Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), PbEU 2016, L 119/1.
HR, 04-10-2024, nr. 23/03281
ECLI:NL:HR:2024:1372
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-10-2024
- Zaaknummer
23/03281
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1372, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑10‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:416
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:875
ECLI:NL:PHR:2024:416, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑04‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1372
Beroepschrift, Hoge Raad, 04‑07‑2023
- Vindplaatsen
VAAN-AR-Updates.nl 2024-1263
AR-Updates.nl 2024-1263
JAR 2024/289
Sdu Nieuws Privacyrecht 2024/110
JBP 2025/6 met annotatie van dr. R.L.P. Mahieu
Uitspraak 04‑10‑2024
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/03281
Datum 4 oktober 2024
BESCHIKKING
In de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: [verzoekster],
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
STAAT DER NEDERLANDEN (meer in het bijzonder het gerechtsbestuur van de rechtbank Noord-Holland),
zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de Staat,
advocaat: M.W. Scheltema.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/10/626193 / HA RK 21-1122 van de rechtbank Rotterdam van 13 april 2022;
b. de beschikking in de zaak 200.314.460/01 van het gerechtshof Den Haag van 23 mei 2023.
[verzoekster] heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staat heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [verzoekster] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In deze zaak is onder meer aan de orde of een voormalige werkneemster op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming1.(hierna: AVG) recht heeft op inzage in een adviesaanvraag van de werkgever aan een derde en in het advies van die derde aan de werkgever over het arbeidsgeschil tussen de werkgever en de werkneemster.
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [verzoekster] was in dienst van de rechtbank Noord-Holland. Op enig moment is [verzoekster] arbeidsongeschikt geraakt en is tussen [verzoekster] en de rechtbank Noord-Holland een arbeidsgeschil ontstaan. De rechtbank Noord-Holland heeft advies gevraagd aan de Raad voor de rechtspraak (hierna: Rvdr) over het arbeidsgeschil en de Rvdr heeft de rechtbank daarover geadviseerd. De arbeidsovereenkomst is na mediation beëindigd door middel van een vaststellingsovereenkomst.
(ii) [verzoekster] heeft vervolgens verzocht om inzage in haar persoonsgegevens (hierna: het inzageverzoek).
(iii) De rechtbank Noord-Holland heeft, voor zover van belang, bij brief van 29 juni 2021 als volgt gereageerd op het inzageverzoek:
“Het inzagerecht volgens artikel 15 AVG is beperkt tot persoonsgegevens. Alle u betreffende persoonsgegevens waarover de Rechtbank Noord-Holland beschikt zijn opgenomen in bijlage A. Het merendeel van de stukken waarin uw persoonsgegevens voorkomen maakt deel uit van het P-dossier dat zich bij P-Direkt bevindt, zodat u zelf in de gelegenheid bent om daarvan kennis te nemen. (…)
Met uitzondering van twee in bijlage A genoemde documenten, het verzoek van de Rechtbank Noord-Holland aan en het daarop volgende advies van de Raad, zijn alle u betreffende persoonsgegevens waarover de Rechtbank beschikt dus voor inzage beschikbaar via P-Direkt, of in uw bezit. (…)
Het verzoek van de Rechtbank Noord-Holland aan en het daarop volgende advies van de Raad maken onderdeel uit van het onderhandelingsproces ten behoeve van het oplossen van een conflict waarin de Rechtbank en u terecht zijn gekomen. Zeker omdat dit proces nog niet is afgerond met het ondertekenen van de (vaststellings)overeenkomst, wordt het verzoek tot inzage in deze twee stukken niet toegewezen.”
(iv) Nadien heeft [verzoekster] de rechtbank Noord-Holland nogmaals verzocht om verstrekking van de documenten die zij in haar inzageverzoek heeft genoemd.
(v) Daarop heeft de rechtbank Noord-Holland 26 kopieën van documenten uit het Arbo-dossier van [verzoekster] en 81 kopieën van documenten uit P-Direkt aan [verzoekster] verstrekt.
2.3
Op de voet van art. 35 Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: UAVG) verzoekt [verzoekster] in deze procedure, voor zover in cassatie van belang, haar inzage te geven in de in het verzoekschrift gespecificeerde gegevens, waaronder het advies van de Rvdr en het feitelijk kader dat de rechtbank Noord-Holland heeft geformuleerd in het kader van de adviesaanvraag aan de Rvdr. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen.2.
2.4
Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.3.Het heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
“Opmerkingen vooraf
14. [verzoekster] heeft gesteld dat de rechtbank Noord-Holland niet voldaan heeft aan de verantwoordingsplicht zoals deze volgt uit art. 5 AVG omdat zij geen passende, technische en organisatorische maatregelen heeft getroffen, zodat reeds hierdoor aansprakelijkheid bestaat.
15. De rechtbank Noord-Holland heeft dat betwist en daarbij aangevoerd dat [verzoekster] haar stellingen op dit punt niet heeft onderbouwd en daarnaast aangevoerd dat [verzoekster] direct inzage heeft gekregen in de gevraagde persoonsgegevens die door het gerechtsbestuur zijn verwerkt (de bijlage A en B bij de brief van 29 juni 2021).
Daarnaast is volledigheidshalve ook een kopie van alle stukken verstrekt.
16. Het hof oordeelt op dit punt als volgt.
16.1
Op grond van art. 15 AVG kan een betrokkene van een verwerkingsverantwoordelijke verlangen dat wordt meegedeeld of er persoonsgegevens worden verwerkt en als dat zo is, dat inzage in die gegevens wordt verstrekt. Ook moet dan de informatie als genoemd in de onderdelen a tot en met h van art. 15 AVG worden verstrekt. Dat wil zeggen informatie over de verwerkingsdoeleinden, de categorieën van gegevens, bewaartermijnen of -criteria, informatie over verbeterings- en verwijderingsrechten, alsmede het recht om te klagen bij de toezichthouder, informatie over de herkomst van de gegevens, tenzij deze bij de betrokkene zelf zijn verkregen, en informatie over eventuele geautomatiseerde besluitvorming en profilering, waaronder nuttige informatie over de onderliggende logica en het belang en de gevolgen van de verwerking voor de betrokkene.
16.2
Aan deze verplichtingen heeft de rechtbank Noord-Holland voldoende voldaan met de brief van 29 juni 2021 en de daarbij horende bijlagen A en B. Iets anders is door [verzoekster] ook niet betoogd.
16.3
Hiermee is ook voldaan aan de voorwaarde van art. 5 AVG dat de persoonsgegevens zijn verwerkt op een wijze die ten aanzien van [verzoekster] rechtmatig en behoorlijk is en is het haar duidelijk dat en in hoeverre haar persoonsgegevens worden, dan wel werden verzameld, gebruikt en geraadpleegd door de rechtbank Noord-Holland.
16.4
Het enkele feit dat nadien aan [verzoekster] nog stukken ter beschikking zijn gesteld (stukken waarvan zij niet stelt dat die haar niet al bekend waren) omdat deze in het niet meer voor [verzoekster] toegankelijke digitale P-Direkt dossier zaten en er door de rechtbank Noord-Holland nog gecontroleerd is of er zich in de systemen nog andere stukken bevonden met persoonsgegevens van [verzoekster], wil nog niet zeggen dat in strijd met de AVG is gehandeld.
16.5
Er bestaat dan ook geen reden om reeds om deze reden aansprakelijkheid aan te nemen en/of af te wijken van regels omtrent de bewijslastverdeling met betrekking tot de beschikbare gegevens. In dat kader heeft namelijk te gelden dat wanneer een verwerkingsverantwoordelijke stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem rust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan de verzoeker is om aannemelijk te maken dat een bepaald document er toch is [HR: voetnoot weggelaten].
(…)
De verzoeken
1. Adviesaanvraag en advies inzake de beëindiging van de arbeidsovereenkomst (verzoeken I sub e en 14)
(…)
21. Het hof stelt voorop dat de adviesaanvraag en het advies “persoonsgegevens” zijn in de zin van art. 4 aanhef en onderdeel 1 AVG. De waarderingen en/of beoordelingen van de in het arbeidsgeschil bestaande feiten en omstandigheden die deze stukken bevatten passen bij de ruime uitleg die de AVG beoogt te geven aan dat begrip [HR: voetnoot weggelaten]. [verzoekster] heeft om die reden in beginsel recht op inzage in deze stukken.
22. Uit art. 23 AVG jo art. 41 lid 1 aanhef en onderdeel i UAVG volgt dat dit recht op inzage kan worden beperkt indien dit in het individuele geval noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van “de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen”. Onder “anderen” dient ook de verwerkingsverantwoordelijke te worden verstaan.
23. In dit geval gaat het als gezegd om vertrouwelijke stukken die inzage geven in (de totstandkoming en inhoud van) de onderhandelingspositie van de rechtbank Noord-Holland in het arbeidsgeschil met [verzoekster]. De rechtbank heeft op grond van art. 6 lid 1 EVRM echter het recht deze inzage te weigeren. Dit wordt als volgt toegelicht.
23.1
De rechtbank Noord-Holland heeft er een zwaarwegend belang bij om in vrijheid en beslotenheid een standpunt in het arbeidsgeschil met [verzoekster] te bepalen en de verdediging tegen of het instellen van een rechtsvordering/verzoek voor te bereiden [voetnoot: Vergelijk conclusie A-G Hartlief van 26 augustus 2022, ECLI:NL:PHR:2022:762, nrs. 7.2 t/m 7.6]. Daarvoor is het noodzakelijk dat (het gerechtsbestuur van) de rechtbank Noord-Holland en de RvdR zich vrij voelen om met elkaar in beslotenheid te overleggen over of en zo ja hoe dit arbeidsgeschil mogelijk zou kunnen worden opgelost. Als de verzochte inzage moet worden verleend doet dit onevenredige afbreuk aan een ongestoorde gedachtewisseling. Het niet geven van inzage is dus noodzakelijk om deze ongestoorde gedachtewisseling te kunnen waarborgen.
23.2
De weigering om inzage te verlenen is ook evenredig, omdat omgekeerd de rechtbank Noord-Holland niet het recht heeft op inzage in de totstandkoming en standpuntbepaling aan de zijde van [verzoekster]. Een eenzijdig recht op inzage zou in belangrijke mate afdoen aan het ook door art. 6 lid 1 EVRM beschermde en zwaarwegende beginsel van “equality of arms” [HR: voetnoot weggelaten].
23.3
Dit recht van de rechtbank Noord-Holland om inzage te weigeren verdient ook bescherming nadat het arbeidsgeschil is opgelost. Immers, anders dienen de rechtbank Noord-Holland en de Rvdr er vooraf al rekening mee te houden dat nadien bedoelde inzage moet worden gegeven, wat ook onevenredige afbreuk doet aan een ongestoorde gedachtewisseling.
23.4
Het verzoek van [verzoekster] ziet specifiek op de waarderingen en/of beoordelingen van de in het arbeidsgeschil aan de orde zijnde feiten en omstandigheden. Niet is in te zien hoe dit zonder inzage in de gedachtewisseling mogelijk is. Het enkel noemen van de beschouwde feiten en omstandigheden is ook geen redelijk en werkbaar alternatief. De selectie en keuze van deze feiten en omstandigheden zijn immers onlosmakelijk verbonden met de waarderingen en/of beoordelingen daarvan. Zo kan er discussie zijn of een feit relevant is of niet. Het wel of niet noemen van zo’n feit zegt ook al iets over de waardering daarvan.
23.5
Verder, maar ten overvloede, is er door [verzoekster] onvoldoende aangevoerd om te oordelen dat de adviesaanvraag en/of het advies ondeugdelijke gegevens of oneigenlijke argumenten bevat(ten).
24. Het recht van de rechtbank Noord-Holland om inzage te weigeren dient op grond van art. 23 AVG jo art. 41 lid 1 aanhef en onderdeel i UAVG gerespecteerd te worden, in die zin dat het verzoek van [verzoekster] om inzage op dit punt wordt afgewezen. De tegen het oordeel van de rechtbank door [verzoekster] aangevoerde bezwaren kunnen dan ook niet tot een ander oordeel leiden.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel I van het middel klaagt in de kern dat rov. 16.2 tot en met 16.5 getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zijn. Het onderdeel voert daartoe aan dat het door de rechtbank Noord-Holland verstrekte overzicht in bijlage A bij haar brief van 29 juni 2021 te summier is omdat daaruit niet blijkt welke (exacte) verwerkingen hebben plaatsgevonden van persoonsgegevens van [verzoekster] en aan de hand van dit overzicht niet kan worden gecontroleerd of die verwerkingen rechtmatig hebben plaatsgevonden. Voorts heeft het hof essentiële stellingen van [verzoekster] die inhouden dat de rechtbank Noord-Holland meer persoonsgegevens van [verzoekster] heeft verwerkt dan zijn vermeld in het overzicht, onbesproken gelaten, aldus het onderdeel.
3.2
Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden omdat het berust op een onjuiste lezing van de genoemde overwegingen van het hof. In rov. 16.1 tot en met 16.5 verwerpt het hof het in rov. 14 weergegeven betoog van [verzoekster] dat de rechtbank Noord-Holland al aansprakelijk is omdat die rechtbank geen passende, technische en organisatorische maatregelen heeft getroffen en als gevolg daarvan niet heeft voldaan aan de verantwoordingsplicht van art. 5 AVG. Daarover oordelend, heeft het hof in rov. 16.2 en 16.3 tot uitdrukking gebracht dat, zoals blijkt uit de brief van 29 juni 2021, de interne technische organisatie van de rechtbank Noord-Holland toereikend was om te voldoen aan het inzageverzoek van [verzoekster] en de rechtbank Noord-Holland in zoverre heeft voldaan aan art. 5 AVG. Dienovereenkomstig heeft het hof met rov. 16.2, laatste volzin, (slechts) tot uitdrukking gebracht dat [verzoekster] niet heeft betoogd dat de rechtbank Noord-Holland niet in staat was om te reageren op het inzageverzoek. De door onderdeel I bestreden overwegingen hebben dus geen betrekking op de vraag of het gerechtsbestuur van de rechtbank Noord-Holland op correcte wijze inzage heeft verleend in de verwerking van de persoonsgegevens van [verzoekster], en meer in het bijzonder of het in bijlage A opgenomen overzicht voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Die kwestie behandelt het hof in rov. 17 tot en met 49.
3.3.1
De onderdelen II.1 en II.2 klagen dat het hof in rov. 23.1 tot en met 23.5 en rov. 24 heeft miskend dat het inzagerecht van [verzoekster] niet kan worden beperkt op grond van het beginsel van equality of arms van art. 6 EVRM, omdat voor een beperking van het in art. 15 AVG vervatte inzagerecht een wettelijke grondslag is vereist en art. 6 EVRM niet als een dergelijke wettelijke grondslag heeft te gelden, althans art. 6 EVRM in dit geval toepassing mist nu de onderhandelingen over het arbeidsgeschil tussen [verzoekster] en de rechtbank Noord-Holland buiten rechte hebben plaatsgevonden en dit geschil al is beëindigd.
De onderdelen II.5-II.7 klagen verder dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende is gemotiveerd, omdat het belang van de rechtbank Noord-Holland om in vrijheid en beslotenheid een standpunt in het arbeidsgeschil met [verzoekster] te bepalen en de verdediging tegen of het instellen van een rechtsvordering of verzoek voor te bereiden geen legitieme beperking van het inzagerecht oplevert, althans geen zwaarwegend belang betreft dat in de weg staat aan de uitoefening van het inzagerecht door [verzoekster]. Volgens de klacht is het belang van het gerechtsbestuur van de rechtbank Noord-Holland bij een ongestoorde gedachtewisseling vervallen als gevolg van de beëindiging van het arbeidsgeschil en valt niet in te zien dat en waarom het (achteraf) niet geven van inzage noodzakelijk is om een ongestoorde gedachtewisseling te kunnen waarborgen.
3.3.2
De hiervoor in 3.3.1 genoemde klachten nemen tot uitgangspunt dat het inzagerecht van art. 15 AVG op grond van art. 23 lid 1, aanhef en onder i), AVG in verbinding met art. 41 lid 1, aanhef en onder i, UAVG kan worden beperkt indien dat noodzakelijk en evenredig is om de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen te waarborgen. Bij de beoordeling van deze klachten gaat ook de Hoge Raad hiervan uit.
3.3.3
Zoals blijkt uit rov. 22 en 24, baseert het hof zijn oordeel dat de rechtbank Noord-Holland mag weigeren inzage te verlenen in de verwerkte persoonsgegevens in de adviesaanvraag aan en het advies van de Rvdr op de hiervoor in 3.3.2 genoemde bepalingen en niet (enkel) op het door art. 6 EVRM beschermde beginsel van equality of arms. De onderdelen II.1 en II.2 missen derhalve feitelijke grondslag.
3.3.4
De onderdelen II.5-II.7 stellen in de kern aan de orde of het belang van de rechtbank Noord-Holland om in vrijheid en beslotenheid haar positie te bepalen in het arbeidsgeschil met [verzoekster] een zwaarwegend belang betreft dat een beperking van het inzagerecht rechtvaardigt met het oog op de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen in de zin van art. 23 lid 1, aanhef en onder i), AVG in verbinding met art. 41 lid 1, aanhef en onder i, UAVG.
3.3.5
De wetgever heeft met (onder meer) art. 41 UAVG invulling gegeven aan de ruimte die art. 23 AVG biedt om de reikwijdte van bepaalde verplichtingen en rechten die gelden op grond van de AVG, waaronder het inzagerecht van art. 15 AVG, te beperken. Art. 41 lid 1 UAVG bepaalt dat de verwerkingsverantwoordelijke deze rechten en verplichtingen buiten toepassing kan laten voor zover dat noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van de onder a tot en met j genoemde generieke belangen, waaronder de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (onder i). De wetgever heeft met deze algemene regeling beoogd de verwerkingsverantwoordelijke de mogelijkheid te bieden om in individuele gevallen af te wijken van de rechten die gelden op grond van de AVG, indien dit strikt noodzakelijk is met het oog op de in art. 23 lid 1 AVG genoemde belangen en dit op proportionele wijze gebeurt.4.Art. 41 UAVG vergt derhalve een afweging in een concreet geval tussen enerzijds het inzagerecht van de betrokkene en anderzijds het aan de orde zijnde generieke belang. Dit betekent dat in geval van strijdigheid tussen enerzijds de uitoefening van het inzagerecht en anderzijds de rechten of vrijheden van anderen de betrokken rechten tegen elkaar moeten worden afgewogen. Voor zover mogelijk moet ervoor worden gekozen de persoonsgegevens te verstrekken op een wijze die geen afbreuk doet aan die rechten of vrijheden.5.
3.3.6
Tot de te beschermen rechten en vrijheden van anderen als bedoeld in art. 23 lid 1, aanhef en onder i), AVG behoort het door art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde recht om zich te laten adviseren ter bepaling van het eigen standpunt in een geschil en ter voorbereiding van de verdediging tegen of het instellen van een rechtsvordering of verzoek.
3.3.7
Op grond van art. 41 UAVG was het aan het gerechtsbestuur van de rechtbank Noord-Holland als verwerkingsverantwoordelijke om, naar aanleiding van het inzageverzoek van [verzoekster], af te wegen of en, zo ja, in hoeverre het met het oog op de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen noodzakelijk is om een uitzondering te maken op het aan [verzoekster] toekomende recht op inzage in de verwerkte persoonsgegevens in de adviesaanvraag aan en het advies van de Rvdr. Het hof heeft de door dat gerechtsbestuur gemaakte afweging in rov. 23 en 24 volledig getoetst, door zelf af te wegen of het noodzakelijk en evenredig is om [verzoekster] inzage in deze persoonsgegevens te ontzeggen.
Het hof heeft bij die afweging in rov. 22 – in cassatie onbestreden – tot uitgangspunt genomen dat onder ‘anderen’ in de zin van art. 23 lid 1, aanhef en onder i), AVG in verbinding met art. 41 lid 1, aanhef en onder i, UAVG ook de verwerkingsverantwoordelijke dient te worden verstaan, zodat dit in cassatie uitgangspunt is.
Voorts staat in cassatie als onbestreden vast dat, zoals ligt besloten in rov. 23.4, het inzageverzoek van [verzoekster] specifiek ziet op de in de adviesaanvraag en het advies opgenomen waarderingen en beoordelingen van de feiten en omstandigheden die in het arbeidsgeschil aan de orde zijn en niet op andere persoonsgegevens die in deze stukken zijn vermeld, zoals NAW-gegevens.
Het oordeel van het hof komt erop neer dat het gerechtsbestuur van de rechtbank Noord-Holland het recht heeft om dit inzageverzoek af te wijzen, omdat afwijzing noodzakelijk en evenredig is met het oog op de bescherming van het zwaarwegende belang van de rechtbank Noord-Holland om in vrijheid en beslotenheid haar standpunt in het arbeidsgeschil met [verzoekster] te bepalen en de verdediging tegen of het instellen van een rechtsvordering of verzoek voor te bereiden. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. De omstandigheid dat het arbeidsgeschil met [verzoekster] reeds is beëindigd door middel van een buiten rechte gesloten vaststellingsovereenkomst, maakt dat niet anders. Zoals het hof in rov. 23.3 terecht heeft overwogen, kan een vrije en ongestoorde gedachtewisseling ook in het gedrang komen indien een partij er vooraf rekening mee moet houden dat zij haar wederpartij na afloop van het geschil inzage moet verschaffen in de gedachtewisseling die ten grondslag heeft gelegen aan het innemen van haar standpunt in dit geschil.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 857,-- aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verzoekster] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Deze beschikking is gegeven door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 4 oktober 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 04‑10‑2024
Rechtbank Rotterdam 13 april 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7239.
Gerechtshof Den Haag 23 mei 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:875.
Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 3, p. 47-49.
Vgl. in het kader van art. 15 lid 4 AVG HvJEU 4 mei 2023, C-487/21, ECLI:EU:C:2023:369 (F.F./Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF), punt 44, en HvJEU 22 juni 2023, C-579/21, ECLI:EU:C:2023:501 (Pankki S), punt 80.
Conclusie 12‑04‑2024
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03281
Zitting 12 april 2024
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[verzoekster] ,
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
tegen
De Staat der Nederlanden (meer in het bijzonder het gerechtsbestuur van de rechtbank Noord-Holland), verweerder in cassatie,
advocaat: mr. M.W. Scheltema.
Verzoekster wordt hierna verkort aangeduid als [verzoekster] en verweerder als de Staat dan wel als de rechtbank Noord-Holland.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
1.2
[verzoekster] is als gerechtsjurist werkzaam geweest bij de rechtbank Noord-Holland. Zij is na een arbeidsgeschil uit dienst gegaan. Kennelijk leefde bij [verzoekster] de veronderstelling dat ten tijde van het arbeidsgeschil collega’s zich negatief over haar hebben uitgelaten. Om daar achter te komen heeft zij bij de Raad voor de Rechtspraak (hierna: de RvdR) een verzoek om inzage in haar persoonsgegevens ingediend. De rechtbank Noord-Holland heeft haar een overzicht van haar persoonsgegevens verstrekt. Het verzoek om inzage is alleen geweigerd voor zover dat betrekking had op een adviesaanvraag van de rechtbank Noord-Holland aan de RvdR in verband met het arbeidsgeschil en het advies van de RvdR.
1.3
[verzoekster] heeft vervolgens een verzoek ingediend op voet van art. 35 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (hierna:UAVG).2.De rechtbank Rotterdam heeft dat verzoek afgewezen. Het hof Den Haag heeft de door de rechtbank gegeven beschikking bekrachtigd.3.Niet in geschil is dat er een grondslag was voor de verwerking van persoonsgegevens van [verzoekster] .
1.4
In cassatie klaagt [verzoekster] in de eerste plaats over de beslissing van het hof dat de wijze waarop de rechtbank Noord-Holland haar inzage heeft gegeven in haar persoonsgegevens onvoldoende is (onderdeel I). Verder klaagt [verzoekster] over de beslissing van het hof dat de rechtbank Noord-Holland inzage in de adviesaanvraag aan en het advies van de RvdR mocht weigeren (onderdeel II). [verzoekster] klaagt voorts over de beslissing dat de rechtbank Noord-Holland inzage kon weigeren in de zoekslag die zij heeft uitgevoerd in het kader van de behandeling van het inzageverzoek (onderdeel III). [verzoekster] klaagt verder nog over de afwijzing van haar verzoek om inzage in het verwerkingsregister van genoemde rechtbank (onderdeel IV) en in de verwijdering van haar persoonsgegevens door die rechtbank (onderdeel V). Ik meen dat geen enkele van de talrijke klachten doel treft.
2. Feiten
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.4.
2.2
[verzoekster] was van 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2020 werkzaam als gerechtsjurist bij de Belastingkamer van de rechtbank Noord-Holland.
2.3
Bij brief van 31 maart 2021 met bijgevoegd een “Formulier privacyverzoek” heeft [verzoekster] de RvdR verzocht om inzage in haar persoonsgegevens. Tevens heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt tegen de verwerking van haar persoonsgegevens. De RvdR heeft de brief met genoemd formulier doorgestuurd naar de rechtbank Noord-Holland.
2.4
Bij brief van 29 juni 20215.aan [verzoekster] heeft de rechtbank Noord-Holland een overzicht verstrekt van de verwerking van categorieën persoonsgegevens van haar (bijlage A)6.en van haar rechten in het kader van de verwerking van persoonsgegevens (bijlage B).
2.5
Daarnaast is als volgt gereageerd op het inzageverzoek:
“Correctie, aanvulling, (niet) verwijderen van persoonsgegevens
U verzoekt uw betermelding van 30 november 2020 te corrigeren naar 100%. Deze wijziging is inmiddels verwerkt, zowel bij het UWV als bij Zorg van de Zaak. U heeft van de correspondentie hierover via uw gemachtigde een afschrift ontvangen.
Daarnaast heeft u om inzage verzocht van:
(…)
Het inzagerecht volgens artikel 15 AVG is beperkt tot persoonsgegevens. Alle u betreffende persoonsgegevens waarover de Rechtbank Noord-Holland beschikt zijn opgenomen in bijlage A. Het merendeel van de stukken waarin uw persoonsgegevens voorkomen maakt deel uit van het P-dossier dat zich bij P-Direkt bevindt, zodat u zelf in de gelegenheid bent om daarvan kennis te nemen. Voor een aantal stukken van het UWV en van de bedrijfsarts van Zorg van de Zaak geldt dat deze stukken niet zijn opgeslagen in P-Direkt, maar wel zijn bewaard bij de afdeling P&O. Wij bewaren deze stukken omdat er nog een bezwaarprocedure loopt bij het UWV. Al deze stukken van het UWV en Zorg van de Zaak zijn in uw bezit. Met uitzondering van twee in bijlage A genoemde documenten, het verzoek van de Rechtbank Noord-Holland aan en het daarop volgende advies van de Raad, zijn alle u betreffende persoonsgegevens waarover de Rechtbank beschikt dus voor inzage beschikbaar via P-Direkt, of in uw bezit.
De overige door u genoemde correspondentie of berichtgeving is niet meer in ons bezit, omdat deze niet is bewaard. Daarbij wordt opgemerkt dat er, voor zover wij hebben kunnen nagaan, geen e-mailbericht is verzonden vanuit de Belastingkamer en/of de afdeling P&O van de Rechtbank Noord-Holland naar de Belastingdienst in de periode januari/februari 2021. Een dergelijk bericht heeft dus niet bestaan.
Het verzoek van de Rechtbank Noord-Holland aan en het daarop volgende advies van de Raad maken onderdeel uit van het onderhandelingsproces ten behoeve van het oplossen van een conflict waarin de Rechtbank en u terecht zijn gekomen. Zeker omdat dit proces nog niet is afgrond met het ondertekenen van de (vaststellings)overeenkomst, wordt het verzoek tot inzage in deze twee stukken niet toegewezen.”
2.6
Bij e-mail van 10 juli 2021 heeft [verzoekster] de rechtbank Noord-Holland en de RvdR nogmaals verzocht om verstrekking van de documenten die zij in haar inzageverzoek van 31 maart 2021 heeft genoemd.
2.7
Bij brief van 14 juli 2021 heeft de rechtbank Noord-Holland daarop als volgt gereageerd:
“Geachte [verzoekster] ,
Uw emailbericht van 10 juli 2021 heb ik ontvangen. Ik verwijs u naar de laatste alinea van mijn brief van 29 juni 2021 alsmede de bij die brief gevoegde bijlage B. Ik heb hier verder niets aan toe te voegen.”
2.8
Bij e-mail van 5 augustus 2021 heeft ook de RvdR op de e-mail van 10 juli 2021 gereageerd:
“U geeft in uw e-mailbericht aan dat u de mening toegedaan bent dat de rechtbank Noord-Holland uw verzoek niet conform de [AVG] heeft behandeld. Ik ga ervan uit dat u hierbij doelt op het inzageverzoek dat u heeft gedaan en laat uw verzoeken tot onder meer afscherming even buiten beschouwing. Een inzageverzoek op grond van artikel 15 AVG is, zoals in de antwoordbrief aangegeven, beperkt tot persoonsgegevens. Hieraan kan op een tweetal wijzen invulling worden gegeven: enerzijds bestaat de mogelijkheid om kopieën te verstrekken van documentatie waarin uw persoonsgegevens voorkomen, anderzijds bestaat de mogelijkheid om uw persoonsgegevens in een overzicht aan te bieden. Het doel van een inzageverzoek is daarin gelegen dat u de mogelijkheid wordt geboden te controleren of de persoonsgegevens die over u worden verwerkt door de Rechtspraak kloppen en in overeenstemming met de AVG worden verwerkt. Mochten er persoonsgegevens niet kloppen, kunt u bijvoorbeeld verzoeken uw persoonsgegevens te wijzigen.
Ik maak uit uw reactie aan de klachtencoördinator en het bestuursbureau van de rechtbank Noord-Holland op dat u een afschrift van de documentatie wenst te ontvangen. De rechtbank Noord-Holland heeft middels het geven van het overzicht willen voldoen aan uw inzageverzoek. Tevens is in de antwoordbrief die aan u is gericht verwezen naar diverse documenten die zich in uw personeelsdossier in P-Direkt bevinden en andere stukken die in uw bezit zijn, waardoor u reeds in de gelegenheid bent om daarvan kennis te nemen.
Uw verzoek geeft mij derhalve op dit moment geen aanleiding verder onderzoek te doen.
Indien u het niet eens bent met de reactie van de rechtbank Noord-Holland staat het u vrij een klacht hierover in te dienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens. In bijlage B bij de antwoordbrief is deze mogelijkheid opgenomen. Tevens zijn rechtsbeschermingsmogelijkheden opgenomen in paragraaf 3.3 van de UAVG.”
2.9
Op 10 januari 2022, hangende de hierna te noemen procedure, heeft de rechtbank Noord-Holland alsnog aan [verzoekster] stukken gestuurd: 26 kopieën van documenten uit het Arbo-dossier en 81 kopieën van documenten uit P-Direkt. Anders dan was verondersteld, bleek [verzoekster] geen toegang meer te hebben gehad tot P-Direkt.
3. Procesverloop
3.1
[verzoekster] heeft op 9 augustus 2021 een verzoekschrift op de voet van art. 35 UAVG ingediend bij de rechtbank Den Haag. Deze heeft bij beschikking van 23 september 2021 de zaak om een personele reden verwezen naar de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank).
3.2
[verzoekster] heeft, samengevat en voor zover in cassatie nog van belang, de rechtbank verzocht om bij beschikking haar inzage toe te kennen in een serie gegevens zoals weergegeven in rov. 8 onder I. van de bestreden beschikking. Kortheidshalve verwijs ik daarnaar.
3.3
Het verzoek van [verzoekster] is gebaseerd op schending van art. 15 lid 1 AVG.
3.4
De rechtbank Noord-Holland heeft een verweerschrift ingediend en geconcludeerd tot afwijzing van dat de ingediende verzoeken.
3.5
Op 7 december 2021 vond een mondelinge behandeling plaats, waarvan proces-verbaal is opgemaakt, waarna [verzoekster] op 20 december 2021 een aanvullend verzoekschrift ex art. 283 Rv heeft ingediend en de Staat op 10 januari 2022 een aanvullend verweerschrift. Op 2 maart 2022 vond een aanvullende mondelinge behandeling plaats.
3.6
Bij beschikking van 13 april 2022 heeft de rechtbank de verzoeken van [verzoekster] afgewezen.7.
3.7
[verzoekster] is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof). [verzoekster] heeft verzocht haar verzoeken – met uitzondering van het verzoek aan de rechtbank onder I, sub 12, dat zij heeft ingetrokken – alsnog toe te wijzen en de rechtbank Noord-Holland te veroordelen in de kosten van beide instanties.
3.8
De rechtbank Noord-Holland heeft een verweerschrift ingediend en daarin geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.
3.9
Op 14 februari 2023 heeft de mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
3.10
Het hof heeft bij beschikking van 23 mei 2023 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd, de verzoeken van [verzoekster] afgewezen en [verzoekster] veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.8.De overwegingen van het hof worden, voor zover in cassatie van belang, bij de bespreking van het middel weergegeven. Ik merk op dat in de versie van de beschikking die is gepubliceerd op rechtspraak.nl niet steeds dezelfde nummering wordt aangehouden als in de authentieke versie van de beschikking. Hierna ga ik uit van de nummering in de authentieke versie.
3.11
[verzoekster] heeft tegen de beschikking van het hof tijdig beroep in cassatie ingesteld.
3.12
De Staat heeft een verweerschrift ingediend.
4. Juridisch kader: recht op inzage in persoonsgegevens
Het inzagerecht9.
4.1
Het is vaste rechtspraak van het EHRM dat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (art. 8 EVRM) het recht op toegang tot de eigen persoonsgegevens omvat.10.
4.2
Art. 8, leden 1 en 2, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) bepaalt:
“1. Eenieder heeft recht op bescherming van zijn persoonsgegevens.
2. Deze gegevens moeten eerlijk worden verwerkt, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet. Eenieder heeft recht van inzage in de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan.”
4.3
“2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.”
4.4
Het inzagerecht ligt thans vast in art. 15 AVG (zie hierna).
4.5
De AVG is vanaf 25 mei 2018 van toepassing. Deze verordening heeft zowel de Richtlijn bescherming persoonsgegevens11.(hierna: Richtlijn 95/46) als de Wet bescherming persoonsgegevens12.(hierna: Wbp) vervangen. De AVG werkt rechtstreeks en is dus niet in nationaal recht omgezet. De AVG vraagt wel op onderdelen om een uitwerking op nationaal niveau. Daartoe is de UAVG vastgesteld.13.
4.6
Hoofdstuk III van de AVG handelt over de rechten van de betrokkene. Art. 12 AVG, dat deel uitmaakt van afdeling 1 (‘Transparantie en regelingen’) van dat hoofdstuk, luidt voor zover hier van belang:
“1. De verwerkingsverantwoordelijke neemt passende maatregelen opdat de betrokkene de in de artikelen 13 en 14 bedoelde informatie en de in de artikelen 15 tot en met 22 en artikel 34 bedoelde communicatie in verband met de verwerking in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal ontvangt (…)
2. De verwerkingsverantwoordelijke faciliteert de uitoefening van de rechten van de betrokkene uit hoofde van de artikelen 15 tot en met 22. (…)
3. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene onverwijld en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van het verzoek krachtens de artikelen 15 tot en met 22 informatie over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. (…)(…)”
4.7
Art. 15 AVG staat in afdeling 2 (‘Informatie en toegang tot persoonsgegevens’) van Hoofdstuk III van de AVG en luidt, voor zover hier van belang:
“1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:
a) de verwerkingsdoeleinden;
b) de betrokken categorieën van persoonsgegevens;
c) de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt (…);
d) indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
e) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;
f) dat de betrokkene het recht heeft een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
g) wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;
h) (…).
2. (…)
3. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. (…)
4. Het in lid 3 bedoelde recht om een kopie te verkrijgen, doet geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen.”
4.8
Het inzagerecht beoogt de betrokkene in staat te stellen zich van de verwerking van zijn persoonsgegevens op de hoogte stellen en de rechtmatigheid daarvan te controleren14.(waaronder de vraag of zij zijn meegedeeld aan bevoegde ontvangers).15.Ik verwijs ook naar overweging 63 van de AVG dat, voor zover hier van belang, luidt:
“Een betrokkene moet het recht hebben om de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld, in te zien, en om dat recht eenvoudig en met redelijke tussenpozen uit te oefenen, zodat hij zich van de verwerking op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. (…) Elke betrokkene dient dan ook het recht te hebben, te weten en te worden meegedeeld voor welke doeleinden de persoonsgegevens worden verwerkt, indien mogelijk hoe lang zij worden bewaard, wie de persoonsgegevens ontvangt, welke logica er ten grondslag ligt aan een eventuele automatische verwerking van de persoonsgegevens (…). Dat recht mag geen afbreuk doen aan de rechten of vrijheden van anderen, met inbegrip van het zakengeheim of de intellectuele eigendom en met name aan het auteursrecht dat de software beschermt. Die overwegingen mogen echter niet ertoe leiden dat de betrokkene alle informatie wordt onthouden (…).”
4.9
De betrokkene behoeft geen redenen op te geven voor zijn inzageverzoek.16.Van misbruik van recht is niet snel sprake, ook niet als het inzageverzoek ertoe strekt of leidt dat de bewijspositie van de betrokkene in een procedure tegen de verwerkingsverantwoordelijke wordt versterkt.17.
Persoonsgegevens
4.10
Het inzagerecht van art. 15 AVG is beperkt tot ‘persoonsgegevens’. Dat is een ruim begrip.18.Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) heeft in de zaak Nowak met betrekking tot Richtlijn 95/46 overwogen dat dit begrip
“ … niet beperkt is tot gevoelige of persoonlijke informatie maar zich potentieel uitstrekt tot elke soort informatie, zowel objectieve informatie als subjectieve informatie onder de vorm van meningen of beoordelingen, op voorwaarde dat deze informatie de betrokkene ‘betreft’.”19.
4.11
De laatste voorwaarde is volgens het Nowak-arrest (punt 35) vervuld als die informatie wegens haar inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan een persoon.20.Een persoonsgegeven is aldus ieder gegeven dat direct of indirect herleidbaar is tot een natuurlijke persoon.21.Om te bepalen of een natuurlijke persoon identificeerbaar is, moet volgens overweging 26 van de AVG rekening worden gehouden met alle middelen waarvan redelijkerwijs valt te verwachten dat zij worden gebruikt door de verwerkingsverantwoordelijke of door een andere persoon om de natuurlijke persoon direct of indirect te identificeren. Het begrip ‘persoonsgegevens’ omvat daarom niet alleen de verzamelde en bewaarde gegevens, maar ook de daarmee gegenereerde informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare persoon.22.
4.12
Het begrip ‘verwerking’23.van persoonsgegevens heeft ook een ruime strekking. De opsomming in art. 4, punt 2, AVG van bewerkingen die als verwerking zijn aan te merken, is niet uitputtend.24.Ik merk op dat het recht op inzage betrekking heeft op verwerkte persoonsgegevens en niet op de verwerking van persoonsgegevens.
4.13
In zijn ‘Guidelines 01/2022 on data subject rights’ (hierna: Guidelines) merkt de European Data Protection Board (afgekort: EDPB) op dat bij de reikwijdte van het recht op inzage een contextuele beoordeling op zijn plaats is, en geeft daarbij een niet-limitatieve opsomming van soorten gegevens waarin (in beginsel) inzage moet worden verstrekt.25.
4.14
De Guidelines geven een voorbeeld dat betrekking heeft op arbeidsverhoudingen:26.
“Example 16: Elements that have been used to reach a decision about e.g. employee’s promotion, pay rise or new job assignment (e.g. annual performance reviews, training requests, disciplinary records, ranking, career potential) are personal data relating to that employee. Thus such elements can be accessed by the data subject on request and respecting Art. 15(4) GDPR in case personal data for example, also relate to another individual (e.g. the identity or elements revealing the identity of another employee whose testimony about the professional performance is included in an annual performance review may be subject to limitations under Art. 15(4) GDPR and hence it is possible that they cannot be communicated to the data subject in order to protect the rights and freedoms of said employee). Nevertheless, national labour law provisions may apply for instance regarding the access to personnel files by employees or other national provisions such as those concerning professional secrecy. (…).”
Het recht op een kopie van de verwerkte persoonsgegevens
4.15
Anders dan Richtlijn 95/46 voorziet de AVG (art. 15 lid 3) ook in een recht van de betrokkene om een kopie te verkrijgen van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Dit is niet een aanvullend recht van de betrokkene is mee beoogd duidelijk te maken dat de toegang tot gegevens op grond van art. 15 lid 1 AVG volledige informatie over alle gegevens omvat en niet kan worden opgevat als het verlenen van een samenvatting van de gegevens. Lid 3 heeft dus betrekking op de wijze waarop inzage als bedoeld in lid 1 moet worden gegeven. Ik citeer opnieuw de Guidelines (voetnoten uit het origineel niet overgenomen):27.
“The obligation to provide a copy is not to be understood as an additional right of the data subject, but as modality of providing access to the data. It strengthens the right of access to the data and helps to interpret this right because it makes clear, that access to the data under Art. 15(1) comprises complete information on all data and cannot be understood as granting only a summary of the data. At the same time, the obligation to provide a copy is not designed to widen the scope of the right of access: it refers (only) to a copy of the personal data undergoing processing, not necessarily to a reproduction of the original documents (see section 5, para. 152). More generally speaking, there is no additional information to be given to the data subject upon providing a copy: the scope of the information to be contained in the copy is the scope of the access to the data under 15(1) (second component of the right of access as referred to above, see para. 19), which includes all information necessary to enable the data subject to understand and verify the lawfulness of the processing.”
4.16
In de zaak F.F./Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF28.was de vraag aan de orde of het recht op een kopie van persoonsgegevens impliceert dat aan de betrokkene ook een kopie moet worden verstrekt van uittreksels uit documenten of zelfs van volledige documenten of databankuittreksels die deze gegevens bevatten. Het Hof oordeelde:
“39 Hieruit volgt dat de kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt en die de verwerkingsverantwoordelijke krachtens artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG moet verstrekken, alle noodzakelijke kenmerken moet vertonen om de betrokkene in staat te stellen de rechten die hij aan deze verordening ontleent daadwerkelijk uit te oefenen. Deze kopie moet deze gegevens dus volledig en getrouw reproduceren.
40 (…).
41 Om te waarborgen dat de aldus verstrekte informatie gemakkelijk te begrijpen is, zoals vereist in artikel 12, lid 1, AVG, gelezen in samenhang met overweging 58 van deze verordening, kan het immers onontbeerlijk zijn dat uittreksels uit documenten of zelfs volledige documenten of databankuittreksels die onder meer de persoonsgegevens bevatten die worden verwerkt, worden gereproduceerd wanneer, (…) het in hun context plaatsen van de verwerkte gegevens noodzakelijk is om de begrijpelijkheid ervan te waarborgen.”
En:
“53 (…) dat artikel 15, lid 3, derde volzin, AVG aldus moet worden uitgelegd dat het daarin bedoelde begrip ‘informatie’ uitsluitend betrekking heeft op persoonsgegevens waarvan de verwerkingsverantwoordelijke een kopie moet verstrekken op grond van de eerste volzin van dat lid.”
4.17
Ik wijs tot slot op de website van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), de nationale toezichthouder, waar over het verstrekken van een kopie het volgende wordt vermeld:29.
“De organisatie kan u op 2 manieren een kopie geven van uw persoonsgegevens:
1. Door kopieën te maken van alle documenten waarin uw persoonsgegevens staan.
2. Door alleen uw persoonsgegevens te kopiëren in plaats van de hele documenten. En deze gegevens vervolgens bij elkaar te zetten in een compleet overzicht.
De organisatie is verplicht om het op de eerste manier te doen als u echt de documenten zelf nodig heeft om goed de context te kunnen begrijpen waarin uw persoonsgegevens zijn verwerkt.
De tweede manier mag als een overzicht genoeg is voor u om te kunnen controleren welke persoonsgegevens de organisatie van u verwerkt, of die gegevens kloppen en of de organisatie de gegevens op de juiste manier verwerkt.
Meestal zal een overzicht genoeg zijn. De hele documenten zijn dan niet nodig.”
De beperkingen van het inzagerecht
4.18
Ik stel voorop dat geen inzage hoeft te worden gegeven in persoonsgegevens indien betrokkene reeds beschikt over de stukken waarin die gegevens zijn verwerkt, bijvoorbeeld omdat zij vastliggen in een eerder aan betrokkene toegezonden brief. Dan hoeven diezelfde gegevens niet nogmaals in het kader van een inzageverzoek te worden verstrekt. Verder heeft de betrokkenen alleen recht op de persoonsgegevens verwerkt in een document en niet op een bepaald document als zodanig. Los van deze in de kern praktische beperkingen van het inzagerecht geldt ten aanzien van de beperkingen daarop het volgende.
4.19
Net als ieder ander (grond)recht kent het recht op bescherming van persoonsgegevens wettelijk vastgelegde beperkingen. Lid 4 van art. 15 bepaalt dat het recht om een kopie te verkrijgen van de persoonsgegevens die worden verwerkt, geen afbreuk doet aan rechten en vrijheden van anderen. Onder ‘anderen’ valt ook de verwerkingsverantwoordelijke zelf.30.In geval van strijdigheid tussen enerzijds de uitoefening van het recht van inzage en anderzijds de rechten of vrijheden van anderen, moeten de betrokken rechten en vrijheden tegen elkaar worden afgewogen. Dat mag er niet toe leiden dat aan de betrokkene alle informatie wordt onthouden.31.In de praktijk komt het voor dat aan betrokkene wel een volledig document wordt verstrekt, maar dat daarin delen zijn weggelakt (vergelijkbaar met de praktijk in Woo-verzoeken).
4.20
Daarnaast is in art. 23 lid 1 AVG het volgende bepaald:
“De reikwijdte van de verplichtingen en rechten als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 22 en artikel 34, alsmede artikel 5 voor zover de bepalingen van dat artikel overeenkomen met de rechten en verplichtingen als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 22, kan door middel van een Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke wetgevingsmaatregel die op de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker van toepassing is worden beperkt, op voorwaarde dat die beperking de wezenlijke inhoud van de grondrechten en fundamentele vrijheden onverlet laat en in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter waarborging van:
(…)i) de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen;”
4.21
Art. 23 lid 2 AVG schrijft voor dat de in lid 1 bedoelde wetgevingsmaatregel met name ‘specifieke bepalingen’ bevat met betrekking tot, in voorkomend geval, ten minste de daar genoemde onderwerpen, waaronder de doeleinden van de verwerking of van de categorieën van verwerking, de categorieën van persoonsgegevens en het toepassingsgebied van de ingevoerde beperkingen.32.Ter uitvoering daarvan schrijft art. 41 lid 2 UAVG voor welke elementen van gegevensverwerkingen de verwerkingsverantwoordelijke moet betrekken bij zijn beoordeling of een van de uitzonderingen genoemd in lid 1 zich voordoet:
“Bij de toepassing van het eerste lid houdt de verwerkingsverantwoordelijke rekening met in ieder geval, voor zover van toepassing:
a. de doeleinden van de verwerking of van de categorieën van verwerking;
b. de categorieën van persoonsgegevens;
c. het toepassingsgebied van de ingevoerde beperkingen;
d. de waarborgen ter voorkoming van misbruik of onrechtmatige toegang of doorgifte;
e. de specificatie van de verwerkingsverantwoordelijke of de categorieën van verwerkingsverantwoordelijken;
f. de opslagperiodes en de toepasselijke waarborgen, rekening houdend met de aard, de omvang en de doeleinden van de verwerking of van de categorieën van verwerking;
g. de risico's voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen; en
h. het recht van betrokkenen om van de beperking op de hoogte te worden gesteld, tenzij dit afbreuk kan doen aan het doel van de beperking.”
4.22
De structuur van deze wettelijke bepaling wijkt enigszins af van hetgeen de Uniewetgever voor ogen lijkt te hebben gestaan33., omdat art. 41 lid 2 UAVG niet de ‘specifieke bepalingen’ noemt die staan in art. 23 lid 2 AVG, maar bepaalt dat de verwerkingsverantwoordelijke met de in laatstgenoemde bepaling opgesomde elementen rekening houdt. Het ‘lijstje’ is dus het zelfde, maar de betekenis die daaraan wordt gegeven niet helemaal. De wetgever achtte deze structuur evenwel noodzakelijk omdat in hoge mate onvoorzienbaar is in welke gevallen, en ten aanzien van welke gegevens, het noodzakelijk is om af te wijken van de rechten van betrokkene.
4.23
4.24
Het HvJ heeft in FT/DW35.moeten oordelen over art. 23 lid 1, onder i, AVG. Het ging in die zaak weliswaar slechts over de vraag of kosten in rekening mochten worden gebracht voor het verstrekken van een kopie van het medisch dossier, maar de overwegingen geven wel inzicht in de uitleg van art. 23 lid 1, onder i). Het Hof overweegt namelijk dat op grond van die bepaling uitsluitend overwegingen die met name verband houden met de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen een beperking van dit recht rechtvaardigen, voor zover een dergelijke beperking de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden onverlet laat en een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter waarborging van die bescherming. Economische belangen van medische behandelaars vallen hier niet onder, aldus het HvJ.36.
4.25
Tot de te beschermen belangen van ‘anderen’ kan ook behoren het belang bij vertrouwelijkheid en vrije gedachtevorming ter bepaling van een standpunt in een geschil. Ik wijs op een arrest over art. 843a Rv, waarin uw Raad het belang van een ongestoorde gedachtewisseling heeft onderkend. Daarin werd overwogen:37.
“dat voor een partij een gewichtige reden in de zin van art. 843a lid 4 Rv kan bestaan bij handhaving van de vertrouwelijkheid van haar interne besluit- en gedachtevorming, waaronder begrepen de rol daarin van haar eventuele externe adviseurs. Of in een concreet geval een dergelijke ingeroepen gewichtige reden bestaat die tot afwijzing van de vordering of het verzoek moet leiden waar het die vertrouwelijke gegevens betreft, dient door de rechter met afweging van alle betrokken belangen, gemotiveerd te worden beslist.”
4.26
Dichter bij het onderwerp van deze zaak ligt de recente cassatie in het belang der wet tegen een beslissing van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. In die zaak had een patiënt getracht inzage te verkrijgen in de bevindingen van een medisch adviseur (arts) die in opdracht van de aansprakelijkheidsverzekeraar van een ziekenhuis heeft beoordeeld of bij de behandeling van de patiënt een medische fout is gemaakt. A-G Hartlief is in de vordering tot cassatie in het belang der wet uitvoerig ingegaan op de vraag of art. 23 AVG in verbinding met art. 41 lid 1 UAVG de mogelijkheid biedt om een patiënt die inzage wenst in een medisch advies nul op het rekest te geven, “gelet op het recht van het ziekenhuis en diens aansprakelijkheidsverzekeraar op standpuntbepaling en voorbereiding van de verdediging in vrijheid en beslotenheid”.38.Het antwoord op die vraag zal volgens A-G Hartlief doorgaans bevestigend zijn (zie onder 6.34 van die conclusie).
4.27
In de slotbeschouwing van zijn conclusie ging A-G Hartlief in op de vraag of het recht op standpuntbepaling en voorbereiding van de verdediging in vrijheid en beslotenheid een belang is of een recht en in het laatste geval, wat daarvan dan de grondslag is. Hij verwijst in dat kader naar art. 6 EVRM. Mijn standpunt is dat art. 23 AVG in verbinding met art. 41 lid 1, aanhef en onder i, UAVG een belangenafweging verlangen. Die afweging kan mede worden ingevuld aan de hand van art. 6 lid 1 EVRM, maar nodig lijkt dat in de meeste gevallen niet. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak aan dit gedeelte van de redenering in de vordering tot cassatie in het belang der wet geen aandacht besteed, maar zijn overwegingen toegespitst op de vraag of de patiënt aan de bepalingen uit afdeling 7.7.5 BW recht op inzage in de bevindingen van de medisch adviseur kan ontlenen.39.
5. Bespreking van het middel
Onderdeel I (wijze en volledigheid van de verstrekte inzage)
5.1
Onderdeel I richt zich tegen rov. 16 van de bestreden beschikking, waar het hof het volgende overweegt:
“16.1 Op grond van art. 15 AVG kan een betrokkene van een verwerkingsverantwoordelijke verlangen dat wordt meegedeeld of er persoonsgegevens worden verwerkt en als dat zo is, dat inzage in die gegevens wordt verstrekt. Ook moet dan de informatie als genoemd in de onderdelen a tot en met h van art. 15 AVG worden verstrekt. Dat wil zeggen informatie over de verwerkingsdoeleinden, de categorieën van gegevens, bewaartermijnen of -criteria, informatie over verbeterings- en verwijderingsrechten, alsmede het recht om te klagen bij de toezichthouder, informatie over de herkomst van de gegevens, tenzij deze bij de betrokkene zelf zijn verkregen, en informatie over eventuele geautomatiseerde besluitvorming en profilering, waaronder nuttige informatie over de onderliggende logica en het belang en de gevolgen van de verwerking voor de betrokkene.
16.2
Aan deze verplichtingen heeft de rechtbank Noord-Holland voldoende voldaan met de brief van 29 juni 2021 en de daarbij horende bijlagen A. en B. Iets anders is door [verzoekster] ook niet betoogd.
16.3
Hiermee is ook voldaan aan de voorwaarde van art. 5 AVG dat de persoonsgegevens zijn verwerkt op een wijze die ten aanzien van [verzoekster] rechtmatig en behoorlijk is en is het haar duidelijk dat en in hoeverre haar persoonsgegevens worden, dan wel werden verzameld, gebruikt en geraadpleegd door de rechtbank Noord-Holland.
16.4
Het enkele feit dat nadien aan [verzoekster] nog stukken ter beschikking zijn gesteld (stukken waarvan zij niet stelt dat die haar niet al bekend waren) omdat deze in het niet meer voor [verzoekster] toegankelijke digitale P-Direkt dossier zaten en er door de rechtbank Noord-Holland nog gecontroleerd is of er zich in de systemen nog andere stukken bevonden met persoonsgegevens van [verzoekster] , wil nog niet zeggen dat in strijd met de AVG is gehandeld.
16.5
Er bestaat dan ook geen reden om reeds om deze reden aansprakelijkheid aan te nemen en/of af te wijken van regels omtrent de bewijslastverdeling met betrekking tot de beschikbare gegevens. In dat kader heeft namelijk te gelden dat wanneer een verwerkingsverantwoordelijke stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem rust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan de verzoeker is om aannemelijk te maken dat een bepaald document er toch is40..”
5.2
Subonderdeel I.1 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 16.2 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is, althans niet toereikend gemotiveerd, omdat de bij de brief van de rechtbank Noord-Holland van 29 juni 2021 verstrekte bijlage A een (te) summier overzicht bevat waaruit niet blijkt welke verwerkingen er hebben plaatsgevonden. Zo is het onduidelijk welke documenten onder de betreffende categorieën moeten worden geplaatst, omdat datum van binnenkomst, datum van verwerking, omschrijving van het document, afzender, doorzender, etc. ontbreken. Of de verwerking van persoonsgegevens rechtmatig is geschied, kan met deze summiere informatie niet worden gecontroleerd.
5.3
Ik stel voorop op dat het inzageverzoek van [verzoekster] van 31 maart 202141.de volgende beperking bevat:
“NB. Informatie die ik zelf heb verstuurd en/of ontvangen, wens ik uiteraard niet te ontvangen. Deze zijn al in mijn bezit.”
5.4
De rechtbank Noord-Holland heeft bij brief van 29 juni 2021 (zie hiervoor 2.4 en 2.5) op het inzageverzoek gerespondeerd. In bijlage A (weergegeven in rov. 7.5 van de bestreden beschikking) heeft de rechtbank een overzicht gegeven van de persoonsgegevens die van [verzoekster] zijn geregistreerd. Daarnaast is in bijlage A informatie verstrekt over onder meer de verwerkingsdoeleinden en de categorieën van ontvangers van de gegevens. De in bijlage A genoemde onderwerpen corresponderen met art. 15 lid 1, onder a tot en met h, AVG.
5.5
Samengevat werden in dit antwoord van de rechtbank Noord-Holland drie categorieën persoonsgegevens onderscheiden:
- gegevens die bekend waren bij [verzoekster] (informatie P-Direkt, stukken UWV en bedrijfsarts)
- gegevens waarvan de verstrekking kan worden geweigerd (advies(aanvraag) RvdR)
- gegevens die niet hebben bestaan of zijn verwijderd.
5.6
Nadat bij de (eerste) mondelinge behandeling bij de rechtbank ter sprake was gekomen dat [verzoekster] de documenten van haar oude dienstverband in P-Direkt kennelijk niet (meer) kon inzien42., heeft de rechtbank Noord-Holland ‘volledigheidshalve nogmaals’ aan [verzoekster] een kopie verstrekt van de stukken van het UWV, van de bedrijfsarts van Zorg van de Zaak en van de stukken in het P-Direktportaal.
5.7
Een goed deel van de bezwaren tegen de brief van 29 juni 2021 heeft betrekking op de volledigheid van het overzicht dat daarin is gegeven; er zouden meer stukken zijn dan de stukken waarin de rechtbank Noord-Holland inzage heeft gegeven of geweigerd. Ik stel evenwel vast dat het aangevochten oordeel in rov. 16.2 daarop geen betrekking heeft.
5.8
[verzoekster] heeft daarnaast betoogd dat bijlage A, in zichzelf, want los van de volledigheid van het overzicht, niet aan de eisen voldoet die de AVG daaraan stelt. In eerste aanleg heeft [verzoekster] daarover het volgende naar voren gebracht:
Zittingsnotitie 7 december 2021
“3. (…) Verweerster heeft ervoor gekozen om een vrij beknopt schema (Bijlage A) met enkel benoeming van categorieën te overhandigen in plaats van een kopie van het dossier te verstrekken. Voorgaande levert naast nalatigheid ook een schending op, aangezien Verzoekster hiermee geen volledig inzicht heeft gekregen in de verwerking van haar persoonsgegevens. Het gebruik van categorieën biedt geen inzicht in de documenten waarin haar persoonsgegevens daadwerkelijk zijn verwerkt. (…) Verder heeft Verweerster bij de benoeming van categorieën gewerkt met allerlei doorverwijzingen naar onder meer P-Direkt en Zorg van de Zaak (grond 2). Hiermee heeft Verzoekster ook geen inzicht in welke documenten Verweerster als verwerkingsverantwoordelijke heeft verwerkt en wat zij aan de betreffende instanties heeft doorgegeven. Het werken met doorverwijzingen is in zulke situaties niet juist (…)
6. In de brief c.q. het besluit van 29 juni 2021 van het gerechtsbestuur van de rechtbank Noord-Holland wordt een overzicht gegeven van de categorieën (Bijlage A) persoonsgegeven[s] die over Verzoekster zijn verwerkt. Wat hierin mist zijn de stukken die daadwerkelijk zijn verwerkt, waarin de persoonsgegevens van Verzoekster zijn vervat. Een overzichtslijst wie met wie wanneer en met welke persoonsgegevens is gecommuniceerd met derden, ontbreekt. (…) Om die reden is het gestelde overzicht van Verweerster niet volledig, niet duidelijk en zeker niet transparant te noemen met gevolg dat zij nalatig zijn geweest in het beantwoorden van het inzageverzoek (…)
(…)”
Aanvullend verzoekschrift, p. 6
“Zoals hiervoor al is opgemerkt, betreft bijlage A geen gedegen verwerkingsoverzicht. Immers, het is hiermee niet duidelijk met wie, wanneer en waarover is gecommuniceerd over de persoonsgegevens van Verzoekster. Verzoekster is hierdoor niet in staat gesteld kennis te nemen van al haar persoonsgegevens en te controleren of zij juist zijn en zijn verwerkt in overeenstemming met de AVG. (…)”43.
5.9
De rechtbank Noord-Holland heeft bij aanvullend verweerschrift over bijlage A opgemerkt:
“3.2 Voor de goede orde: bijlage A bij het besluit van 29 juni 2021 vormt dus geen kopie van een verwerkingsregister. Het gerechtsbestuur merkt hier in reactie op de stellingen van verzoekster over (de kwaliteit van) bijlage A bij het besluit van 29 juni 2021 verder nog op dat in die bijlage alle in artikel 15 lid 1 aanhef en onder a t/m h AVG genoemde informatie is verstrekt ten aanzien van de persoonsgegevens die nog wel over verzoekster werden verwerkt. Op overige informatie heeft verzoekster geen aanspraak.”44.
5.10
In hoger beroep heeft [verzoekster] nog naar voren gebracht:
Beroepschrift onder 4
“De rechtbank Rotterdam (…) betrekt in haar overwegingen niet het feit dat de verwerkingsverantwoordelijke verantwoordingsplicht heeft krachtens art 5 lid 2 AVG en passende, technische en organisatorische maatregelen moet waarborgen om te kunnen aantonen dat de verwerking in overeenstemming is met de verordening. (…)
De rechtbank Rotterdam overweegt evenmin dat (…) het nu juist niet de bedoeling is dat de betrokkene zelf een zoektocht moet houden naar diverse aparte categorieën correspondentie of aparte documenten. (…)Nu er op verschillende momenten documenten door geïntimeerde zijn verstrekt is duidelijk dat zij haar verantwoordelijkheid als verwerkingsverantwoordelijke niet is nagekomen, waardoor de betrokkene in grote problemen is geraakt bij haar inzage-verzoeken. Wat is er nu wel verwerkt en wat niet?”
5.11
Rov. 16 heeft betrekking op de hiervoor geciteerde standpunten van [verzoekster] , onder meer het standpunt dat het overzicht in bijlage A niet een concrete lijst van verwerkingen bevat en daarom niet aan de eisen voldoet. In rov. 16.2 ligt het oordeel besloten dat die eis niet kan worden gesteld. Dat oordeel gaat niet uit van een onjuiste rechtsopvatting.
5.12
De rechtbank Noord-Holland heeft inzage gegeven in gehele documenten. De rechtbank Noord-Holland heeft verder de informatie verstrekt die is opgesomd in art. 15 lid 1, onder a tot en met h, AVG. Dat dit niet zou volstaan want in aanvulling daarop steeds datum van binnenkomst, datum van verwerking, omschrijving van het document, afzender, doorzender, etc. dienden te worden vermeld, is niet juist. Art. 15 AVG geeft de betrokkene het recht op inzage in hem of haar betreffende persoonsgegevens die zijn verwerkt, en niet het recht op inzage in alle verwerkingen van zijn of haar persoonsgegevens.
5.13
In dit licht is ook de overweging te plaatsen dat [verzoekster] niet iets anders heeft betoogd (rov. 16.2, slotzin). Het hiervoor bedoelde standpunt van [verzoekster] behelst immers niet dat aan de in rov. 16.1 genoemde elementen niet is voldaan, maar impliceert dat een extra eis zou gelden, welke door art. 15 AVG echter niet wordt gesteld.
5.14
Het voorgaande betekent dat subonderdeel I.1 faalt.
5.15
Subonderdeel I.2 klaagt dat het hof in rov. 16.2 heeft miskend dat [verzoekster] wel degelijk heeft betoogd dat de brief van 29 juni 2021 en de daarbij behorende bijlagen onvoldoende zijn en het ongeloofwaardig is dat er niet meer persoonsgegevens zijn verwerkt.
5.16
Dit subonderdeel faalt omdat het uitgaat van een verkeerde lezing van rov. 16.2. Ik verwijs naar 5.7 en 5.11 hiervoor. De wijze waarop de rechtbank Noord-Holland aan [verzoekster] inzage heeft verleend, voldoet aan de voorwaarden van zowel art. 15 AVG (inzagerecht) als art. 5 AVG (verantwoordingsplicht).
5.17
Subonderdeel I.3 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 16.3 - 16.5 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is althans niet toereikend is gemotiveerd. Als gevolg van het summiere overzicht in bijlage A zou onduidelijk zijn welke stukken de rechtbank Noord-Holland heeft verwerkt ten aanzien van [verzoekster] . Hierdoor valt voor haar ook niet te controleren of is voldaan aan de voorwaarden van art. 5 AVG, waarin de beginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens zijn genoemd.
5.18
Voor zover het subonderdeel veronderstelt dat het hof in rov. 16.5 een oordeel heeft gegeven over de volledigheid van de in bijlage A bedoelde stukken, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft slechts overwogen dat er geen reden is om af te wijken van de regels omtrent de bewijslastverdeling op dit punt. Het subonderdeel faalt voor het overige op dezelfde gronden als subonderdeel I.1.
Onderdeel II (documenten waarin inzage is geweigerd)
5.19
Onderdeel II richt zich tegen rov. 23 en 24, waarin het hof de bezwaren van [verzoekster] behandelt tegen het oordeel van de rechtbank over de weigering van het verzoek tot inzage voor zover dat betrekking heeft op de adviesaanvraag van de rechtbank Noord-Holland aan de RvdR en het advies van de RvdR aan die rechtbank. Na in rov. 18 het oordeel van de rechtbank, en in rov. 19- 20 de standpunten van partijen te hebben weergegeven, overweegt het hof als volgt (onderstreping toegevoegd, cursief in het origineel):
“23. In dit geval gaat het als gezegd om vertrouwelijke stukken die inzage geven in (de totstandkoming en inhoud van) de onderhandelingspositie van de rechtbank Noord-Holland in het arbeidsgeschil met [verzoekster] . De rechtbank heeft op grond van art. 6 lid 1 EVRM echter het recht deze inzage te weigeren. Dit wordt als volgt toegelicht.
23.1
De rechtbank Noord-Holland heeft er een zwaarwegend belang bij om in vrijheid en beslotenheid een standpunt in het arbeidsgeschil met [verzoekster] te bepalen en de verdediging tegen of het instellen van een rechtsvordering/verzoek voor te bereiden45.. Daarvoor is het noodzakelijk dat (het gerechtsbestuur van) de rechtbank Noord-Holland en de RvdR zich vrij voelen om met elkaar in beslotenheid te overleggen over of en zo ja hoe dit arbeidsgeschil mogelijk zou kunnen worden opgelost. Als de verzochte inzage moet worden verleend doet dit onevenredig afbreuk aan een ongestoorde gedachtewisseling. Het niet geven van inzage is dus noodzakelijk om deze ongestoorde gedachtewisseling te kunnen waarborgen.
23.2
De weigering om inzage te verlenen is ook evenredig, omdat omgekeerd de rechtbank Noord-Holland niet het recht heeft op inzage in de totstandkoming en standpuntbepaling aan de zijde van [verzoekster] . Een eenzijdig recht op inzage zou in belangrijke mate afdoen aan het ook door art. 6 lid 1 EVRM beschermde en zwaarwegende beginsel van “equality of arms”46..
23.3
Dit recht van de rechtbank Noord-Holland om inzage te weigeren verdient ook bescherming nadat het arbeidsgeschil is opgelost. Immers, anders dienen de rechtbank Noord-Holland en de RvdR er vooraf al rekening mee te houden dat nadien bedoelde inzage moet worden gegeven, wat ook onevenredig afbreuk doet aan een ongestoorde gedachtewisseling.
23.4
Het verzoek van [verzoekster] ziet specifiek op de waarderingen en/of beoordelingen van de in het arbeidsgeschil aan de orde zijnde feiten en omstandigheden. Niet is in te zien hoe dit zonder inzage in de gedachtewisseling mogelijk is. Het enkel noemen van de beschouwende feiten en omstandigheden is ook geen redelijk en werkbaar alternatief. De selectie en keuze van deze feiten en omstandigheden zijn immers onlosmakelijk verbonden met de waarderingen en/ of beoordelingen daarvan. Zo kan er discussie zijn of een feit relevant is of niet. Het wel of niet noemen van zo’n feit zegt ook al iets over de waardering daarvan.
23.5
Verder, maar ten overvloede, is er door [verzoekster] onvoldoende aangevoerd om te oordelen dat de adviesaanvraag en/of het advies ondeugdelijke gegevens of oneigenlijke argumenten bevat(ten).
24. Het recht van de rechtbank Noord-Holland om inzage te weigeren dient op grond van art. 23 AVG jo art. 41 lid 1 aanhef en onderdeel i UAVG gerespecteerd te worden, in die zin dat het verzoek van [verzoekster] om inzage op dit punt wordt afgewezen. De tegen het oordeel van de rechtbank door [verzoekster] aangevoerde bezwaren kunnen dan ook niet tot een ander oordeel leiden.”
5.20
Subonderdeel II.1 klaagt dat het hof miskent dat krachtens de AVG het inzagerecht alleen kan worden beperkt op basis van een wettelijke grondslag, en dat deze niet kan worden gevonden in het beginsel van ‘equality of arms’ van art. 6 EVRM, te meer omdat er geen sprake (meer) is van een procedure nu het arbeidsgeschil is opgelost.
5.21
Subonderdeel II.2 betoogt dat art. 6 EVRM ziet op de gerechtelijke procedure en geen waarborgen geeft voor het proces van onderhandelingen buiten rechte. Volgens het subonderdeel is art. 6 EVRM daarom in dit geval niet van toepassing. Er dient te worden teruggevallen op het bepaalde in art. 23 AVG en art. 41 UAVG. Het inzagerecht kan niet volledig en voor altijd worden beperkt.
5.22
De subonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
5.23
Uitgangspunt is dat zowel de adviesaanvraag als het advies persoonsgegevens bevatten in de zin van de AVG en [verzoekster] om die reden in beginsel recht heeft op inzage in deze stukken (zie ook rov. 21, in cassatie niet bestreden).
5.24
Het hof heeft zijn oordeel dat het verzoek om inzage in de adviesaanvraag en het advies van de RvdR moet worden afgewezen, doen steunen op art. 23 AVG in verbinding met art. 41 lid 1, aanhef en onder i, UAVG (rov. 22), op grond waarvan de verwerkingsverantwoordelijke het inzagerecht buiten toepassing kan laten voor zover dat noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van, onder meer, ‘de rechten en vrijheden van anderen’. Het hof heeft aldus, anders dan subonderdeel II.1 betoogt, onder ogen gezien dat sprake moet zijn van een wettelijke grondslag voor een beperking van het inzagerecht als geregeld in art. 23 AVG in verbinding met art. 41 UAVG.
5.25
Het hof heeft in verband met die uitzonderingsgrond tevens verwezen naar art. 6 lid 1 EVRM, en is van oordeel dat in die bepaling het recht ligt besloten om in vrijheid en beslotenheid een standpunt in het arbeidsgeschil te bepalen en de verdediging tegen, of het instellen van, een rechtsvordering of verzoek voor te bereiden. Zou de verzochte inzage moeten worden verleend, dan zou dit onevenredige afbreuk doen aan een ongestoorde gedachtewisseling, aldus het hof. Daarbij verwijst het hof naar het hiervoor genoemde conclusie van A-G Hartlief in de vordering tot cassatie in het belang der wet, met inbegrip van de betekenis voor de hier aan de orde zijnde kwestie van art. 6 lid 1 EVRM en het daarin besloten liggende beginsel van equality of arms. Het hof heeft art. 6 lid 1 EVRM echter niet als een zelfstandige grondslag voor zijn beslissing genoemd. Het hof heeft zijn beslissing gebaseerd op art. 23. AVG in verbinding met art. 41 UAVG.
5.26
Of uiteindelijk al dan niet daadwerkelijk een procedure voor de rechter volgt, is overigens niet van belang, omdat dit van te voren – op het moment van het verzoek om inzage – niet bekend hoeft te zijn.47.Los van deze overweging geldt dat reeds de enkele mogelijkheid dat op enig moment inzage moet worden verstrekt, de vrije gedachtewisseling al kan beïnvloeden. A-G Hartlief voelt – kennelijk (mede) om die reden – weinig voor de gedachte dat de ‘fase van vrije standpuntbepaling’ op enig moment ten einde komt.48.Ik ben dat met hem eens en het hof heeft dit in rov. 23.3 ook onderkend. Dat het proces ter beslechting van het arbeidsgeschil in dit geval buiten rechte heeft plaatsgevonden (partijen hebben immers een vaststellingsovereenkomst afgesloten, hangende deze procedure49.), doet aan het belang van een ongestoorde gedachtewisseling niet af, ook voor een publieke partij als de rechtbank Noord-Holland.
5.27
De subonderdelen II.1 en II.2 falen.
5.28
Subonderdeel II.3 klaagt dat indien en voor zover het hof in de bestreden overwegingen het oog heeft gehad op art. 15 lid 4 AVG (rechten en vrijheden van anderen), zonder nadere toelichting niet valt in te zien waarom door inzage van de stukken rechten en vrijheden van anderen in gevaar komen, nu de procedure voorbij is en namen van de betrokken medewerkers kunnen worden geanonimiseerd en zo nodig passages kunnen worden weggelakt. Het subonderdeel acht het oordeel om die reden onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
5.29
De klacht faalt. Het hof heeft in rov. 18-24 niet geoordeeld dat het inzagerecht van [verzoekster] niet mag worden beperkt op grond van art. 15 lid 4 AVG. Het hof verwijst naar ‘rechten en vrijheden van anderen’ als bedoeld in art. 23 AVG in verbinding met art. 41 lid 1, aanhef en onder i, UAVG, maar sluit art. 15 lid 4AVG niet uit. In de redenering van het hof is het belang dat in de weg staat aan inzage dat van de verwerkingsverantwoordelijke bij een ongestoorde gedachtewisseling en vrije standpuntbepaling, welk belang niet wordt weggenomen door de omstandigheid dat ‘de procedure voorbij is’ en waaraan ook niet kan worden tegemoetgekomen doordat namen van de betrokken medewerkers kunnen worden geanonimiseerd. De overwegingen van het hof staan niet in de sleutel van (privacy)rechten en belangen van deze werknemers, maar van een belang van de verwerkingsverantwoordelijke zelf.50.
5.30
Subonderdeel II.4 klaagt dat het hof, indien het mede het oog heeft op art. 15 lid 4 AVG, miskent dat honorering van een beroep op dat artikel niet mag betekenen dat betrokkene alle informatie wordt onthouden. De beperking mag niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is. De betrokkene moet te allen tijde de mogelijkheid hebben tot inzage en vervolgens tot rectificatie en wissing van zijn persoonsgegevens en de verwerking ervan.
5.31
Het hof heeft zich gebaseerd op art. 23 AVG in verbinding met 41 UAVG, terwijl het middel er ten onrechte van uitgaat dat het hof zich zou hebben gebaseerd op art. 15 lid 4 AVG. Het hof heeft niet zonder meer geoordeeld dat [verzoekster] vanwege het zwaarwegende belang bij een ongestoorde gedachtewisseling geen inzage krijgt in de adviesaanvraag en het advies van de RvdR, maar heeft in rov. 23.4 onderzocht of het mogelijk is om inzage te geven in de waarderingen en/of beoordelingen van de in het arbeidsgeschil aan de orde zijnde feiten en omstandigheden zonder daarbij tevens inzage te geven in de gedachtewisseling, dan wel of het enkel noemen van de beschouwde feiten en omstandigheden een alternatief zou zijn. Het hof acht dat laatste niet het geval. Mij lijkt dat juist. Verder is in dit verband te wijzen op rov. 23.3, waarin het hof zich er rekenschap van heeft gegeven dat het recht om inzage te weigeren ook nog bescherming verdient nadat het arbeidsgeschil is opgelost. Het valt ook niet in te zien dat de in rov. 23.3 en 23.4 gegeven oordelen onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zouden zijn.
5.32
De in het subonderdeel aangehaalde passage uit considerans nr. 63 van de AVG dat “[d]ie overwegingen (…) echter niet ertoe [mogen] leiden dat de betrokkene alle informatie wordt onthouden” (zie ook hiervoor 4.8) dient tegen de hiervoor geschetste achtergrond niet zo te worden begrepen dat inzage in een geheel document niet zou mogen worden geweigerd. Bedoeld is dat wanneer inzage afbreuk doet aan de rechten of vrijheden van anderen, dat niet zonder meer betekent dat betrokkenen op zijn of haar verzoek helemaal geen enkele inzage krijgt.
5.33
Het hof heeft vastgesteld dat alle persoonsgegevens aan [verzoekster] zijn verstrekt (waarvan een deel in de vorm van een nazending), behalve die welke zijn vervat in de adviesaanvraag aan de RvdR en in het advies van de RvdR. Daarbij heeft het hof niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de rechtbank Noord-Holland en de RvdR er belang bij hebben inzage in de advies aanvraag en het advies te weigeren. Dat die documenten een subjectieve interpretatie bevatten van kort gezegd het gerezen arbeidsconflict is inherent aan een standpuntbepaling in het kader van een juridisch geschil, en vormt de reden en de rechtvaardiging waarom die documenten van inzage kunnen worden uitgesloten en niet, wat [verzoekster] lijkt te willen betogen, een reden om daarin juist wel inzage te moeten geven omdat die waarderingen op haar betrekking hebben.
5.34
Subonderdeel II.5 richt een rechts- en motiveringsklacht tegen het opvoeren van het onderhandelingsbelang en art. 6 EVRM als de grondslag voor de beperking van het inzagerecht, en wel zonder beperking in omvang en tijd. Subonderdeel II.6 klaagt dat het hof miskent dat na het afsluiten van de vaststellingsovereenkomst en dus na de beëindiging van het geschil de rechtbank Noord-Holland elk belang miste om inzage te weigeren.
5.35
Deze subonderdelen stuiten integraal af op hetgeen bij de bespreking van de voorafgaande subonderdelen is opgemerkt. Het beschermen van de onderhandelingspositie van de rechtbank Noord-Holland kan meebrengen dat het inzagerecht van art. 15 AVG wordt beperkt.
5.36
Subonderdeel II.7 klaagt dat het kennelijke oordeel van het hof dat het gaat om een zwaarwegend belang bij ongestoorde gedachtewisseling, rechtens onjuist is dan wel onvoldoende is gemotiveerd. Volgens het subonderdeel valt niet in te zien dat en waarom dit voor toekomstige onderhandelingen door de rechtbank en/of de RvdR van belang kan zijn en of dan niet dat gedeelte onleesbaar gemaakt kan worden.
5.37
Het middel treedt hier in herhaling. Het subonderdeel ziet er in elk geval aan voorbij dat het belang bij een ongestoorde gedachtewisseling niet, en in ieder geval niet uitsluitend, relevant is voor toekomstige onderhandelingen. De rechtbank Noord-Holland heeft weliswaar (onder meer) aangevoerd dat de gevraagde inzage inzicht biedt in de gemaakte bestuurlijk-juridische afweging en de wijze waarop in de rechtspraak in het algemeen wordt omgegaan met onderhandelingen en dat anderen daarmee in toekomstige zaken hun onderhandelingspositie kunnen versterken (zie rov. 20.2), maar in rov. 23 draait het daar niet om. Het gaat daar om de negatieve impact op de standpuntbepaling en gedachtewisseling die uitgaat van de mogelijkheid dat op later moment inzage daarin moet worden gegeven.
5.38
Subonderdeel II.8 klaagt dat het hof, voor zover het in de bestreden overwegingen het oog heeft op het feit dat ambtenaren zich intern (moeten kunnen) uitlaten over een andere ambtenaar zonder dat er aan de andere ambtenaar weerwoord wordt gevraagd, heeft miskend dat juist in een dergelijke situatie die andere ambtenaar recht en belang heeft om te kunnen inzien wat er over hem of haar is gezegd en zo nodig schoning van het dossier moet kunnen vragen. Anders dan het hof kennelijk voor ogen heeft, kan de wetenschap dat mogelijk ooit inzage gegeven zou moeten worden in de gedachtewisseling juist garanderen, althans bevorderen, dat bij de voorbereiding van onderhandelingen uitsluitend zakelijke argumenten gebezigd worden. Ook vanuit dit perspectief getuigt het aannemen van een ongestoorde gedachtewisseling als weigeringsgrond in de omstandigheden waarin het arbeidsconflict reeds is beslecht, van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
5.39
Het subonderdeel miskent mijns inziens het algemene karakter van het recht op inzage. Dit recht wordt niet van meer gewicht door de in het middel aangehaalde omstandigheden dat ambtenaren zich intern (moeten kunnen) uitlaten over een ambtenaar zonder dat aan de andere ambtenaar weerwoord wordt gevraagd. Die omstandigheden zijn niet van belang voor de bepaling van de omvang van het door art. 15 lid 1 AVG toegekende recht van inzage. De context waarin de betrokkene verzoekt om inzage in de informatie kan, gelet op onder meer de doelstellingen van de AVG, geen invloed hebben op de omvang van dit recht.51.Dat in dat kader er geen ruimte is voor een weerwoord ligt voor de hand: de verwerkingsverantwoordelijke (tevens werkgever) is nog bezig met de voorbereiding van zijn standpuntbepaling. De ruimte voor een weerwoord is er als dat standpunt aan betrokkene wordt meegedeeld en hij of zij daarop kan reageren.
5.40
Volgens subonderdeel II.9 getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting, of is althans onbegrijpelijk, dat het ‘equality of arms’-beginsel een rol zou spelen bij het afbakenen van de omvang van het inzagerecht van betrokkene. Het hof miskent dat beperkingen op het inzagerecht een wettelijke grondslag moeten hebben. Genoemd beginsel heeft geen wettelijke basis in de AVG. Het subonderdeel wijst er verder op dat aan de rechtbank niet een dergelijk verweer toekomt omdat zij geen natuurlijk persoon is. Slechts medewerkers die identificeerbaar zijn in stukken die ter inzage worden gegeven, kunnen beroep doen op de AVG en een beperking inroepen van het inzagerecht, maar ook dan mag het inzagerecht niet volledig worden afgewezen. Wel mogen dan de gegevens worden afgeschermd. [verzoekster] heeft dat ook voorgesteld.
5.41
Anders dan het middel aanvoert, heeft het hof niet miskend dat beperkingen op het inzagerecht moeten zijn gebaseerd op de AVG. Het hof heeft als gezegd zijn oordeel doen steunen op art. 23 AVG in verbinding met art. 41 UAVG. Het hof heeft daarbij het recht op inzage en het recht op (belang bij) een ongestoorde gedachtewisseling in de aanloop naar een eventuele procedure tegen elkaar afgewogen. Voor zover het middel betoogt dat de beperkingen op het recht van inzage niet zouden gelden voor rechtspersonen, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting. Overweging 63 (geciteerd in 4.8 en aangehaald in 5.33) ziet duidelijk niet alleen op belangen van natuurlijke personen.
5.42
Subonderdeel II.10 klaagt dat het hof beter had moeten motiveren waarom het in rov. 23.4 genoemde en door [verzoekster] aangedragen alternatief van het enkel noemen van de beschouwde feiten en omstandigheden, geen redelijk en werkbaar alternatief vormt op grond waarvan inzage alsnog kon worden verstrekt. Het subonderdeel bevat ook het volgende betoog:
“Daarenboven kan men zich dan ook afvragen of het op schrift stellen van een gedachtewisseling zonder enige reden daartoe, gerechtvaardigd is onder de AVG. Hierbij wordt tenslotte verwezen naar de belangrijke arresten inzake het inzagerecht van HvJ EU: het zogenaamde Nowak arrest (…) en het IND-arrest (…), waaruit volgt dat een betrokkene de bescherming van het grondrecht op eerbiediging van het privéleven onder meer inhoudt dat elke natuurlijke persoon zich ervan kan vergewissen dat zijn persoonsgegevens nauwkeurig zijn en rechtmatig worden verwerkt, of het nu gaat om examenantwoorden en de opmerkingen van de examinator of om verwerkte persoonsgegevens van de IND.”
5.43
In de geciteerde passage lees ik niet een zelfstandige klacht, daargelaten nog ook niet duidelijk is tegen welk oordeel een hierin te lezen klacht zou zijn gericht. Het hof heeft in rov. 23.4 gemotiveerd waarom het enkel noemen van de beschouwde feiten en omstandigheden niet een redelijk en werkbaar alternatief vormt. Dat oordeel is aan de feitenrechter voorbehouden en is niet ontoereikend gemotiveerd, en gelet op de algemene strekking ervan ook niet reeds onbegrijpelijk op de grond dat het hof zelf geen inzage heeft gehad in het betreffende document. Feiten en omstandigheden die in het kader van een arbeidsgeschil door de werkgever onder ogen zijn gezien (“beschouwd”), zullen de basis vormen voor waarderingen die weer ten grondslag liggen aan de te maken afwegingen. In de procedure bij het hof lijkt de mogelijkheid van kennisneming door het hof van de betreffende documenten overigens niet ter sprake te zijn geweest.
5.44
Subonderdelen II.11 en II.12 bevatten slechts een (nadere) toelichting op de eerder genoemde klachten, zonder nieuwe gezichtspunten.
Onderdeel III (inzage in de zoekslag)
5.45
Onderdeel III is gericht tegen rov. 28, waarin het hof het volgende heeft geoordeeld met betrekking tot de uitgevoerde ‘zoekslag’ (ik citeer voor de context ook rov. 25 - 27, in cassatie niet bestreden):
“25. In debat is de vraag of een deel van de stukken waarin inzage is verzocht is verwijderd, althans niet meer bestaat. De rechtbank Noord-Holland heeft aangevoerd dat zij met een ‘zoekslag’ – het zoeken op de naam van [verzoekster] in Outlook, de persoonlijke schijven van de leidinggevenden en bestuurders van de betrokken afdelingen, alsmede de gemeenschappelijke schijven van deze afdelingen en die van de afdeling P&O – heeft onderzocht welke documenten er over [verzoekster] bestaan. De rechtbank heeft daarover in r.o. 4.10 als volgt geoordeeld:
“De rechtbank is van oordeel dat de rechtbank Noord-Holland met deze zoekslag voldaan heeft aan het verzoek onder 1). De zoekslag naar de persoonsgegevens van [verzoekster] toont aan dat de rechtbank Noord-Holland als verwerkingsverantwoordelijke voldoende inspanning heeft geleverd in het opsporen van de verwerkte persoonsgegevens van [verzoekster] om te voldoen aan haar inzageverzoek. [verzoekster] betwist niet dat deze wijze van zoekslag van de rechtbank Noord-Holland voldoende is, dan wel breed genoeg is.
Voor zover [verzoekster] heeft betoogd dat zij niet gelooft dat de rechtbank Noord-Holland ook daadwerkelijk deze zoekslag heeft uitgevoerd omdat zij geen printscreen van de zoekslag of verklaring van een onafhankelijke IT beheerder heeft overgelegd gaat de rechtbank aan dat betoog voorbij. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen dat de rechtbank Noord-Holland deze zoekslag heeft uitgevoerd, nu de rechtbank Noord-Holland een aanzienlijk aantal kopieën van stukken (ook van na datum van het verzoek) aan [verzoekster] heeft gegeven. Het verzoek onder 1) wordt dan ook afgewezen.”
26. In hoger beroep stelt [verzoekster] dat de rechtbank Noord-Holland op grond van art. 5 lid 2 AVG een verantwoordingsplicht heeft ter zake van – kort gezegd – de deugdelijke verwerking van persoonsgegevens. [verzoekster] wenst ter zake van de zoekslag een verklaring van een onafhankelijk IT-beheerder. Volgens [verzoekster] gelooft de rechtbank ten onrechte de rechtbank Noord-Holland ‘op haar blauwe ogen’ dat deze zoekslag is verricht. De zoekslag bewijst dat er geen sprake is geweest van een transparante en geordende bewaring van de verwerkte persoonsgegevens zoals vereist door art. 12 AVG. Daarom moet het verzoek om inzage te geven in de uitwerking van de zoekslag worden toegewezen, aldus [verzoekster] .
27. De rechtbank Noord-Holland betwist dat de zoekslag bewijst dat art. 12 AVG is geschonden en waarom dat vervolgens zou maken dat zij niet heeft gezocht op de wijze zoals beschreven. Volgens de rechtbank Noord-Holland zijn deze stellingen niet goed onderbouwd. De rechtbank Noord-Holland betwist dat zij art. 12 AVG heeft geschonden.
28. Zoals reeds hierboven is overwogen, maakt het enkele uitvoeren van een zoekslag niet dat de AVG is geschonden. Voorts geldt dat de mededeling van de rechtbank Noord-Holland dat naar aanleiding van dit onderzoek niet is gebleken dat (…) er geen verdere documenten (meer) zijn niet ongeloofwaardig voorkomt. Dit ook omdat er in de loop van de tijd nog nadere stukken aan [verzoekster] zijn toegestuurd zoals ook door de rechtbank is overwogen. Vervolgens heeft [verzoekster] niet aannemelijk gemaakt dat er niettemin nog andere documenten zijn met persoonsgegevens van [verzoekster] die de rechtbank Noord-Holland verwerkte op het moment dat zij haar verzoek deed. Ook op dit punt is er dan ook geen grond anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.”
5.46
Het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat het zoeken naar persoonsgegevens een vorm van verwerking van persoonsgegevens is zodat het inzagerecht ook geldt voor deze zoekslag. Ik meen dat de klacht faalt.
5.47
[verzoekster] heeft in haar beroepschrift tegen de zojuist (cursief) geciteerde overweging van de rechtbank ingebracht dat (het feit dat de rechtbank Noord-Holland) de zoekslag (heeft uitgevoerd) duidelijk maakt dat niet is voldaan aan de verplichtingen op de voet van art. 5 lid 2 en 12 AVG (welke artikel hiervoor in 4.6 is geciteerd) tot onder meer een transparante en geordende bewaring van de verwerkte persoonsgegevens. Als aan die verplichtingen wél zou zijn voldaan, dan zou de zoekslag niet nodig zou zijn geweest. Verder plaatst [verzoekster] vraagtekens bij de zoekslag die de rechtbank Noord-Holland stelt te hebben gedaan. [verzoekster] heeft gevraagd om een verklaring daarover van een onafhankelijke IT-beheerder.52.
5.48
Het hof oordeelt in rov. 28 allereerst, en kennelijk in aansluiting op het betoog van [verzoekster] , dat de zoekslag duidelijk maakt dat niet is voldaan aan art. 5 lid 2 en 12 AVG en dat de rechtbank Noord-Holland met de zoekslag niet de AVG heeft geschonden. In de tweede volzin e.v. van rov. 28 respondeert het hof klaarblijkelijk op de twijfels die [verzoekster] heeft geuit over de (uitvoering en volledigheid van de) zoekslag. Volgens het hof is er echter geen reden om aan te nemen dat er meer documenten zijn dan de zoekslag heeft opgeleverd.
5.49
Het hof oordeelt niet dat de zoekslag geen verwerking van persoonsgegevens zou zijn. Het hof heeft klaarblijkelijk uit de stellingen van [verzoekster] in hoger beroep afgeleid dat het verzoek om inzage in ‘de uitwerking van de zoekslag’ betrekking had op de volledigheid van de stukken die met deze zoekslag boven tafel zijn gekomen (nu [verzoekster] vermoedde dat er méér documenten waren). De zinsnede in de voorlaatste volzin van rov. 28 dat het gaat om ‘persoonsgegevens (…) die de rechtbank Noord-Holland verwerkte op het moment dat zij haar verzoek deed’, onderstreept deze uitleg. Over deze uitleg behelst het middel niet een klacht. Ten overvloede merk ik op dat deze uitleg mij niet onbegrijpelijk voorkomt in het licht van de stellingen van [verzoekster] in hoger beroep.53.
Onderdeel IV (inzage in het verwerkingsregister)
5.50
Onderdeel IV richt zich onder meer tegen rov. 33, waarin het hof met betrekking tot de door [verzoekster] verzochte inzage in het verwerkingsregister van haar persoonsgegevens het volgende heeft geoordeeld (ik citeer weer voor de context de voorafgaande rov. 30 - 32, in cassatie niet bestreden):
“30. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, omdat art. 15 AVG de rechtbank Noord-Holland niet verplicht tot het geven van inzage in het verwerkingsregister van de organisatie. Een verwerkingsregister bevat namelijk geen concrete persoonsgegevens. [verzoekster] kan slechts inzage verzoeken in haar betreffende persoonsgegevens en de informatie opgesomd in art. 15 lid 1 onderdelen a t/m h AVG. De rechtbank Noord-Holland heeft hieraan voldaan. Ook het verzoek de verwijdering van persoonsgegevens aan te tonen is afgewezen.
31. Volgens [verzoekster] zijn deze oordelen onjuist. Het inzagerecht betreft persoonsgegevens maar in het verwerkingsregister is op grond van art. 30 lid 1 sub c AVG onder meer sprake van een beschrijving van categorieën van betrokkenen en van categorieën van persoonsgegevens en krachtens sub d van dat artikel ook van categorieën ontvangers aan wie persoonsgegevens zijn verstrekt. Daarmee kan het niet erg moeilijk zijn om [verzoekster] te identificeren. De rechtbank kan dus onmogelijk vaststellen dat er geen sprake is van persoonsgegevens in de zin van de AVG. De rechtbank Noord-Holland moet daarom inzage geven in het verwerkingsregister, aldus nog steeds [verzoekster] .
32. De rechtbank Noord-Holland voert aan dat het verwerkingsregister inderdaad de door [verzoekster] genoemde categorieën van gegevens kent, maar dat het geen persoonsgegevens bevat van concrete individuen zoals [verzoekster] . Inzage in het verwerkingsregister is daarom niet aan de orde.
33. Het hof wijst het verzoek van [verzoekster] af. De stelling van [verzoekster] dat het niet erg moeilijk kan zijn om persoonsgegevens van [verzoekster] uit het verwerkingsregister af te leiden – haar te identificeren – is niet toegelicht. Ook anderszins valt niet in te zien hoe dit zou kunnen. Op dit punt is van belang dat art. 30 AVG omschrijft wat het verwerkingsregister behelst en welke gegevens daarin moeten worden opgenomen. Hieruit blijkt dat in het register zelf geen individuele persoonsgegevens worden opgenomen, maar slechts een beschrijving van (onder meer) de categorieën van betrokkenen en de categorieën van persoonsgegevens in het kader van verwerkingsactiviteiten. Deze informatie heeft de rechtbank Noord-Holland echter reeds verstrekt in bijlage A en B bij de brief van 29 juni 2021, zodat [verzoekster] reeds op deze manier zich van de verwerking op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. In hoeverre [verzoekster] dan nog belang heeft bij de inzage in het verwerkingsregister heeft zij niet gesteld. Dit verzoek moet dan ook worden afgewezen.”
5.51
Ik bespreek eerst de subonderdelen IV.I en IV.4 omdat dat de subonderdelen zijn die zich uitsluitend richten tegen rov. 33. De rov. 37, 39 en 46 die het onderdeel verder bestrijdt, komen aan de orde bij de bespreking van de subonderdelen IV.2 en IV.3.
5.52
Subonderdeel IV.1 betoogt dat het verwerkingsregister zelf weliswaar geen individuele persoonsgegevens bevat, maar dat de informatie in het verwerkingsregister in combinatie met andere gegevens wel degelijk kan leiden tot individuele persoonsgegevens. Het subonderdeel acht daarom rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, ‘de conclusie dat de verplichting categorieën van ontvangers te vermelden automatisch betekent dat dit niet met zich meebrengt om inzage in het verwerkingsregister te geven’.
5.53
Ik volg het middel daarin niet.
5.54
De klacht van subonderdeel IV.1 stuit mijns inziens reeds erop af dat het hof in het eerste gedeelte van rov. 33 (eerste tot en met vijfde volzin) de stelling van [verzoekster] passeert ‘dat het niet erg moeilijk kan zijn om persoonsgegevens van [verzoekster] uit het verwerkingsregister af te leiden’. Met dit (feitelijke) oordeel, dat in cassatie niet is bestreden, is inzage in het verwerkingsregister van de baan.
5.55
Ik begrijp het tweede gedeelte van rov. 33 (vanaf de vijfde volzin) aldus dat het hof van oordeel is dat aangezien inzage in de verwerkte persoonsgegevens is verstrekt, [verzoekster] zich reeds van de verwerking op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. Inzage in het verwerkingsregister zou daar niets aan toevoegen, nog daargelaten dat dit register (in beginsel) geen persoonsgegevens bevat ten het inzagerecht uitsluitend betrekking kan hebben op persoonsgegevens. Dit een en ander betekent dat [verzoekster] niet een inzagerecht toekomt.
5.56
Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat de verplichting om categorieën van ontvangers in het verwerkingsregister te vermelden automatisch zou meebrengen dat geen inzage in het verwerkingsregister hoeft te worden gegeven, merk ik op dat een oordeel van die strekking niet in rov. 33 valt te lezen. In zoverre faalt het subonderdeel omdat het uitgaat van een verkeerde lezing van de bestreden beschikking.
5.57
Subonderdeel IV.4 klaagt dat het hof heeft miskend dat ten tijde van de arbeidskwestie sprake was van ziekte. Ziekte betreft een bijzonder persoonsgegeven en verwerking hiervan is verboden (art. 9 AVG). Het is dus van belang te weten welke verwerkingen er zijn geweest (art. 30 AVG). Het subonderdeel leest in rov. 33 het oordeel van het hof dat bijlage A voldoet aan art. 30 AVG en klaagt dat dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is, omdat bijlage A (te) summier is en geen overzicht bevat van de daadwerkelijke verwerkingen. Het subonderdeel betoogt daarbij dat het overzicht dat met bijlage A is gegeven, [verzoekster] niet in staat stelt om de bij de AVG verleende rechten daadwerkelijk te kunnen uitoefenen, mede omdat de rechtbank Noord-Holland niet alle documenten heeft verstrekt waarin haar persoonsgegevens zijn verwerkt. Deze klacht bouwt in zoverre voort op onderdeel I.
5.58
Art. 9 lid 1 AVG behelst een verbod op verwerking van bepaalde gevoelige persoonsgegevens, zoals gegevens over gezondheid. Lid 2 bepaalt dat lid 1 niet van toepassing is wanneer aan één van de in die bepaling opgesomde voorwaarden is voldaan, waaronder (sub b) de voorwaarde dat de verwerking noodzakelijk is ‘met het oog op de uitvoering van verplichtingen en de uitoefening van specifieke rechten van de verwerkingsverantwoordelijke of de betrokkene op het gebied van het arbeidsrecht en het socialezekerheids- en socialebeschermingsrecht, voor zover zulks is toegestaan bij Unierecht of lidstatelijk recht of bij een collectieve overeenkomst op grond van lidstatelijk recht die passende waarborgen voor de grondrechten en de fundamentele belangen van de betrokkene biedt’. Deze uitzondering voor gezondheidsgegevens is uitgewerkt in art. 30 lid 1 UAVG.
5.59
Het oordeel van het hof met betrekking tot het verzoek van [verzoekster] om inzage in het verwerkingsregister komt erop neer (i) dat uit het verwerkingsregister geen persoonsgegevens van [verzoekster] zijn af te leiden, en (ii) inzage in dat register niet meer zou opleveren dan de informatie die de rechtbank Noord-Holland reeds heeft verstrekt met bijlagen A en B bij de brief van 29 juni 2021, op basis waarvan [verzoekster] zich al van de verwerking op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. Niet valt in te zien dat het gegeven dat sprake was van ziekte, dit oordeel van het hof raakt. Het hof onthoudt zich simpelweg van een oordeel óf de verwerking rechtmatig is geweest (die vraag lag ook uitdrukkelijk niet voor). Het oordeel houdt verder ook niet in, zoals het subonderdeel voorhoudt, dat bijlage A ‘voldoet aan art. 30 AVG’.54.In zoverre gaat het subonderdeel uit van een verkeerde lezing en mist het feitelijke grondslag.
5.60
Voor zover de klacht voortbouwt op onderdeel I, wordt verwezen naar de bespreking daarvan.
5.61
Op het voorgaande stuit subonderdeel IV.4 af.
5.62
Subonderdelen IV.2 en IV.3 nemen als gezegd (zie 5.51) rov. 37, 39 en 46 op de korrel.55.Rov. 39 bevat echter louter een weergave van de beschikking in eerste aanleg, zodat daartegen gerichte klachten reeds falen op de grond dat niet een beslissing wordt bestreden.56.In rov. 37 en 46 heeft het hof, voor zover thans van belang, het volgende overwogen (ik citeer ook weer de voorafgaande rechtsoverwegingen en de onderstrepingen zijn van mijn hand):
“34. Volgens [verzoekster] heeft de afdeling P&O een tekst over [verzoekster] op een vacaturesite geplaatst. Daarin wenst zij inzage. De rechtbank heeft geoordeeld dat het plaatsen van een tekst op een vacaturesite ter sprake is gekomen tijdens een gesprek van 6 juni 2019, maar acht het voldoende aannemelijk dat vervolgens in plaats van een tekst een alert is ingesteld voor het ontvangen van vacatures.
35. In hoger beroep stelt [verzoekster] dat niet duidelijk is of bij deze alert persoonsgegevens zijn verwerkt. In het bevestigende geval valt een alert dan ook onder het inzageverzoek. Het verzoek van [verzoekster] dient aldus te worden opgevat dat ook inzage wordt gegeven in de al dan niet verwerking van persoonsgegevens in de zogenaamde alert.
36. De rechtbank Noord-Holland voert aan dat er bij het instellen van de alert geen persoonsgegevens van [verzoekster] zijn verwerkt.
37. Het hof wijst het inzageverzoek van [verzoekster] af. Er is geen reden om aan te nemen dat er – anders dan de rechtbank Noord-Holland aanvoert – wel persoonsgegevens zijn verwerkt in de alert. Door [verzoekster] wordt dit ook niet aannemelijk gemaakt.”
En:
“45. Het gaat op dit punt om een emailwisseling die er zou zijn geweest tussen de rechtbank Noord-Holland, de RvdR en het LDCR over de mogelijke detachering van [verzoekster] . De rechtbank Noord-Holland heeft in eerste aanleg aangevoerd dat de aanloop naar de emailwisseling geen persoonsgegevens van [verzoekster] bevat en dat deze emailwisseling in algemene zin gaat over de vraag welke documenten bij een interdepartementale overplaatsing van het P-dossier meegaan naar de nieuwe werkgever en dat dit nuttige HR-informatie betreft. De rechtbank heeft geoordeeld dat [verzoekster] onvoldoende heeft gesteld dat er in deze emailwisseling persoonsgegevens van haar worden verwerkt en dat het op de weg van [verzoekster] lag om nader te motiveren hoe de emailwisseling naar haar te herleiden is en welke persoonsgegevens daarin zouden kunnen zijn opgenomen.
46. Volgens [verzoekster] valt niet uit te sluiten dat in relatie tot andere emails zij toch identificeerbaar is, in welk geval zij recht op inzage daarin heeft. Deze zeer algemene stelling zonder concrete onderbouwing is echter onvoldoende om te kunnen aannemen dat er in dit kader wel persoonsgegevens van [verzoekster] zijn verwerkt door de rechtbank Noord-Holland en dat het oordeel van de rechtbank onjuist is. (…)”
5.63
Subonderdeel IV.2 stelt voorop dat juist is dat het hof oordeelt dat het in beginsel aan betrokkene is om aannemelijk te maken dat een bepaald document toch onder de verwerkingsverantwoordelijke rust. Het subonderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat er aan die stelplicht naar de aard geen hoge eisen kunnen worden gesteld, zeker als er aanwijzingen zijn van het tegendeel, nu het gaat om feiten en omstandigheden die tot het domein van de wederpartij behoren. In dat kader rust er volgens het subonderdeel een (mogelijk zelfs verzwaarde) stelplicht ‘op de verwerking van persoonsgegevens voor het verstrekken van die gegevens, waaruit kan volgen welke gegevens concreet zijn verwerkt’. Mij is niet zonder meer duidelijk wat het middel nu precies bedoelt.
5.64
Subonderdeel IV.3 klaagt dat het hof in rov. 33 heeft miskend, althans onbesproken heeft gelaten, de door [verzoekster] ten behoeve van de mondelinge behandeling in hoger beroep overgelegde correspondentie, waaruit volgt dat er nóg meer aan persoonsgegevens is verwerkt dan de rechtbank Noord-Holland beweert. Het subonderdeel klaagt verder kort gezegd dat ook de oordelen van het hof in rov. 37, 39 en 46 onbegrijpelijk zijn althans niet toereikend gemotiveerd, omdat uit de genoemde stukken volgt dat er nog meer stukken zijn dan de rechtbank Noord-Holland heeft afgegeven, althans had het hof de rechtbank Noord-Holland moeten bevelen om een nieuwe zoekslag te doen.
5.65
Deze subonderdelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
5.66
Daarbij stel ik voorop dat volgens rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak (hierna: de Afdeling) het uitgangspunt geldt dat, wanneer een bestuursorgaan meedeelt dat na onderzoek is gebleken dat er niet meer persoonsgegevens zijn dan de gevraagde gegevens die zijn verstrekt én die mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan de betrokkene is om aannemelijk te maken dat er meer persoonsgegevens moeten zijn.57.De bestreden overwegingen van het hof (rov. 33, tweede en derde volzin, rov. 37 en rov. 46) zijn met dit uitgangspunt in lijn.
5.67
Subonderdeel IV.3 wijst op de correspondentie die [verzoekster] ten behoeve van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft overgelegd.58.Het gaat om (i) een e-mail van 16 juli 2019, waarmee mevrouw [naam] , P&O adviseur van de rechtbank Noord-Holland, een aan haar gerichte e-mail van die datum afkomstig van de belangenbehartiger van [verzoekster] heeft doorgestuurd aan drie geadresseerden binnen de rechtspraak, met de (enkele) vermelding “fyi”, en (ii) een e-mail van het contactcenter van P-Direkt aan [verzoekster] van 3 maart 2022, waarin desverzocht wordt vermeld welke documenten na 1 januari 2021, de datum van uitdiensttreding van [verzoekster] , nog aan het personeelsdossier zijn toegevoegd.
5.68
Ik kan daar niet uit afleiden dat deze e-mails betrekking zouden hebben op de in rov. 37 bedoelde vacaturealert, of op het in rov. 33 bedoelde verwerkingsregister en evenmin op de in rov. 46 bedoelde mailwisseling over wat bij een interdepartementale overplaatsing aan documenten van het P-dossier meegaat naar de nieuwe werkgever (dat laatste in verband met de mogelijke detachering van [verzoekster] ). Voor zover dit niet reeds aan het slagen van subonderdeel IV.3 in de weg staat, merk ik het volgende op.
5.69
Wat betreft de onder (i) genoemde e-mail van de P&O-adviseur merk ik op dat de e-mail van de belangenbehartiger van [verzoekster] die daarmee werd doorgestuurd, buiten het bereik van het inzageverzoek viel omdat [verzoekster] zelf in de cc was opgenomen. De rechtbank Noord-Holland heeft voorts in hoger beroep aangevoerd dat de eerstgenoemde e-mail van de P&O-adviseur destijds, net als andere stukken die niet in het personeelsdossier thuishoren, is verwijderd, zodat daar ook geen inzage in had kunnen worden gegeven.59.
5.70
Met betrekking tot de onder (ii) genoemde e-mail is erop te wijzen dat [verzoekster] daar zelf de geadresseerde van was, terwijl de in die mail genoemde documenten die na 1 januari 2021 in het personeelsdossier in P-Direkt waren geplaatst, in de loop van de procedure alsnog aan [verzoekster] zijn toegezonden.60.
5.71
De e-mails waarop subonderdeel IV.3 het oog heeft, kunnen dan ook niet dienen ter onderbouwing van het standpunt van [verzoekster] dat de rechtbank Noord-Holland meer persoonsgegevens heeft verwerkt dan waarin reeds inzage is gegeven of waarin inzage is geweigerd. Hierop stuit subonderdeel IV.3 af.
5.72
Daarmee faalt onderdeel 4 in zijn geheel.
Onderdeel V (verwijdering van persoonsgegevens)
5.73
Onderdeel V is gericht tegen rov. 49, waarin het hof onder het kopje ‘Correspondentie en interne communicatie over [verzoekster] ’ het volgende heeft overwogen:
“49. Het gaat op dit punt om stukken waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat deze aan [verzoekster] zijn verstrekt en dat er niet meer stukken zijn. Volgens [verzoekster] dient inzage te worden verschaft in deze stukken. Het hof wijst dit verzoek af omdat het onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de gevraagde stukken er volgens de rechtbank Noord-Holland niet meer zijn en zij, gezien de zoekslag die de rechtbank Noord-Holland heeft verricht, geen reden heeft aan die mededeling te twijfelen. Wat [verzoekster] in hoger beroep aanvoert werpt geen ander licht op dit verzoek.”
5.74
Het onderdeel klaagt kort weergegeven dat dit oordeel rechtens onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is. Het onderdeel wijst erop dat [verzoekster] in (hoger) beroep heeft verzocht om inzage te geven in alle soorten van verwerking, dus ook in verwijdering of vernietiging van bedoelde stukken.61.Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat [verzoekster] aldus wel degelijk recht heeft op inzage in de manier waarop de stukken zijn verwijderd en/of vernietigd, althans is deze overweging geen adequate, begrijpelijke of toereikende respons op het verzoek zoals dat in (hoger) beroep voorlag.
5.75
Ik volg het middel daarin niet. Per definitie kan geen inzage worden gegeven in persoonsgegevens in documenten die op het moment dat het inzageverzoek werd gedaan, al waren verwijderd.62.De rechtbank Noord-Holland heeft in deze procedure naar voren gebracht dat gegevens die niet in het personeelsdossier thuishoren, bij uitdiensttreding worden verwijderd. De in de bestreden overweging bedoelde stukken vallen daar klaarblijkelijk onder.
5.76
Het is juist dat ook verwijdering of vernietiging van stukken die persoonsgegevens bevatte een verwerking van persoonsgegevens vormt, maar die handeling levert op haar beurt niet een persoonsgegeven op waarin inzage kan worden gegeven. Het inzagerecht ziet immers, ik herhaal het nog maar eens, niet op inzage in de verwerking van persoonsgegevens maar op inzage in verwerkte persoonsgegevens.
5.77
Onderdeel V kan dan ook niet tot cassatie leiden.
5.78
Onderdelen VI en VII bevatten louter voortbouwklachten, die in het voetspoor van de daaraan voorafgaande onderdelen falen.
Slotsom
5.79
Nu alle onderdelen falen, dient het cassatieberoep te worden verworpen.
6. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑04‑2024
Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, PbEU 2016, L 119/1. Citaten in deze conclusie komen uit de geconsolideerde tekst die is te raadplegen op: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=celex%3A02016R0679-20160504.
Wet van 16 mei 2018, houdende regels ter uitvoering van Verordening (EU) 2016/679, Stb. 2018, 144.
Deze zaak betreft gegevensverwerking bij de Rechtspraak, zij het niet bij de uitoefening van de rechterlijke taak.
Vergelijk de bestreden beschikking van het hof van 23 mei 2023, rov. 7.1-7.10.
Bijlage 4 bij het inleidend verzoekschrift en tevens bijlage 3 bij het verweerschrift in eerste aanleg.
Bijlage A is weergegeven in rov. 7.5 van de bestreden beschikking.
ECLI:NL:RBROT:2022:7239, JBP 2022/137.
ECLI:NL:GHDHA:2023:875, JBP 2023/108.
De volgende paragrafen zijn deels ontleend aan hoofdstuk 3 van mijn conclusie vóór HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2378, RvdW 2019/98 (art. 81 lid 1 RO), welke zaak ook over het inzagerecht ging.
Sinds EHRM 26 maart 1987, A-l 16 (Leander/Zweden).
Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, PbEG 1995, L 281/31.
Wet van 6 juli 2000, houdende regels inzake de bescherming van persoonsgegevens, Stb. 2000, 302. Het inzagerecht was in het oude recht geregeld in art. 12 onder a van Richtlijn 95/46 en in art. 35 Wbp en had daar dezelfde betekenis. De AVG zorgt niettemin voor veel nieuwe rechtspraak, waarop ik hierna inga.
Zie over de reikwijdte van de UAVG ook H.R. Kranenborg & L.F.M. Verhey, De Algemene verordening gegevensbescherming in Europees en Nederlands perspectief (SBR Wetenschap), Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 151 e.v. Op 1 december 2022 is het wetsvoorstel tot wijziging van de UAVG en enkele andere wetten in verband met het stroomlijnen en actualiseren van het gegevensbeschermingsrecht, de Verzamelwet gegevensbescherming, bij de Tweede Kamer ingediend; zie Kamerstukken II 2022/23, 36 264, nr. 2.
Zie o.m. HvJ 4 mei 2023, C-487/21, F.F./Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF, ECLI:EU:C:2023:369, punt 34 en HvJ 12 januari 2023, C-154/21, RW/Österreichische Post AG, ECLI:EU:C:2023:3, punt 37, onder verwijzing naar HvJ 20 december 2017, C-434/16, Nowak, ECLI:EU:C:2017:994, punt 57 en HvJ 17 juli 2014, C‑141/12 en C‑372/12, YS e.a./IND, ECLI:EU:C:2014:2081, punt 44.
Zie HvJ C-154/21, RW/Österreichische Post AG, hiervoor aangehaald, punt 37, onder verwijzing naar HvJ 7 mei 2009, C‑553/07, Rijkeboer, ECLI:EU:C:2009:293, punt 49. Werknemers van de verwerkingsverantwoordelijke worden niet beschouwd als ‘ontvangers’ in de zin van art. 15 lid 1, sub c, AVG wanneer zij persoonsgegevens verwerken onder het gezag van die verwerkingsverantwoordelijke en overeenkomstig zijn instructies; zie HvJ 22 juni 2023, C-579/21, Pankki S, ECLI:EU:C:2023:501, punten 73-74.
Vgl. met betrekking tot de Wbp de beschikkingen van de HR van 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4663 (Dexia/verweerder S.) en ECLI:NL:HR:2007:AZ4664 (Dexia/verweerder N.), rov. 3.4 en ECLI:NL:HR:2007:BA3529 (HBU/verweerders), rov. 3.6.
Zie mijn conclusie (onder 3.36 e.v.) vóór HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2378, RvdW 2019/98 (art. 81 lid 1 RO). Dit is overigens niet anders bij een verzoek tot openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo), voorheen Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Ook daarbij hoeft geen belang te worden aangetoond. Zie voor recente nationale rechtspraak over misbruik van het inzagerecht: G.J. Zwenne, T&C Privacy- en gegevensbeschermingsrecht, commentaar op art. 15 AVG, aant. 1.
Art. 4, punt 1, AVG definieert dit begrip als “alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon” en verduidelijkt dat “als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon”.
HvJ 20 december 2017, C-434/16, Nowak, ECLI:EU:C:2017:994, punt 34. Het ging in die zaak om de vraag of schriftelijke antwoorden op een beroepsexamen en de eventuele opmerkingen van de examinator bij deze antwoorden persoonsgegevens zijn. Die vraag moet volgens het HvJ bevestigend worden beantwoord.
Herhaald in o.m. HvJ 4 mei 2023, C-487/21, F.F./Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF, ECLI:EU:C:2023:369, punten 23-25 en HvJ 22 juni 2023, C-579/21, Pankki S, ECLI:EU:C:2023:501, punten 42-44.
Zie HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:658 (Openbaarheid civiele procedure), rov. 3.3.1.
Zie HvJ 4 mei 2023 C-487/21, F.F./Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF, ECLI:EU:C:2023:369, punt 26 en HvJ 22 juni 2023, C-579/21, Pankki S, ECLI:EU:C:2023:501, punt 45.
Art. 4, punt 2, AVG definieert dit begrip als “een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens”.
HvJ 24 februari 2022, C-175/20, Valsts ieņēmumu dienests, ECLI:EU:C:2022:124, punt 35.
EDPB, Guidelines 01/2022 on data subject rights – Right of access, version 2.0, vastgesteld op 28 maart 2023, p. 32, punt 97.
Zie de in de vorige voetnoot genoemde vindplaats.
EDPB, Guidelines 01/2022 on data subject rights – Right of access, version 2.0, aangenomen op 28 maart 2023, p. 13, punt 23.
HvJ 4 mei 2023, C-487/21, F.F./Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF, ECLI:EU:C:2023:369.
https://www.autoriteitpersoonsgegevens.nl/themas/basis-avg/privacyrechten-avg/recht-op-inzage#dit-krijgt-u-bij-inzage (laatst geraadpleegd op: 10 april 2024).
Zie ook punt 169 van de Guidelines.
Zie HvJ 4 mei 2023, C-487/21 (F.F./Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF), ECLI:EU:C:2023:369, punt 44 en HvJ 22 juni 2023, C-579/21, Pankki S, ECLI:EU:C:2023:501, punt 80.
Zie over de uitleg van art. 23 AVG: EDPB, Guidelines 10/2020 on restrictions under Article 23 GDPR, version 2.1, aangenomen op 13 oktober 2021.
Aldus ook H.R. Kranenborg & L.F.M. Verhey, De Algemene verordening gegevensbescherming in Europees en Nederlands perspectief (SBR Wetenschap), Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 340.
Vgl. de beschikkingen van de Hoge Raad van 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4663 (Dexia/verweerder S.), ECLI:NL:HR:2007:AZ4664 (Dexia/verweerder N.), beide rov. 3.6.1. Ik heb er in een eerdere conclusie op gewezen dat dit standpunt niet geheel onomstreden is; zie voetnoot 76 van mijn conclusie vóór HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2378, RvdW 2019/98 (art. 81 lid 1 RO), met verwijzing naar o.m. de conclusie van A-G Sharpston, ECLI:EU:C:2013:83 (punt 84) vóór het arrest HvJ 17 juli 2014, C-141/12 en C-371/12, YS e.a./IND, ECLI:EU:C:2014:2081. Er zijn m.i. sindsdien geen nieuwe ontwikkelingen in de rechtspraak die ertoe nopen aan te nemen dat de verwerkingsverantwoordelijke niet onder het begrip ‘anderen’ valt.
HvJ 26 oktober 2023, C-307/22, FT/DW (Copies du dossier médical), ECLI:EU:C:2023:811.
Zie arrest FT/DW, punt 63 e.v.
HR 26 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1985, NJ 2018/431, rov. 3.4.2.
Vordering tot cassatie in het belang der wet van 26 augustus 2022, ECLI:NL:PHR:2022:762.
HR 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1670.
Voetnoot 1 in origineel: Vergelijk ABRvS 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:452, r.o. 7.1; ABRvS 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:312, r.o. 5.2; ABRvS 7 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1519, r.o. 4.3; ABRvS 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:292, r.o. 4.1.
Bijlage 1 bij het inleidend verzoekschrift.
Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 7 december 2021, p. 2 en 4.
Zie ook zittingsnotitie in eerste aanleg van 2 maart 2022 onder 11 (1) en 14.
Zie ook het proces-verbaal van de aanvullende mondelinge behandeling van 2 maart 2022, p. 3.
Voetnoot 3 in origineel: Vergelijk conclusie AG Hartlief van 26 augustus 2022, ECLI:NL:PHR:2022:762, nrs. 7.2 t/m 7.6.
Voetnoot 4 in origineel: Vergelijk in een niet-civiele zaak, in het kader van het vereiste van een “fair hearing”: EHRM 22 mei 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:0522.
Het zou overigens ook een tamelijk willekeurig criterium zijn, omdat niet altijd een moment is te markeren waarop een procedure definitief is afgewend. In dit verband is ook te wijzen op het standpunt van de rechtbank Noord-Holland (zie rov. 20.2) dat de afwegingen in de onderhandelingen ook achteraf vertrouwelijk dienen te blijven, alleen al om te voorkomen dat er eventueel discussie – en, zo voeg ik toe, mogelijk een procedure – zou kunnen ontstaan over de gemaakte afspraken.
Zie par. 7.5 van de genoemde vordering tot cassatie in het belang der wet. Zie ook de conclusie van A-G Hartlief, ECLI:NL:PHR:2023:574(onder 5.12) vóór de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1682.
Zie verweerschrift Staat onder 1.4.
Vgl. HvJ 22 juni 2023, C-579/21, Pankki S, ECLI:EU:C:2023:501, m.n. punten 84 en 88.
Zie het beroepschrift, p. 4 onder 4 en p. 7 onder 6.
Het verweerschrift in cassatie wijst in dit verband in voetnoot 43 naar de volgende vindplaatsen in eerste aanleg: het aanvullend verzoekschrift, p. 5-6 en de pleitnotities in eerste aanleg van 2 maart 2022 onder 8.
De Staat gaat daar in zijn verweerschrift in cassatie (onder 4.83) ook van uit.
De op rechtspraak.nl gepubliceerde versie van de beschikking heeft evenmin een overweging met nummer 39, dus de klacht kan ook niet zijn gericht tegen een ‘andere’ rov. 39.
Zie o.m. ABRvS 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1993, rov. 5.4. Het hof haalt enkele oudere uitspraken van de Afdeling aan in rov. 16.5. Zie met verwijzing naar diezelfde uitspraken ook Zwenne, T&C Privacy- en gegevensbeschermingsrecht, commentaar op art. 15 AVG, aant. 1-slot.
Zie de brief van 6 februari 2023 (abusievelijk gedateerd op 6 februari 2022) van de advocaat van [verzoekster] aan het hof. Zie voor de toelichting hierop de spreeknotities van de advocaat van [verzoekster] van 14 februari 2023, p. 6-8, i.h.b. p. 7.
Zie de pleitnota van de advocaten van de Staat van 14 februari 2023 onder 1.3.
Vgl. over deze gang van zaken ook het verweerschrift van de Staat in cassatie onder 4.93.
Het onderdeel verwijst daarbij naar het verzoekschrift van 31 maart 2020 (kennelijk is hier bedoeld: het inzageverzoek van 31 maart 2021) en meer specifiek het formulier privacyverzoek waarbij [verzoekster] bij het punt ‘(niet) verwijderen van mijn persoonsgegevens’ heeft opgemerkt: “Hier zal ik – na inzage – op terugkomen”. Het inzagerecht gaat inderdaad aan de uitoefening van andere rechten (zoals wissing, rectificatie etc.) vooraf.
Zie EDPB, Guidelines 01/2022 on data subject rights – Right of access, version 2.0, vastgesteld op 28 maart 2023, p. 5 (derde alinea): “The assessment of the request should reflect the situation at the moment when the request was received by the controller. (…) Data that has already been deleted, for example in accordance with a retention policy, and therefore is no longer available to the controller, cannot be provided.”.
Beroepschrift 04‑07‑2023
PROCESINLEIDING IN EEN VERZOEKSCHRIFTPROCEDURE
Verzoekster tot cassatie is:
mevrouw [verzoekster], wonende te [woonplaats], hierna: [verzoekster], voor deze zaak domicilie kiezende te (2582 GM) Den Haag aan de Statenlaan 28, ten kantore van Alt Kam Boer advocaten van wie mr. H.J.W. Alt, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, door requirante als zodanig is aangewezen om haar te vertegenwoordigen in na te melden cassatieprocedure
Verweerder te dezen is:
de STAAT DER NEDERLANDEN (meer in het bijzonder het gerechtsbestuur van de rechtbank Noord-Holland), zetelend in Den Haag, voor wie in hoger beroep als procesadvocaat is opgetreden mevrouw mr. M.M.C. van Graafeiland, kantoorhoudende te (2594 AC) Den Haag aan de Bezuidenhoutseweg 57 (Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn B.V.);
[verzoekster] stelt hierbij cassatieberoep in tegen de beschikking van het gerechtshof Den Haag (hof) van 23 mei 2023, gewezen onder zaaknummer 200.314.460/011., hierna: de beschikking;
[verzoekster] voert tegen de beschikking het volgende middel van cassatie aan:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid medebrengt, doordat het hof bij de aangevallen beschikking heeft overwogen en beslist gelijk in de beschikking vermeld — hier als herhaald en ingelast te beschouwen — ten onrechte om één of meer van de navolgende — zo nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen — redenen:
A. Kern van de zaak
1
Deze zaak betreft het inzagerecht ex art. 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de beperkingen ervan ex (art. 9 AVG), art. 15 lid 4 AVG, art. 23 lid 1 onder i AVG en art. 41 lid 1 onder i van de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (UAVG). Het belang hiervan is dat dit inzagerecht de betrokkene in staat stelt (1) om te controleren of de verwerking van de persoonsgegevens rechtmatig is gebeurd en (2) om gebruik te maken van de rechten die hiermee verband houden, zoals recht op rectificatie en recht op wissing. Zonder inzage zijn deze rechten dus illusoir. Een verzoek tot inzage richt zich tot de verwerkingsverantwoordelijke en eventueel ook tot de verwerker.
2
In casu heeft het volgende te gelden. [verzoekster] was in dienst bij de rechtbank Noord-Holland. Op een gegeven moment was sprake van arbeidsongeschiktheid, en als gevolg kwam daar later een arbeidsgeschil bij. Er is onder andere sprake geweest van mediation. Dit heeft ertoe geleid dat de rechtbank Noord-Holland aan de Raad voor de Rechtspraak (RvdR) advies heeft gevraagd. De arbeidsovereenkomst is uiteindelijk tot een einde gekomen door middel van een vaststellingsovereenkomst. [verzoekster] heeft naar aanleiding van haar personeelsdossier bij de RvdR op grond van art 15 lid 1 van de AVG om inzage verzocht (inzagerecht).
3
De reden van [verzoekster] om inzage te verzoeken is dat zij in dat personeelsdossier diverse tegenstrijdigheden c.q. onvolkomenheden had geconstateerd. [verzoekster] had hierbij onder meer het sterke vermoeden dat er meer informatie over haar met relevante partijen als LDCR was gedeeld dan uit de haar beschikbare stukken bleek. Ze vermoedt dat er stukken zijn waarmee zij in een kwaad (of slechter) daglicht is komen te staan hetgeen haar toekomstige (arbeids)mogelijkheden sterk beperkt. Rechtbank Noord-Holland heeft dit steeds ontkend, hoewel [verzoekster] dit heeft onderbouwd met e-mails die haar standpunten ondersteunen en waaruit deze verdere verwerking wel blijkt (zie e-mails aan hof d.d. 6 februari 2023). Daarnaast geldt dat sommige stukken die aantoonbaar aanwezig zijn — zoals de adviesaanvraag en het advies van RvdR en Rechtbank Noord-Holland — nadrukkelijk niet ter inzage worden gegeven. De Rechtbank Noord-Holland heeft hierbij een beroep op haar onderhandelingsbelang gedaan. Het hof acht dat beroep terecht en voegt er zelfs aan toe dat de rechtbank Noord-Holland kennelijk het recht heeft om inzage te weigeren vanwege het beginsel van ‘equality of arms’ zoals neergelegd in art. 6, lid1 EVRM.
4
[verzoekster] heeft haar verzoek tot inzage (bij brief van 31 maart 2021) gericht tot de RvdR. De RvdR heeft vervolgens de brief doorgestuurd naar de rechtbank Noord-Holland die — na een eenzijdige verlenging van de beslistermijn (bij brief van 21 april 2021) — het inzageverzoek als verwerkingsverantwoordelijke heeft afgehandeld (bij brief van 29 juni 2021) met een bijlage A: overzicht verwerking persoonsgegevens en bijlage B: overzicht van rechten in het kader van de verwerking van persoonsgegevens. [verzoekster] acht het overzicht in bijlage A verre van compleet en heeft op 10 juli 2021 zowel de rechtbank Noord-Holland als de RvdR aangeschreven, waarbij zij nogmaals heeft verzocht om verstrekking van alle documenten die in haar inzageverzoek stonden. Bij brief van 14 juli 2021 heeft de rechtbank Noord-Holland verwezen naar haar brief van 29 juni 2021. De RvdR heeft in haar e-mail van 5 augustus 2021 het verzoek niet verder in behandeling genomen, maar verwijst onder meer naar de mogelijkheden van inzet van verdere rechtsmiddelen.
5
[verzoekster] heeft de rechtbank Den Haag verzocht om de rechtbank Noord-Holland te bevelen om [verzoekster]s inzageverzoek alsnog volledig toe te wijzen. De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 23 september 2021 de zaak ter verdere behandeling verwezen naar de rechtbank Rotterdam. De rechtbank Rotterdam heeft ter zitting van 7 december 2021 geoordeeld dat zij [verzoekster] in de gelegenheid stelt om het verzoekschrift nader aan te vullen, en heeft de rechtbank Noord-Holland vervolgens in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Bij brief van 20 december 2021 heeft [verzoekster] haar inzageverzoek/verzoekschrift aangevuld en tevens verzocht om toekenning van materiële en immateriële schadevergoeding. De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 13 april 2022 de verzoeken van [verzoekster] afgewezen.
5.
[verzoekster] heeft tijdig hoger beroep ingesteld bij het hof. Het hof heeft de beschikking van 13 april 2022 bekrachtigd en de verzoeken van [verzoekster] afgewezen.
6
[verzoekster] kan zich met de uitspraak van het hof niet verenigen en voert tegen de beschikking dan ook de navolgende klachten aan.
B. Klachten
I. Klacht tegen rovv. 16.1 t/m 16.5
Dit oordeel is gericht tegen rovv. 14 t/m 16 en in het bijzonder tegen rovv. 16.1 t/m 16.5 waarin het hof in de kern als volgt oordeelt:
- i.
Dat rechtbank Noord-Holland met haar brief van 29 juni 2021 en de daarbij behorende bijlagen A en B voldoende aan haar inzagerecht zou hebben voldaan (rov. 16.2);
- ii.
Dat iets anders door [verzoekster] ook niet is betoogd (rov. 16.2);
- iii.
Dat zou zijn voldaan aan art. 5 AVG (rov. 16.3);
- iv.
Dat nadien aan [verzoekster] nog stukken ter beschikking zijn gesteld omdat deze niet meer in het voor [verzoekster] toegankelijke digitale P-Direkt dossier zaten, niet wil zeggen dat in strijd met de AVG is gehandeld (rov. 16.4);
- v.
Het is aan verzoeker om aannemelijk te maken dat een bepaald document toch is (rov. 16.5).
Het hof geeft in rovv. 16.1 t/m 16.5, in het bijzonder oordelend zoals weergegeven onder i t/m v, hetzij blijk van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij is het oordeel zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd. Dit om navolgende, ook in onderling verband te lezen, redenen:
- 1.
In rov. 16.2 geeft het hof oordelend onder i en ii blijk van een onjuiste rechtsopvatting dan wel het oordeel is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd omdat bijlage A die bij brief van 29 juni 2021 is verstrekt, een (te) summier overzicht bevat, waaruit niet blijkt welke verwerkingen er exact hebben plaatsgevonden ten aanzien van [verzoekster]. Zo is het onduidelijk welke documenten onder de betreffende categorieën moeten worden geplaatst. Immers, datum van binnenkomst, datum van verwerking, omschrijving van het document, afzender, doorzender, etc. ontbreken. Het is derhalve onduidelijk welke verwerkingen hebben plaatsgevonden (zie ook art. 30 AVG). Of de verwerking van persoonsgegevens rechtmatig is geschied, kan met deze summiere informatie niet worden gecontroleerd.
- 2.
Het hof miskent in rov. 16.2 sub ii dat [verzoekster] wel degelijk iets anders betoogt. [verzoekster] heeft namelijk wel degelijk betoogd dat de brief van 29 juni 2021 en de daarbij behorende bijlage A en B onvoldoende zijn.2. Zo zijn er zowel in eerste aanleg3. als in hoger beroep4. stukken overgelegd die dit onderschrijven. Daarop is het hof in zijn beschikking niet nader ingegaan. In haar spreeknotities p. 7 vanaf de 7e regel geeft [verzoekster] aan dat en waarom uit deze twee overgelegde mails blijkt dat en waarom het ongeloofwaardig is dat er meer persoonsgegevens zijn verwerkt dat reeds zijn gegeven:
‘Ten aanzien van verzoek onder 8 in r.o. 4.20, 4.21 en 4.22 zegt de beschikking Rotterdam:
‘het zou voorts gaan om correspondentie waarin geen persoonsgegevens worden verwerkt’.
Dit nu is aantoonbaar onjuist. Ten bewijze daarvan gelden de nagestuurde e-mails:
- 1.
Een email d.d. 16 juli 2019 van Vink (Rb Noord-Holland) aan Niesink en Meijerink van LDCR. Daarin forward Vink de email van Achmea Rechtsbijstand die zij heeft ontvangen inzake het arbeidsconflict. Deze verwerking is door de Rechtbank Noord-Holland niet ter inzage gegeven. Deze email was al toegevoegd als bijlage 2 bij het aanvullend verzoekschrift. Het toont overduidelijk aan dat er emailverkeer heeft plaatsgevonden tussen rechtbank en LDCR met persoonsgegevens van [verzoekster].
- 2.
Een email van het Contact Center van P-Direkt aan [verzoekster] d.d. 3 maart 2022 met een chronologisch overzicht van ontvangen e-mails van Rb Noord-Holland met documenten, betreffende [verzoekster] na haar uitdiensttreding. Deze correspondentie bevat persoonsgegevens van [verzoekster]. Deze verwerking is echter niet ter inzage gegeven. (…)’
Onbegrijpelijk is dus het onderdeel onder ii, althans niet toereikend gemotiveerd. Voorts laat het hof deze geciteerde essentiële stellingen onbesproken. Die zijn essentieel omdat die — in de visie van [verzoekster] — aantonen dat er weldegelijk meer aan persoonsgegevens is verwerkt dan de Rechtbank Noord-Holland aangeeft en bijlage A dus te summier is.
- 3.
Het is als gevolg van het summiere overzicht in bijlage A onduidelijk welke stukken de rechtbank Noord-Holland al dan niet heeft verwerkt ten aanzien van [verzoekster] (zie ook hiervoor). Het is ook onduidelijk aan wie de stukken overigens nog meer zijn verstrekt. Dit valt niet te controleren. Immers, niet alle stukken zijn verstrekt — zoals de rechtbank Noord-Holland tracht te motiveren, maar [verzoekster] heeft weersproken. Hierdoor valt ook niet te controleren of is voldaan aan de voorwaarde van art. 5 AVG. Het oordeel van het hof in rov. 16.3 t/m 16.5 geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel het oordeel is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
II. Klacht tegen rovv. 17, 23.1 t/m 23.5 en 24
Het hof heeft in rov. 17 opgemerkt dat zij per onderdeel zal beoordelen of het oordeel van de rechtbank, gelet op de bezwaren van [verzoekster], in dat onderdeel, in stand kan blijven.
In rov. 18 t/m 24 gaat het hof nader in op de adviesaanvraag en advies inzake de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het hof komt in rov. 24 tot het oordeel dat het recht van de rechtbank Noord-Holland om inzage te weigeren gerespecteerd dient te worden, in die zin dat het volledige inzageverzoek van [verzoekster] op dit punt afgewezen wordt. Dit onderdeel is gericht tegen rov. 23.1 t/m 23.5 en 24, waarin het hof in essentie overweegt:
- a.
dat de rechtbank Noord-Holland er een zwaarwegend belang bij heeft om in vrijheid en beslotenheid haar standpunt in het arbeidsgeschil met [verzoekster] te kunnen bepalen en de verdediging tegen of het instellen van een rechtsvordering of verzoek voor te bereiden, dat het daarvoor noodzakelijk is dat de Rechtbank Noord-Holland in beslotenheid kan overleggen met de RvdR, en dat het niet geven van inzage noodzakelijk is om een ongestoorde gedachtewisseling te kunnen waarborgen tussen de Rechtbank Noord-Holland en de RvdR (rov. 23.1);
- b.
dat inzage zou afdoen aan het beginsel van equality of arms (art. 6 lid 1 EVRM), aangezien de Rechtbank Noord-Holland geen recht heeft op inzage in de standpuntbepaling van [verzoekster] (rov. 23.2);
- c.
dat het recht om inzage te weigeren ook bescherming verdient nadat het arbeidsgeschil opgelost is, omdat anders de Rechtbank Noord-Holland en de RvdR er vooraf al rekening mee zouden moeten houden dat nadien inzage gegeven moet worden, wat in onevenredige mate afbreuk zou doen aan een ongestoorde gedachtewisseling (rov. 23.3);
- d.
dat het inzageverzoek specifiek de waarderingen en/of beoordelingen van de in het arbeidsgeschil aan de orde zijnde feiten betreft, dat niet in te zien is hoe inzage in die waarderingen en/of beoordelingen mogelijk is zonder dat [verzoekster] inzage krijgt in de gedachtewisseling tussen de Rechtbank Noord-Holland en de RvdR, en dat het uitsluitend noemen van de beschouwde feiten geen redelijk werkbaar alternatief is, omdat de selectie van die feiten onlosmakelijk verbonden is met de waardering en/of beoordeling daarvan (rov. 23.4); en
- e.
zodat het recht van de Rechtbank Noord-Holland om inzage te weigeren, gerespecteerd dient te worden, in die zin dat het inzageverzoek van [verzoekster] dient te worden afgewezen (rov. 24).
Het hof geeft in het oordeel onder a t/m e hetzij blijk van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij is het oordeel zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd. Dit om navolgende, ook in onderling verband te lezen redenen.
- 1.
Het hof miskent onder a t/m e dat krachtens de AVG het inzagerecht alleen kan worden beperkt op basis van een wettelijkegrondslag en dat deze wettelijke grondslag voor gevallen waarin inzage kan worden geweigerd is geregeld in (art. 9 AVG), art. 15 lid 4 AVG, art. 23 AVG en art. 41 UAVG. Het hof miskent dus dat die wettelijke grondslag in casu niet kan worden gevonden in het door het hof omarmde beginsel van equality of arms van art. 6 EVRM (rov. 23.2) temeer niet nu er geen sprake (meer) is van een procedure, nu naar tussen partijen vaststaat (rovv. 23.3 en 23.4) het arbeidsgeschil reeds is opgelost door middel van een vaststellingsovereenkomst.
2.
Art. 6 EVRM ziet bovendien op de gerechtelijke procedure en geeft geen waarborgen voor het proces van onderhandelingen buiten rechte. Nu het proces ter beslechting van het arbeidsgeschil heeft plaatsgevonden buiten rechte, is art. 6 EVRM in casu niet van toepassing.5. Er dient dus te worden teruggevallen op het bepaalde in art. 23 AVG en art. 41 UAVG. Bovendien is het geschil beëindigd en zou het beroep op ‘equality of arms’ alleen daarom al moeten komen te vervallen. Het inzagerecht kan niet volledig en voor altijd worden beperkt, zoals het hof lijkt te oordelen.
3.
Indien en voor zover het hof onder a t/m e — zonder het te noemen — het oog heeft gehad op art. 15 lid 4 AVG: de rechten en vrijheden van anderen, valt allereerst zonder nadere toelichting niet in te zien6. dat en waarom door inzage van de stukken rechten en vrijheden van anderen in gevaar komen, nu de procedure voorbij is en namen van betrokken medewerkers kunnen worden geanonimiseerd. [verzoekster] heeft in dat kader aangevoerd dat zo nodig passages kunnen worden weggelakt.7. Het oordeel van het hof is om die reden onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
4.
Daarnaast miskent het hof onder a t/m e indien het mede het oog heeft op art. 15 lid 4 AVG dat honorering van een beroep op dat artikel niet mag betekenen dat betrokkene alle informatie wordt onthouden. De beperking mag dan ook niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is.8. Andere beperkingen zijn dus niet mogelijk. De betrokkene moet te allen tijde de mogelijkheid hebben tot inzage en vervolgens tot rectificatie en wissing van zijn persoonsgegevens en de verwerkingen ervan.
5.
Het hof miskent dus hoe dan ook in zijn onderdeel onder a t/m e dat een beroep op het onderhandelingsbelang door de Staat geen legitieme beperking is in het kader van de AVG/UAVG en dat geldt evenmin voor een beroep op art. 6 EVRM (fair trial), tenzij het verbonden is met de rechten en vrijheden van anderen, maar dat dient dan gemotiveerd te worden en zoveel mogelijk beperkt in omvang en tijd. Door zowel het onderhandelingsbelang als art 6 EVRM op te voeren als de grondslag voor de beperking van het inzagerecht en dat bovendien te doen zonder beperking in omvang en tijd, geeft het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het oordeel onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
6.
Daarbij miskent het hof ook overigens onder a t/m e dat, nu — naar vaststaat — dat het arbeidsconflict middels een vaststellingsovereenkomst is beslecht, de Rechtbank Noord-Holland geen zwaarwegend belang (meer) heeft om in vrijheid en beslotenheid een standpunt in het arbeidsgeschil met [verzoekster] te bepalen en de verdediging tegen of het instellen van een rechtsvordering/verzoek voor te bereiden (rov. 23.1). Evenmin valt in te zien, zoals het hof eveneens in rov. 23.1 overweegt dat en waarom de verzochte inzage onevenredige afbreuk doet aan een ongestoorde gedachtewisseling en het (achteraf) niet geven van inzage is dus noodzakelijk om deze ongestoorde gedachtewisseling te kunnen (blijven) waarborgen. Die ongestoorde gedachtewisseling is immers met de beëindiging van het geschil middels een vaststellingsovereenkomst tot een einde gekomen. Nadien mist de Rechtbank Noord-Holland elk belang nog.
7.
Althans is rechtens onjuist, dan wel onvoldoende gemotiveerd dat het, aldus kennelijk het hof onder a t/m e gaat om een zwaarwegend belang, dus een belang dat aan inzage in de weg staat, bij een ongestoorde gedachtewisseling. Niet valt in te zien dat en waarom dit voor toekomstige onderhandelingen door de Rechtbank en/of de RvdR van belang kan zijn en of dat dan niet — indien dat gevaar zou bestaan — dat gedeelte dan niet onleesbaar kan worden gemaakt.
8.
Voorts miskent het hof — voor zover het oordeel onder a t/m e het oog heeft op het feit dat ambtenaren zich intern (moeten kunnen) uitlaten over een andere ambtenaar zonder dat er aan de andere ambtenaar weerwoord wordt gevraagd — dat juist in een dergelijke situatie die andere ambtenaar recht en belang heeft om te kunnen inzien wat er over hem of haar is gezegd en zo nodig schoning van het dossier moet kunnen vragen9.. Dat heeft juist het omgekeerde effect als het hof voor ogen heeft: de wetenschap bij — in casu — de Rechtbank Noord-Holland en de RvdR dat mogelijk ooit inzage gegeven zou moeten worden in de gedachtewisseling, garandeert, althans bevordert dat bij de voorbereiding van onderhandelingen uitsluitend zakelijke argumenten gebezigd worden (en dat bijvoorbeeld geen subjectieve gedachten over een bepaald persoon worden geuit, er bijv. niet geroddeld wordt of zelfs opzettelijk onjuiste informatie wordt gegeven). Ook vanuit dit perspectief getuigt een ongestoorde gedachtewisseling als weigeringsgrond in de gegeven omstandigheden, te weten wanneer het arbeidsconflict reeds beslecht is middels een vaststellingsovereenkomst, van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
9.
Het getuigt voorts van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk dat ‘equality of arms’ (onder b) een rol zou kunnen spelen inzake het inzagerecht van een betrokkene. Het hof miskent dat beperkingen op het inzagerecht moet zijn gebaseerd op de wet (de AVG). Het beginsel of ‘equality of arms’ heeft geen wettelijke basis in de AVG. De AVG is gebaseerd op het grondrecht van privacy en bevat bescherming tegen onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens. Persoonsgegevens zijn gegevens betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (zie art. 4 lid 1 AVG). De rechtbank is geen natuurlijk persoon en kan dus nooit een beroep doen op een inzagerecht; dat komt haar namelijk niet toe. Slechts medewerkers die identificeerbaar zouden zijn in stukken die ter inzage worden gegeven kunnen een beroep op de AVG doen en een beperking inroepen van het inzagerecht van de betrokken natuurlijke persoon. Ook dan mag, volgens het Europees hof, het inzagerecht niet volledig worden afgewezen. Wel mogen de gegevens worden afgeschermd, etc. Zie ook het Nowak-arrest10. en IND-arrest.11. Afscherming is ook een alternatief dat door [verzoekster] is voorgesteld.12.
10.
Althans had het hof in elk geval beter moeten motiveren dat en waarom het sub d (rov. 23.4) genoemde en door [verzoekster] aangedragen alternatief van het enkel noemen van de beschouwde feiten en omstandigheden, geen redelijk en werkbaar alternatief vormt op grond waarvan inzage alsnog kon worden verstrekt. Het hof merkt hierover op dat de selectie en keuze van deze feiten en omstandigheden onlosmakelijk verbonden zijn met de waarderingen en/of beoordelingen daarvan. Dit oordeel van het hof is eveneens onbegrijpelijk, aangezien het hof — althans voor zover bekend — geen inzage in het betreffende document heeft gehad. Verder zouden feitelijkheden juist vrij moeten zijn van beoordelingen en waarderingen, hetgeen betekent dat subjectieve gedachten over een bepaald persoon niet zouden moeten zijn opgenomen. Daarenboven kan men zich dan ook afvragen of het op schrift stellen van een gedachtewisseling zonder enige reden daartoe, gerechtvaardigd is onder de AVG. Hierbij wordt tenslotte verwezen naar de belangrijke arresten inzake het Inzagerecht van HvJ EU: het zogenaamde Nowak arrest ( HvJ EU, 20-12-2017, nr. C-434/16 ECLI:EU:C:2017:99413.) en het IND arrest (HvJEU 17-07-2014, nr. C-141/12, nr. C-372/12 ECLI:EU:C:2014:2081),14. waaruit volgt dat een betrokkene de bescherming van het grondrecht op eerbiediging van het privéleven onder meer inhoudt dat elke natuurlijke persoon zich ervan kan vergewissen dat zijn persoonsgegevens nauwkeurig zijn en rechtmatig worden verwerkt, of het nu gaat om examenantwoorden en de opmerkingen van een examinator of om verwerkte persoonsgegevens van de IND.
11.
In deze casus staat niet ter discussie dat in de adviesaanvraag en het advies persoonsgegevens zijn verwerkt van [verzoekster]. In beginsel heeft [verzoekster] daarom het recht tot inzage, rectificatie, wissing en beperking van de verwerking. Met inachtneming van de rechtspraak van het hof van Justitie EU is beperking daarvan slechts mogelijk onder zeer zwaarwegende omstandigheden, als omschreven in AVG en uitgewerkt in de rechtspraak. Hier voert Rechtbank Noord-Holland slechts haar eigen belang aan om deze documenten niet ter inzage te geven en dat is volstrekt onvoldoende. Als gezegd dient in beginsel altijd inzage te worden gegeven in de verwerking van persoonsgegevens van betrokkene, opdat deze eventueel haar recht op rectificatie, recht op wissing en beperking van de verwerking kan uitoefenen. Zonder inzage zijn ook die rechten illusoir. Waar de rechten van derden in het geding zijn wijst HvJEU volledige inzage niet af maar overweegt zij dat een praktische oplossing moet worden gevonden.
12.
De uitleg van HvJ EU geeft aan dat de rechten van betrokkene voorrang hebben en het aan de verwerkingsverantwoordelijke is het verwerkingsproces- inclusief het bewaren van documenten- zo te organiseren dat betrokkene deze rechten daadwerkelijk kan uitoefenen met inachtneming van de rechten en vrijheden van derden of anderen. Het kan nooit betekenen, zoals in deze casus, dat het inzagerecht in zijn geheel niet kan worden uitgeoefend, en als gevolg daarvan evenmin het recht op rectificatie, wissing en beperking van de verwerking, zoals neergelegd in de AVG. (art 16 t/m 23). In rov. 58 van het IND arrest15. geeft HvJ EU aan dat betrokkene eventueel een afschrift kan krijgen van het originele document of bestand waarin die andere informatie onleesbaar is gemaakt. Het feit dat Rechtbank Noord-Holland stelt dat dit niet uitvoerbaar is kan niet de doorslag geven. De verwerkingsverantwoordelijke dient inzage te faciliteren en, indien nodig, in evenwicht te brengen met de rechten en vrijheden van anderen. [verzoekster] heeft, als gezegd, erop gewezen dat desnoods delen kunnen worden geblindeerd.16.
III. Klacht tegen rov. 28
Dit oordeel is gericht tegen rov. 2817., waarin het hof overweegt:
‘Zoals reeds hierboven is overwogen, maakt het enkele uitvoeren van een zoekslag niet dat de AVG is geschonden. Voorts geldt dat de mededeling van de rechtbank Noord-Holland dat naar aanleiding van dit onderzoek niet is gebleken dat dat er geen verdere documenten (meer) zijn niet ongeloofwaardig voorkomt. Dit ook omdat er in de loop van de tijd nog nadere stukken aan [verzoekster] zijn toegestuurd zoals ook door de rechtbank is overwogen. Vervolgens heeft [verzoekster] niet aannemelijk gemaakt dat er niettemin nog andere documenten zijn met persoonsgegevens van [verzoekster] die de rechtbank Noord-Holland verwerkte op het moment dat zij haar verzoek deed. Ook op dit punt is er dan ook geen grond anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.’
Het hof miskent in dit oordeel in rov. 28 dat het zoeken naar iemands persoonsgegevens ook een vorm is van verwerking van persoonsgegevens, zodat het inzagerecht ook geldt voor deze zoekslag. Ter onderbouwing van deze klacht wijst [verzoekster] erop te wijzen dat het opvragen van persoonsgegevens (wat gebeurt bij het zoeken naar die gegevens) een vorm van verwerking van die gegevens is (art. 4 aanhef en cijfer 2 AVG), en dat volgens de Guidelines 01/2022 on data subject rights — Rights of access18. (blz. 4 en 33) van de European Data Protection Board ‘search activities’ ook onder het inzagerecht vallen.
IV. Klacht tegen rov. 33 en rovv. 37, 39 en 46
In rov. 33 oordeelt het hof inzake het verwerkingsregister:
‘Het hof wijst het verzoek van [verzoekster] af. De stelling van [verzoekster] dat het niet erg moeilijk kan zijn om persoonsgegevens van [verzoekster] uit het verwerkingsregister af te leiden — haar te identificeren — is niet toegelicht. Ook anderszins valt niet in te zien hoe dit zou kunnen. Op dit punt is van belang dat art. 30 AVG omschrijft wat het verwerkingsregister behelst en welke gegevens daarin moeten worden opgenomen. Hieruit blijkt dat in het register zelf geen individuele persoonsgegevens worden opgenomen, maar slechts een beschrijving van (onder meer) de categorieën van betrokkenen en de categorieën van persoonsgegevens in het kader van verwerkingsactiviteiten. Deze informatie heeft de rechtbank Noord-Holland echter reeds verstrekt in bijlage A en B bij de brief van 29 juni 2021, zodat [verzoekster] reeds op deze manier zich van de verwerking op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. In hoeverre [verzoekster] dan nog belang heeft bij de inzage in het verwerkingsregister heeft zij niet gesteld. Dit verzoek moet dan ook worden afgewezen.’
De klacht richt zich naast rov. 33, ook tegen de rovv. 37, 39 en 46 van het hof. Hierna volgen de redenen, welke al dan niet in onderlinge samenhang moeten worden bezien.
1.
Weliswaar is juist dat het verwerkingsregister zelf geen individuele persoonsgegevens bevat, maar het verwerkingsregister is van belang om te achterhalen wie heeft kennisgenomen van correspondentie en stukken (categorieën ontvangers) en wanneer. Kortom: welke verwerkingen er hebben plaatsgevonden. Zie art. 30 AVG.
In combinatie met andere gegevens kan die informatie wel degelijk leiden tot individuele persoonsgegevens. Rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is daarom de conclusie dat de verplichting categorieën van ontvangers te vermelden automatisch betekent dat dit niet met zich meebrengt om inzage in het verwerkingsregister te geven. Het verwerkingsregister is een schakel om te achterhalen welke persoonsgegevens wanneer zijn verwerkt, althans kan dat zijn. In dit kader is de recente uitspraak van het Europees hof van belang wordt verwezen naar het arrest van HvJ EU 12 januari 202319..
2.
Op zichzelf is het juist dat het hof oordeelt dat het in beginsel aan betrokkene is om aannemelijk te maken dat in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan rust. Echter het hof miskent in rov. 33 dat er aan die stelplicht — naar de aard — geen hoge eisen kunnen en mogen worden gesteld, zeker niet als er aanwijzingen zijn van het tegendeel, nu het gaat om feiten en omstandigheden die — naar de aard — tot het domein van de wederpartij behoren. In dat kader rust er dan ook een (mogelijk zelfs een verzwaarde) stelplicht op de verwerking van persoonsgegevens voor het verstrekken van die gegevens, waaruit kan volgen welke gegevens concreet zijn verwerkt.
3.
Het hof miskent in rov. 33 bovendien, althans laat onbesproken de door [verzoekster] ten behoeve van de mondelinge behandeling in hoger beroep overgelegde correspondentie (e-mails), waaruit volgt dat er nog meer is verwerkt dan Rechtbank Noord-Holland beweert.20. Dat geldt voor inzage in de alert, maar ook voor inzage in de correspondentie met de RvdR en het LDCR. (Wellicht ten overvloede merk ik op deze documenten niet dan wel onvoldoende wordt beschreven in de brief van 29 juni 2021 dan wel het daarbij behorende bijlage A). Dit betekent dat ook de oordelen van het hof in rov. 37, 39 en 46 onbegrijpelijk zijn, althans niet toereikend gemotiveerd, Deze stukken zijn essentieel omdat daaruit volgt dat er nog meer stukken zijn dan de rechtbank Noord-Holland heeft afgegeven, althans het hof had de rechtbank Noord-Holland moeten bevelen om een nieuwe zoekslag te doen.
4.
Voorts miskent het hof dat er t.t.v. de arbeidskwestie sprake was van ziekte. Ziekte betreft een bijzonder persoonsgegeven en verwerking hiervan is verboden (zie art. 9 AVG). Het is dus ook van belang om te weten welke verwerkingen er zijn geweest (art. 30 AVG). Immers, het is relevant om na te gaan of wel sprake is van rechtmatige verwerkingen. In rov. 33 lijkt het hof te oordelen dat bijlage A voldoet aan art. 30 AVG. Dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk omdat bijlage A (te) summier is en geen overzicht bevat van de daadwerkelijke verwerkingen (zie ook hiervoor).
Ook uit recente jurisprudentie van het HvJ, en wel meer specifiek de uitspraak van het HvJ van 4 mei 202321., blijkt dat het verkrijgen van een kopie onontbeerlijk kan zijn om de betrokkene in staat te stellen daadwerkelijk te controleren of er sprake is van een rechtmatige verwerking. Er dient een ruime uitleg te worden gegeven aan het inzagerecht. [verzoekster] heeft dan ook betwist dat bijlage A wel een volledig, begrijpelijk overzicht betreft.22. Het gegeven overzicht stelt haar niet in staat om de bij de AVG verleende rechten daadwerkelijk te kunnen uitoefenen, mede omdat niet alle documenten door de rechtbank Noord-Holland waarin haar persoonsgegevens zijn verwerkt, zijn verstrekt. Meer in het bijzonder de documenten betreffende de communicatie omtrent de alert, LDCR en RvdR. Deze staan namelijk niet eens genoemd in bijlage A.
V. Klacht tegen rov. 49
Dit onderdeel is gericht tegen rov. 49. Het hof wijst in rov. 49 het inzageverzoek af wat betreft de stukken waarvan de Rechtbank Rotterdam geoordeeld heeft dat deze aan [verzoekster] verstrekt zijn en dat er niet meer stukken zijn. Dit oordeel is rechtens onjuist, althans, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is. Het oordeel berust in essentie op de motivering dat de Rechtbank Rotterdam geoordeeld heeft dat de bedoelde stukken er volgens de Rechtbank Noord-Holland niet meer zijn en dat wat [verzoekster] in hoger beroep aangevoerd heeft, geen ander licht werpt op het inzageverzoek wat betreft deze stukken. Echter, [verzoekster] heeft in (hoger) beroep verzocht om inzage te geven in alle soorten van verwerking, dus ook in verwijdering of vernietiging van bedoelde stukken. 23. Dat het wissen of vernietigen van persoonsgegevens ook een vorm van verwerking is, blijkt uit art. 4 aanhef en cijfer 2 AVG. Het hof miskent hetzij dat [verzoekster] aldus weldegelijk recht heeft op inzage in de manier waarop de stukken zijn verwijderd en/of vernietigd zijn, althans is deze overweging in elk geval geen adequate, begrijpelijke of toereikende respons op het verzoek zoals dat in (hoger) beroep voorlag.
VI. Klacht tegen rov. 51
Dit onderdeel is gericht tegen rov. 51, waarin het hof de verzoeken tot materiële en immateriële schadevergoeding afwijst omdat er — volgens het hof — geen inbreuk op de AVG is en daarom het causaal verband ontbreekt. Het slagen van één of meer van de bovengenoemde klachten vitiëert ook rov. 51.
VII. Overige klachten
Het slagen van één of meer van de bovenvermelde klachten vitiëert ook rov. 52 en het dictum.
Weshalve:
[verzoekster] vordert op grond van dit middel de vernietiging van het arrest met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, met veroordeling van verweerder in cassatie in de kosten van het geding te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande veertien dagen na het te deze te wijzen arrest van de Hoge Raad.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 04‑07‑2023
Zie het beroepschrift in hoger beroep d.d. 12 juli 2022, onder ‘7. Verzoek onder 2 (verwerkingsregister)’, p. 8.
Zie het aanvullend verzoekschrift in eerste aanleg d.d. 20 december 2021, op diverse plaatsen wordt een opmerking over bijlage A gemaakt, zoals op p. 1, p. 5, p. 6, p. 7, p. 8, en p. 16, en op de stukken genoemd in bijlage 1 t/m 5 is door de rechtbank onvoldoende ingegaan.
Zie bijvoorbeeld de e-mail/brief van mr. Brouwer aan het hof d.d. 6 februari 2023 met daarbij een interne mail d.d. 16 juli 2019 van de Rechtbank Noord-Holland en de email van Contactenter van P-direkt.nl aan [verzoekster] d.d. 3 maart 2022.
Dat art. 6 EVRM niet van toepassing is buiten rechte blijkt onder meer uit de volgende uitspraak: de uitspraak van Rechtbank Rotterdam van 10 april 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:3430, rov. 4.8. Hierbij merk ik op dat A-G Hartlief op 26 augustus 2022 een vordering tot cassatie in het belang van de wet heeft ingesteld (ECLI:NL:PHR:2022:762). Hierin bepleit A-G Hartlief dat verdedigd kan worden dat art. 6 lid 1 EVRM verlangt dat het belang van een partij om in vrijheid en beslotenheid een standpunt te bepalen en de verdediging tegen een (rechts)vordering voor te bereiden wordt beschermd. Hier kan ook — gelet op de door de A-G aangehaalde literatuur — anders over worden gedacht. Leidend hierbij zijn de bedoeling van de AVG alsmede uitspraken van het HvJ en EHRM in deze. Als er onduidelijkheden zijn in hoeverre art. 6 EVRM moet worden begrepen onder een uitzonderingsgrond van art. 23 AVG en art. 41 UAVG, dan verdient het in de visie van [verzoekster] aanbeveling om een prejudiciële vraag hierover te stellen. Daarnaast merkt A-G Hartlief op dat art. 6 EVRM niet altijd prevaleert en dat afweging van grondrechten nodig blijft, wat ook art. 23 AVG en art. 41 UAVG verlangt (zie rov. 7.6). A-G Hartlief merkt verder hierover op dat ongestoorde pre processuele gedachtewisseling en standpuntbepaling een voorwaarde kan zijn voor een ‘praktisch en effectief’ recht op een eerlijk proces. Dat betekent natuurlijk niet dat die bescherming in elk concreet geval de doorslag geeft.. Een andere uitspraak die relevant is, is de uitspraak van gerechtshof Amsterdam van 4 maart 2015, ECLI:NL:GHAMS:2014:1905, welke ging over art. 6 EVRM in relatie tot de (oud) Wet bescherming persoonsgegevens, waarin is geoordeeld dat art. 6 EVRM een ondergeschikte rol speelt als het gaat om de afweging van belangen. Er was namelijk een eigen beoordelingskader in de Wbp. In vervolg heeft de AVG dit eigen beoordelingskader.
En is het oordeel dus onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
Vgl. zittingsnotitie d.d. 7 december 2021 mr. Ligthart in eerste aanleg, p. 8–9 mr. 19, beroepschrift mr. Brouwer, p.6, vierde en zesde woordblok.
Vgl. zittingsnotitie d.d. 7 december 2021 mr. Ligthart in eerste aanleg, p. 8 rnr. 19, beroepschrift mr. Brouwer, p.6, zesde woordblok. Zie bijvoorbeeld G.J. Zwenne in Tekst &Commentaar AVG/UAVG, in de toelichting op artikel 15, onder ‘4. Rechten en vrijheden van anderen (lid 4)’ :‘Het inzagerecht mag geen afbreuk doen aan de rechten of vrijheden van anderen. Er kan daarbij worden gedacht aan bedrijfsvertrouwelijke informatie (‘zakengeheim’ oftewel ‘trade secrets’) en intellectuele eigendomsrechten, zoals de auteursrechten waarmee software wordt beschermd. Ook valt te denken aan gegevensbeschermingsrechten van andere betrokkenen die mogelijk in combinatie met die van de verzoekende betrokkene worden verwerkt. Een en ander mag er echter niet toe leiden dat deze betrokkene alle informatie wordt onthouden. Er moet dan dus worden bezien in hoeverre vertrouwelijke of beschermde informatie kan worden afgeschermd of verwijderd uit de aan de verzoekende betrokkene te verstrekken informatie.’
Zie overigens ook de uitspraak van Rechtbank Gelderland van 24 augustus 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:7103, waarin is geoordeeld dat interne stukken niet onder een uitzonderingsgrond vallen, zoals bijvoorbeeld ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Zie ook nog de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 17 september 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2398, waarin eveneens wordt geconcludeerd dat interne stukken niet onder een uitzonderingsgrond vallen en derhalve gewoon ter inzage moeten worden verstrekt.
HvJ 20 december 2017 (Nowak), C-434/16, ECLI:EU:C:2017:994
HvJ 17 juli 2014 (IND), C-141/12 en C-372/12, ECLI:EU:C:2014:2081
[verzoekster] heeft dit reeds opgeworpen in beroep, zie het aanvullend verzoekschrift d.d. 20 december 2021, onder verzoek 14. Zie hiertoe de uitspraak van Rechtbank Rotterdam van 13 april 2021, ECLI:NL:RBROT:2022:7239, onder rov. 4.7. Dit standpunt is herhaald door [verzoekster] in het beroepschrift d.d. 12 juli 2022, p.6.
In het Nowak arrest krijgt betrokkene toch de examenantwoorden en opmerkingen van de examinator te zien. Het hof overweegt daarbij in rov. 55:‘Het is trouwens niet uitgesloten, zoals de advocaat-generaal in punt 37 van haar conclusie heeft opgemerkt, dat een kandidaat op grond van artikel 12, onder b), van richtlijn 95/46 het recht heeft om de voor de verwerking verantwoordelijke te verzoeken om zijn examenantwoorden en de opmerkingen van de examinator bij deze antwoorden na verloop van een zekere periode uit te wissen, dat wil zeggen te vernietigen. Artikel 6, lid 1, onder e), van deze richtlijn bepaalt immers dat de persoonsgegevens — in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren — in beginsel niet langer mogen worden bewaard dan voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, noodzakelijk is. Rekening houdend met het doel van de examenantwoorden van een kandidaat en de opmerkingen van de examinator bij deze antwoorden, lijkt de bewaring ervan in een vorm die het mogelijk maakt de kandidaat te identificeren a priori niet langer nodig zodra de examenprocedure definitief is afgesloten en er in deze procedure geen betwisting meer mogelijk is zodat die antwoorden en opmerkingen hun bewijskracht dan hebben verloren’.Het hof legt daarbij de nadruk op de bescherming van het grondrecht van privacy in rov. 57:‘In dit verband zij eraan herinnerd dat de bescherming van het grondrecht op eerbiediging van het privéleven onder meer inhoudt dat elke natuurlijke persoon zich ervan kan vergewissen dat zijn persoonsgegevens nauwkeurig zijn en rechtmatig worden verwerkt. Zoals uit overweging 41 van richtlijn 95/46 blijkt, beschikt de betrokkene, teneinde de nodige controles te kunnen verrichten, volgens artikel 12, onder a), van deze richtlijn over het recht om toegang te verkrijgen tot de hem betreffende gegevens die het voorwerp van een verwerking vormen. Dit recht op toegang is met name noodzakelijk om de betrokkene toe te laten om in voorkomend geval van de verwerkingsverantwoordelijke de rectificatie, uitwissing of afscherming van die gegevens te verkrijgen, en bijgevolg het in artikel 12, onder b), van die richtlijn bedoelde recht uit te oefenen (arrest van 17 juli 2014, YS e.a., C-141/12 en C-372/12, EU:C:2014:2081, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak)’.
In het IND-arrest gaat het ook om afscherming van vertrouwelijke overwegingen van ambtenaren en overweegt het hof in rov. 16:‘Tot 14 juli 2009 was het beleid van de minister om de minuut op verzoek te verstrekken. Hij heeft deze praktijk echter verlaten daar hij meende dat het grote aantal van die verzoeken een te grote werkbelasting meebracht, dat de betrokkenen de juridische analysen in de aan hen verstrekte minuut vaak verkeerd uitlegden en dat als gevolg van die verstrekking de interne gedachtewisseling binnen de immigratie- en naturalisatiedienst steeds minder in de minuut werd vastgelegd’.En vervolgt in rov. 17:‘Sindsdien worden verzoeken om verstrekking van een minuut systematisch afgewezen. In plaats van een afschrift van de minuut ontvangt de verzoeker thans een overzicht van de persoonsgegevens in dat document, daaronder begrepen informatie over de herkomst van die gegevens en over de instanties waaraan zij eventueel zijn meegedeeld’.Dat is onvoldoende, aldus het hof in deze uitspraak en overweegt daarbij in rov. 44:‘Wat deze in richtlijn 95/46 bedoelde rechten van de betrokkene betreft, moet worden vastgesteld dat de bescherming van het fundamentele recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer met name impliceert dat de betrokkene zich ervan kan vergewissen dat zijn persoonsgegevens juist zijn en rechtmatig worden verwerkt. Zoals blijkt uit punt 41 van de considerans van deze richtlijn, moet de betrokkene, teneinde de nodige controles te kunnen verrichten, krachtens artikel 12, sub a, daarvan over het recht beschikken om toegang te verkrijgen tot de hem betreffende gegevens die het voorwerp van een verwerking vormen. Dit recht op toegang is met name noodzakelijk opdat de betrokkene eventueel van de voor de verwerking verantwoordelijke gedaan kan krijgen dat deze zijn gegevens rectificeert, uitwist of afschermt, en bijgevolg het in artikel 12, sub b, van die richtlijn bedoelde recht kan uitoefenen (zie in die zin arrest Rijkeboer, C-553/07, EU:C:2009:293, punten 49 en 51)’En wat betreft de rechten en vrijheden van anderen stelt het hof in rov. 58:‘Teneinde de betrokkene geen toegang te geven tot andere informatie dan de hem betreffende persoonsgegevens, kan hij een afschrift krijgen van het originele document of bestand waarin die andere informatie onleesbaar is gemaakt’.
HvJ 17 juli 2014 (IND), C-141/12 en C-372/12, ECLI:EU:C:2014:2081.
Vgl. zittingsnotitie d.d. 7 december 2021 mr. Ligthart in eerste aanleg, p. 8 rnr. 19, beroepschrift mr. Brouwer, p.6, zesde woordblok.
Op rechtspraak.nl (ECLI:NL:GHDHA:2023:875) is dit overigens de derde rov. 26.
Version 2.0 Adopted om March 2023.
HvJ 12 januari 2023 (Österreichische Post AG), C-154/12, ECLI:EU:C:2023:3.
Zie blz. 7 en 8 Pleitnotities HB mr. Brouwer.
HvJ EU 4 mei 2023, C-487/21 (Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF), ECLI:EU:C:2023:369. Het HvJ EU verklaart voor recht:‘het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke een kopie te verkrijgen van de persoonsgegevens die worden verwerkt, inhoudt dat aan de betrokkene een getrouwe en begrijpelijke reproductie van al deze gegevens moet worden gegeven. Dit recht omvat het recht om een kopie te verkrijgen van uittreksels van documenten of zelfs van volledige documenten of databankuittreksels die onder meer die gegevens bevatten, indien de verstrekking van een dergelijke kopie onontbeerlijk is om de betrokkene in staat te stellen de hem bij deze verordening verleende rechten daadwerkelijk uit te oefenen, waarbij moet worden benadrukt dat daarbij ook rekening moet worden gehouden met de rechten en vrijheden van anderen’.
Zie beroepschrift d.d. 12 juli 2022, onder 7. Verzoek onder 2 (verwerkingsregister).
Zie hiertoe het verzoekschrift van 31 maart 2020, en meer specifiek het formulier privacyverzoek waarbij [verzoekster] bij het punt ‘(niet) verwijderen van mijn persoonsgegevens’ heeft opgemerkt ‘Hier zal ik — na inzage — op terugkomen’. Pas na deugdelijke inzage kan een inzicht worden verkregen van alle verwerkingen en of er al dan niet verder een verwijdering van documenten dient plaats te vinden. Kortom: het inzagerecht gaat aan de uitoefening van andere rechten (zoals wissing, rectificatie, etc.) vooraf.