De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/27.10:27.10 Conclusie
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/27.10
27.10 Conclusie
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS364085:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Anders dan het lang gevestigde adagium "louter tijdsverloop is voor rechtsverwerking onvoldoende" doet vermoeden, was feitelijk onder het oude verjaringsrecht louter tijdsverloop voor verjaring wel degelijk voldoende. Volgens de Hoge Raad moest sprake zijn van "bijzondere omstandigheden". De omstandigheden die hij als zodanig kwalificeerde, waren echter niet bijzonder, maar juist typisch voor substantieel tijdsverloop.
Onder het oude verjaringsrecht was die brede toepassing van de rechtsverwerking min of meer onvermijdelijk, omdat de toen geldende dertigjaarstermijn de debiteur onvoldoende bescherming bood tegen het nodeloze dralen van de crediteur; wilde de rechter een rechtvaardige beslissing nemen, dan moest hij wel marchanderen met de regel dat louter tijdsverloop voor verjaring onvoldoende is.
Met de introductie van de vijfjarige verjaringstermijnen is het met die noodzaak gedaan en hoeft de rechter geen rechtsverwerking op grond van louter tijdsverloop meer aan te nemen. Sterker, hij 'mag' dat ook niet meer doen, omdat het nieuwe verjaringsregime wél adequate termijn stelt, en het de status van die termijnen ondergraaft is als voor hun ommekomst rechtsverwerking op grond van louter tijdsverloop wordt aangenomen.
Daarmee is het ons met de regel dat louter tijdsverloop voor rechtsverwerking onvoldoende is, weer ernst. Dat betekent dat opnieuw de klassieke vraag naar zijn precieze begrenzing rijst. Traditioneel wordt die grens gezocht in het perspectief van de debiteur: rechtsverwerking is aan de orde, als de debiteur er gerechtvaardigd op is gaan vertrouwen niet meer te hoeven nakomen, of als hij door het tijdsverloop onredelijk in zijn positie is benadeeld. Die benadeling bestaat dan in de bezwaring van zijn bewijspositie en/of in de frustratie van vermogensanticipatie.
Het probleem met het perspectief van de debiteur als criterium, is dat het gevolg van het stilzitten niet is waarin de specialis verjaring (krachtens de subjectieve termijn) zich van de generalis rechtsverwerking onderscheidt. Ook bij louter tijdsverloop treden immers de genoemde gevolgen voor de debiteur in. Veeleer moet het onderscheid worden gezocht in de 'gedraging' van de crediteur. De jurisprudentie die beoordeeld vanuit het perspectief van de debiteur onder één noemer valt, laat zich beoordeeld naar de gedraging van de crediteur in drie categorieën verdelen.
Ten eerste zijn er de zaken waarin de crediteur een vroeg gelegen `momentum' laat voorbijgaan zonder te ageren — het betreft gevallen die doen denken aan art. 6:89 BW en 7:23 BW. In die gevallen kan de rechter rechtsverwerking aannemen, omdat substantieel tijdsverloop voor het rechtsverwerkingsoordeel niet dragend is, en dus de verjaringstermijn niet gecorrumpeerd raakt.
Ten tweede zijn er de zaken waarin het tijdsverloop welbeschouwd de enige grond voor het aannemen van rechtsverwerking is. Deze beslissingen tasten het verjaringsrecht aan, en zijn dus in zaken waarop het nieuwe verjaringsrecht van toepassing is, niet aanvaardbaar. Inderdaad heeft de Hoge Raad onder het nieuwe verjaringsrecht een dergelijk uitspraak nog niet gedaan.
Ten derde zijn er zaken waarin de samenwerking van substantieel tijdsverloop en gedurende dat tijdsverloop plaatshebbend contact (een van) de gronden die rechtsverwerking rechtvaardigen, versneld doen intreden. De rechter moet in die gevallen beoordelen of de 'versnelling' die het contact bewerkstelligt, voldoende substantieel is om het rechtsverwerkingsoordeel te kunnen dragen. Over die toets valt op voorhand niet meer te zeggen dan dat de rechter terughoudend moet zijn.