Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.6.1
7.6.1 Opheffing schorsing
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie tabel 6.2 en bijlage 2.
Raadkamerzitting 95; Interview raadkamerrechter B; Interview rechter-commissaris E; Interview rechter-commissaris F; Interview raadkamerrechter O; Interview raadkamerrechter Q.
Interview raadkamerrechter Q. Dit werd in een ander interview aangeduid als het “pedagogisch effect” (Interview rechter-commissaris K). Ook in andere interviews werd de opheffing van de schorsing als (iets) “pedagogisch” aangemerkt (Interview raadkamerrechter C; Interview rechter-commissaris H).
Interview raadkamerrechter G.
Raadkamerzitting 97; Interview rechter-commissaris H; Interview raadkamerrechter J; Interview rechter-commissaris K; Interview raadkamerrechter N.
Interview raadkamerrechter C; Interview raadkamerrechter O.
Interview rechter-commissaris H.
Raadkamerzitting 95.
Voorgeleiding 9.
Interview rechter-commissaris H.
Interview rechter-commissaris E.
Voorgeleiding 9.
Interview raadkamerrechter N.
Raadkamerzitting 72.
Interview raadkamerrechter J.
Raadkamerzitting 97.
Interview raadkamerrechter O.
Interview raadkamerrechter G.
Voorgeleiding 73.
Tijdens het observatieonderzoek zijn zeven zittingen bijgewoond waar werd beslist over de vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.1 Daarnaast is tijdens de interviews met de rechters uitgebreid ingegaan op deze beslissing. Uit de observaties en interviews komt een beeld naar voren van een praktijk waarin de rechter de opheffing van de schorsing primair lijkt te beschouwen als het “consequent reageren” op het overtreden van schorsingsvoorwaarden,2 waarvan een duidelijk “pedagogisch signaal” moet uitgaan richting de minderjarige.3 Tijdens de interviews en observaties wordt de opheffing van de schorsing door sommige rechters aangeduid als een “correctie”4 of een “sanctie”,5 waarvan een zeker “schrikeffect” moet uitgaan.6 Duidelijk moet zijn dat de minderjarige niet zomaar ongestraft “een rechterlijke beslissing kan negeren”.7 Ook tijdens een geobserveerde zaken werd door de rechter(s) over de opheffing van de schorsing gesproken in termen van “een tik op de neus geven”8 en “nu heb je veertien dagen om na te denken”. 9Een rechter-commissaris gebruikt tijdens een interview termen als “er een klap op geven” en “ze moeten het even voelen”.10
Bij de beslissing van de rechter over de opheffing van de schorsing lijkt de eerdere schorsing van de voorlopige hechtenis sterk te worden beschouwd als een “kans” die de minderjarige heeft gekregen (vgl. par. 7.5.1.2 onder E), maar die hij vervolgens, gelet op de overtreding van de schorsingsvoorwaarden, kennelijk niet heeft gegrepen. Hierbij speelt een rol dat de rechter en de minderjarige verdachte op het moment van schorsing uitdrukkelijk de afspraak maken dat de minderjarige zich zal houden aan de gestelde voorwaarden en de minderjarige veelal expliciet wordt gewaarschuwd dat overtreding van de voorwaarden betekent dat hij (alsnog) naar de justitiële jeugdinrichting wordt gestuurd. Zo stelt een rechter-commissaris tijdens een interview:
“Ik vind het echt een verkeerde boodschap als ik hier eerst heel streng ben geweest en iemand heeft er een potje van gemaakt dat ik dan zeg: ‘ja het is toch niet goed voor je, vastzitten, ik geef je nog een kans’. Nee, dat is gewoon de verkeerde boodschap!”11
Dit kwam ook naar voren tijdens de observaties, onder meer in de wijze waarop een rechter-commissaris zijn beslissing om de schorsing op te heffen motiveerde in een zaak van een 16-jarige verdachte die zich niet aan de schorsingsvoorwaarden had gehouden:
“Ik heb je heel duidelijk gewaarschuwd toen ik je schorste. (…) Je hebt je niet aan de afspraken gehouden. (…) Je hebt jouw kans gehad, dus je gaat naar de JJI.”12
Een raadkamerrechter benadrukt tijdens een interview dat het achterwege laten van een reactie op het overtreden van schorsingsvoorwaarden ten koste gaat van de geloofwaardigheid van het gezag van de rechter:
“Ik zie het toch wel een beetje als een sanctie. Ik bedoel: bij het opgroeien, word je steeds verder verantwoordelijk gesteld. En dan beneden de 18 wordt er heel veel rekening gehouden met je beperkte ontwikkeling nog. Maar als je een afspraak maakt en je komt die niet na, dan is het ongeloofwaardig als je daar geen reactie op laat volgen. Ook generaal preventief gezien. Het zijn toch kringetjes ook die allemaal contact met elkaar hebben.”13
Niettemin volgt uit de observaties en interviews dat een vordering van de officier van justitie tot opheffing van een schorsing niet in alle gevallen hoeft te resulteren in de opheffing van de schorsing en de insluiting van de minderjarige verdachte in een justitiële jeugdinrichting. De beslissing van de rechter-commissaris of raadkamer over een dergelijke vordering hangt sterk af van de omstandigheden van het geval. Een voorbeeld is een geobserveerde zaak waarin de opheffing van de schorsing werd gevorderd vanwege een overtreding van de avondklok die als bijzondere voorwaarde aan de schorsing was verbonden. De verdachte erkende dat hij op het moment dat de politie de avondklok kwam controleren inderdaad niet in zijn ouderlijke woning aanwezig was. Hij verklaarde dat hij op dat moment in de (aan de woning toebehorende) kelderbox was om aan zijn fiets te sleutelen. De raadkamer benadrukte vervolgens jegens de verdachte dat het echt de bedoeling was dat hij in de avond in zijn ouderlijk huis verbleef en niet in de kelderbox, maar besliste uiteindelijk dat kon worden volstaan met een waarschuwing. Hierbij speelde ook een rol dat de Raad voor de Kinderbescherming zich op het standpunt stelde dat de justitiële jeugdinrichting geen geschikte plaats was voor de verdachte, waardoor opheffing van de schorsing schadelijke gevolgen zou hebben voor de verdachte en dus ook niet werd geadviseerd.14
Uit de interviews met rechters blijkt dat onder meer de ernst van de overtreding van de schorsingsvoorwaarden, de verklaring die de verdachte daarvoor geeft en de houding van de verdachte (lees: neemt hij verantwoordelijkheid?; toont hij berouw?) belangrijke factoren kunnen zijn bij de beoordeling van een vordering tot opheffing van de schorsing. Voorts lijkt ook tijdsverloop een rol te kunnen spelen in deze beslissing.
“Dan speelt de vraag: wat is de heftigheid van de overtreding? En: hoever zijn we in de tijd? Nou, heftigheid van de overtreding, dat kan een nieuw strafbaar feit zijn, dat is natuurlijk een heftige. En de heftigheid kan ook zitten in het volstrekt onbegeleidbaar opstellen: juist die specifieke dingen die nodig waren om een gedragsverandering teweeg te brengen, daarvan zegt hij ‘dikke vinger ’. Dat vind ik heftig. Maar de avondklok, een keer een half uur te laat thuis en de politie zag dat toevallig, dat is dan wat minder heftig. En ook de tijdsperiode is relevant. Zeg maar, we zijn in maand negen inmiddels en we waren vergeten die avondklok eraf te halen… nou ja, snap je. Voorstelbaar is dat je bij een overtreding die op zich niet al te heftig is, maar het is wel een overtreding, dat je zegt als RC: ik hef de schorsing op, dan kom je over tien dagen toch bij de raadkamer, die kunnen je dan weer schorsen. Is er geschorst bij de raadkamer, dan is het voorstelbaar dat je zegt: ik hef de schorsing op en over vier dagen schors ik je weer, zodat je even door hebt van wat je hebt gedaan. (…) Maar als hij de kont tegen de krib gooit en we zitten in de eerste anderhalve maand, dan is het gewoon opheffen. Want ik vind dat je wel consequent moet reageren.”15
Tijdens de observaties kwam naar voren dat de rechter-commissaris of raadkamer in sommige gevallen de vordering van de officier toewijst en de schorsing opheft, maar vervolgens de voorlopige hechtenis direct, dan wel na enkele dagen weer schorst. Zo ook in een zaak waarin een verdachte, die op dat moment woonde in een instelling voor begeleid wonen, zijn avondklok had overtreden. De raadkamer besliste om de schorsing op te heffen, maar om deze na zeven dagen weer te schorsen. Hierdoor werd volgens de raadkamer een duidelijk “signaal” afgegeven richting de verdachte, maar werd tevens voorkomen dat de verdachte, vanwege de voorlopige hechtenis, zijn plek in de instelling voor begeleid wonen kwijt zou raken.16 In deze lijn verklaart een raadkamerrechter tijdens een interview dat bij ernstige overtredingen van schorsingsvoorwaarden “consequent zijn” het devies is, maar dat bij de minder ernstige overtredingen soms kan worden volstaan met een opheffing van de schorsing die onmiddellijk wordt gevolgd door een nieuwe schorsing. Hierbij speelt een rol dat de aanhouding van de verdachte vanwege het overtreden van schorsingsvoorwaarden en het daarop volgende verblijf in een politiecel, voordat de verdachte voor de rechter-commissaris of raadkamer wordt gebracht, volgens deze raadkamerrechter ook al een “schrikelement” in zich dragen.17
Een andere raadkamerrechter legt tijdens een interview uit dat de beslissing over de opheffing van de schorsing niet moet worden beschouwd als een zuiver juridische beslissing, daar deze beslissing, althans in zijn ervaring, sterk wordt beïnvloed door de frustratie en vergeldingsdrang die de rechter voelt als gevolg van de overtreding van de schorsingsvoorwaarden, met name omdat bij de schorsing uitdrukkelijk met de verdachte is afgesproken dat hij zich aan de voorwaarden zou houden. Niettemin wijst deze raadkamerrechter erop dat de rechter bij deze beslissing het juridisch kader, waaronder artikel 67a, derde lid Sv, niet uit het oog mag verliezen.
“Je voelt je gewoon gefrustreerd of de hulpverlening voelt zich gefrustreerd. En dat moet betaald gezet worden. Ja, het is een hele primitieve gedachte, maar zo is het ongeveer. En nogmaals: de lengte van de correctie kan ook wel eens een paar dagen zijn. Dan zeg je: ik hef op, maar ik schors weer na een paar dagen. Je moet natuurlijk ook kijken naar het delict, van ‘ja, als ik hem nou te lang vast houd, gaat hij dan over 67a lid 3 heen?’ Dat ook weer. Dus het gronddelict, daar moet je ook naar kijken.”18
Aldus komt uit het voorgaande naar voren dat de opheffing van de schorsing in de praktijk een sterk punitief karakter heeft, hetgeen in belangrijke mate lijkt te zijn ingegeven op grond van ‘pedagogische’ overwegingen. De beslissing van de rechter over de opheffing lijkt primair invulling te krijgen met het uitgangspunt dat consequent en stevig moet worden gereageerd op een overtreding van de schorsingsvoorwaarden, waarna de verdachte eventueel, onmiddellijk of na enige tijd, een nieuwe kans krijgt om te bewijzen dat hij zich in het vervolg wel aan de schorsingsvoorwaarden kan houden.
Niettemin wordt de beslissing over de opheffing van de schorsing soms op een andere manier benaderd door de rechter. Dit blijkt onder meer uit een observatie van een zaak waarin de rechter-commissaris moest beslissen over een vordering tot opheffing van de schorsing van een 16-jarige die werd verdacht van het plegen van nachtelijke woninginbraken. In deze zaak had de rechter-commissaris de voorlopige hechtenis van de verdachte aanvankelijk geschorst onder de voorwaarde dat de verdachte zich aan een avondklok moest houden. Een week later moest de verdachte alweer voor de rechter-commissaris verschijnen, omdat de officier van justitie de opheffing van de schorsing had gevorderd vanwege een overtreding van de avondklok. Voorafgaand aan de behandeling van de vordering tot opheffing van de schorsing, gaf de rechter-commissaris jegens de onderzoeker aan dat hij op twee gedachten hinkte. Enerzijds twijfelde de rechter-commissaris of van een 16-jarige, die gewend is om al zijn vrije tijd buitenshuis door te brengen, kan worden verwacht dat hij elke avond vanaf 18:00 uur bij zijn ouders thuis op de bank gaat zitten. Anderzijds achtte de rechter-commissaris de (naleving van de) avondklok noodzakelijk om het recidivegevaar af te wenden, daar het onderliggende bevel tot voorlopige hechtenis was afgegeven op grond van het gevaar dat de verdachte zich wederom schuldig zou maken aan nachtelijke woninginbraken. Uiteindelijk gaf de laatstgenoemde overweging de doorslag en besloot de rechter-commissaris de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.19 De overweging die ten grondslag lag aan deze beslissing tot opheffing is dus niet zozeer punitief of “pedagogisch” van aard, maar is veeleer gelegen in het subsidiariteitsbeginsel (zij het a contrario): nu de verdachte zich kennelijk niet wil of kan houden aan de avondklok als schorsingsvoorwaarde, zag de rechter-commissaris geen andere mogelijkheden of alternatieven om het recidivegevaar te keren dan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis.