Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.4.3.4:7.4.3.4 Vluchtgevaar
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.4.3.4
7.4.3.4 Vluchtgevaar
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een grond die in de voorlopige hechtenispraktijk van minderjarigen slechts zeer sporadisch lijkt te worden toegepast, is vluchtgevaar (artikel 67a, eerste lid, onder a Sv). Tijdens de 201 geobserveerde voorlopige hechteniszittingen, waar is beslist over een vordering tot inbewaringstelling of (verlenging van) gevangenhouding, zijn 193 vorderingen toegewezen,1 waarbij in slechts twee gevallen vluchtgevaar één van de gronden betrof. Voorts stellen ook alle geïnterviewde rechters dat deze grond in jeugdstrafzaken vrijwel niet wordt toegepast.
A. Geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
Een rechter-commissaris stelt tijdens een interview dat vluchtgevaar als grond voor voorlopige hechtenis veel terughoudender wordt toegepast dan vroeger. Met een algemene verwijzing naar de rechtspraak van het EHRM, benadrukt deze rechter dat het enkele feit dat een verdachte in het buitenland woonachtig thans niet meer voldoende is om vluchtgevaar aan te nemen. Er moeten concrete aanwijzingen zijn dat een verdachte zich aan het strafproces zal onttrekken.
“Vroeger waren dat nog wel verdachten met een woon- of verblijfplaats in het buitenland, maar dat is niet meer. Tenzij iemand echt al eerder ontsnapt is. Of een jongere een notoire wegloper is uit gesloten inrichtingen ofzo. Ja dan… maar ik heb het zelden tot nooit toegepast. Maar vroeger was het echt zo dat zodra iemand over de grens woonde, hup vluchtgevaar. Maar je moet meer hebben dan dat.”2
Niettemin geeft een aantal rechters tijdens de interviews aan dat de enkele keer dat in jeugdzaken wel vluchtgevaar wordt verondersteld veelal sprake is van een minderjarige verdachte zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, 3omdat het dan te onduidelijk is waar de jeugdige kan en zal verblijven.
“Soms hebben we een minderjarige uit Bulgarije, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier. Een vaag familielid, een oom, een opa, die hier ergens in [een plaats aan de andere kant van Nederland, YB] zou kunnen wonen… Ja, dan kan je vluchtgevaar aannemen. Verder komt het niet zo heel veel voor.”4
Tijdens één van de geobserveerde zaken nam de rechter-commissaris vluchtgevaar aan als grond voor voorlopige hechtenis, omdat een jeugdige verdachte, die door de politie was aangetroffen op een gestolen scooter, niet beschikte over een vaste woon- of verblijfplaats. In de mondelinge motivering van deze grond merkte de rechter-commissaris op: “technisch is die [grond, YB] er, want je hebt geen verblijfplaats, ook al zie ik het [vluchtgevaar, YB] eerlijk gezegd niet echt”. Vervolgens sprak de rechter-commissaris zijn grote zorgen uit over de 17-jarige verdachte, die niet alleen geen woon- of verblijfplaats had, maar ook geen school of werk en bovendien op het punt stond om vader te worden en dus volgens de rechter-commissaris dringend hulp nodig had (“ik wil je niet opgeven”). De rechter-commissaris beval de inbewaringstelling voor zeven dagen en sprak zijn intentie uit om de voorlopige hechtenis daarna te schorsen en de verdachte, op grond van een spoedmachtiging uithuisplaatsing in het civielrechtelijke kader, over te plaatsen naar een accommodatie voor gesloten jeugdhulp, zodat de hulpverlening van daaruit kan zoeken naar een geschikte plaats in een open instelling.5 In deze casus lijkt vluchtgevaar als grond voor voorlopige hechtenis dus vooral te zijn aangenomen om een minderjarige zonder vaste woon- of verblijfplaats tijdelijk te kunnen opvangen totdat er een civielrechtelijke titel was om de jeugdige in een jeugdhulpinstelling te kunnen plaatsen.
B. Onttrekking aan toezicht en hulpverlening?
Een raadkamerrechter merkt tijdens een interview op dat hij het opvallend vindt dat vluchtgevaar zo weinig wordt toegepast in de voorlopige hechtenispraktijk van minderjarigen, zeker in vergelijking met de praktijk van de civiele jeugdhulp waarin onttrekkingsgevaar bij uitstek een reden kan zijn om een minderjarige gesloten te plaatsen.
“Dat [vluchtgevaar, YB] speelt in jeugdzaken nauwelijks een rol. Wat eigenlijk wel vreemd is, want in de jeugdzorg is juist dat onttrekken aan hulpverlening een reden om te zeggen: ga jij maar eens gesloten zitten!”6
In één van de geobserveerde zaken nam de rechter-commissaris echter wel vluchtgevaar aan als grond voor voorlopige hechtenis, omdat de minderjarige verdachte zich meermaals had onttrokken aan het ouderlijk toezicht en aan de begeleiding van de hulpverlening. De rechter-commissaris leidde het vluchtgevaar af uit de omstandigheid dat de ouders van de verdachte aangaven geen grip te hebben op hun zoon, die geregeld dagenlang niet thuis kwam en zich ook ten overstaan van de jeugdreclassering volledig onbegeleidbaar opstelde.7 Met deze invulling lijkt vluchtgevaar als grond voor voorlopige hechtenis niet alleen betrekking te hebben op het gevaar dat de verdachte zich onttrekt aan het strafproces, doch ook onttrekking van de minderjarige aan het ouderlijk toezicht en de hulpverlening te omvatten.
Niettemin lijkt deze benadering van vluchtgevaar niet breed te worden toegepast in de voorlopige hechtenispraktijk van minderjarigen.