Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/1.6.1.1
1.6.1.1 Verantwoording van kinder- en mensenrechten als normatief analysekader
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Bueren 1995, p. 4. Zie ook Liefaard 2008, p. 13-140 voor een uitvoerige beschrijving van de historische ontwikkeling van internationale en regionale mensenrechten en kinderrechten, waarin bijzondere aandacht wordt besteed aan de rechten en juridische standaarden die relevant zijn voor vrijheidsbeneming van minderjarigen.
Zie artikel 49 IVRK, artikel 49 IVBPR en artikel 59 EVRM jo. artikel 24 en 26 Weens Verdragenverdrag.
Dit is vaste rechtspraak sinds HR 3 maart 1919, NJ 1919, 371 (Grenstractaat Aken-arrest). Zie hierover: Fleuren 2004, p. 19 en 109-111; Besselink & Wessel 2009, p. 42; Nollkaemper 2016, p. 471; Vlemminx & Meuwese 2017(a).
Barkhuysen 2004, p. 46; Van Emmerik 2005, p. 701-703; Nollkaemper 2016, p. 468-472.
Zie hierover: Nollkaemper 2016, p. 472-484; Vlemminx & Meuwese 2017(a); Vlemminx & Meuwese 2017(b).
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad geldt hierbij als criterium: “Indien noch uit de tekst, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt dat geen rechtstreekse werking van de verdragsbepaling is beoogd, is de inhoud van die bepaling beslissend. Het gaat erom of deze onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast.” Zie: HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928, NJ 2015, 12, rov. 3.5.2 (Rookverbod kleine cafés-arrest). Zie ook het standaardarrest: HR 30 mei 1986, NJ 1986, 688, m.nt. Stein (Spoorwegstakingsarrest). Zie hierover: Nollkaemper 2016, p. 472-484.
In de Nederlandse rechtspraak worden bepalingen uit het EVRM over het algemeen beschouwd als ‘eenieder verbindend’ (Vlemminx 2002, p. 44 e..v.; Barkhuysen 2004, p. 46; Chébti 2014, p. 105). Daarnaast hebben rechters (impliciet) rechtstreekse werking aanvaard van artikel 37(b) en 40, eerste en vierde lid IVRK (zie bijvoorbeeld: Rechtbank Amsterdam 26 augustus 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6188). Over het al dan niet ‘eenieder verbindende’ karakter van artikel 3 IVRK lijkt geen consensus te bestaan in de Nederlandse rechtspraak (zie hierover: Pulles 2011, p. 231-234; Van den Brink 2015; Vlemminx & Meuwese 2017(b)). Met betrekking tot het IVBPR stelt Chébti (2014, p. 97) dat er in de literatuur doorgaans vanuit wordt gegaan dat de materiële bepalingen van dit verdrag rechtstreekse werking toekomen. Rechtspraak over de rechtstreekse werking van IVBPR-bepalingen is echter schaars. Nollkaemper (2016, p. 501) wijst er evenwel op dat in de strafrechtspraktijk de eis van rechtstreekse werking van verdragsbepalingen die dienen ter bescherming van de verdachte doorgaans soepel wordt opgevat.
Vlemminx & Meuwese 2017(a).
Vgl. artikel 94 GW. Zie hierover: Van Emmerik 2005, p. 703; Besselink & Wessel 2009, p. 56; Vlemminx & Meuwese 2017(a).
Zie HR 16 november 1990, NJ 1992, 107, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat “de Nederlandse rechter het Nederlandse recht zoveel mogelijk aldus dient uit te leggen en toe te passen dat de Staat aan zijn verdragsverplichtingen voldoet”. Zie hierover: Nollkaemper 2016, p. 492-495 en specifiek met betrekking tot het IVRK: Pulles 2013, p. 112; De Graaf 2015, p. 1-2.
Zie hierover: Besselink & Wessel 2009, p. 56 e.v.
Zie: Hof Den Haag 27 juli 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2164, rov. 3.6, aangehaald in: Vlemminx & Meuwese 2017(b): “het Hof is van oordeel dat op de Staat, als gevolg van de ratificatie van de verdragen waarvan deze bepalingen deel uitmaken, de rechtsplicht rust om, voor zover deze bepalingen rechtstreekse werking hebben, die werking te eerbiedigen, alsook om, voor zover deze bepalingen slechts instructienormen bevatten, door middel van regelgeving, bestuurlijke beslissingen en maatregelen, en door feitelijke handelingen een zodanige juridische en feitelijke toestand te creëren dat de rechten en belangen van kinderen die zich op het grondgebied van de Staat bevinden overeenkomstig deze bepalingen worden beschermd en geborgd.” Zie ook: Van Emmerik 2005, p. 703; Besselink & Wessel 2009, p. 56; Nollkaemper 2016, p. 467 e.v.
Nederland heeft zich gecommitteerd aan diverse internationale en Europese verdragen en richtlijnen die minderjarigen fundamentele rechten toekennen. Dit kader van kinder- en mensenrechten is op internationaal en regionaal niveau in de loop van de vorige eeuw in ontwikkeling gekomen met als onderliggend doel om iedere minderjarige te beschermen tegen willekeurig overheidsingrijpen en de condities te creëren waaronder alle minderjarigen zich kunnen ontwikkelen naar hun volste potentieel.1 Nederland is onder meer partij bij het IVRK en het IVBPR van de Verenigde Naties en het EVRM van de Raad van Europa. Deze verdragen zijn juridisch bindend voor verdragsstaten2 en bevatten verschillende bepalingen die bijzonder relevant zijn voor de voorlopige hechtenis van minderjarigen.
Nederland kent een (gematigd) monistisch rechtssysteem waarin verdragen die volgens internationaal recht bindend zijn automatisch doorwerken in de nationale rechtsorde.3 Dit wordt aangeduid als ‘interne werking’ en houdt in dat de Nederlandse wetgevende-, uitvoerende- en rechterlijke macht aan deze verdragen zijn gebonden.4 Voor ‘eenieder verbindende bepalingen’ van verdragen geldt ingevolge artikel 93 en 94 van de Grondwet (GW) dat burgers zich daarop rechtstreeks kunnen beroepen voor de rechter en dat deze verdragsbepalingen voorrang hebben op overig geldend recht.5 Het is aan de rechter om te bepalen of sprake is van een ‘eenieder verbindende bepaling’.6 Van meerdere voor de voorlopige hechtenis van minderjarigen relevante verdragsbepalingen is in de rechtspraak impliciet of expliciet rechtstreekse werking aanvaard.7 Verdragsbepalingen die vooral een instructienorm omvatten voor de wetgever en/of het bestuur worden niet ‘eenieder verbindend’ geacht, daar het bij dergelijke bepalingen vooral op de weg van de wetgever en het bestuur ligt om maatregelen te treffen die naleving van de verdragsbepalingen moeten realiseren.8 Toch is de rechter in beginsel gehouden om ook relevante verdragsbepalingen die niet ‘eenieder verbindend’ zijn te betrekken in zijn besluitvorming, zolang dit geen strijd oplevert met nationale wettelijke voorschriften.9 Zo geldt als uitgangspunt dat de rechter voorschriften van nationaal recht zoveel mogelijk verdragsconform interpreteert.10 Ook kan de rechter een niet-‘eenieder verbindende’ verdragsbepaling gebruiken als aanvullende rechtsbron.11 Gesteld kan worden dat ratificatie van een verdrag in het Nederlandse rechtssysteem een rechtsplicht met zich brengt voor de wetgever, het bestuur en de rechter om een zodanige juridische en feitelijke toestand te creëren dat de rechten en belangen die de bepalingen van dat verdrag beogen te beschermen, worden geëerbiedigd, ongeacht het al dan niet ‘eenieder verbindende’ karakter van deze bepalingen.12
Aldus kan het internationale en Europese kader van kinder- en mensenrechten, zoals dit in het onderhavige onderzoek wordt gebruikt als analysekader voor de Nederlandse wettelijke regeling en toepassingspraktijk van voorlopige hechtenis van minderjarigen, worden beschouwd als een stelsel van normen met een fundamenteel en juridisch bindend karakter, waaraan de wetgever, de instanties die onderdeel zijn van de uitvoerende macht, alsook de rechterlijke macht zich in beginsel dienen te conformeren.