenders puur op de ernst van het feit twee, drie maanden heb binnengehouden. En dan bleek vaak dat bij de RC door de Raad werd gezegd van ‘nou het ziet er allemaal best betrouwbaar uit, ouders zijn betrokken en het gezin functioneert goed, ouders geven geen problemen aan’ en dan kwam daarna het eerste rapport en waren ze nog eens beter gaan spitten en dan bleek er van alles aan de hand te zijn. Ik heb first offenders gehad die zich al drie jaar helemaal gek blowen en dat die ouders het niet weten. En in dat geval heb ik die jongen dus drie maanden vastgehouden en zeiden die ouders daarna van ‘nou dat is een zegen geweest, want het kwartje is gevallen en hij is thuis nu heel anders en we gaan nu een behandeltraject in’. Als je die jongens na drie dagen buiten zet, dan maakt het natuurlijk geen enkele indruk. Die gaan hobbelen en die hobbelen naar hun vrienden en zeggen ‘zo, ik ben er weer!’. En ze weten natuurlijk heel goed dat als ze maar drie dagen hebben vastgezeten en de zitting komt, dat we zelden of nooit alsnog een jeugddetentie gaan opleggen. Dat snappen ze natuurlijk wel, ze zijn niet achterlijk. Dus die denken: drie dagen zitten, of veertien dagen zitten, en dat was het.”11
Deze raadkamerrechter meent dan ook dat het juist bij minderjarigen belangrijk is dat die vrijheidsbenemende reactie zo snel mogelijk volgt op het strafbare feit en daarmee niet wordt gewacht totdat maanden later een veroordelend vonnis wordt uitgesproken door de zittingsrechter.
“Ik geloof ook wel heilig in het principe dat je ze beter meteen na het delict kan vastzetten, dan dat je er een half jaar later nog eens mee aankomt. Dat heeft niet zo veel zin. (…) Het idee van snel ingrijpen en niet afwachten tot aan de zitting geldt wel meer bij de jeugd dan bij volwassenen. Het is eerder gerechtvaardigd. Ook omdat je ervan uit kan gaan dat ze een kortere tijdsspanne hebben en er gebeurt natuurlijk heel veel tussen 12 en 16. Of je een meerderjarige nou op z’n 34e of op z’n 35e aanhoudt, dat maakt op zich niet zoveel uit. Maar die kinderen zitten volop in ontwikkeling.”12
Een andere raadkamerrechter is daarentegen zeer kritisch over de praktijk waarin – mede op basis van pedagogische overwegingen – met de voorlopige hechtenis een voorschot wordt genomen op de straf. Deze rechter stelt zich op het standpunt dat het IVRK en de rechtspraak van het EHRM gebieden dat een jeugdige verdachte, indien mogelijk, zijn proces in vrijheid moet kunnen afwachten. In zijn optiek moet artikel 67a, derde lid Sv dan ook niet worden “omgedraaid” door met de voorlopige hechtenis te anticiperen op een vrijheidsstraf. Volgens deze rechter vereist dit echter wel dat de zittingsrechter de vrijheid moet hebben om een passende straf of maatregel op te leggen, ook als dit betekent dat een verdachte die tijdens de voorfase van het strafproces in vrijheid was gesteld bij veroordeling alsnog tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie wordt veroordeeld. Tegelijkertijd moet de zittingsrechter ook zware zaken kunnen afdoen zonder een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen in gevallen waarin een dergelijke straf de positieve ontwikkeling van de minderjarige zou doorbreken en dit geen enkel pedagogisch belang meer dient.
“Mijn standpunt is altijd geweest: (…) we moeten proberen iemand niet in voorlopige hechtenis te zetten en als het dan toch moet, dan probeer je hem te schorsen en als dat niet kan zo snel mogelijk op zitting. En dat herbergt in zich dat als je dan iemand niet in voorlopige hechtenis zet of op het moment dat je iemand schorst, maar het is wel een pittig feit, dat je ook moet durven zeggen – als de zitting er eenmaal is – ‘sorry, maar jij gaat de gevangenis in’. Bij volwassenen is dat makkelijker voorstelbaar. Bij jeugdigen heb je natuurlijk weer net dat pedagogische van aan de ene kant ‘ja, als we jou nu maar even flink aanpakken, dan schrik je, en dan kunnen we straks op zitting gewoon afdoen met wat je hebt gezeten, dan is die gedragsverandering al geweest’. En als je die theorie aanhangt en vindt dat dit wetenschappelijk ook onderbouwd is, dat het op die manier werkt, dan is het nadeel van mijn idee van hoe je dat moet aanpakken dat het soms pedagogisch niet verantwoord is om gelijk te schorsen, want dan heeft de jongere zoiets van ‘kennelijk kom ik er mee weg’ en dan opeens na zes maanden of twaalf maanden moet hij alsnog de bak in? (…) Daartegen zou ik willen zeggen: als na zes of twaalf maanden schorsing blijkt dat het hartstikke goed met hem gaat, dan moeten we misschien ook maar geen onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen. Dan is dat pedagogisch gezien niet meer in het belang van de minderjarige. En we jagen het pedagogische effect na in het jeugdstrafrecht. Dan hebben we er kennelijk juist aan gedaan door hem te schorsen, daar heeft hij goed van geprofiteerd. Dan gaan we bovenaan zitten voor wat betreft de taakstraf, misschien nog een leerstraf als dat nodig is en misschien nog een hele lange voorwaardelijke jeugddetentie om maar te laten zien van ‘we vinden het een heel ernstig feit’, maar so be it. Dat moet dan op die manier vorm krijgen. Maar als het een minderjarige is die nog steeds net zo ellendig in het leven blijkt te staan als destijds toen hij het strafbaar feit pleegde, en dus niet heeft geleerd, niet heeft geprofiteerd van de schorsende voorwaarden, misschien moet die dan toch maar even gaan zitten. En ik vind dat we dit zouden moeten doen, maar het gebeurt niet. (…) Het vereist een hele andere wijze van kijken naar het product ‘voorlopige hechtenis’. Wij zijn in Nederland zo ontzettend bezig geweest in afgelopen 10, 20, 30 jaar, met een voorschot nemen op de strafmaat.”13
De praktijk waarin voorlopige hechtenisbeslissingen een sterke invloed hebben op de strafmaat en vice versa wordt dus zeker niet door alle rechters ondersteund. Toch stelt ook een andere rechter tijdens een interview dat het niet eenvoudig is om een dergelijke praktijk te veranderen, omdat dit vergt dat rechters-commissarissen, raadkamerrechters en zittingsrechters zich (collectief) losmaken van een stramien dat ze soms al jaren volgen.
“Je merkt inderdaad hoe vast mensen zitten in een stramien hoor, met voorlopige hechtenis. Ik heb vorig jaar bij een andere rechtbank met volwassenenstrafrecht gewerkt en daar proberen ze nu ook om te gaan met volwassenen van ‘in vrijheid, tenzij’. Maar dat vergt heel veel omschakeling. Ook om het als zittingsrechter te durven om iemand weer terug [naar de gevangenis, YB] te sturen! Want ook dat is een ongeschreven regel: als iemand al los is, stuur je hem niet meer terug. Dus we zitten heel erg vast in stramienen.”14
De betreffende rechter-commissaris merkt op dat het jeugdteam van de rechtbank waarin hij werkzaam is zelfs zo is ingericht dat het stramien – waarin voorlopige hechtenisbeslissingen en beslissingen over de strafmaat nauw met elkaar samenhangen – zo consequent mogelijk kan worden toegepast.
“Ik denk dat we het hier in [rechtbank] zo proberen te doen dat de jeugdrechters zowel RC, raadkamerrechter als zittingsrechter zijn, zodat we daar continu ook één lijn in kunnen trekken. Dus wij zijn ons heel erg bewust van de invloed die beslissingen op bepaalde punten hebben. (…) Ik denk dat we hier in [rechtbank] dus niet uit het stramien gaan, maar we proberen dat stramien heel consequent toe te passen.”15
In dit stramien kan de dynamiek tussen voorlopige hechtenis en straf tot gevolg hebben dat het anticipatiegebod een sturende rol krijgt voor wat betreft het moment van schorsing: enerzijds moet de verdachte, vooral in zware zaken, lang genoeg hebben vast gezeten om recht te doen aan de ernst van het feit, want eenmaal geschorst zal hij geen langere onvoorwaardelijke jeugddetentie opgelegd krijgen dan de reeds uitgezeten voorlopige hechtenis, anderzijds moet genoeg ruimte overblijven voor de zittingsrechter om ter zitting nog een passende straf of maatregel te kunnen opleggen. Eerder werd al duidelijk dat artikel 67a, derde lid Sv ook sturend kan zijn voor het moment van schorsing in gevallen waarin de rechter nog een flinke stok achter deur wil overhouden om de jeugdige ertoe aan te zetten de schorsingsvoorwaarden na te leven en mee te werken met de jeugdreclassering. Dat het anticipatiegebod van artikel 67a, derde lid Sv in de praktijk sturend kan zijn voor het moment van schorsing is een opvallende constatering aangezien dit voorschrift, naar de letter van de wet, uitsluitend betrekking heeft op de bevelsbeslissing en niet op de schorsingsbeslissing.
Voorts kan artikel 67a, derde lid Sv van invloed zijn op de duur van een bevel tot voorlopige hechtenis. Het anticiperen op de bij veroordeling door de zittingsrechter op te leggen straf lijkt echter niet alleen een beperkend effect te hebben op de duur van het bevel, maar kan er ook toe leiden dat juist een langere voorlopige hechtenis wordt bevolen.