De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/28.1.2:28.1.2 Categorisering van vervaltermijnen
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/28.1.2
28.1.2 Categorisering van vervaltermijnen
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS371360:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Brunner, De Jong (2004), nr. 303.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Niet ten onrechte merkt de wetgever op dat vervaltermijnen meer dan verjaringstermijnen in aard uiteenlopen. Anders dan tot dusverre in de doctrine gebeurt, zal ik in dit hoofdstuk aan die verschillen ook consequenties verbinden. Het is in dat kader nodig de vervaltermijnen enigszins te categoriseren. Laat ik dat ten eerste doen op basis van hun onderwerp. Ik noem drie categorieën.
In het merendeel der gevallen hebben vervaltermijnen betrekking op bevoegdheden. Dat geldt bijvoorbeeld voor de bevoegdheid een rechtsmiddel in te stellen, de bevoegdheid buitengerechtelijk te ontbinden, de bevoegdheid buitengerechtelijk te vernietigen en de bevoegdheid het recht van reclame uit te oefenen.
Het komt ook voor dat vervaltermijnen zien, niet op een bevoegdheid, maar op een obliegenheit, een handeling die de crediteur moet verrichten om zijn recht veilig te stellen. De belangrijkste voorbeelden uit die categorie zijn de art. 6:89 en 7:23 BW: de afnemer moet binnen redelijke termijn klagen over een gebrek in het geleverde; doet hij dat niet, dan vervallen zijn rechten uit hoofde van de vermeende tekortkoming.
Ten slotte komt het ook regelmatig voor dat vervaltermijnen zien op vorderingsrechten. Dat laatste type recht wordt in de regel beheerst door de verjaring, maar dus niet altijd. De reden om toch een vervaltermijn op te nemen, ligt over het algemeen in verdragsrechtelijke verplichtingen.1 Denk bijvoorbeeld aan art. 6:191 BW, dat ingevolge de 'Europese richtlijn inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken' bepaalt dat een recht op schadevergoeding tegen de producent vervalt na tien jaar. Deze schadevergoedingsvordering zou, had de nationale wetgever de vrije hand gehad, hoogstwaarschijnlijk door een verjaringstermijn beheerst zijn geweest.
Afhankelijk van de vraag die men zich stelt, kan het zinvol zijn vervaltermijnen nog langs andere lijnen te ordenen. Zo zal in het kader van de vraag of vervaltermijnen ambtshalve moeten worden toegepast, van wezenlijk belang blijken te zijn of een vervaltermijn van openbare orde is. Mijn opvatting is dat vermogensrechtelijke verval-termijnen niet van openbare orde zijn en daarom niet ambtshalve moeten worden toegepast — over die opvatting straks nader.
In het kader van de vraag naar 'stuiting' van vervaltermijnen is weer een andere indeling van belang, namelijk of de vervaltermijn betrekking heeft op iets dat de crediteur geheel in eigen hand heeft, of dat een prestatie van de debiteur vereist is. In het kader van de stuiting gaat het er om dat de crediteur de debiteur laat weten dat het hem met de vordering nog ernst is; waar de crediteur het zonder enige handeling van de debiteur kan stellen, lijkt dat uitgangspunt te duiden op overbodigheid van een stuitingsmogelijkheid — ook daarover straks nader.