Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.4.3.3
7.4.3.3 Onderzoeksgrond
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijlage 2.
Interview raadkamerrechter G.
Voorgeleiding 8; Raadkamerzitting 132.
Voorgeleiding 46; Raadkamerzitting 22.
Voorgeleiding 46.
Interview raadkamerrechter I. Ook door alle andere geïnterviewde rechters wordt gesteld dat sprake moet zijn van collusiegevaar om de onderzoeksgrond te kunnen aannemen.
Interview raadkamerrechter C.
Voorgeleiding 57 (na afloop).
Interview rechter-commissaris L.
Interview raadkamerrechter O.
Voorgeleiding 5.
Raadkamerzitting 54.
Interview rechter-commissaris H.
Interview rechter-commissaris F.
Voorgeleiding 44.
Voorgeleiding 8.
Interview rechter-commissaris F.
De officier van justitie kan tegen een verdachte die in voorarrest verblijft maatregelen in het belang van het onderzoek bevelen, waaronder beperkingen met betrekking tot het ontvangen van bezoek, telefoonverkeer, briefwisseling en de uitreiking van kranten, lectuur of andere gegevensdragers, dan wel andere maatregelen betrekking hebbend op het verblijf in het kader van de vrijheidsbeneming. Zie artikel 76 Sv jo. artikelen 62 en 62a Sv.
Interview raadkamerrechter A.
Interview raadkamerrechter J.
Raadkamerzitting 41.
Voorgeleiding 60; Voorgeleiding 61.
Interview rechter-commissaris R.
Raadkamerzitting 133.
Raadkamerzitting 135.
Raadkamerzitting 41; Raadkamerzitting 42; Raadkamerzitting 50.
Doordat het politieonderzoek ten tijde van de voorgeleiding en de eerste raadkamerzitting(en) vaak nog niet is afgerond, speelt ook de onderzoeksgrond (artikel 67a tweede lid, onder 5° Sv) soms een rol in de voorlopige hechtenispraktijk van minderjarigen. Tijdens de 201 geobserveerde voorgeleidingen en raadkamerzittingen, waar een beslissing is genomen over een vordering tot (verlenging van de) voorlopige hechtenis, is deze vordering 193 keer toegewezen,1 waarbij 25 keer de onderzoeksgrond is aangenomen.
A. Collusiegevaar
Op basis van de observaties en interviews wordt duidelijk dat het enkele feit dat het onderzoek nog loopt voor rechters niet voldoende is om de onderzoeksgrond aan te nemen. Er moet een noodzaak zijn om een verdachte ten behoeve van het onderzoek in voorlopige hechtenis te nemen of te houden.
“Het feit dat een onderzoek gaande is wil nog niet zeggen dat er een onderzoeksbelang is om iemand vast te houden. Want als dat onderzoek bij het NFI [Nederlands Forensisch Instituut, YB] ligt, waar die verdachte helemaal niet bij kan, dan kan het natuurlijk nooit een onderzoeksbelang vormen.”2
Uit de observaties blijkt dat de onderbouwing van de onderzoeksgrond telkens is terug te voeren tot het gevaar dat de verdachte het onderzoek zal verstoren. Dit gevaar kan, blijkens de overwegingen van rechters tijdens de geobserveerde zittingen, onder meer worden afgeleid uit het feit dat (de officier van justitie aangeeft dat) de medeverdachten nog voortvluchtig zijn,3 de medeverdachten nog moeten worden verhoord4 of nog getuigen moeten worden gehoord.5 Hiermee lijkt de essentie van de onderzoeksgrond blootgelegd: “[Het] zit ‘m vooral in het collusiegevaar dat de officier duidelijk moet maken.”6
B. Een belang van het OM?
Het is volgens de overgrote meerderheid van de geïnterviewde rechters de taak van de officier van justitie om het collusiegevaar te onderbouwen. Hiermee lijken deze rechters het onderzoeksbelang niet zozeer op te vatten als een onafhankelijk strafvorderlijk belang (lees: de waarheidsvinding), maar als een belang van het Openbaar Ministerie.
“Dat is een valide belang van het OM, maar dan moeten ze wel het collusiegevaar goed kunnen onderbouwen. Het zijn natuurlijk bijna allemaal groepsdelicten en vaak zegt de officier: ‘deze jongen zit nog in de beperkingen en we gaan nog dat en dat doen’, en dan blijkt de medeverdachte geschorst. Dan denk ik ‘tja, daar valt wat op af te dingen, of dat dan nog wel zo stringent is’.”7
Uit deze opvatting vloeit voort dat het de verantwoordelijkheid van de officier van justitie is om de onderzoeksgrond te vorderen en te onderbouwen. Ambtshalve toepassing van deze grond wordt door sommige rechters niet passend geacht. Dit blijkt ook uit een opmerking van een rechter-commissaris jegens de onderzoeker na afloop van een voorgeleiding:
“Het verbaast mij dat de onderzoeksgrond er niet op staat. Ik zou ‘m er [ambtshalve, YB] bij kunnen zetten, maar bij de onderzoeksgrond doe ik dat niet. Dat is aan het OM.”8
Toch wordt hier niet door alle rechters hetzelfde over gedacht. Een andere rechter-commissaris dicht zichzelf namelijk uitdrukkelijk een proactieve rol toe als het gaat om het onderzoek en heeft er geen bezwaar tegen om de onderzoeksgrond ambtshalve toe te voegen:
“Een enkele keer voeg ik zelf ook wel een grond toe: als het onderzoek nog niet klaar is, tenminste als er in mijn beleving nog wat moet gebeuren. Ik schrijf soms ook wel op wat er wat mij betreft nog zou moeten gebeuren… dat ik in het bevel van bewaring opneem wat nog punten zijn die nog onderzocht zouden moeten worden.”9
Een raadkamerrechter stelt voorts dat het (ambtshalve) aannemen van de onderzoeksgrond een signaal kan zijn richting de officier van justitie dat de raadkamer het belangrijk vindt dat bepaalde zaken nader worden uitgezocht en dat daar vaart achter wordt gezet:
“Met name in een zaak met meerdere verdachten met wisselende verklaringen die elkaar beschuldigen, is dat [de onderzoeksgrond, YB] wel iets dat heel uitdrukkelijk benoemd wordt door ons en meegenomen wordt en ook naar de officier een vingerwijzing kan opleveren van ‘joh zet er wat meer druk achter, want je moet toch snel die en die kunnen traceren’.”10
Hiermee kan de onderzoeksgrond de rechter dus een instrument bieden om sturend op te treden in het onderzoek, zeker in gevallen waarin de rechter (nog) niet volledig overtuigd is van de ernstige bezwaren en nader onderzoek op korte termijn resultaten moet opleveren die de bezwaren tegen de verdachte verstevigen om de verdachte langer te kunnen vasthouden.
C. Relevante factoren
Uit de observaties en interviews volgt voorts dat, behalve dat sprake moet zijn van collusiegevaar, nog een aantal factoren relevant kan zijn bij de beoordeling van de onderzoeksgrond. Zo kan bijvoorbeeld de ernst van de verdenking een rol spelen. In ernstige zaken wegen de onderzoeksbelangen zwaarder, hetgeen een weerslag kan hebben op de beoordeling van de onderzoeksgrond. Dit kan onder meer worden afgeleid uit een zaak van een jeugdige, die werd verdacht van een inbraak, een overval op een supermarkt en een straatroof, waarin de rechter-commissaris tijdens de voorgeleiding het aannemen van de onderzoeksgrond onderbouwde met: “het gaat om ernstige feiten waar goed onderzoek naar gedaan moet worden”.11
Ook de omvang van de zaak lijkt een factor van betekenis te kunnen zijn. Zo overwoog de raadkamer in een zaak, waarin twee jeugdigen werden verdacht van afpersing van meerdere medeleerlingen op school, dat er aanwijzingen waren dat de zaak nog veel omvangrijker zou zijn dan aanvankelijk werd gedacht, waardoor het Openbaar Ministerie en de politie langer de tijd zouden moeten krijgen om onderzoek te doen.12
Verder is het voor sommige rechters relevant of de onderzoeksgrond de enige grond is op de vordering of dat er ook andere gronden worden gevorderd en aangenomen. Zo stelt een rechter-commissaris tijdens een interview:
“Als dat [de onderzoeksgrond, YB] de enige grond is, zal ik daar iemand niet zo snel op houden. Als ie erbij staat [naast andere gronden, YB] en het is duidelijk dat er nog onderzoek moet gebeuren, zal ik ‘m er ook niet afhalen. Maar als het de enige grond is, dan moet eigenlijk wel duidelijk zijn waarom dat dan niet anders kan dan in voorlopige hechtenis.”13
Een andere rechter-commissaris stelt daarentegen soms juist heel bewust alleen de onderzoeksgrond en geen andere gronden aan te nemen, met name als de ernstige bezwaren wat hem betreft (nog) erg mager zijn (vgl. par. 7.4.2.2).14
Voorts kan ook de proceshouding van de verdachte van invloed zijn op de beoordeling van de onderzoeksgrond. Een coöperatieve houding van de verdachte, in het bijzonder een bekennende verklaring, kan reden zijn om de onderzoeksgrond niet aan te nemen. Zo nam de rechter-commissaris in een zaak waarin de verdachte inmiddels een bekennende verklaring had afgelegd de gevorderde onderzoeksgrond niet aan omdat de verdachte “openheid van zaken” had gegeven.15 Tegelijkertijd biedt een bekennende verklaring geen garantie dat de onderzoeksgrond niet wordt aangenomen, want als bijvoorbeeld medeverdachten nog voortvluchtig zijn, kan nog steeds sprake zijn van collusiegevaar.16 Een ontkennende of zwijgende proceshouding van de verdachte daarentegen, kan de noodzaak en het belang van nader onderzoek wel vergroten. Zo werd bij het bespreken van de onderzoeksgrond tijdens een raadkameroverleg in één van de geobserveerde zaken opgemerkt dat, als de verdachte zwijgt, de politie op een andere manier de waarheid moet kunnen achterhalen en dat dit dus kan betekenen dat de verdachte in beperkingen in voorlopige hechtenis moet verblijven. In gevallen waarin een verdachte een ontkennende verklaring aflegt, waarin hij een alibi voorhoudt of een alternatief scenario schetst, kan het volgens sommige rechters zelfs in het belang van de verdachte zelf zijn dat hij nog even in voorlopige hechtenis verblijft totdat die verklaring is getoetst.
“Dan kan ik ook altijd heel makkelijk tegen zo’n verdachte zeggen: het is beter dat je nog even vast zit – vaak zitten er dan ook beperkingen op natuurlijk – omdat het nog even getoetst kan worden wat jouw verklaring is zonder dat jij zelf daar invloed op hebt, want het is veel minder geloofwaardig op het moment dat jij al vrij rondloopt en het blijkt dat het zou kloppen, want dan kunnen ze [justitie, YB] zeggen ‘hij heeft inmiddels contact gehad met die en die’.”17
Ook kan voor de beoordeling van de onderzoeksgrond relevant zijn of een jeugdige verdachte die in voorarrest verblijft in beperkingen zit.18 De opvattingen van rechters over de invloed van (het ontbreken van) beperkingen op de onderzoeksgrond lijken nogal uiteen te lopen.
“Bij collusiegevaar wordt er nog wel eens verschillend over gedacht hoe zwaar dat weegt. Dat [collusiegevaar, YB] kan er ook zijn als iemand vast zit en geen beperkingen heeft, want hij kan dan telefonisch contact hebben met al zijn vrienden. Dat is een beetje lastig: hoe stringent neem je de onderzoeksgrond? Mijn ervaring hier bij het jeugdteam is: ook al zit iemand niet in beperkingen, neem je de onderzoeksgrond nog wel aan als er nog onderzoek moet worden gedaan en hij zit nog in een schoolsysteem of vriendensysteem waarin ze [medeverdachten, YB] eenvoudig met elkaar contact kunnen hebben. En dan, gelet op die onderzoeksgrond, wordt het moeilijker om iemand te schorsen, want dan frustreer je het onderzoek. Het bijt elkaar eigenlijk.”19
Een andere raadkamerrechter geeft daarentegen aan dat het feit dat een jeugdige verdachte niet in beperkingen zit voor hem een indicatie is dat de onderzoeksgrond niet in de weg staat aan schorsing.20 Hieraan ligt ten grondslag dat deze rechter in de voorlopige hechtenis zonder beperkingen geen stevigere waarborg ziet tegen collusie dan in de schorsing met als voorwaarde een contactverbod met medeverdachten, slachtoffers en/of getuigen. In de justitiële jeugdinrichting kan de verdachte, als hij niet in beperkingen zit, immers ook (telefonisch) contact opnemen met de buitenwereld. Vanuit deze gedachte heeft een raadkamer tijdens één van de geobserveerde zittingen de door de officier gevorderde onderzoeksgrond niet aangenomen, omdat de verdachte inmiddels niet meer in beperkingen zat en daardoor – zoals één van de rechters opmerkte – “dus ook iedereen kan gaan bellen”.21
D. Tijdsverloop
Tot slot kan tijdsverloop een rol spelen bij de beoordeling van de onderzoeksgrond. Dit houdt allereerst verband met de verantwoordelijkheid die, volgens sommige rechters, bij het Openbaar Ministerie en de politie ligt om in jeugdzaken snel en voortvarend onderzoek te verrichten. Zo nam de rechter-commissaris in een zaak, waarin twee jeugdigen werden voorgeleid vanwege een verdenking van een straatroof (in vereniging) die meer dan een jaar eerder zou zijn gepleegd, de door de officier van justitie gevorderde onderzoeksgrond uitdrukkelijk niet over:
“Ik wil voorop stellen dat de zaak veel te lang is blijven liggen [bij het Openbaar Ministerie, YB], meer dan een jaar. Dit was onnodig, want de namen [van de verdachten, YB] waren al bekend. (…) Er is geen onderzoeksgrond. De zaak loopt al een jaar. Er is geen gevaar voor verstoring van het onderzoek, want ze [officier van justitie en politie, YB] hadden al lang met betrokkenen kunnen praten.”22
Tijdsverloop speelt ook nog op een andere manier een rol, namelijk in de door rechters ogenschijnlijk breed gedragen opvatting dat de onderzoeksgrond de voorlopige hechtenis van een jeugdige verdachte maar voor een beperkte duur kan dragen.
“Dat zeg ik er ook wel eens bij: ‘nou moet het OM wel heel snel er achteraan gaan, dit kan je niet tijden lang vol houden’. Maar goed, het is ook wel weer verschillend, want als het een kleinere zaak is, dan moeten ze echt snel doorpakken, maar is het een hele grote zaak, dan kan die onderzoeksgrond er wat langer op zitten.”23
De duur van de periode dat de onderzoeksgrond (voortzetting van) de voorlopige hechtenis van een minderjarige kan rechtvaardigen, lijkt onder meer af te hangen van de aard en de omvang van de zaak. Voorts is relevant of de onderzoeksgrond de enige reden is om een verdachte in voorlopig hechtenis te nemen of te houden. Met name in het geval de voorlopige hechtenis enkel en alleen wordt gedragen door de onderzoeksgrond wordt de voortvarendheid van het onderzoek uiterst pregnant. Dat rechters zich hiervan bewust zijn, uit zich soms in het beperken van de duur van het bevel tot voorlopige hechtenis, waarmee een signaal wordt afgegeven aan het Openbaar Ministerie en de politie. Zo werd in een zaak, waarin de raadkamer enkel de onderzoeksgrond aanwezig achtte, de gevangenhouding voor de duur van zeven dagen bevolen om de officier van justitie en politie nog een week de kans te geven om een voortvluchtige medeverdachte op te sporen.24
De voortvarendheid van het onderzoek wordt tevens kritiek geacht in gevallen waarin, naast de onderzoeksgrond, ook andere gronden aanwezig worden geacht, maar het onderzoeksbelang als enige in de weg staat aan een schorsing. In dergelijke gevallen wordt de schorsing soms een beperkte tijd opgeschort om de officier van justitie en de politie nog enige tijd te gunnen voor het onderzoek, maar tegelijkertijd de druk op de voortgang van het onderzoek te houden. Zo werd in een zaak, waarin naast de onderzoeksgrond, ook de recidivegrond aanwezig werd geacht, de gevangenhouding voor 30 dagen bevolen en geschorst, zij het dat de schorsing pas zeven dagen later zou ingaan omwille van het opsporingsonderzoek naar een voortvluchtige medeverdachte.25
In een aantal gevallen, waarin voortzetting van de voorlopige hechtenis nog wel door andere gronden werd gerechtvaardigd, werd de onderzoeksgrond naar verloop van tijd door de officier van justitie van de vordering afgehaald of door de raadkamer niet meer aangenomen, omdat vanwege de voortgang van het onderzoek niet langer sprake was van collusiegevaar.26