De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/28.1.3:28.1.3 Rechtsvergelijking
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/28.1.3
28.1.3 Rechtsvergelijking
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS366543:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het ligt voor de hand om in een dogmatische kwestie als de verhouding tussen verval en verjaring naar het Duitse recht te kijken. Het probleem is evenwel dat van het Duitse recht niet zo gemakkelijk vruchten te plukken zijn.
Ten eerste neemt men in het Duitse recht de bedenking dat vervaltermijnen te divers zijn om algemene uitspraken over te doen — terecht — veel serieuzer dan in Nederland:
"Eine eigenständige übergreifende Regelung haben die Ausschlußfristen im Gesetz nicht erfahren. Das erklärt sich schon aus den starken unterschieden, die zwischen den einzelnen Fällen bestehen und die dann auch Herausbildung einer eigenständigen Dogmatik verhindert haben."1
Dat gebrek aan een eigenständigen Dogmatik maakt het moeilijk uit het Duitse recht eenduidige lessen te trekken.
Ten tweede lopen Duits en Nederlands recht uiteen waar het gaat om beantwoording van de vraag wat een vervaltermijn is. Naar Duits recht geldt het volgende:
"Die Deutung einer Frist in dem einen oder der anderen Sinnen folgt aus Sinn und Zweck der Regelung. Ausschlußfristen sind dann anzunehmen, wenn es mit dem Fristablauf sein endgültiges Bewenden haben soll; ihre Anordnung liegt also vorzugsweise im Interesse der Rechtssicherheit und Rechtsklarheit, weniger – gegenüber der Verjährung – im Schuldnerschutz."2
Als wij dat criterium zouden hanteren, zou de grote meerderheid van de vervaltermijnen uit het Nederlandse vermogensrecht niet als vervaltermijn gekwalificeerd worden; vermogensrechtelijke vervaltermijnen strekken primair tot bescherming van de schuldenaar. Naar Nederlands recht is echter niet te ontkennen dat het vervaltermijnen betreft, omdat de wetgever dat opzettelijk in de tekst tot uitdrukking heeft gebracht.3 Deze uiteenlopende kwalificatie maakt de vergelijking die men vervolgens van de vervaltermijnen toepasselijke regels zou willen maken, erg problematisch; het is als appels met peren vergelijken.
Dan doet zich vervolgens ook het probleem voor dat ten aanzien van wezenlijke kwesties de opvattingen verdeeld zijn. Bijvoorbeeld:
"Diskutiert wird, ob auf Ablauf und Wahrung von Ausschlußfristen die Bestimmungen über die Verjährung, namentlich über deren Hemmung oder Neubeginn angewendet werden können.4
Opnieuw geen eenduidige Duitse richting dus.
Overigens zegt het bovenstaande reeds op zichzelf natuurlijk al wel iets over Duits recht. Met name het gebrek aan eigenständigen Dogmatik heeft mij gesterkt in de opvatting dat men bij het denken over vervaltermijnen veel meer dan tot dusverre in Nederland is gebeurd, moet differentiëren naar het type vervaltermijn.