Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.4.2.1:7.4.2.1 De ondergrens
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.4.2.1
7.4.2.1 De ondergrens
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Over de ondergrens van de ernstige bezwaren lijken rechters uiteenlopende opvattingen te hebben. De geïnterviewde rechters zijn het unaniem eens dat voor het aannemen van ernstige bezwaren (nog) geen wettig en overtuigend bewijs vereist is. Minder eenduidig zijn de antwoorden op de vraag of de rechter de ernstige bezwaren kan baseren op één concrete aanwijzing of dat er meerdere concrete aanwijzingen vereist zijn. Eén van de geïnterviewde raadkamerrechters herkent deze verschillen en spreekt van een ‘scholenstrijd’:
“Het is natuurlijk ook iedere keer weer een beetje een spanningsveld: hoe kijk je naar een zaak?; hoe kijk je naar de aangifte?; wanneer acht je de unus testis nullus testis-regel geldend? Als er een enkele aangifte is en daar wordt de naam van die jongen in genoemd en als er dan nog wel wat steunend bewijs is, maar in algemene zin, dus niet speciaal dat leidt tot die verdachte, zeg je dan ‘er is sprake van unus testis nullus testis, oftewel onvoldoende bewijs’ of zeg je dan ‘er is helemaal geen sprake van unus testis nullus testis, want er is nog meer bezwarend materiaal, alleen formeel leidt dat dan niet tot deze verdachte, maar het bezwarend materiaal is er wel’? Dat is een beetje een scholenstrijd: de rekkelijken en de preciezen daarin, heb ik zelf ervaren. En dat vertaalt zich natuurlijk ook wel naar het invullen van de ernstige bezwaren: hoe hoog leg je die lat voor ernstige bezwaren?”1
Voorts lijkt de ondergrens van de ernstige bezwaren ook afhankelijk te kunnen zijn van zaakspecifieke factoren, waaronder de aard en ernst van de zaak. Zo werd tijdens een raadkameroverleg van een raadkamer gevangenhouding in een zedenzaak opgemerkt dat zedenzaken, naar hun aard, bewijstechnisch vaak lastig zijn, zeker als het gaat om een 'een-op-eendelict' (een verkrachting) waarbij geen getuigen aanwezig zijn. Dit kan, volgens de betreffende rechter, een weerslag hebben op de ondergrens van de ernstige bezwaren, in die zin dat de rechter in deze zaken in de beginfase mogelijk genoegen neemt met minder sterke bezwaren, maar dat de ernstige bezwaren wel moeten verstevigen naarmate het onderzoek vordert. Voorts geven verschillende rechters tijdens de interviews aan dat ook de ernst van het feit van invloed kan zijn op de ondergrens van de ernstige bezwaren.
“Je kijkt natuurlijk toch ook naar het feit, dat is gewoon zo. Als jij een moordzaak hebt en de verdenking is zelfs mager, nou dan moet je eens even kijken hoe snel er ernstige bezwaren zijn. Echt helemaal geen hond zou iemand naar huis sturen! Echt niet! Dat ga je dus niet doen! Dan staat er zoveel op het spel… stel nou dat hij het gedaan heeft! Maar dan ga je wel tegen de officier zeggen ‘luister eens, het is mager die ernstige bezwaren, over een maand moeten we wel meer hebben’.” 2
In zeer ernstige zaken ligt de drempel om een verdachte op vrije voeten te stellen dus hoger. Hetzelfde lijkt te gelden als sprake is van een zeer recidivegevaarlijke verdachte. Een aantal rechters geeft aan dat de ernstige bezwaren in dergelijke gevallen wat sneller worden aangenomen. Daarmee wordt het Openbaar Ministerie en de politie meer tijd voor onderzoek gegund om de ernstige bezwaren te kunnen verstevigen.