RvdW 2026/186:Beklag, beslag ex art. 94a Sv op geldbedragen, compressor, damesfiets en minibike onder ander t.z.v. verdenking van uitvoer van MDMA, hennepteelt, diefstal van stroom en witwassen, waarna rechter in ontnemingszaak tegen ander onherroepelijke betalingsverplichting van € 779.841,73 oplegt en beklagrechter de klaagster n-o verklaart in klaagschrift omdat dit niet is ingediend binnen 3 maanden nadat vervolgde zaak tot einde is gekomen. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 6:4:4 Sv. HR: Om redenen vermeld in CAG kan HR het cassatieberoep van klaagster niet in behandeling nemen. CAG: Het onherroepelijk worden van ’s hofs uitspraak in ontnemingszaak tegen ander brengt mee dat onder ander gelegd conservatoir beslag o.g.v. art. 6:4:4 lid 2 Sv is overgegaan in executoriaal beslag, zodat OM de inbeslaggenomen voorwerpen kan uitwinnen ten behoeve van (onherroepelijke) ontnemingsvordering. Volgens art. 6:4:4 lid 1 Sv vindt verhaal op die voorwerpen plaats op wijze zoals voorzien in Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Verder houdt art. 6:4:4 lid 3 Sv in dat t.a.v. derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op inbeslaggenomen voorwerpen ook bepalingen van WvRv van toepassing zijn (art. 456 lid 1 Rv en art. 538-540 Rv). Dat betekent dat klaagster (die stelt dat onder ander inbeslaggenomen voorwerpen aan haar toebehoren) geen belang meer heeft bij cassatieberoep tegen ’s hofs beschikking. Klaagster n-o. Samenhang met HR 27 juni 2023, RvdW 2023/773 (ontnemingszaak tegen ander) en HR 16 februari 2021, NJ 2021/183, m.nt. P.A.M. Mevis (strafzaak tegen ander).