Gerechtshof Amsterdam 9 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1896.
HR, 14-11-2025, nr. 24/04193
ECLI:NL:HR:2025:1686
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-11-2025
- Zaaknummer
24/04193
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1686, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑11‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:951
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2024:1896
ECLI:NL:PHR:2025:951, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 05‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1686
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑11‑2024
- Vindplaatsen
PS-Updates.nl 2025-0593
NJ 2025/333 met annotatie van M.L. Hendrikse
JA 2026/10 met annotatie van mr. N. Chihi
Uitspraak 14‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Verzekeringsrecht. Aansprakelijkheidsverzekering. Is moment van aansprakelijkstelling van verzekerde bepalend voor aanvang verjaringstermijn van art. 7:942 lid 1 BW?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/04193
Datum 14 november 2025
ARREST
In de zaak van
ZURICH INSURANCE EUROPE AG, als rechtsopvolgster van ZURICH INSURANCE PUBLIC LIMITED COMPANY,
gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland,
EISERES tot cassatie,
hierna: Zurich,
advocaat: J. Streefkerk,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Rabobank,
advocaat: A.G. Colenbrander.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak 9171719 \ CV EXPL 21-2133 van de rechtbank Noord-Holland van 7 juli 2021, 26 januari 2022 en 13 juli 2022;
b. het arrest in de zaak 200.315.094/01 van het gerechtshof Amsterdam van 9 juli 2024.
Zurich heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Rabobank heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor Rabobank mede door D.F. den Blaauwen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.D. Lindenbergh strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van Zurich heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) In november 2009 is aan een werkneemster van Rabobank (hierna: de werkneemster) tijdens haar werk een eenzijdig auto-ongeval overkomen.
(ii) Op het moment van het ongeval had Rabobank een aansprakelijkheidsverzekering bij Zurich. In december 2009 heeft de tussenpersoon Aon aan Rabobank laten weten dat de dekking van de aansprakelijkheidsverzekering per 1 oktober 2009 is uitgebreid met dekking voor aansprakelijkheid op grond van art. 7:611 BW (goed werkgeverschap).
(iii) Op 24 september 2014 heeft de advocaat van de werkneemster het volgende aan Rabobank geschreven:
“Mijn kantoor behartigt de belangen van [de werkneemster] in verband met de gevolgen van het haar in november 2009 overkomen verkeersongeval (...). Cliënte stelt zich op het standpunt dat u zich na het ongeval niet als goed werkgever heeft opgesteld. Ter voorkoming van verjaring van haar eventuele vorderingsrecht heeft zij mij verzocht u te berichten dat zij ter zake hiervan ondubbelzinnig haar rechten op nakoming voorbehoudt. Gelieve deze brief daarom aan te merken als een stuitingsmededeling in de zin van artikel 3:317 BW.”
(iv) Op 25 juni 2018 heeft de advocaat van de werkneemster aan Rabobank geschreven:
”(...) Cliënte heeft een deel van haar schade kunnen verhalen krachtens een door haar (…) gesloten motorrijtuigenverzekering met aanvullende SVI-dekking (Interpolis …). De maximaal verzekerde som van deze SVI verzekering bedraagt één miljoen euro. In november 2017 heeft cliënte met Interpolis in het kader van een minnelijke regeling een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij haar schade is vastgesteld en uitgekeerd op deze limiet van één miljoen euro. Vanwege de beperkte dekking is echter een bedrag van € 693.056,00 onbetaald gebleven. Daarnaast ontving zij krachtens een door RABO afgesloten collectieve ongevallenverzekering in 2017 een uitkering van € 57.783,37 (...). Cliënte heeft moeten vaststellen dat ten tijde van het ongeval in 2009 er door RABO geen aanvullende dekking bestond anders dan door middel van deze collectieve ongevallenverzekering.
Daardoor hebt u niet gehandeld in overeenstemming met de normen van goed werkgeverschap in de zin van artikel 7:611 BW op grond waarvan u gehouden bent zorg te dragen voor een behoorlijke, aanvullende verzekering van werknemers, zoals cliënte, wier werkzaamheden ertoe kunnen leiden dat zij als bestuurders van een motorrijtuig bij een verkeersongeval betrokken raken.
Namens cliënte stel ik u met deze brief aansprakelijk voor de schade die zij als gevolg van die schending lijdt en zal lijden, bestaande uit het tekort (€ 693.056,00), zijnde het bedrag dat de verzekerde som van de met Interpolis gesloten SVI verzekering overschrijdt onder aftrek van de uitkering uit hoofde van de collectieve ongevallenverzekering (€ 57.783,37), in totaal € 635.272,63 te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente. (...)
Deze brief dient te worden aangemerkt als een stuitingshandeling tot voorbehoud van rechten in de zin van artikel 3:317 BW. Reeds eerder werd een dergelijke handeling verricht, waarvoor ik u verwijs naar bijgaande brief van 24 september 2014 (...).”
2.2
Rabobank heeft Zurich in vrijwaring opgeroepen in de hoofdzaak tussen de werkneemster en Rabobank. Nadat Rabobank en de werkneemster in de hoofdzaak een minnelijke regeling hadden getroffen, heeft Rabobank in de vrijwaringszaak – na eiswijziging – een verklaring voor recht gevorderd dat Zurich dekking dient te verlenen onder de aansprakelijkheidsverzekering met betrekking tot de vordering die de werkneemster in de hoofdzaak jegens Rabobank heeft ingesteld en een veroordeling van Zurich tot betaling van het bedrag dat Rabobank op grond van de minnelijke regeling aan de werkneemster is verschuldigd.
Zurich heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van Rabobank is verjaard.
2.3
De rechtbank heeft in een tussenvonnis het verjaringsverweer van Zurich verworpen en iedere verdere beslissing aangehouden. De rechtbank heeft op verzoek van Zurich tussentijds hoger beroep tegen dit tussenvonnis opengesteld.
2.4
Het hof1.heeft het tussenvonnis van de kantonrechter bekrachtigd en de zaak naar de rechtbank verwezen ter verdere behandeling Daartoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.
Tussen partijen is niet in geschil dat de verjaringsregeling van art. 7:942 BW van toepassing is. (rov. 5.3)
De verjaringstermijn van art. 7:942 BW begint te lopen de dag nadat Rabobank met de opeisbaarheid van haar vordering op Zurich bekend is geworden en daarvoor is – gelet op de wetsgeschiedenis – bepalend op welk moment Rabobank door haar werkneemster aansprakelijk is gesteld. Dit betekent dat het primaire standpunt van Zurich dat de verjaringstermijn al is gaan lopen op een moment voordat de werkneemster Rabobank aansprakelijk heeft gesteld, niet kan worden gevolgd. (rov. 5.7)
Rabobank heeft de brief van 24 september 2014 redelijkerwijs niet hoeven opvatten als een aansprakelijkstelling voor de schade die de werkneemster lijdt als gevolg van het ontbreken van een adequate verzekering van Rabobank. (rov. 5.10).
2.5
Op verzoek van Zurich heeft het hof bepaald dat terstond cassatieberoep kan worden ingesteld tegen zijn tussenarrest.
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt, kort samengevat, dat het in rov. 5.7 vervatte oordeel van het hof dat het moment van aansprakelijkstelling bepalend is voor de aanvang van de verjaringstermijn van art. 7:942 lid 1 BW getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, nu de wet spreekt van ‘opeisbaarheid’ en niet van ‘aansprakelijk(stelling)’. Volgens het onderdeel kan de opeisbaarheid van een dekkingsaanspraak ook voortvloeien uit andere omstandigheden dan enkel een aansprakelijkstelling.
3.2
Art. 7:942 lid 1 BW luidt als volgt:
Een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden.
De bepaling bevat een bijzondere verjaringstermijn voor de rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering.2.Deze verjaringstermijn geldt voor alle in titel 17 van Boek 7 BW geregelde verzekeringen en is dus niet specifiek toegesneden op een verzekering tegen aansprakelijkheid. Zoals blijkt uit de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.4 tot en met 4.8, bevatte art. 7:942 lid 1 BW aanvankelijk een tweede volzin voor verzekering tegen aansprakelijkheid en is die tweede volzin met ingang van 1 juli 2010 als overbodig geschrapt; daarbij is in de memorie van toelichting opgemerkt dat pas als de verzekerde aansprakelijk is gesteld, hij een opeisbare vordering op zijn verzekeraar heeft en dat op dat moment de termijn van drie jaren een aanvang neemt.3.
3.3
Gelet op wat in 3.2 is overwogen, is juist het oordeel van het hof dat voor de aanvang van de verjaringstermijn van art. 7:942 lid 1 BW in de onderhavige zaak bepalend is op welk moment de werkneemster Rabobank aansprakelijk heeft gesteld. Onderdeel 1 faalt daarom.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Zurich in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Rabobank begroot op € 8.206,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren F.J.P. Lock, als voorzitter, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 14 november 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 14‑11‑2025
Vgl. Kamerstukken II 1985/86, 19529, nr. 3, p. 20 en Kamerstukken 2007/08, 31518, nr. 3, p. 23.
Conclusie 05‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Overeenkomstenrecht. Verzekeringsrecht. Aanvangsmoment verjaring bij beroep op aansprakelijkheidsverzekering. art. 7:941 lid 1 BW. Heeft stuitingsmededeling te gelden als aansprakelijkstelling?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04193
Zitting 5 september 2025
CONCLUSIE
S.D. Lindenbergh
In de zaak
Zurich Insurance Europe AG, als rechtsopvolgster van Zurich Insurance Public Limited Company
tegen
Coöperatieve Rabobank U.A.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als Zurich respectievelijk Rabobank.
1. Inleiding
1.1
In dit verzekeringsgeschil gaat het in cassatie uitsluitend om de uitleg en toepassing van het aanvangsmoment van de verjaringstermijn uit art. 7:942 lid 1 BW. Op grond van die bepaling verjaart een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering “door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden”. Zurich bestrijdt met verschillende rechts- en motiveringsklachten het oordeel van het hof dat de verjaringstermijn eerst na een aansprakelijkstelling op 26 juni 2018 is aangevangen, en niet, zoals door Zurich bepleit, al na de ontvangst van een stuitingsmededeling van 24 september 2014.
2. Feiten
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1.
2.1
Een werkneemster van Rabobank (hierna: de werkneemster) heeft op 4 november 2009 tijdens haar werk een eenzijdig auto-ongeval gehad.
2.2
Op het moment van het ongeval had Rabobank een aansprakelijkheidsverzekering bij Zurich. Op 16 december 2009 heeft de tussenpersoon Aon aan Rabobank een brief gestuurd waaruit volgt dat de dekking van de verzekering per 1 oktober 2009 is uitgebreid voor aansprakelijkheid op grond van goed werkgeverschap op basis van artikel 7:611 BW.
2.3
Op 24 september 2014 is namens de werkneemster de volgende brief aan Rabobank gestuurd:
“Mijn kantoor behartigt de belangen van […] in verband met de gevolgen van het haar in november 2009 overkomen verkeersongeval […] Cliënte stelt zich op het standpunt dat u zich na het ongeval niet als goed werkgever heeft opgesteld. Ter voorkoming van verjaring van haar eventuele vorderingsrecht heeft zij mij verzocht u te berichten dat zij ter zake hiervan ondubbelzinnig haar rechten op nakoming voorbehoudt. Gelieve deze brief daarom aan te merken als een stuitingmededeling in de zin van artikel 3:317 BW.”
2.4
Bij brief van 25 juni 2018 is namens de werkneemster aan Rabobank geschreven:
“[…] In november 2017 heeft cliënte met Interpolis in het kader van een minnelijke regeling een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij haar schade is vastgesteld en uitgekeerd op deze limiet van een miljoen euro. Vanwege de beperkte dekking is echter een bedrag van € 693.056,00 onbetaald gebleven. Daarnaast ontving zij krachtens een door RABO afgesloten collectieve ongevallenverzekering in 2017 een uitkering van € 57.783,37 [...]. Cliënte heeft moeten vaststellen dat ten tijde van het ongeval in 2009 er door RABO geen aanvullende dekking bestond anders dan door middel van deze collectieve ongevallenverzekering.
Daardoor hebt u niet gehandeld in overeenstemming met de normen van goed werkgeverschap in de zin van artikel 7:611 BW op grond waarvan u gehouden bent zorg te dragen voor een behoorlijke, aanvullende verzekering van werknemers, zoals cliënte, wier werkzaamheden ertoe kunnen leiden dat zij als bestuurders van een motorrijtuig bij een verkeersongeval betrokken raken.
Namens cliënte stel ik u met deze brief aansprakelijk voor de schade die zij als gevolg van die schending lijdt en zal lijden, bestaande uit het tekort (€ 693.056,00), zijnde het bedrag dat de verzekerde som van de met Interpolis gesloten SVI verzekering overschrijdt onder aftrek van de uitkering uit hoofde van de collectieve ongevallenverzekering (€ 57.783,37), in totaal € 635.272,63 te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente.
Deze brief dient te worden aangemerkt als een stuitingshandeling tot voorbehoud van rechten in de zin van artikel 3:317 BW. Reeds eerder werd een dergelijke handeling verricht, waarvoor ik u verwijs naar bijgaande brief van 24 september 2014.”
2.5
In 2018 en 2019 hebben Rabobank en Aon enerzijds en Zurich anderzijds gecorrespondeerd over de dekkingsvraag.
3. Procesverloop
Eerste aanleg
3.1
Bij dagvaarding van 13 april 2021 heeft Rabobank Zurich in vrijwaring opgeroepen in de hoofdzaak (tussen de werkneemster en Rabobank). Rabobank heeft op grond van de verzekeringsovereenkomst gevorderd, voor zover van belang, (i) verklaring voor recht dat Zurich onder de aansprakelijkheidsverzekering dekking dient te verlenen voor de vordering van de werkneemster jegens Rabobank en (ii) Zurich te veroordelen te betalen al hetgeen Rabobank aan de werkneemster zal moeten betalen in de hoofdzaak.
3.2
Zurich heeft de vordering van Rabobank betwist. Zurich heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van Rabobank is verjaard, omdat Rabobank vanaf 24 september 2014 een opeisbare dekkingsaanspraak op haar had en de verjaringstermijn van drie jaar inmiddels is verlopen. Zurich heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat Rabobank heeft verzuimd tijdig mededeling te doen van het ongeval.
3.3
In het tussenvonnis van 26 januari 2022 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank alleen het verjaringsverweer beoordeeld en de zaak voor het overige aangehouden.
3.4
De rechtbank heeft onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van art. 7:942 lid 1 BW geoordeeld dat de vordering van Rabobank op Zurich niet is verjaard.
3.5
Bij vonnis van 13 juli 2022 heeft de rechtbank bepaald dat tegen het tussenvonnis tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld.
Hoger beroep
3.6
Zurich is, onder aanvoering van een grief, van het tussenvonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof). Zij heeft gevorderd, voor zover van belang, dat het hof het tussenvonnis vernietigt en de vordering van Rabobank afwijst. Rabobank heeft gevorderd, voor zover van belang, dat het hof Zurich niet-ontvankelijk verklaart in haar hoger beroep, althans het hoger beroep afwijst.
3.7
Het hof heeft op 9 juli 2024 een tussenarrest gewezen (hierna: het bestreden arrest). In r.o. 5.1 en 5.2 heeft het hof de grief van Zurich en het verweer van Rabobank samengevat:
“5.1. Zurich keert zich met haar (enige) grief tegen het oordeel van de kantonrechter dat de vordering van Rabobank niet is verjaard. Primair stelt Zurich zich op het standpunt dat de vordering van Rabobank vanaf de datum van het verkeersongeval op 4 november 2009 dan wel in december 2009 opeisbaar was aangezien zij toen bekend was althans had moeten zijn met het ongeval en de schade van haar werkneemster en dat de verjaringstermijn toen is gaan lopen. Subsidiair is Zurich van mening dat de verjaringstermijn is gaan lopen na ontvangst van de brief van 24 september 2014 van de advocaat van de werkneemster. Volgens Zurich is deze brief een aansprakelijkstelling zodat Rabobank in ieder geval vanaf dat moment een opeisbare vordering op haar had en daarmee de verjaringstermijn is aangevangen.
5.2.
Rabobank betwist dat haar vordering op Zurich is verjaard. Rabobank stelt dat zij pas bij brief van 25 juni 2018 door de advocaat van de werkneemster aansprakelijk is gesteld en zij dus pas vanaf dat moment een opeisbare vordering had op Zurich, zodat de verjaringstermijn vanaf dat moment is gaan lopen.”
3.8
In r.o. 5.3 tot en met 5.7 heeft het hof de vraag besproken wanneer de verjaringstermijn van art. 7:942 lid 1 BW begint te lopen. Net als de rechtbank heeft het hof daartoe de wetsgeschiedenis onderzocht:
“5.4. Het hof stelt voorop dat artikel 7:942 BW betrekking heeft op de verjaringsregeling van vorderingen uit hoofde van verzekeringen in het algemeen. Voor de vraag wanneer een vordering onder een aansprakelijkheidsverzekering opeisbaar is, bevat de wetsgeschiedenis bij artikel 7:942 lid 1 BW nadere aanknopingspunten.
5.5.
In de memorie van toelichting bij de Invoeringswet titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) Burgerlijk Wetboek (Kamerstukken II 2004/05, 30137, 3, p. 22-23) staat:
“Met het instellen van de vordering wordt derhalve niet gedoeld op het instellen van een eis in rechte. Overigens wordt tegenwoordig ook wel aangenomen dat zolang een benadeelde nog geen aanspraak op schadevergoeding maakt, de verzekerde nog slechts een voorwaardelijke, niet-opeisbare vordering op zijn verzekeraar heeft. Dit zou betekenen dat de rechtsvordering van de verzekerde tegen diens verzekeraar niet kan zijn verjaard voordat de benadeelde aanspraak op schadevergoeding maakt.”
5.6.
Verder staat in de memorie van toelichting bij de Wet deelgeschil voor letsel- en overlijdensschade (Kamerstukken II 2007/08, 31518, nr. 3, p. 25) over artikel 7:942 BW:
“De termijn van drie jaren neemt immers ingevolge de eerste zin van dit lid een aanvang op de dag volgende op die waarop de verzekerde met de opeisbaarheid van zijn uitkering bekend is geworden. Zolang een benadeelde de verzekerde echter nog niet aansprakelijk heeft gesteld, heeft deze laatste nog slechts een voorwaardelijke, niet-opeisbare vordering op zijn verzekeraar. Zie o.m. Asser-Clausing-Wansink (twee druk, 2007), no. 245. Pas als de verzekerde aansprakelijk is gesteld heeft hij een opeisbare vordering op zijn verzekeraar en op dat moment neemt de termijn van drie jaren een aanvang.””
3.9
Het hof heeft geoordeeld dat het moment van aansprakelijkstelling bepalend is:
“5.7. De verjaringstermijn begint dus te lopen de dag nadat Rabobank met de opeisbaarheid van haar vordering op Zurich bekend is geworden en daarvoor is – gelet op de wetgeschiedenis – bepalend op welk moment Rabobank door haar werkneemster aansprakelijk is gesteld. Dit betekent dat het primaire standpunt van Zurich dat de verjaringstermijn al is gaan lopen op een moment voordat de werkneemster Rabobank aansprakelijk heeft gesteld, niet kan worden gevolgd.”
3.10
In r.o. 5.8 tot en met 5.12 heeft het hof vervolgens de vraag besproken op welk moment Rabobank aansprakelijk is gesteld. In r.o. 5.8 en 5.9 heeft het hof eerst de standpunten van partijen samengevat:
“5.8. Daarmee komt het hof toe aan de beoordeling van het subsidiaire standpunt van Zurich. Zurich vindt dat de brief van 24 september 2014 moet worden aangemerkt als een aansprakelijkstelling zodat Rabobank vanaf dat moment een opeisbare vordering op haar had. In de eerste plaats dient volgens Zurich bij de beoordeling, uitleg en kwalificatie van die brief doorslaggevende betekenis te worden toegekend aan de aard en strekking van de daarin vervatte mededeling. Ook zonder gebruik van het woord ‘aansprakelijk(heid)’ kan de inhoud van een schriftelijke mededeling als de onderhavige door de ontvanger immers redelijkerwijs begrepen moeten worden als een aansprakelijkstelling. Zurich wijst onder meer op het feit dat Rabobank al sinds 2009 op de hoogte was van het ongeval en de nasleep daarvan. Ook voert Zurich aan dat Rabobank een van de grootste assurantietussenpersonen van Nederland is zodat zij de brief gelet op haar deskundigheid ter zake als een aansprakelijkstelling had moeten opvatten. Gelet op de gebruikte bewoordingen in de brief, zoals onder meer ‘het vereiste van goed werkgeverschap’, het eventuele ‘vorderingsrecht’ van de werkneemster en het zijn van een ‘stuitingsmededeling’, had deze brief door Rabobank niet anders begrepen kunnen worden dan als een aansprakelijkstelling. In het licht van deze omstandigheden was Rabobank daarom na ontvangst van de brief in staat om haar vorderingsrecht jegens Zurich uit te oefenen en is de verjaringstermijn toen aangevangen, nog steeds aldus Zurich.
5.9.
Rabobank betwist het standpunt van Zurich. Rabobank heeft de brief van 24 september 2014 opgevat als een stuitingsmededeling en heeft de brief redelijkerwijs ook niet als een aansprakelijkstelling hoeven opvatten. Volgens Rabobank was de strekking en de bedoeling van de brief niet anders dan de stuiting van de termijn waarbinnen een eventuele vordering kan worden ingesteld. Dat was ook logisch, omdat op dat moment nog niet duidelijk was of de schade boven de (op basis van de SVI-verzekering gedekte) één miljoen euro uit zou komen. Met de brief werd daarom alleen een termijn gestuit en geen claim ingediend, zodat de verjaringstermijn van de vordering van Rabobank op Zurich toen nog niet is aangevangen. Pas met de ontvangst van de brief van 25 juni 2018, waarin de advocaat van de werkneemster Rabobank op grond van artikel 7:611 BW aansprakelijk heeft gesteld voor de door de werkneemster geleden schade, is de vordering van Rabobank op Zurich opeisbaar geworden en is de verjaringstermijn van artikel 7:942 lid 1 BW gaan lopen, aldus Rabobank.”
3.11
In r.o. 5.10 en 5.11 heeft het hof uiteengezet hoe de brief van 24 september 2014 moet worden uitgelegd:
“5.10. Het Hof is – veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat Rabobank deze brief heeft ontvangen – van oordeel dat Rabobank de brief van 24 september 2014 redelijkerwijs niet heeft hoeven opvatten als een aansprakelijkstelling voor de schade die de werkneemster lijdt als gevolg van het ontbreken van een adequate verzekering van Rabobank. Uit de tekst van de brief volgt – in tegenstelling tot uit de brief van 25 juni 2018 – de aansprakelijkstelling immers niet. Zo wordt in de brief verwezen naar het ‘eventuele vorderingsrecht’ van de werkneemster. Ook bevat de brief het expliciete verzoek van de advocaat om deze brief als stuitingshandeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW aan te merken. Een stuitingsmededeling kan anders dan Zurich kennelijk meent (ook) gedaan worden als nog niet vaststaat dat degene die de mededeling doet daadwerkelijk een vordering heeft op de schuldenaar. Een redelijke uitleg van de brief brengt mee dat de werkneemster met de stuitingsmededeling in 2014 slechts heeft bedoeld ervoor te zorgen dat zij haar recht om een vordering tegen Rabobank in te stellen – als zij die zou blijken te hebben – behield.
5.11.
Bovendien is gelet op de gemotiveerde betwisting door Rabobank niet komen vast te staan dat in 2014 al duidelijk was dat de door haar afgesloten verzekering onvoldoende dekking zou bieden om de schade van de werkneemster te vergoeden. Pas in 2017 werd volgens Rabobank duidelijk dat er nog ruim zes ton overbleef aan ongedekte schade en vaststaat dat eerst in 2022 tussen Rabobank en de werkneemster een minnelijke regeling is getroffen die inhoudt dat Rabobank aan haar een bedrag van € 215.000 betaalt. De in de brief gebruikte bewoordingen sloten dus ook aan bij de door Rabobank gestelde feitelijke situatie die inhield dat in 2014 van aansprakelijkheid van Rabobank jegens de werkneemster vanwege een gebleken inadequate verzekering nog helemaal geen sprake was. Dat in de brief ook staat dat de werkneemster Rabobank verwijt dat die ‘zich na het ongeval niet als goed werkgever heeft opgesteld’, dat zij in 2018 Rabobank aansprakelijk heeft gesteld op diezelfde grondslag (namelijk schending van de norm van artikel 7:611 BW) en dat Rabobank zeer deskundig is op het gebied van verzekeringen, legt in het licht van het hiervoor overwogene onvoldoende gewicht in de schaal.”
3.12
Het hof heeft zijn oordeel samengevat in r.o. 5.12:
“5.12. Samenvattend is het hof van oordeel dat Rabobank de (stuitings)brief van 24 september 2014 redelijkerwijs niet (ook) heeft hoeven opvatten als een aansprakelijkstelling als bedoeld in de wetsgeschiedenis, dat deze brief de verjaringstermijn van 7:942 lid 1 BW dus niet heeft doen aanvangen en dat de werkneemster Rabobank eerst bij brief van 25 juni 2018 aansprakelijk heeft gesteld. De verjaringstermijn begon daarom pas te lopen op 26 juni 2018 en Rabobank heeft Zurich binnen de termijn van drie jaren (namelijk op 13 april 2021) in vrijwaring gedagvaard. De vordering van Rabobank op Zurich is dus niet verjaard.”
3.13
Op verzoek van Zurich van 22 augustus 2024 heeft het hof op 8 oktober 2024 bepaald dat terstond beroep in cassatie kan worden ingesteld.
Cassatie
3.14
Zurich heeft van het bestreden arrest (tijdig)2.cassatieberoep ingesteld. Rabobank heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten vervolgens schriftelijk doen toelichten. Zurich heeft gerepliceerd.
4. Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het middel omvat, na een inleiding, die geen klachten bevat, vijf met Romeinse cijfers aangeduide ‘cassatieklachten’, die telkens zijn uitgewerkt in verschillende randnummers. Hierna spreek ik van onderdelen (de ‘cassatieklachten’) en randnummers.
Onderdeel I
4.2
Onderdeel I beslaat randnummers 3.1 tot en met 3.3 van de procesinleiding. Het onderdeel richt een rechtsklacht tegen r.o. 5.7, waarin het hof heeft geoordeeld dat de verjaringstermijn is aangevangen op de dag nadat Rabobank bekend is geworden met de opeisbaarheid van haar vordering op Zurich en dat daarvoor bepalend is op welk moment Rabobank door haar werkneemster aansprakelijk is gesteld. Het onderdeel voert aan dat het hof hiermee van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, omdat het hof hiermee de term ‘opeisbaarheid’ in art. 7:942 lid 1 BW gelijk stelt aan en op één lijn stelt met het begrip ‘aansprakelijk (stellen)’. De wetgever zou namelijk de mogelijkheid hebben opengelaten dat een dekkingsaanspraak opeisbaar is geworden zonder een (letterlijke of expliciete) aansprakelijkstelling. Als de wetgever de aanvang van de verjaringstermijn had willen koppelen aan aansprakelijkstelling, dan zou hij niet de term ‘opeisbaarheid’ maar de term ‘aansprakelijkstelling’ in art. 7:942 lid 1 BW hebben opgenomen. Al met al zou moeten worden aangenomen dat opeisbaarheid ook kan voortvloeien uit andere omstandigheden dan een aansprakelijkstelling.
4.3
Het onderdeel faalt. Het ziet eraan voorbij dat uit de wetsgeschiedenis van art. 7:942 lid 1 BW juist blijkt dat bij een aansprakelijkheidsverzekering pas sprake is van opeisbaarheid van de vordering van de verzekerde op de verzekeraar als de verzekerde door de benadeelde aansprakelijk is gesteld. Deze lezing wordt ook algemeen gevolgd in de feitenrechtspraak en in de literatuur. Ik licht dit toe.
4.4
Art. 7:942 lid 1 BW is ingevoerd per 1 januari 2006.3.De bepaling luidde toen:
“1. Een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden. Niettemin verjaart de rechtsvordering bij verzekering tegen aansprakelijkheid niet voordat zes maanden zijn verstreken nadat de vordering waartegen de verzekering dekking verleent, binnen de voor deze geldende verjarings- of vervaltermijn is ingesteld.”
4.5
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel strekkende tot invoering van titel 7.17 BW is de tweede zin van deze bepaling toegelicht:
“De tweede zin van lid 1 houdt rekening met het feit dat de tegen aansprakelijkheid verzekerde voor het instellen van zijn vordering afhankelijk is van de derde die hem aansprakelijk kan stellen. In zoverre geeft deze zin de tot uitkering gerechtigde dus een ruimte die titel 3.11 niet kent.”4.
4.6
De eerste zin zag dus op verjaring bij allerlei soorten verzekering. De tweede zin had specifiek betrekking op verjaring (van de vordering van de verzekerde op de verzekeraar) bij aansprakelijkheidsverzekering. Voor aansprakelijkheidsverzekering voorzag de bepaling dus in aanvang van de verjaringstermijn nadat de benadeelde zijn vordering jegens de verzekerde had ingesteld.
4.7
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel strekkende tot invoering van de Invoeringswet titel 7.17 en titel 7.18 BW is de tweede zin van het toenmalige artikel 7:942 lid 1 BW nader toegelicht:
“Bij een verzekering tegen aansprakelijkheid verjaart de rechtsvordering tegen de verzekeraar ingevolge de tweede zin van lid 1 niet voordat zes maanden zijn verstreken nadat de vordering waartegen dekking wordt verleend, door de benadeelde is ingesteld. De zin houdt blijkens de memorie van toelichting «rekening met het feit dat de tegen aansprakelijkheid verzekerde voor het instellen van zijn vordering afhankelijk is van de derde die hem aansprakelijk kan stellen». Zie Kamerstukken II 1985/86, 19 529, nr. 3, p. 20. Met het instellen van de vordering wordt derhalve niet gedoeld op het instellen van een eis in rechte. Overigens wordt tegenwoordig ook wel aangenomen dat zolang een benadeelde nog geen aanspraak op schadevergoeding maakt, de verzekerde nog slechts een voorwaardelijke, niet-opeisbare vordering op zijn verzekeraar heeft. Dit zou betekenen dat de rechtsvordering van de verzekerde tegen diens verzekeraar niet kan zijn verjaard voordat de benadeelde aanspraak op schadevergoeding maakt.”5.
4.8
De tweede zin van het toenmalige artikel 7:942 lid 1 BW is komen te vervallen met de invoering van de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade.6.In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot deze wijziging strekte, staat hierover:
“Artikel 7:942 lid 1, tweede zin, BW bevat nog een bijzondere aanvullende regeling voor verzekeringen tegen aansprakelijkheid. Het bepaalt – kortweg gezegd – dat de rechtsvordering tegen de verzekeraar nimmer verjaart voordat zes maanden zijn verstreken nadat de vordering waartegen dekking wordt verleend, door de benadeelde is ingesteld. De zin houdt volgens de toelichting «rekening met het feit dat de tegen aansprakelijkheid verzekerde voor het instellen van zijn vordering afhankelijk is van de derde die hem aansprakelijk kan stellen». Zie Kamerstukken II 1985/86, 19 529, nr. 3, blz. 20. Deze zin is bij nader inzien overbodig en kan daarom vervallen. De termijn van drie jaren neemt immers ingevolge de eerste zin van dit lid een aanvang op de dag volgende op die waarop de verzekerde met de opeisbaarheid van zijn uitkering bekend is geworden. Zolang een benadeelde de verzekerde echter nog niet aansprakelijk heeft gesteld, heeft deze laatste nog slechts een voorwaardelijke, niet-opeisbare vordering op zijn verzekeraar. Zie o.m. Asser-Clausing-Wansink (tweede druk, 2007), no. 245. Pas als de verzekerde aansprakelijk is gesteld heeft hij een opeisbare vordering op zijn verzekeraar en op dat moment neemt de termijn van drie jaren een aanvang. De aan de verzekerde geboden «extra bescherming» van zes maanden, die eveneens een aanvang neemt als de benadeelde de verzekerde aansprakelijk heeft gesteld, valt derhalve steeds binnen deze termijn van drie jaren en is dan ook overbodig.”7.(onderstreping A-G)
4.9
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dus dat art. 7:942 lid 1 BW zo moet worden gelezen dat bij aansprakelijkheidsverzekering pas sprake is van een opeisbare vordering (van de verzekerde op de verzekeraar) als de verzekerde aansprakelijk is gesteld door de benadeelde. Daarmee viel de specifieke verjaringstermijn van zes maanden binnen de algemene verjaringstermijn van drie jaar en was volgens de wetgever de tweede zin (van het toenmalige art. 7:942 lid 1 BW) overbodig en kon deze worden geschrapt (hetgeen dus ook heeft plaatsgevonden).
4.10
Voor zover ik heb kunnen nagaan,8.wordt er in de feitenrechtspraak overeenkomstig de wetsgeschiedenis van uitgegaan dat bij aansprakelijkheidsverzekering pas sprake is van opeisbaarheid in de zin van art. 7:942 lid 1 BW als de verzekerde aansprakelijk is gesteld door de benadeelde. Zie bijvoorbeeld rechtbank Noord-Holland 17 mei 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:4938, r.o. 4.51; gerechtshof Amsterdam 26 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:599, r.o. 3.10; gerechtshof Amsterdam 29 januari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:223, r.o. 3.9; rechtbank Noord-Holland 5 augustus 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:6558, r.o. 4.5 jo. 2.10 en rechtbank Gelderland 25 juni 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:4270, r.o. 4.5 jo. 2.5.
4.11
In de literatuur over het verzekeringsrecht wordt al jarenlang eveneens aangenomen dat bij aansprakelijkheidsverzekering pas sprake is van opeisbaarheid in de zin van art. 7:942 lid 1 BW als de verzekerde aansprakelijk is gesteld.9.
4.12
Bij deze stand van zaken is van een onjuiste rechtsopvatting geen sprake. De argumenten van het onderdeel overtuigen niet. Art. 7:942 lid 1 BW is van toepassing op allerlei soorten verzekeringen. De keuze voor de term ‘opeisbaar’ in plaats van de term ‘aansprakelijkstelling’ is vanuit dat perspectief te verklaren, maar brengt, gelet op de wetsgeschiedenis, niet mee dat voor aansprakelijkheidsverzekeringen een andere invulling daarvan geldt dan aansprakelijkstelling.
Onderdeel II
4.13
Onderdeel II is gericht tegen r.o. 5.10. Voor het leesgemak citeer ik de overweging nogmaals:
“5.10. Het Hof is – veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat Rabobank deze brief heeft ontvangen – van oordeel dat Rabobank de brief van 24 september 2014 redelijkerwijs niet heeft hoeven opvatten als een aansprakelijkstelling voor de schade die de werkneemster lijdt als gevolg van het ontbreken van een adequate verzekering van Rabobank. Uit de tekst van de brief volgt – in tegenstelling tot uit de brief van 25 juni 2018 – de aansprakelijkstelling immers niet. Zo wordt in de brief verwezen naar het ‘eventuele vorderingsrecht’ van de werkneemster. Ook bevat de brief het expliciete verzoek van de advocaat om deze brief als stuitingshandeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW aan te merken. Een stuitingsmededeling kan anders dan Zurich kennelijk meent (ook) gedaan worden als nog niet vaststaat dat degene die de mededeling doet daadwerkelijk een vordering heeft op de schuldenaar. Een redelijke uitleg van de brief brengt mee dat de werkneemster met de stuitingsmededeling in 2014 slechts heeft bedoeld ervoor te zorgen dat zij haar recht om een vordering tegen Rabobank in te stellen – als zij die zou blijken te hebben – behield.”
4.14
Het onderdeel is gericht tegen de oordelen (a) dat Rabobank de brief van 24 september 2014 “redelijkerwijs niet heeft hoeven opvatten als een aansprakelijkstelling voor de schade die de werkneemster lijdt als gevolg van het ontbreken van een adequate verzekering van Rabobank” en (b) dat een stuitingsmededeling, anders dan Zurich kennelijk meent, “(ook) gedaan kan worden als nog niet vaststaat dat degene die de mededeling doet daadwerkelijk een vordering heeft op de schuldenaar”. Het onderdeel bestrijdt deze oordelen met rechts- en motiveringsklachten. Ervan uitgaande dat randnummers 4.1 en 4.2 een inleiding zijn, behoeven zij geen zelfstandige behandeling.
4.15
Randnummer 4.3 stelt dat het hof in r.o. 5.10 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting als het daarin heeft geoordeeld dat Rabobank de brief van 24 september 2014 slechts als aansprakelijkstelling had hoeven opvatten als daarin melding was gemaakt van schade als gevolg van het ontbreken van een adequate verzekering.
4.16
De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Uit de passage “als gevolg van het ontbreken van een adequate verzekering” blijkt niet dat het hof heeft geoordeeld dat voor een rechtsgeldige aansprakelijkstelling is vereist dat de juridische grondslag wordt vermeld. Het hof heeft er slechts de vordering van de werkneemster op Rabobank mee geduid.
4.17
Randnummer 4.4 stelt dat het hof in r.o. 5.10 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting als het daarin heeft geoordeeld dat een stuitingsmededeling kan worden gedaan wanneer niet eens wordt gepretendeerd dat er mogelijk een vorderingsrecht bestaat. Dit zou volgen uit de voorlaatste zin van r.o. 5.10, die luidt: “Een stuitingsmededeling kan anders dan Zurich kennelijk meent (ook) gedaan worden als nog niet vaststaat dat degene die de mededeling doet daadwerkelijk een vordering heeft op de schuldenaar.” Het randnummer voert aan dat de verzender van een stuitingsmededeling slechts zo’n mededeling kan doen als hij een (gepretendeerd) vorderingsrecht heeft.
4.18
Ook deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Met de zin in kwestie heeft het hof niet geoordeeld dat een stuitingsmededeling kan worden gedaan als er niet eens een gepretendeerde vordering is. Het hof heeft ermee gereageerd op de stelling van Zurich dat alleen een bestaand vorderingsrecht kan worden gestuit. Over die stelling kom ik nader te spreken bij de behandeling van randnummer 4.5. Uit de woorden “nog niet vaststaat” en “daadwerkelijk” blijkt dat het hof heeft willen verduidelijken dat een stuitingsmededeling ook kan worden gedaan als voor de verzender nog niet zeker is dat hij inderdaad een vordering op de ontvanger heeft.
4.19
Randnummer 4.5 is gericht tegen de voorlaatste zin van in r.o. 5.10, die luidt: “Een stuitingsmededeling kan anders dan Zurich kennelijk meent (ook) gedaan worden als nog niet vaststaat dat degene die de mededeling doet daadwerkelijk een vordering heeft op de schuldenaar”. Indien het hof heeft bedoeld aan te geven dat volgens Zurich sprake moet zijn van een vaststaande vordering, dan is de motivering van het hof onbegrijpelijk, omdat Zurich dit niet heeft gesteld. Het randnummer verwijst naar randnummer 2.14 sub m van de memorie van grieven, waar Zurich zou hebben betoogd dat er slechts iets kan worden gestuit wanneer er daadwerkelijk een vorderingsrecht bestaat, althans wordt gepretendeerd.
4.20
De klacht faalt bij gebrek aan belang, omdat de overweging van het hof niet het oordeel draagt dat Rabobank de brief van 24 september 2014 redelijkerwijs niet heeft hoeven opvatten als een aansprakelijkstelling. De overwegingen die dit oordeel wel dragen, zijn die over de tekst en de redelijke uitleg van die brief. Randnummer 4.5 is niet gericht tegen deze dragende overwegingen. Door over het pretenderen van een vorderingsrecht te spreken, gaat het randnummer bovendien van eenzelfde uitgangspunt uit als het hof: degene die beweert een vordering te hebben kan een stuitingsmededeling doen, ook als nog niet vaststaat dat hij daadwerkelijk een vordering heeft. De klacht is dus hoe dan ook tevergeefs voorgesteld.
4.21
Randnummer 4.6 is gericht tegen de passage “als gevolg van het ontbreken van een adequate verzekering” in de eerste volzin van r.o. 5.10. Het randnummer voert aan dat de motivering van het hof gebrekkig is, omdat Zurich dit niet heeft gesteld en omdat Rabobank wel bij Zurich verzekerd was.
4.22
De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Zoals ik bij de behandeling van randnummer 4.3 heb toegelicht, heeft het hof aldus de vordering van de werkneemster op Rabobank geduid. De passage moet worden gelezen als een verwijzing naar de ontoereikende collectieve ongevallenverzekering van Rabobank en niet naar de bij Zurich ondergebrachte aansprakelijkheidsverzekering. Dat blijkt uit r.o. 3.4, waarin staat dat de werkneemster Rabobank aansprakelijk stelt, omdat niet al haar schade werd vergoed door (haar eigen schadeverzekering inzittenden en) de collectieve ongevallenverzekering van de Rabobank.
4.23
Randnummer 4.7 is gericht tegen de slotzin van r.o. 5.10, die luidt: “Een redelijke uitleg van de brief brengt mee dat de werkneemster met de stuitingsmededeling in 2014 slechts heeft bedoeld ervoor te zorgen dat zij haar recht om een vordering tegen Rabobank in te stellen – als zij die zou blijken te hebben – behield.” Het randnummer voert aan dat het hof expliciet is uitgegaan van het “behouden” van een vordering, wat noodzakelijkerwijs impliceert dat de verzender een vordering bezit of pretendeert te bezitten. In het verlengde hiervan zou de melding van die gepretendeerde vordering een aansprakelijkstelling opleveren.
4.24
De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof spreekt niet over het hebben van een vordering, maar over een recht om een vordering in te stellen (het vorderingsrecht, dat kan verjaren terwijl vanwege de zwakke werking van verjaring de schuld kan blijven bestaan).
4.25
Randnummer 4.8 bouwt voort op de in randnummers 4.3 en 4.4 vermelde stellingen en deelt het lot daarvan.
Onderdeel III
4.26
Onderdeel III is gericht tegen r.o. 5.11. Het onderdeel bestrijdt de motivering door het hof in verschillende randnummers die – afgezien van randnummer 5.6, dat spreekt van een rechtsklacht – kennelijk motiveringsklachten (randnummer 5.1. spreekt van ‘onduidelijk’, ‘onnavolgbaar’ en ‘onbegrijpelijk’) bevatten. Verdedigbaar lijkt mij dat de in het onderdeel vervatte klachten al falen omdat r.o. 5.11, dat aanvangt met ‘Bovendien’, een overweging ten overvloede is die het eindoordeel van het hof niet zelfstandig draagt. Ik ga er niettemin op in. Vooraf merk ik op dat ik de overweging, die evident is bedoeld als toelichting op het oordeel van het hof (in r.o. 5.10) dat Rabobank de brief van 24 september 2014 niet als aansprakelijkstelling heeft hoeven opvatten, allerminst onbegrijpelijk vind. De in Onderdeel III vervatte klachten falen dan ook. Ik loop kort de randnummers langs.
4.27
Randnummer 5.2 is gericht tegen de passage “dat de door haar afgesloten verzekering onvoldoende dekking zou bieden”. Deze passage zou onjuist en onbegrijpelijk zijn als zij betrekking zou hebben op de schadeverzekering inzittenden (svi) of op de aansprakelijkheidsverzekering.
4.28
In randnummer 4.22 hiervoor heb ik al uiteengezet dat het hof evident het oog heeft gehad op de door Rabobank ten behoeve van haar werknemers afgesloten collectieve ongevallenverzekering (en dus niet op de svi of de aansprakelijkheidsverzekering).
4.29
Randnummer 5.3 is gericht tegen de eerste en tweede volzin van r.o. 5.11, die luiden: “Bovendien is gelet op de gemotiveerde betwisting door Rabobank niet komen vast te staan dat in 2014 al duidelijk was dat de door haar afgesloten verzekering onvoldoende dekking zou bieden om de schade van de werkneemster te vergoeden. Pas in 2017 werd volgens Rabobank duidelijk dat er nog ruim zes ton overbleef aan ongedekte schade en vaststaat dat eerst in 2022 tussen Rabobank en de werkneemster een minnelijke regeling is getroffen die inhoudt dat Rabobank aan haar een bedrag van € 215.000 betaalt.” Het hof zou hebben verzuimd de relevantie van deze overwegingen duidelijk te maken voor het antwoord op de vraag of de dekkingsaanspraak van Rabobank jegens Zurich vóór of in 2014 opeisbaar was. Het onderdeel voert aan dat voor de dekkingsaanspraak (van Rabobank op Zurich) niet relevant is of de aansprakelijkheid uiteindelijk ontbreekt dan wel vast komt te staan en dat evenmin relevant is of uiteindelijk enige schadevergoeding verschuldigd is aan de benadeelde.
4.30
Het hof heeft deze overwegingen – die erop neerkomen dat en waarom Rabobank in 2014 nog niet hoefde aan te nemen dat zij aansprakelijk was – ten grondslag gelegd aan zijn daaropvolgende overweging in de derde volzin van r.o. 5.11 dat “[de] in de brief gebruikte bewoordingen […] dus ook [aansloten] bij de door Rabobank gestelde feitelijke situatie die inhield dat in 2014 van aansprakelijkheid van Rabobank jegens de werkneemster vanwege een gebleken inadequate verzekering nog helemaal geen sprake was.” Dat is niet onbegrijpelijk, omdat inderdaad, als aangenomen moet worden dat Rabobank in 2014 niet ervan hoefde uit te gaan dat de door haar gesloten collectieve ongevallenverzekering onvoldoende dekking zou bieden, omdat haar dit pas in 2017 duidelijk werd, de in de brief gebruikte woorden op die situatie in 2014 aansluiten, en die woorden dus ook daarom niet erop duiden dat Rabobank bij lezing ervan moest uitgaan van een aansprakelijkstelling.
4.31
Randnummer 5.4 is gericht tegen r.o. 5.11 in haar geheel. De motivering van het hof zou ernstig tekortschieten, omdat Rabobank er rekening mee had moeten houden dat zij haar werkneemster een schadevergoeding had moeten betalen, als gevolg waarvan zij een vordering zou hebben op Zurich, waarvan zij melding bij Zurich zou hebben moeten maken.
4.32
Dat Rabobank er rekening mee had moeten houden dat zij haar werkneemster schadevergoeding had moeten betalen betekent evenwel niet dat zij de brief uit 2014 als aansprakelijkstelling heeft moeten opvatten. De klacht laat dus in het midden waarom de motivering van het hof op dit punt tekortschiet.
4.33
Randnummer 5.5 is gericht tegen de derde volzin van r.o. 5.11, die luidt: “De in de brief gebruikte bewoordingen sloten dus ook aan bij de door Rabobank gestelde feitelijke situatie die inhield dat in 2014 van aansprakelijkheid van Rabobank jegens de werkneemster vanwege een gebleken inadequate verzekering nog helemaal geen sprake was.” Het oordeel van het hof zou gebrekkig zijn gemotiveerd, omdat het aan Zurich zou zijn om te beoordelen of Rabobank daadwerkelijk aansprakelijk is jegens haar werkneemster.
4.34
Deze stelling miskent dat het aan het hof was om te beoordelen of Rabobank de brief uit 2014 als aansprakelijkstelling heeft moeten opvatten. Zij licht niet toe waarom dat oordeel onbegrijpelijk zou zijn.
4.35
Randnummer 5.6 is eveneens gericht tegen de derde volzin van r.o. 5.11. Het randnummer stelt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting als het heeft geoordeeld dat voor de opeisbaarheid van een vordering vereist is dat is gebleken dat de verzekerde aansprakelijk is en/of diens andere verzekering onvoldoende dekking biedt.
4.36
Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft slechts geoordeeld dat de woorden van de brief van 24 september 2014, waaruit naar het oordeel van het hof geen aansprakelijkstelling volgt (r.o. 5.10), aansluiten bij de feitelijke situatie in 2014, waarin Rabobank niet van aansprakelijkheid hoefde uit te gaan.
4.37
Randnummer 5.7 is gericht tegen r.o. 5.11 in haar geheel. De motivering van het hof zou tekortschieten en gebrekkig zijn, omdat Rabobank er rekening mee zou hebben moeten houden dat de schadeverzekeraar van de werkneemster verhaal zou kunnen zoeken op Rabobank, in welk geval Rabobank een vordering op Zurich zou hebben gehad.
4.38
Dat Rabobank daarmee rekening zou hebben moeten houden maakt evenwel niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat Rabobank de brief uit 2014 niet heeft hoeven opvatten als aansprakelijkstelling.
4.39
Randnummer 5.8 stelt dat het hof heeft verzuimd om in het slot van r.o. 5.11 inzichtelijk te maken waarom de daar genoemde omstandigheden onvoldoende gewicht in de schaal zouden leggen om toch te kunnen concluderen dat de brief van 24 september 2014 als een aansprakelijkstelling had moeten worden opgevat.
4.40
Het hof heeft in r.o. 5.10 kunnen oordelen hoe Rabobank de brief van 24 september 2014 redelijkerwijs heeft mogen opvatten, mede tegen de achtergrond van de feitelijke situatie destijds (r.o. 5.11). Dat daarbij de door Zurich aangevoerde omstandigheden onvoldoende gewicht in de schaal leggen is een oordeel dat aan het hof als feitenrechter is voorbehouden. Onbegrijpelijk is dat oordeel allerminst.
4.41
Randnummer 5.9 stelt dat het hof in r.o. 5.11 een lijst van aangevoerde omstandigheden onbenoemd en buiten beschouwing heeft gelaten. Ik onderscheid de volgende categorieën omstandigheden:
(i) omstandigheden met betrekking tot de kennis van Rabobank. Zie randnummer 5.9 onder a, d, e en h;
(ii) omstandigheden met betrekking tot de deskundigheid van Rabobank. Zie randnummer 5.9 onder b, c, f, g, j en l; en
(iii) omstandigheden met betrekking tot juridische begrippen en concepten in de brief van 24 september 2014. Zie randnummer 5.9 onder i, k, l en m.
4.42
In r.o. 5.8 van het bestreden arrest heeft het hof deze omstandigheden samengevat en vrij weergegeven. De eerste zin van r.o. 5.11 heeft betrekking op de kennis van Rabobank. Uit de laatste zin van r.o. 5.11 blijkt dat het hof de deskundigheid van Rabobank heeft meegewogen. In r.o. 5.10 en r.o. 5.11 heeft het hof gemotiveerd gereageerd op de aangehaalde juridische begrippen en concepten. Het hof heeft de aangevoerde omstandigheden dus niet onbenoemd of buiten beschouwing gelaten. Het hof heeft de bewoording van beide brieven en andere omstandigheden van doorslaggevend gewicht geacht. Onbegrijpelijk is dat oordeel niet.
Onderdeel IV
4.43
Onderdeel IV stelt dat het hof niet is ingegaan op de stelling dat, als de brief van 24 september 2014 enige ruimte voor onduidelijkheid of twijfel zou laten aan de kant van Rabobank, Rabobank gehouden was om een onderzoek in te stellen ter vaststelling van haar dekkingsaanspraak op Zurich.
4.44
Deze klacht faalt omdat in r.o. 5.10 en 5.11 besloten ligt dat naar het oordeel van het hof Rabobank niet hoefde te twijfelen over de betekenis van de brief. Deze leverde geen aansprakelijkstelling op. Het is dus niet onbegrijpelijk dat het hof niet nadrukkelijk is ingegaan op de stelling van Zurich met betrekking tot de onderzoeksplicht. De rechtsklacht die het onderdeel naar voren brengt, treft dan ook geen doel.
Onderdeel V
4.45
Onderdeel V bouwt voort op onderdelen II tot en met IV en om faalt om dezelfde redenen.
Slotsom
4.46
Nu geen van de klachten slaagt, dient het cassatieberoep te worden verworpen. Ik geef in overweging om de zaak af te doen met toepassing van art. 81 RO.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 05‑09‑2025
Zie r.o. 3.1 tot en met 3.5 van gerechtshof Amsterdam 9 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1896. Het hof gaat uit van de feiten vermeld in r.o. 2.1 tot en met 2.6 van het tussenvonnis van de rechtbank (rechtbank Noord-Holland 26 januari 2022, zaaknummer: 9171719 \ CV EXPL 21-2133 (niet gepubliceerd)).
De procesinleiding is op 15 november 2024 via het webportaal ingediend ter griffie van de Hoge Raad en daarmee dus binnen de termijn van drie maanden aanhangig gemaakt, te rekenen van de dag van de uitspraak waarbij tussentijds cassatieberoep is opengesteld (zie HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924, NJ 2023/63, m.nt. H.J. Snijders, r.o. 3.2.4 en 3.2.6).
Besluit van 22 december 2005 tot inwerkingtreding van de wet tot vaststelling van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek en van de Invoeringswet titel 7.17 en titel 7.18 Burgerlijk Wetboek, Stb. 2005, 702.
Kamerstukken II 2004/05, 30137, nr. 3, p. 22 en 23.
Voluit: Wet van 17 december 2009 tot aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot invoering van een procedure voor deelgeschillen ter bevordering van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade (Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade), Stb. 2010, 221.
Ik zocht op www.rechtspraak.nl op “art. 7:942 lid 1 BW”.
M. de Haan en T. Hussein, ‘Verjaring en Verval’, in: W.M.A. Kalkman, W.G.A. van Gerner en J.L. Zeeman (red.), Compendium Verzekeringsrecht, Den Haag: Sdu 2024, p. 357; N. van Tiggele-van der Velde, T. Hartlief & F.R. Salomons, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 7. Bijzondere overeenkomsten. Deel IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 235 en 236; J. Streefkerk, ‘2025 Aansprakelijkheidsverzekering’, in: Handboek Personenschade, Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 2025.1.6; M.L. Hendrikse, ‘Verjaring en contractueel verval van de vordering tot uitkering’, in M.L. Hendrikse, Ph.H.J.G. van Huizen & J.G.J. Rinkes (red.), Verzekeringsrecht (Recht en Praktijk nr. VR2), Deventer: Wolters Kluwer 2023, para. 12.2; B.M. van Wijk en J. Biezenaar, ‘Verjaring’, in N. van Tiggele-van der Velde, S.Y.Th. Meijer & N. Vloemans (red.), De praktijk van 15 + 1 jaar ‘nieuw’ verzekeringsrecht (Recht en Praktijk nr. VR9), Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 245; F.H.J. Mijnssen & K. Engel, Verzekering (Monografieën BW nr. B88), Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 67 en 68; P. van Zwieten en K. Engel, ‘Artikel 942’, in: S.E. Bartels (red.), Groene Serie Bijzondere overeenkomsten, Deventer: Wolters Kluwer 2021, aant. 2; M.W.E. Koopmann, Bevrijdende verjaring (Monografieën BW nr. B14), Deventer: Kluwer 2010 p. 35 en 36; J.W.L.M. ten Braak, ‘Wetsvoorstel tot wijziging van art. 7:942 BW: verjaring van de rechtsvordering tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar tot het doen van een uitkering opnieuw op de schop!’, NTHR 2009/1, p. 29-31; Chr.H. van Dijk, ‘Stuiting en verjaring: nog steeds veel onzekerheid?’, AV&S 2008/21; P.J.M. Drion, ‘Verjaring’, in: P.J.M. Drion, J.G.C. Kamphuisen, J.H. Wansink en B.K.M. Lauwerier (red.), Het nieuwe verzekeringsrecht. Titel 7.17 BW belicht, Deventer: Kluwer 2005, p. 89.
Beroepschrift 15‑11‑2024
PROCESINLEIDING IN CASSATIE (artikel 407 Rv)
Eiseres tot cassatie is de rechtspersoon naar Duits recht ZURICH INSURANCE EUROPE AG, Netherlands Branch, gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland — als rechtsopvolgster van de vennootschap naar buitenlands recht ZURICH INSURANCE PUBLIC LIMITED COMPANY, Netherlands Branch, gevestigd te Dublin, Ierland — mede kantoorhoudend te Den Haag, in deze zaak woonplaats kiezende aan de Zwartelaan 30 te Leidschendam-Voorburg ten kantore van mr. J. Streefkerk, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, die als zodanig eiseres tot cassatie vertegenwoordigt in deze cassatieprocedure.
Verweerster in cassatie is de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK U.A., gevestigd te Amsterdam, die in de vorige instanties van deze procedure woonplaats gekozen heeft ten kantore van haar advocaat mr. H. van Lingen, kantoorhoudend aan de Comeniusstraat 10 te 1817 MS Alkmaar.
Partijen zullen verder worden aangeduid als Zurich en Rabobank.
1.1.
Zurich stelt cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam dat op 9 juli 2024 onder zaaknummer 200.315.094/01 tussen partijen is gewezen. In verband met de procesrechtelijke status van tussenarrest heeft het Gerechtshof Amsterdam, op verzoek van Zurich bij brief d.d. 22 augustus 2024, bij beslissing d.d. 8 oktober 2024 bepaald dat van het arrest van 9 juli 2024 terstond beroep in cassatie kan worden ingesteld.
1.2.
Rabobank kan in deze procedure ten laatste verschijnen op vrijdag 20 december 2024, niet in persoon doch vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, ter terechtzitting van de enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad, welke zitting gehouden zal worden in het gebouw van de Hoge Raad aan het Korte Voorhout 8 te Den Haag.
1.3.
De enkelvoudige civiele kamer behandelt de zaken, conform het overzicht als bedoeld in artikel 15 van het Besluit Orde van Dienst Gerechten, op vrijdagen om 10.00 uur.
Inleiding.
2.1.
In de hoofdzaak is Rabobank gedagvaard door mevrouw [de werkneemster], zulks in verband met het eenzijdige verkeersongeval van [de werkneemster] op 4 november 2009, dat plaatsgevonden heeft in het kader van haar werkzaamheden in dienst van Rabobank. Op de grondslag van het goed werkgeverschap in de zin van artikel 7:611 BW heeft [de werkneemster] vergoeding van de uit het verkeersongeval voortvloeiende schade, voor zover die schade niet werd vergoed door de SVI-verzekering die (niet door Rabobank maar) door [de werkneemster] en haar echtgenoot was afgesloten. De SVI van [de werkneemster] kende een verzekerde som van één miljoen euro, doch de letselschade van [de werkneemster] bedroeg volgens haar, na aftrek van de verzekerde som uit hoofde van de SVI, nog € 635.272,63 te vermeerderen met wettelijke rente en kosten. [de werkneemster] heeft bij dagvaarding d.d. 21 december 2020 gevorderd — zakelijk weergegeven — te verklaren voor recht dat Rabobank wordt veroordeeld om het hiervoor genoemde bedrag vermeerderd met rente en kosten en haar te betalen. Nadien is in maart 2022 buiten rechte een schikking bereikt tussen [de werkneemster] en Rabobank; zie de alinea's 1.3 en 1.4 memorie van grieven (verder: mvg).
2.2.
Rabobank heeft bij vrijwaringsdagvaarding d.d. 13 april 2021 gevorderd — zakelijk weergegeven — voor recht te verklaren dat Zurich dekking dient te verlenen onder de aansprakelijkheidsverzekering en dat Zurich wordt veroordeeld om aan Rabobank te betalen al hetgeen waartoe Rabobank in de hoofdzaak jegens [de werkneemster] wordt veroordeeld. Na de schikking als vermeld in de vorige alinea heeft Rabobank haar vordering gewijzigd; zie alinea 1.4 mvg.
2.3.
Onderwerp van de vrijwaringsprocedure, zowel in feitelijke instanties als in cassatie, is de vordering die Rabobank pretendeert te hebben op Zurich. Deze vordering betreft de aanspraak van Rabobank op dekking onder de AVB-verzekering bij Zurich. De kern van het geschil tussen Rabobank en Zurich is gelegen in het standpunt van Zurich dat de dekkingsaanspraak van Rabobank ingevolge artikel 7:942 lid 1 BW is verjaard.
2.4.
Namens Rabobank is pas voor het eerst bij Zurich aanspraak gemaakt op dekking onder de AVB-verzekering op 5 juli 2018 — bijna negen jaar na het verkeersongeval — hoewel Rabobank dit veel eerder had kunnen en moeten doen.
2.5.
- •
Op 16 december 2009 heeft Aon aan Rabobank bericht dat de dekking van de AVB-verzekering bij Zurich was uitgebreid voor (kortweg) ‘611-aansprakelijkheid’, zulks met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2009.1.
- •
Vanaf het verkeersongeval op 5 november 2009 is Rabobank steeds op de hoogte geweest van het feit dat haar werkneemster [de werkneemster] ernstig letsel had opgelopen. Als gevolg van dat ongeval is [de werkneemster] direct arbeidsongeschikt geraakt.2.
- •
In het kader van de arbeidsovereenkomst van [de werkneemster] bij Rabobank hebben zich diverse verwikkelingen voorgedaan in de periode van eind 2009 tot en met 2013, waardoor het voor Rabobank steeds duidelijk is geweest dat sprake was van een zeer forse (letsel)schade van [de werkneemster].3.
- •
De arbeidsovereenkomst tussen [de werkneemster] en Rabobank is ontbonden bij beschikking d.d. 24 januari 2013. In rov. 25 van deze beschikking is overgewogen dat de Rabobank tekortgeschoten is in de nakoming van haar reïntegratieverplichtingen.4.
- •
Namens [de werkneemster] heeft haar advocaat mr. Wytema twee aangetekende brieven gestuurd aan Rabobank, namelijk op 24 september 2014 respectievelijk 25 juni 2018, waarbij de verjaring is gestuit en Rabobank aansprakelijk is gesteld.5. De brieven zijn overgelegd als productie 1 en productie 2 cva.
2.6.
Uit de brief van Rabobank d.d. 17 november 2021 met producties blijkt dat in de periode 2009–2017 regelmatig contact heeft plaatsgevonden tussen enerzijds [de werkneemster] c.q. haar advocaat en anderzijds Interpolis/Achmea in het kader van de letselschaderegeling. Rabobank behoort tot hetzelfde concern als Interpolis/Achmea, ook reeds in 2009 en de daaropvolgende jaren.6. Rabobank is sinds jaar en dag de op één na grootste tussenpersoon/beursgevol-machtigde van Nederland.7.
2.7.
Op grond van de feitelijke omstandigheden waaronder (niet uitsluitend maar) in het bijzonder de brief d.d. 24 september 2014 heeft Zurich in de vrijwaringsprocedure het verweer gevoerd, dat de dekkingsaanspraak van Rabobank verjaard is.8. De rechtbank Noord-Holland heeft het verweer van Zurich verworpen bij tussenvonnis d.d. 26 januari 2022. Tegen dit vonnis heeft Zurich met toestemming van de rechtbank (bij vonnis van 13 juli 2022) hoger beroep ingesteld. Het hof Amsterdam heeft de door Zurich opgeworpen grief tegen het vonnis verworpen bij arrest d.d. 9 juli 2024.
Tegen dit arrest van het hof Amsterdam richt zich het onderhavige beroep in cassatie. Evenals in feitelijke instanties gaat het in cassatie om de uitleg en toepassing van artikel 7:942 lid 1 BW, in het licht van alle omstandigheden en in het bijzonder de brief aan Rabobank d.d. 24 september 2014.
2.8.
Met het oog op de cassatieklachten merkt Zurich op dat zij in het hoger beroep één grief heeft opgeworpen, in het kader waarvan zij de diverse stellingen en argumenten naar voren heeft gebracht ter onderbouwing van haar standpunt dat de dekkingsaanspraak van de Rabobank verjaard is. Het hof heeft in het bestreden arrest d.d. 9 juli 2024 de grief behandeld in twee delen, namelijk (a) de vraag wanneer de verjaringstermijn van artikel 7:942 lid 1 BW begint te lopen en (b) de vraag wanneer Rabobank aansprakelijk is gesteld; zie rov. 5.3–5.7 respectievelijk rov. 5.8–5.12 van het arrest. Hiertegen zal Zurich verschillende cassatieklachten formuleren, wat niet wegneemt dat de cassatieklachten mede in hun onderlinge samenhang bezien moeten worden.
Middel van cassatie.
Zurich voert tegen het (tussen)arrest van het hof Amsterdam d.d. 9 juli 2024 het volgende middel van cassatie aan.
Schending van het recht en/of verzuim van het vormvereiste van een toereikende motivering, doordat het hof heeft overwogen en beslist als in het arrest is weergegeven, zulks op de volgende mede in hun onderlinge samenhang te beschouwen gronden en redenen.
Cassatieklacht I.
3.1.
Het hof heeft in rov. 5.7 van het arrest d.d. 9 juli 2024 geoordeeld dat de verjaringstermijn van artikel 7:942 lid 1 BW begint te lopen nadat Rabobank met de opeisbaarheid van haar vordering op Zurich bekend is geworden en dat daarvoor ‘bepalend [is] op welk moment Rabobank door haar werkneemster aansprakelijk is gesteld’. Dit oordeel geeft naar de mening van Zurich blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof hiermee de term ‘opeisbaarheid’ in artikel 7:942 lid 1 BW gelijk stelt aan en op één lijn stelt met het begrip ‘aansprakelijk (stellen)’.
3.2.
Voor dit oordeel knoopt het hof weliswaar aan bij de wetsgeschiedenis, waaruit passages geciteerd zijn in rov. 5.5 en rov. 5.6 van het arrest. Maar uit de bewoordingen van de wetgever blijkt dat deze de mogelijkheid heeft opengelaten, dat de opeisbaarheid van de dekkingsaanspraak ook aan de orde kan zijn zonder een (letterlijke of expliciete) aansprakelijkstelling.9. Als de wetgever de aanvang van de verjaringstermijn had willen koppelen aan — niets anders dan — de expliciete aansprakelijkstelling, dan had de wetgever in artikel 7:942 lid 1 BW niet de term ‘opeisbaarheid’ maar in plaats daarvan de term ‘aansprakelijkstelling’ opgenomen. Zowel taalkundig als juridisch als uit een oogpunt van wetshistorie moet worden aangenomen dat de opeisbaarheid, als bedoeld in de onderhavige wetsbepaling, niet slechts kan intreden door middel van een aansprakelijkstelling doch ook kan voortvloeien uit andere omstandigheden.10.
3.3.
Het oordeel van het hof dat het moment van aansprakelijkstelling bepalend is, zonder daarbij de overige omstandigheden te betrekken, getuigt daarom van een onjuiste rechtsopvatting nu de wet niet spreekt over ‘aansprakelijk’ doch over ‘opeisbaarheid’.
Cassatieklacht II.
4.1.
Na de weergave van de partijstandpunten in rov. 5.8 en 5.9 heeft het hof in rov. 5.10 geoordeeld dat Rabobank de brief d.d. 24 september 2014 ‘redelijkerwijs niet heeft hoeven opvatten als een aansprakelijkstelling voor de schade die de werkneemster lijdt als gevolg van het ontbreken van een adequate verzekering van Rabobank’. Voorts heeft het hof in rov. 5.10 geoordeeld:
‘Een stuitingsmededeling kan anders dan Zurich kennelijk meent (ook) gedaan worden als nog niet vaststaat dat degene die de mededeling doet daadwerkelijk een vordering heeft op de schuldenaar’.
4.2.
Deze rechtsoverweging getuigt naar de mening van Zurich van een onjuiste rechtsopvatting van het hof. Daarnaast is de door het hof gehanteerde motivering gebrekkig. Zurich licht een en ander toe.
4.3.
Indien het hof in rov. 5.10 heeft bedoeld aan te geven dat Rabobank de brief van 24 september 2014 slechts dan als een aansprakelijkstelling heeft hoeven op te vatten indien daarin melding zou zijn gemaakt van schade ‘als gevolg van het ontbreken van een adequate verzekering’ van Rabobank, dan getuigt dit van een onjuiste rechtsopvatting. Immers, voor een rechtsgeldige aansprakelijkstelling is niet vereist dat daarbij een min of meer exacte aanduiding van de juridische grondslag wordt vermeld.11. Het is daarentegen voldoende dat voor de ontvanger genoegzaam duidelijk is, dat hij naar aanleiding van een bepaald voorval voorwaardelijk of onvoorwaardelijk aansprakelijk wordt gehouden, gelijk dit evenzeer geldt voor de stuitingshandeling. Daarover heeft uw Raad in 2008 geoordeeld dat de strekking hiervan is, dat de aangeschrevene ‘zich tegen een dan mogelijkerwijs nog door de schuldenaar ingestelde vordering behoorlijk kan verweren’.12. Aan die vereisten voor een aansprakelijkstelling en/of stuitingshandeling is voldaan, aangezien Rabobank uit de bewuste brief had moeten afleiden dát zij aansprakelijk werd gehouden — al dan niet voorwaardelijk — in verband met het verkeersongeval uit november 2009 terwijl bovendien expliciet is opgemerkt in de brief dat Rabobank zich niet als goed werkgever heeft opgesteld. Het oordeel van het hof dat Rabobank de brief slechts als aansprakelijkstelling hoefde op te vatten wanneer daarin melding zou zijn gemaakt van schade als gevolg van het ontbreken van een adequate verzekering, geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de voor een aansprakelijkstelling geldende vereisten.
4.4.
Indien het hof in rov. 5.10 heeft bedoeld aan te geven dat zelfs wanneer niet eens gepretendeerd wordt dat er mogelijk een vorderingsrecht bestaat, toch een stuitingshandeling kan worden gedaan, getuigt dit eveneens van een onjuiste rechtsopvatting.13. Immers, de benadeelde of de belanghebbende zal ‘iets’ moeten willen stuiten, anders is de schriftelijke mededeling inhoudsloos en zinledig. Om een stuitingshandeling op te leveren, zal de benadeelde of belanghebbende zelf ervan uitgaan dat hij een vorderingsrecht bezit of pretendeert te hebben. Het spiegelbeeld hiervan is dat wanneer men in het luchtledige een schriftelijke stuitingsmededeling zou versturen — zonder onderliggend substraat in de vorm een gebleken of gepretendeerde vordering — er niets gestuit wordt en niets gestuit kan worden. De conclusie op dit punt moet daarom zijn dat een stuitingsmededeling slechts kan worden gedaan wanneer tenminste in subjectieve zin een vorderingsrecht gepretendeerd wordt en dat het doen van een stuitingshandeling derhalve impliceert dat de betrokkene uitgaat van een bestaand of gepretendeerd vorderingsrecht.14. Ten overvloede tekent Zurich aan dat niets erop wijst dat [de werkneemster] ten tijde van de brief d.d. 24 september 2014 ervan uitging geen vorderingsrecht jegens Rabobank te bezitten. Het tegendeel is het geval; zie alinea 2.6 Spreekaantekeningen en noot 4 bij alinea 2.19 mvg.
4.5.
Indien het hof in rov. 5.10 heeft bedoeld aan te geven dat volgens het door Zurich ingenomen standpunt sprake moet zijn van een vaststaande vordering — op welke bedoeling het tweede citaat in alinea 41. hierboven duidt — is de motivering van het hof onbegrijpelijk en derhalve gebrekkig omdat dit niet door Zurich is gesteld. Hier manifesteert zich een verschil tussen enerzijds de door Zurich gehanteerde term ‘bestaand’ vorderingsrecht en anderzijds de door het hof gehanteerde terminologie ‘vaststaat’ (of vaststaande vordering). Zurich heeft in alinea 2.14 sub m mvg betoogd dat er slechts iets te stuiten valt wanneer er daadwerkelijk een vorderingsrecht ‘bestaat althans gepretendeerd wordt’ [onderstreping toegevoegd, adv.]. Het is dan ook duidelijk dat Zurich de term ‘bestaand’ heeft gebruikt in die context en in combinatie met de drie daaropvolgende woorden. In diezelfde context c.q. combinatie heeft Zurich haar betoog met betrekking tot het ‘bestaan’ of het ‘pretenderen’ van de vordering in alinea 8 van haar akte d.d. 28 maart 2023 toegelicht. Door Zurich is echter niet gesteld of aangevoerd dat een stuitingshandeling slechts verricht zou kunnen worden indien de vordering zou vaststaan. Daarom is de hier bestreden overweging onnavolgbaar, onbegrijpelijk en gebrekkig.
4.6.
In de eerste volzin van rov. 5.10 van het bestreden arrest heeft het hof de zinsnede ‘als gevolg van het ontbreken van een adequate verzekering’ gebruikt. Als dit volgens het hof zou berusten op een stelling van Zurich, dan is dit evenzeer onbegrijpelijk aangezien iets dergelijks niet is gesteld door Zurich. Sterker, in deze aangelegenheid doet zich helemaal geen ‘ontbreken van een adequate verzekering’ voor, aangezien Rabobank juist verzekerd was bij Zurich voor de ‘611-aansprakelijkheid’. Zowel in de lezing dat het zou gaan om een stelling van Zurich als in de lezing dat het een zelfstandige opvatting van het het hof betreft, is het oordeel van het hof mitsdien gebrekkig gemotiveerd en kan het niet in stand blijven.
4.7.
In de slotzin van rov. 5.10 heeft het hof geoordeeld dat een redelijke uitleg van de brief d.d. 24 september 2014 meebrengt, dat daarmee slechts is bedoeld ‘ervoor te zorgen dat zij [[de werkneemster]] haar recht om een vordering tegen Rabobank in te stellen — als zij die zou blijken te hebben — behield’. Dit betekent dat het hof expliciet uitgaat van het ‘behouden’ van een vordering, hetgeen noodzakelijkerwijs impliceert dat de aanzegger een vordering bezit of pretendeert te bezitten. De melding of aanzegging van die pretense vordering levert een aansprakelijkstelling op, ongeacht het al dan niet gebruiken van de term ‘aansprakelijk’. De tussenzin ‘als zij die zou blijken te hebben’ maakt dit niet anders. Integendeel, in de benadering van het hof is er onmiskenbaar een gepretendeerde vordering — die nog niet vast staat, maar dat is vaak het geval bij zowel aansprakelijkstellingen als stuitingshandelingen — zodat de bewoordingen van de brief in de benadering van het hof nopen tot de slotsom dat de brief ook een aansprakelijkstelling bevat.
De andersluidende slotsom van het hof (slechts een stuiting en geen aansprakelijkstelling) is om deze redenen onnavolgbaar, innerlijk tegenstrijdig en dus gebrekkig gemotiveerd.
4.8.
De uitleg die het hof in de slotzin van rov. 5.10 heeft gegeven aan de brief d.d. 24 september 2014 getuigt voorts van een onjuiste rechtsopvatting omdat deze uitleg berust op uitgangspunten — (i) slechts een aansprakelijkstelling indien melding zou zijn gemaakt van schade als gevolg van het ontbreken van een adequate verzekering en (ii) een stuitingshandeling kan worden gedaan zonder dat een vorderingsrecht wordt gepretendeerd; zie de alinea's 4.3 respectievelijk 4.4 hierboven — die reeds blijk geven van onjuiste rechtsopvattingen, zodat de uitleg hetzelfde lot deelt. In ieder geval is de uitleg van het hof, nu deze berust op onjuiste rechtsopvattingen, gebrekkig gemotiveerd zodat de uitleg van het hof om die reden niet in stand kan blijven.
Cassatieklacht III.
5.1.
Vooropgesteld moet worden dat rov. 5.11 zeer onduidelijk is. Vermoedelijk heeft het hof hier bedoeld een nadere onderbouwing te geven van zijn oordeel dat Rabobank de brief d.d. 24 september 2014 slechts heeft hoeven opvatten als een kale stuitingsmededeling zonder onderliggende vordering en dat Rabobank de brief dus niet heeft hoeven opvatten als aansprakelijkstelling althans als een mededeling die een opeisbare dekkingsaanspraak jegens Zurich opleverde. In meerdere opzichten is de overweging onnavolgbaar en onbegrijpelijk.
5.2.
Zo heeft het hof in de eerste volzin van rov. 5.11 overwogen dat in 2014 voor Rabobank niet reeds duidelijk was ‘dat de door haar afgesloten verzekering onvoldoende dekking zou bieden’ om de schade van [de werkneemster] te vergoeden. Indien het hof hier het oog heeft gehad op de SVI-verzekering, is de overweging onbegrijpelijk omdat deze verzekering niet door Rabobank maar door [de werkneemster] zelf (samen met haar echtgenoot) was afgesloten. Indien het hof hier het oog heeft gehad op de AVB-verzekering die wel door Rabobank was afgesloten, is de overweging onjuist en onbegrijpelijk omdat de verzekering bij Zurich wel degelijk voldoende dekking bood.
5.3.
In beide gevallen (SVI- dan wel AVB-verzekering) heeft het hof bovendien verzuimd om duidelijk te maken wat de relevantie hiervan is voor de vraag of de dekkingsaanspraak van Rabobank jegens Zurich vóór of in 2014 opeisbaar was. Voor die opeisbaarheid is immers niet vereist dat duidelijk of bekend is, wat de financiële gevolgen zijn van de rechtsvordering van de benadeelde jegens de verzekerde (in casu Rabobank), in tegenstelling tot hetgeen dan het hof in de tweede volzin van rov. 5.11 heeft overwogen. Voldoende is dat de benadeelde zodanige mededeling doet aan de verzekerde, dat deze daaruit redelijkerwijs kan of moet begrijpen dat hij mogelijk aansprakelijk wordt gehouden en dat hij voor die eventuele aansprakelijkheid een dekkingsaanspraak bezit. Voor die dekkingsaanspraak is niet relevant of de aansprakelijkheid uiteindelijk ontbreekt dan wel vast komt te staan en is evenmin relevant of uiteindelijk enige schadevergoeding verschuldigd is aan de benadeelde. In al die gevallen bezit de verzekerde een opeisbare dekkingsaanspraak jegens zijn aansprakelijkheidsverzekeraar. Ook in dit perspectief bezien is het oordeel van het hof in rov. 5.11 daarom gebrekkig gemotiveerd.
5.4.
Bovendien was Rabobank niet op de hoogte van de verzekerde som uit hoofde van de SVI-verzekering die door [de werkneemster] was afgesloten terwijl Rabobank wel rekening moest houden met een forse letselschadeclaim gelet op de haar wel bekende feiten en omstandigheden (zeer fors letsel, arbeidsongeschiktheid, veelvuldige menings- en arbeidsgeschillen). Daarnaast was het in september 2014 — bijna vijf jaar na het verkeersongeval — meer dan aannemelijk dat de letselschade van [de werkneemster] zeer fors was gezien haar voortdurende arbeidsongeschiktheid.
In het licht van deze bekendheid bij Rabobank diende zij van meet af aan rekening te houden met de mogelijkheid dat zij een schadevergoeding verschuldigd zou zijn aan [de werkneemster] in verband met het haar overkomen verkeersongeval en met de op Rabobank als werkgever rustende verplichtingen. Op grond daarvan bezat Rabobank een dekkingsaanspraak jegens Zurich, waarvan zij tijdig melding had moeten maken.
Ook aldus bezien schiet de motivering van het hof in rov. 5.11 ernstig tekort.
5.5.
Om dezelfde redenen is de derde volzin in rov. 5.11 (‘De in de brief … geen sprake was’’) onbegrijpelijk. De vraag of Rabobank daadwerkelijk aansprakelijk is jegens [de werkneemster], is een kwestie die door de aansprakelijkheidsverzekeraar beoordeeld wordt en moet worden. Deze beoordeling staat los van de dekkingsaanspraak van de verzekerde. Sterker, de verzekerde mag juist als onderdeel van zijn dekkingsaanspraak verlangen van de aansprakelijkheidsverzekeraar dat deze mede namens hem (in casu Rabobank) een standpunt inneemt met betrekking tot de eventuele aansprakelijkheid en mede namens de verzekerde zo nodig verweer voert tegen de aansprakelijkheid en/of de gestelde omvang van de schade; voor dat alles wordt premie betaald. Ook in dit opzicht is het oordeel van het hof derhalve gebrekkig gemotiveerd.
5.6.
Daarnaast geeft het oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het ervan uitgaat dat voor de opeisbaarheid van een dekkingsaanspraak rechtens vereist is dat gebleken moet zijn van aansprakelijkheid en/of dat eerst zou moeten blijken of vaststaan dat een andere verzekering onvoldoende dekking zou bieden. Nogmaals: voor de opeisbaarheid in de zin van artikel 7:942 lid 1 BW gelden dergelijke vereisten niet. Het gaat er immers om dat, ongeacht de grondslag en ongeacht de hoogte van de vordering, de verzekerde bekend is met een gepretendeerde vordering van de benadeelde die mogelijk onder de dekking van de verzekering valt. Indien het hof heeft bedoeld aan te geven dat wetenschap over of bekendheid met het (vermeende) gegeven dat een andere verzekering onvoldoende dekking zou bieden, een voorwaarde zou zijn voor het opeisbaar worden van de dekkingsaanspraak, getuigt dit mitsdien van een onjuiste rechtsopvatting.
5.7.
Daar komt bij dat Rabobank, ongeacht de aanwezigheid van de door [de werkneemster] zelf afgesloten SVI-verzekering en ongeacht de vraag of de verzekerde som daarvan voldoende zou zijn, rekening moest houden met de mogelijkheid dat die SVI-verzekeraar verhaal zou kunnen zoeken op Rabobank. Dit brengt mee dat ook wanneer in theorie bekend zou zijn dat de verzekerde som afdoende is om de betrokkene schadeloos te stellen, dit onverlet laat dat een dekkingsaanspraak jegens de eigen aansprakelijkheidsverzekeraar bestaat. Wederom moet worden vastgesteld dat de motivering in rov. 5.11 tekortschiet en gebrekkig is.
5.8.
Aan het slot van rov. 5.11 heeft het hof geoordeeld dat een drietal door het hof genoemde omstandigheden onvoldoende gewicht in de schaal legt:
- (i)
dat in de brief d.d. 24 september 2014 ook het verwijt staat dat Rabobank zich na het ongeval niet als goed werkgever heeft opgesteld,
- (ii)
dat [de werkneemster] in 2018 Rabobank aansprakelijk heeft gesteld op dezelfde grondslag te weten die van schending van de norm van artikel 7:611 BW en
- (iii)
dat Rabobank zeer deskundig is op het gebied van verzekeringen.
Het hof verzuimt evenwel om in rov. 5.11 inzichtelijk te maken waaróm deze omstandigheden onvoldoende gewicht in de schaal zouden leggen. Elke argumentatie of onderbouwing ontbreekt. Als gevolg hiervan is de gedachtegang c.q. de uitkomst (onvoldoende gewicht in de schaal) onnavolgbaar en derhalve gebrekkig gemotiveerd. Dit klemt te meer omdat de door het hof gememoreerde omstandigheid inhoudend dat Rabobank in 2018 op dezelfde grondslag aansprakelijk is gesteld (brief d.d. 25 juni 2018 van mr. Wytema) onderdeel uitmaakt van de context, waarbinnen de mededeling bij brief van 24 september 2014 beoordeeld dient te worden. Ten aanzien van een aansprakelijkstelling en een stuitingshandeling dient immers niet alleen te worden gelet op de formulering van de mededeling zelf, maar ook op de context daarvan en de overige omstandigheden van het geval waarbij ook betekenis kan toekomen aan de verdere correspondentie tussen partijen.15.
5.9.
De hier bestreden overweging van het hof wordt nog onbegrijpelijker en gebrekkiger, doordat het hof slechts drie door Zurich aangevoerde omstandigheden aanhaalt doch de overige omstandigheden geheel onbenoemd laat en buiten beschouwing laat.
Zurich wijst in dit verband op de alinea's 2.14 en 2.15 mvg waarin zij in totaal dertien omstandigheden heeft aangevoerd die — ieder voor zich en in hun onderlinge verband bezien — meebrengen dat de brief d.d. 24 september 2014 niet alleen een stuitingshandeling betreft maar de facto wel degelijk (ook) een aansprakelijkstelling inhoudt. Mede ter wille van de leesbaarheid vermeldt Zurich hier in verkorte vorm de dertien door haar aangevoerde omstandigheden.
- a.
Als werkgever was Rabobank van meet af aan op de hoogte van het verkeersongeluk d.d. 4 november 2009 en de ernstige gevolgen voor [de werkneemster].
- b.
Rabobank was ten tijde van het verkeersongeluk op de hoogte van de verzekeringstechnische aspecten waaronder de per 1 oktober 2009 verkregen ‘611-dekking’.
- c.
Rabobank was en is een van de grootste assurantietussenpersonen/intermediair-bedrijven van Nederland.16. Het was voor haar voldoende duidelijk dat zij met de brief van 24 september 2014 aansprakelijk werd gesteld.
- d.
Rabobank is in de jaren 2009–2014 voortdurend geconfronteerd met de letselgevolgen van [de werkneemster]. Er hebben zich meerdere juridische geschillen afgespeeld tussen Rabobank en [de werkneemster].
- e.
De gehele letselschaderegeling met [de werkneemster] heeft zich afgespeeld in het concern Achmea-Interpolis waartoe Rabobank behoort;
- f.
De brief d.d. 24 september 2014 is verstuurd door mr. E. Wytema, advocaten-kantoor Van Wassenaer Wytema ‘Letselschade Advocaten & Mediation’. Voor een deskundige organisatie als Rabobank was het daarom duidelijk dat de brief geen betrekking had op een rechtspositioneel geschil maar op de letselschade.
- g.
Rabobank werd al jaren in het kader van de AVB-verzekering bijgestaan en geadviseerd door Aon. Een eventueel beroep van Rabobank op onwetendheid dient dan ook te worden verworpen, gezien de bij Aon aanwezige kennis en deskundigheid.
- h.
In de brief van 24 september 2014 is met zoveel woorden verwezen naar het verkeersongeval van november 2009. Het was daarom voor Rabobank duidelijk dat de brief betrekking had op de letselschade-nasleep van het verkeersongeval.
- i.
In de brief van 24 september 2014 is expliciet gesteld door mr. Wytema dat Rabobank zich ‘niet als goed werkgever heeft opgesteld’. Daarmee is de juridische grondslag van het vorderingsrecht ex artikel 7:611 BW correct verwoord.
- j.
In combinatie met de brief van Aon d.d. 16 december 2009 was het voor Rabobank als deskundige op het gebied van aansprakelijkheid en verzekeringen duidelijk dat het vorderingsrecht betrekking had op de verzekeringskwestie, waarvoor rond de datum van het verkeersongeval een specifieke dekkingsclausule was ingevoerd.
- k.
In de brief van 24 september 2014 is eveneens expliciet melding gemaakt van het eventuele ‘vorderingsrecht’ van [de werkneemster]. Er kon voor Rabobank dan ook geen twijfel over bestaan dat de schriftelijke mededeling betrekking had op een vordering die gebaseerd was op het goedwerkgeverschap als aansprakelijkheidsgrond.
- l.
In de brief van 24 september 2014 heeft mr. Wytema zich namens [de werkneemster] de rechten ‘op nakoming’ voorbehouden. Voor Rabobank als professionele en juridisch deskundige werkgever was het in de context van de gehele brief.
- m.
De brief van 24 september 2014 bevat een stuitingsmededeling ter voorkoming van ‘verjaring’ van het (eventuele) vorderingsrecht. Juridisch valt er slechts iets te ‘stuiten’ wanneer er daadwerkelijk een vorderingsrecht gepretendeerd wordt of bestaat. In het licht van de overige passages in de brief is de even logische als onontkoombare consequentie daarvan dat [de werkneemster] een vordering jegens Rabobank pretendeerde omdat Rabobank aansprakelijk is. Rabobank heeft de brief derhalve niet alleen kunnen maar ook móeten opvatten als een aansprakelijkstelling.
- n.
Ergo, de brief d.d. 24 september 2014 is de facto een aansprakelijkstelling.
Door het grootste deel van deze omstandigheden buiten beschouwing te laten, heeft het hof niet inzichtelijk gemaakt welke omstandigheden naar zijn mening relevant (kunnen) zijn, terwijl het hof evenmin inzichtelijk heeft gemaakt om welke reden deze omstandigheden — in hun onderlinge verband bezien — onvoldoende gewicht in de schaal zouden leggen. Daarom kan het oordeel van het hof in rov. 5.11 de motiveringstoets niet doorstaan.
Cassatieklacht IV.
6.1.
Zurich heeft uitdrukkelijk aangevoerd dat, indien en voor zover de brief d.d. 24 september 2014 enige ruimte voor onduidelijkheid of twijfel zou laten aan de kant van Rabobank, zij gehouden was om een onderzoek in te stellen ter vaststelling van haar dekkingsaanspraak op de verzekeraar.17. Rabobank had zich juist als professionele en uitermate deskundige partij ten minste moeten afvragen, op welk feitencomplex en op welke juridische aspecten de brief d.d. 24 september 2014 betrekking kon hebben. Ook had Rabobank zich, bij twijfel, moeten afvragen welke consequenties voor haar zouden kunnen voortvloeien uit de stuitingshandeling bij brief van 24 september 2014.
Het hof heeft in zijn arrest van 9 juli 2024 evenwel in het geheel geen aandacht geslagen op en geen aandacht besteed aan deze onderzoeksplicht respectievelijk het daarop gerichte betoog van Zurich.
6.2.
Indien het stilzwijgen van het hof op dit punt erop duidt dat de gestelde onderzoeksplicht naar het oordeel van het hof niet relevant is voor de betekenis die Rabobank had behoren te hechten aan de brief d.d. 24 september 2014, getuigt dit van een onjuiste rechtsopvatting. De relevantie van de onderzoeksplicht is immers erin gelegen dat de mededeling juist ertoe strekt om de aangeschreven erop te wijzen dat hij aansprakelijk wordt gehouden en om ervoor te waarschuwen dat daarom de nodige gegevens en bewijsstukken bewaard blijven opdat de aangesprokene zich kan verweren, zodat het voor de aangeschrevene van rechtstreeks belang is om na te gaan en vast te stellen op welk feitencomplex en op welke juridische aspecten de mededeling betrekking heeft.18.
De juridische relevantie van de onderzoeksplicht blijkt voorts uit het arrest van het hof Amsterdam d.d. 15 april 2014, waarnaar is verwezen in de processtukken in feitelijke instanties.19.
6.3.
Ervan uitgaande dat de onderzoeksplicht in een situatie als de onderhavige juridisch relevant is, is sprake van een gebrekkige motivering van het oordeel van het hof doordat het hof volledig voorbijgegaan is aan de onderzoeksplicht zonder daaraan enige overweging te wijden.
Cassatieklacht V.
7.1.
In rov. 5.12 van het bestreden arrest heeft het hof ‘samenvattend’ geoordeeld dat Rabobank de brief van 24 september 2014 redelijkerwijs niet (ook) heeft hoeven opvatten als een aansprakelijkstelling als bedoeld in de wetsgeschiedenis. Daarom heeft de verjaringstermijn in deze aangelegenheid volgens het hof pas een aanvang genomen op 26 juni 2018, waarna Rabobank binnen de termijn van drie jaren Zurich in vrijwaring heeft gedagvaard. Gezien de formulering van de eerste volzin van rov. 5.12 is dit een herhaling van de eerste en laatste volzin van rov. 5.10. Daarom deelt rov. 5.12 hetzelfde lot als rov. 5.10 en rov. 5.11, in die zin dat rov. 5.12 evenzeer getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft — samenvattend — miskend dat niet alleen de bewoordingen in de brief van belang zijn maar ook de context en het gegeven dat de verzekerde een professionele partij is die verzekeringsdekking heeft gezocht en verkregen met betrekking tot de ‘611 aansprakelijkheid’ en zich daarbij ook nog eens heeft laten bijstaan door een professionele assurantietussenpersoon.20. Daarnaast heeft het hof miskend dat voor de betekenis van de brief d.d. 24 september 2014 voor de opeisbaarheid van de dekkingsaanspraak niet van belang is, op welke soort schade en/of welke soort aansprakelijkheid de brief betrekking heeft.21.
7.2.
Naar de mening van Zurich is rov. 5.12 een voortbouwende overweging, die geen zelfstandige betekenis bezit en geen zelfstandige onderbouwing van het oordeel van het hof bevat. Ook om deze redenen deelt rov. 5.12 het lot van de bovenstaande cassatieklachten.
Conclusie.
Zurich vordert op grond van de hierboven vermelde cassatieklachten dat de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof Amsterdam d.d. 9 juli 2024 (zaaknummer 200.315.094/01) vernietigt, met zodanige verdere voorziening als de Hoge Raad juist acht, een en ander met veroordeling van Rabobank in de kosten van het geding.
Leidschendam-Voorburg, 15 november 2024.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 15‑11‑2024
Alinea 5.2 sub c vrijwaringsdagvaarding; idem rov. 3.2 arrest 9 juli 2024.
Zie alinea 2.1 conclusie van antwoord (verder: cva).
Zie alinea 2.4 cva.
Zie alinea 2.5 cva.
Zie alinea 2.6 cva.
Zie alinea 2.14 sub e mvg.
Zie alinea 2.11 en 2.14 sub c mvg en prod. 4 mvg.
Zie de alinea's 3.1 t/m 3.12 cva en de alinea's 2.1 t/m 2.22 mvg.
Zie hierover alinea 2.7 mvg en alinea 3 van Zurichs akte d.d. 28 maart 2023.
Zie voor de omstandigheden die in dit verband van belang zijn: alinea's 2.1–2.5 en 3.9–3.11 cva, alinea's 2.9–2.12 mvg (vgl. tevens alinea's 2.4-2-6 van deze procesinleiding).
Vgl. hof Den Haag 9 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:3, rov. 4.4.
HR 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1494, NJ 2008/373; zie ook alinea 8 akte 28 maart 2023.
Het tweede citaat in alinea 4.1 van deze procesinleiding lijkt te duiden op deze bedoeling van het hof.
Zie de alinea's 2.13–2.14, 2.6 Spreekaantekeningen, 2.20–2.21 mvg en alinea 8 akte 28 maart 2023.
Zie in deze zin expliciet Hof Amsterdam 21 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:451, rov. 4.7 en het daar aangehaalde arrest van de Hoge Raad d.d. 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2741., alsmede hof Den Haag 9 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:3, rov. 4.4 en 4.7.
Zie alinea 2.4 Spreekaantekeningen alsmede prod. 4.
Zie de alinea's 3.6–3.7 cva, 2.2–2.7 Spreekaantekeningen en 2.17–2.18 mvg.
Zie voor de functie van de stuitingsmededeling onder meer: HR 14 februari 1997, NJ 1997/244.
Hof Amsterdam 15 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1586, JA 2014/82, zie met name rov. 3.7.3. Naar dit arrest is verwezen in de alinea's 3.6–3.8 cva, alinea's 2.3–2.5 Spreekaantekeningen, alinea's 2.17–2.19 mvg en alinea 5 akte 28 maart 2023.
Zie rov. 3.13 van het in de vorige voetnoot genoemde arrest van het hof Amsterdam d.d. 15 april 2014.
Zie in deze zin rov. 3.9 in het arrest van het hof Amsterdam d.d. 29 januari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:223.