Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.4.3.1
7.4.3.1 Recidivegrond
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Janssen, Van den Emster & Trotman 2013, p. 436.
Zie bijlage 2.
Hieronder wordt de recidivegrond ex artikel 67a tweede lid, onder 2° (ook wel de ‘6-jaarsrecidivegrond’ of de ‘VPG-grond’ – lees: veiligheid van personen en/of goederen – genoemd) en 3° Sv (ook wel de ‘5-jaarsrecidivegrond’ genoemd) verstaan. Als in het navolgende over de recidivegrond wordt gesproken betreft het de in artikel 67a tweede lid, onder 2° Sv neergelegde grond, tenzij anders wordt vermeld.
Dit aantal is gebaseerd op de informatie die tijdens de geobserveerde voorgeleidingen en raadkamerzittingen is verzameld. Er is geen inzage geweest in de uiteindelijke beschikkingen waarop de gronden staan vermeld.
Interview raadkamerrechter B.
Interview rechter-commissaris M.
Interview raadkamerrechter J.
Interview raadkamerrechter N.
O.a. Voorgeleiding 17; Voorgeleiding 36; Voorgeleiding 54; Raadkamerzitting 16; Raadkamerzitting 106.
Voorgeleiding 2; Raadkamerzitting 51. En voorts: Interview raadkamerrechter G; Interview raadkamerrechter I.
Voorgeleiding 52; Raadkamerzitting 120.
De ‘5-jaarsrecidivegrond’ vereist dat sprake is van een verdenking van één van de in artikel 67a lid 2, onder 3° Sv opgesomde misdrijven, “terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de dag waarop de verdachte wegens een van deze misdrijven onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf is veroordeeld dan wel bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd en voorts er ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een van die misdrijven zal begaan.” Zie paragraaf 4.4.2.3, onder C.
Interview rechter-commissaris M.
Raadkamerzittingen 53 en 54.
Raadkamerzitting 140.
Voorgeleiding 64 (na afloop).
Voorgeleiding 11.
Voorgeleiding 48.
Interview raadkamerrechter J.
Voorgeleiding 20.
Voorgeleiding 31; Voorgeleiding 40; Raadkamerzitting 65.
Voorgeleiding 20.
Voorgeleiding 13; Raadkamerzitting 100.
Interview raadkamerrechter B.
Interview raadkamerrechter G.
Raadkamerzitting 143.
Raadkamerzitting 118.
Interview rechter-commissaris L.
Interview rechter-commissaris M.
Interview rechter-commissaris L
Interview rechter-commissaris M.
Interview rechter-commissaris H.
Interview raadkamerrechter O.
De recidivegrond is in de literatuur over de Nederlandse voorlopige hechtenispraktijk (in volwassenenzaken) ook wel “de moeder aller gronden” genoemd.1 Uit de observaties in het onderhavige onderzoek blijkt dat de recidivegrond ook in jeugdzaken een centrale rol speelt. Tijdens de 201 geobserveerde voorlopige hechteniszittingen, waar is beslist over een vordering tot inbewaringstelling of (verlenging van) gevangenhouding, zijn 193 vorderingen toegewezen,2 waarbij in 169 gevallen de recidivegrond3 één van de gronden was waarop het bevel tot voorlopige hechtenis werd gebaseerd.4 Op basis van de observaties en interviews ontstaat een beeld van een praktijk waarin rechters de recidivegrond ruim interpreteren en toepassen. Hierdoor lijkt de recidivegrond soms te fungeren als een ‘vangnet’; een grond waaraan een rechter altijd wel kan komen als hij het bevelen van voorlopige hechtenis wenselijk acht. Zo stelt een raadkamerrechter tijdens een interview:
“Tja de gronden, dat zei ik net al, daar kan je altijd wel aan komen. Al is iemand first offender, dan zeg je ‘tja toch wel gek zo in één keer ’, hup recidive[grond]. ‘Er speelt misschien toch langere tijd iets in die bovenkamer [in het hoofd van de jeugdige, YB], we weten het niet’, hup recidive[grond]. Dan kan het zijn van first offender zelfs reden zijn om de recidivegrond aan te nemen! Dus altijd kun je wel iets vinden om hem te houden.”5
Een geïnterviewde rechter-commissaris refereert in dit verband aan een “vergaarput” (“gooi het er maar in en je hebt een grond!”).6 Paradoxaal genoeg is de beoordeling van de recidivegrond in theorie een complexe exercitie. Deze beoordeling komt immers in de kern neer op het inschatten van het gevaar voor recidive in de toekomst, oftewel risicotaxatie. De Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering gebruiken hiervoor gestandaardiseerde risicotaxatie-instrumenten, waarvan de uitkomsten ook in hun adviezen worden opgenomen. Toch lijken rechters zich bij de beoordeling van de recidivegrond niet primair te baseren op deze uitkomsten, maar op basis van uiteenlopende factoren een eigen inschatting te maken. Eén van de raadkamerrechters legt uit dat ook het ‘gevoel’ van de rechter hierbij een rol speelt:
“Je kijkt naar de toekomst, maar je kunt alleen maar naar de toekomst kijken met de ingrediënten uit het verleden. En die mix, daar komt dan iets uit naar voren, een bepaalde geur of sfeer, waardoor je denkt, voelt van ‘ja, nee, ik vind het tricky om jou zomaar los te laten’. En dan heb je dus kennelijk een gevoel van recidive. En hoe onderbouw je dat dan voor jezelf? Kijk, je kunt natuurlijk gaan zoeken. Als het zo werkt, zou het ook niet goed zijn. Je moet natuurlijk wel gewoon het gevoel en verstand… die moeten in een continue kritische reflectie en gesprek blijven, maar dat gaat soms wel heel snel. Dat is natuurlijk zo. Want bij de voorbereiding al, dat je dan het gevoel krijgt van ‘dit is wel link’, dat gaat heel snel. En van ‘dit is wel heel link’ naar recidivegevaar, daar komt de gemiddelde rechter denk ik heel moeilijk vanaf hoor, van dat gevoel.”7
Uit de observaties volgt dat een veelheid aan factoren een rol kan spelen bij de invulling van de recidivegrond door de rechter. Op basis van een analyse van deze factoren kunnen grofweg drie categorieën worden onderscheiden: (1) de ‘op antecedenten gebaseerde’ recidivegrond, (2) de ‘inherente’ recidivegrond en (3) de ‘toekomstgerichte’ recidivegrond. Hierbij moet worden opgemerkt dat de grenzen tussen de categorieën fluïde zijn en vaak een combinatie van factoren ten grondslag ligt aan het aannemen van de recidivegrond.
A. ‘Op antecedenten gebaseerd’
Antecedenten, in het bijzonder de justitiële documentatie van de jeugdige verdachte, spelen een centrale rol in de beoordeling van de recidivegrond. Indien er sprake is van “doc” en het betreft enigszins een soortgelijk feit als de huidige verdenking, dan lijkt dat voor veel rechters voldoende te zijn om de recidivegrond aan te nemen. Van een daadwerkelijke inschatting van het toekomstige recidivegevaar lijkt hierbij geen sprake te zijn. Deze bevinding, die voortvloeit uit de observaties tijdens voorgeleidingen en raadkamerzittingen, wordt bevestigd in verschillende interviews met rechters.
“Dat wordt betrekkelijk ruim toegepast. Dat vind ik überhaupt wel een beetje… de rechterlijke macht… als je nagaat dat voorlopige hechtenis in beginsel de uitzondering is op de regel, vind ik dat de vrees voor herhaling toch al vrij snel wordt aangenomen zodra er enige recidive is. Als je de wet op dat punt strikt bekijkt, dat geldt overigens bij volwassenen ook, heb ik de indruk dat de rechterlijke macht toch betrekkelijk ruim toepassing geeft aan die mogelijkheden.”8
Het feit dat een verdachte nog in een proeftijd loopt, wordt door rechters ook herhaaldelijk aangehaald om de recidivegrond te rechtvaardigen.9 Voorts baseren sommige rechters zich bij de beoordeling van de recidivegrond niet alleen op de onherroepelijke justitiële documentatie: niet-onherroepelijke veroordelingen, lopende zaken en politieregistraties kunnen eveneens een rol spelen.10 Ook het gegeven dat een verdachte ten tijde van het delict in het kader van een andere zaak in een schorsing van de voorlopige hechtenis liep, wordt wel eens gebruikt als onderbouwing van de recidivegrond.11
Indien het gaat om de invulling van de zogenaamde ‘5-jaarsrecidive-grond’ (art. 67a, tweede lid, onder 3° Sv) nemen rechters vanzelfsprekend uitsluitend onherroepelijke veroordelingen mee, daar dit uitdrukkelijk volgt uit de wettekst.12 Interessant is wel dat sommige rechters een ‘jeugdspecifieke’ uitleg geven aan deze recidivegrond door in jeugdzaken de terugkijktermijn van vijf jaar in te korten.
“Nou ik denk, bij volwassenen houden we een terugkijktermijn van vijf jaar aan en bij jeugd kan dat nog wel eens verschil maken. Als iemand op zijn 12e een keer een winkeldiefstal heeft gepleegd en op zijn 16e komt hij voor een overval. Dan kan je zeggen: ‘binnen vijf jaar een soortgelijk feit’. Maar voor een jeugdige is vijf jaar wel heel erg lang. Dat kan een wereld van verschil zijn, in ontwikkeling en alles. Dus ik neem die terugkijktermijn denk ik iets krapper soms.”13
Dit zou impliceren dat de ‘5-jaarsrecidivegrond’ door sommige rechters terughoudender wordt toegepast in jeugdzaken dan in volwassenenzaken.
B. ‘Inherent aan de verdenking’
Uit de observaties en interviews blijkt dat de recidivegrond (niet zijnde de ‘5-jaarsrecidivegrond’) ook kan worden aangenomen als er niet of nauwelijks sprake is van justitiële documentatie. In verschillende geobserveerde zaken werd het recidivegevaar afgeleid uit de verdenking(en) die op de vordering staan. Met andere woorden: het recidivegevaar is inherent aan de verdenking(en). Deze redenering wordt door sommige rechters gehanteerd in gevallen waarin de verdenking een reeks delicten betreft. Zo werd in een zaak, waarin een jeugdige werd verdacht van een reeks van drie woninginbraken, tijdens het raadkameroverleg opgemerkt dat de recidivegrond niet alleen van documentatie afhangt en dat drie inbraken op één dag ook wel een indicatie geeft dat sprake is van recidivegevaar.
De recidivegrond kan, althans volgens sommige rechters, ook worden afgeleid uit een verdenking die slechts op één strafbaar feit betrekking heeft. Hierbij kan het (voor een langere periode) voortdurende karakter van het strafbare feit een rol spelen, zoals blijkt uit een zaak waarin de recidivegrond werd aangenomen ten aanzien van twee jeugdige first offenders die ervan werden verdacht gedurende een lange periode op school medeleerlingen te hebben afgeperst.14 Voorts lijkt ook de aard van de verdenking impliciet recidivegevaar in zich te kunnen dragen, bijvoorbeeld in zedenzaken. Zo heeft een raadkamer op basis van de aard (en het voortdurende karakter) van de verdenking de recidivegrond aangenomen in een zaak van een jeugdige verdachte – zonder justitiële documentatie – die had bekend gedurende een lange periode structureel kinderporno te hebben gedownload op zijn computer.15 In zaken waarin het gaat om een verdenking van een vermogensdelict kan voorts het lucratieve karakter daarvan voor een rechter aanleiding zijn om hieruit recidivegevaar te destilleren. In dit verband merkte een rechter-commissaris na afloop van een voorgeleiding in een zaak waarin een jeugdige – zonder eerdere veroordelingen op zijn documentatie – werd verdacht van een woninginbraak jegens de onderzoeker op: “Iemand die inbreekt, breekt nooit één keer in.”16
In het verlengde hiervan kan ook het hebben van een financieel motief voor het plegen van een strafbaar feit voor een sommige rechters een grondslag zijn om recidivegevaar aan te nemen. Zo baseerde een rechter-commissaris de recidivegrond, in een zaak waarin een jonge first offender had bekend een vrouw van haar tas te hebben beroofd, op het motief van de verdachte, namelijk dat hij geld nodig had om een schuld af te betalen.17 In andere gevallen leidden rechters de recidivegrond daarentegen juist af uit het ontbreken van een duidelijk motief: “verdachte heeft het feit zonder redelijkerwijs begrijpelijke aanleiding gepleegd”.18 Een raadkamerrechter verklaart ook tijdens een interview dat de onduidelijkheid over de toedracht reden kan zijn om de recidivegrond aan te nemen:
“Kijk wij kunnen allemaal… en ik als kind heb dat ook gedaan, wij kunnen allemaal strafbare feiten plegen. Maar sommige strafbare feiten, in een bepaalde context, dan denk ik ‘dit had ik niet kunnen doen’. Dus ik vind het wel interessant om te weten hoe je daar dan toe bent gekomen. En als ik daar de vinger niet achter krijg, als ik niet precies weet hoe dat is gekomen, dan kan ik ook niet uitsluiten dat je dat misschien nog een keer zal gaan doen.”19
Tijdens de observaties zijn herhaaldelijk zaken voorbij gekomen waarin het recidivegevaar volgens de rechter inherent is aan de ernst van de verdenking. Dit was bijvoorbeeld het geval in een zaak van een minderjarige first offender die werd verdacht van een poging tot een woningoverval met gebruik van een vuurwapen. Volgens de betreffende rechter-commissaris is dit een dermate “absurd en belachelijk feit” dat de recidivegrond hierin “als het ware besloten ligt”.20 Hierbij speelde – evenals in een aantal andere zaken21 – ook de vermeende lichtvaardige wijze waarop het feit was gepleegd een rol.22 In zaken waarin buitensporig geweld is gebruikt wordt door rechters bij de onderbouwing van de recidivegrond ook wel eens gewezen op het excessieve c.q. disproportionele karakter van het feit.23
Voorts kan een relevante factor zijn dat een ernstig feit volledig onverwachts wordt gepleegd door een jeugdige die tot dat moment onbekend was bij politie, justitie en hulpverlenende instanties. Dit speelde onder meer in een zaak waarin een minderjarige first offender werd verdacht van een poging tot doodslag met een mes. In deze zaak werd tijdens het raadkameroverleg opgemerkt dat de recidivegrond er juist is omdat niemand had verwacht dat de betreffende verdachte een dergelijk feit zou plegen, hetgeen het volgens de raadkamerrechters erg “eng” maakt. De raadkamer stelde zich op het standpunt dat in elk geval zolang het persoonlijkheidsonderzoek nog niet is afgerond en er nog geen inzicht bestaat in de persoon van de verdachte recidivegevaar aanwezig moet worden geacht. Een raadkamerrechter van een andere rechtbank bevestigt tijdens een interview dat juist de omstandigheid dat een first offender volledig onverwachts een ernstig strafbaar feit pleegt reden kan zijn om de recidivegrond aan te nemen:
“Wij zeggen weleens ‘als er zomaar, ins blaue hinein zo’n ernstig feit wordt gepleegd, dat doet vermoeden…’. Kijk, dat je eens iemand gewoon een klap geeft daar kan je nog iets bij voorstellen, maar wij hadden laatst een jongen die had ineens een aardappelschilmesje en die steekt iemand tien keer. Die werd gepest en in één keer… (…) ja maar dan, dan is de recidivegrond er gewoon. Dan denk je: ‘wat doe je nu? Wat is hier gebeurd?’ Dan zit het [de recidivegrond, YB] in het feit van zichzelf al. Dat jij dat doet op zo’n jonge leeftijd (…) juist omdat je eigenlijk nog nooit iets gedaan hebt… zomaar ‘bam’. Dat alleen al…”24
Tot slot merkt één van de geïnterviewde raadkamerrechters op dat de recidivegrond soms ook kan worden afgeleid uit de ‘modus operandi’ van de verdachte. De geraffineerde wijze waarop een feit is gepleegd kan volgens deze rechter indiceren dat sprake is van recidivegevaar:
“Een zakkenroller die heel sluw en sneaky samen met anderen zich mengt in een gezelschap toeristen, dan zou ik zijn wijze van opereren als een risico verhogende factor willen meenemen. Iemand die heel bewust en gericht erop uit is andermans dingen af te pakken, die zou dat best nog wel eens een keer kunnen doen.”25
De door rechters gebruikte mogelijkheden om de recidivegrond af te leiden uit het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft, zijn dus zeer divers. Tegelijkertijd is een aantal rechters tijdens de interviews zeer kritisch over deze benadering. Ook een advocaat bracht tijdens één van de geobserveerde raadkamerzittingen in zijn verweer naar voren dat deze benadering van de recidivegrond principieel niet zuiver is, omdat dit “als het ware leidt tot vermenging van de ernstige bezwaren en gronden”.26 Als de recidivegrond inherent is aan de verdenking impliceren ernstige bezwaren immers automatisch tevens de aanwezigheid van een grond. Dit verweer komt er dus in de kern op neer dat hiermee in wezen het getrapte stelsel van rechtswaarborgen, als neergelegd in artikel 67 en 67a Sv, wordt ondermijnd. De raadkamer besteedde in de beraadslaging echter geen aandacht aan dit verweer.
C. ‘Toekomstgericht’
De recidivegrond kan volgens sommige rechters ook worden afgeleid uit de persoonlijke omstandigheden van de minderjarige. Tijdens één van de geobserveerde raadkamerzittingen werd dit de “toekomstgerichte herhalingsgrond” genoemd.27 Dit betekent dat de recidivegrond niet zozeer wordt gebaseerd op de justitiële documentatie of de verdenking als zodanig, maar op de zorgelijke persoonlijke omstandigheden die het aannemelijk zouden maken dat de minderjarige op de korte of langere termijn (wederom) een strafbaar feit zal plegen. Uit de observaties en interviews volgt dat onder meer zorgen over de thuissituatie, schoolgang, middelengebruik, vrije tijdsbesteding en vriendenkeuze van de minderjarige door sommige rechters worden betrokken bij de beoordeling van de recidivegrond.
“Dat zijn voor mij ook omstandigheden die het recidivegevaar onderbouwen. Ik ben dus niet alleen van de documentatie, maar ook van de omstandigheden. Ik vind dan dat je die jongen zelf moet beschermen, dat er niet nog meer dingen gaan gebeuren, maar de samenleving natuurlijk ook. Dus dan neem ik wel het recidivegevaar aan.”28
Deze ‘toekomstgerichte’ benadering van de recidivegrond lijkt specifiek voor het jeugdstrafrecht. Hierbij dienen de rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering als belangrijke informatiebronnen. Voorts legt één van de geïnterviewde rechters uit dat ook zijn eigen indruk van de jeugdige verdachte, zijn ouders en hun omstandigheden relevant kan zijn bij de inschatting van toekomstig recidivegevaar.
“Laat ik het zo zeggen: als je een volwassene hebt, zonder psychische problematiek, dan zeg je ‘geen grond’. En bij een minderjarige zou ik, hoe oneigenlijk ook, toch een klein beetje kijken van ‘wat voor een indruk maakt dit nou op mij, die jongen, zijn moeder en hoe dat allemaal in zijn werk gaat?’. Om ook je eigen indruk te krijgen van ‘is dit nou een incident of niet?’ (…) Wat eigenlijk niet kan, want eigenlijk moet op basis van het verleden, op basis van documentatie blijken dat iemand recidivegevaarlijk is. Maar ik zou daar wel naar kijken.”29
In jeugdzaken kan ook het hulpverleningsbelang een weerslag hebben op de recidivegrond. In gevallen waarin schorsingsvoorwaarden door de rechter wenselijk worden geacht om de hulpverlening op te starten is een grond nodig om de voorlopige hechtenis te kunnen bevelen om deze vervolgens direct te kunnen schorsen. Een aantal rechters – van verschillende rechtbanken – geeft tijdens de interviews aan de recidivegrond nog wel eens wat “op te rekken”30 of “op te blazen”31 ten behoeve van de hulpverlening.
“De recidivegrond, wat ik net al zei, daar smokkel ik ook wel eens een beetje mee als ik gewoon een problematisch geval zie waar op dit moment geen of onvoldoende hulpverlening bij is. Ja, dan misbruik ik het strafrecht om die hulpverlening opgestart te krijgen. En dat doe ik soms heel bewust.”32
Eén van de geïnterviewde raadkamerrechters verklaart dat deze werkwijze in wezen voortvloeit uit zijn verantwoordelijkheidsgevoel als jeugdrechter:
“Het vermoeden dat, en dat is die extra grond die wij soms toepassen, uit de persoon van de verdachte zou zijn af te leiden dat hij wel weer tot herhaling zou kunnen komen. Dat vind ik… tja het is er mooi bij gesleurd [respondent glimlacht, YB]. (…) Het is ook een beetje verantwoordelijkheidsgevoel wat we hebben, althans zo voel ik het. (…) Wat kan je in het kader van het voorarrest nog sleutelen aan de situatie om hem of haar weer een beetje op het rechte pad te krijgen? Dat voel ik wel, vanuit jeugdrechtoptiek, als een verantwoordelijkheid die bij ons ligt. En dat heeft zijn weerslag op de recidivegrond.”33
Tegelijkertijd zijn er ook rechters die het (principieel) onjuist vinden om de recidivegrond te baseren op zorgelijke persoonlijke omstandigheden – zonder dat sprake is van justitiële documentatie – om de voorlopige hechtenis te kunnen gebruiken ten behoeve van de hulpverlening. Deze uiteenlopende opvattingen van rechters over het aannemen van de recidivegrond bij minderjarige first offenders zijn eerder al naar voren gekomen in casus ‘Jeffrey’ (zie par. 7.3.1). De benadering van de recidivegrond lijkt sterk samen te hangen met de opvattingen van de betreffende rechter over de functie van de voorlopige hechtenis en de schorsing daarvan onder voorwaarden, in de specifieke context van het jeugdstrafrecht. De ‘toekomstgerichte’ recidivegrond lijkt met name te worden omarmd door rechters die de (schorsing van de) voorlopige hechtenis beschouwen als een instrument om hulpverlening op te starten en die geloven in een preventieve werking van vroegtijdig ingrijpen door middel van schorsingsvoorwaarden; een aanpak die volgens hen gerechtvaardigd kan worden op grond van het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht.