Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.7.4:7.7.4 Afhankelijkheid van instanties en voorzieningen
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.7.4
7.7.4 Afhankelijkheid van instanties en voorzieningen
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een vierde patroon in het rechterlijke besluitvormingsproces betreft de afhankelijkheid van externe instanties en de beschikbaarheid van voorzieningen. Hierdoor worden de beslismogelijkheden van de rechter-commissaris of raadkamer soms aanzienlijk beperkt. Dit speelt bijvoorbeeld in gevallen waarin de rechter-commissaris of raadkamer de voorlopige hechtenis eigenlijk zou willen schorsen, maar dit, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de minderjarige verdachte, uitsluitend verantwoord acht als er een “goed doortimmerd” plan van aanpak ligt van de hulpverlenende instanties (lees: jeugdreclassering en/of Raad voor de Kinderbescherming). Zolang de hulpverlenende instanties er niet in slagen om een dergelijk plan van aanpak op te stellen, wordt de rechter-commissaris en/of raadkamer ernstig beperkt in de mogelijkheid om de door zijn c.q. haar gewenste beslissing te nemen (zie par. 7.5.1.2, onder D). In dergelijke gevallen besluit de rechter-commissaris of raadkamer nog wel eens om slechts een kortdurende voorlopige hechtenis te bevelen, zodat op korte termijn opnieuw door een rechter naar de situatie wordt gekeken en hiermee tevens een signaal richting de hulpverlenende instanties wordt afgegeven dat zo spoedig mogelijk een plan van aanpak gereed moet zijn (zie par. 7.4.5.2).
Een complicerende factor is echter dat ook de hulpverlenende instanties op hun beurt vaak afhankelijk zijn van externe instanties en voorzieningen. Bij het opstellen van een plan van aanpak voor een schorsing lopen zij geregeld tegen praktische belemmeringen aan, zoals lange wachtlijsten en strenge toelatings- c.q. intakeprocedures voor opvangplekken, behandelplekken, scholen en andere dagbestedingsactiviteiten (zie par. 8.5). In de praktijk komt het dan ook wel eens voor dat een rechter-commissaris of raadkamer zich gedwongen voelt om een minderjarige in voorlopige hechtenis te nemen of te houden, omdat de hulpverlenende instanties er nog niet in zijn geslaagd om een geschikte opvangplek, behandelplek of dagbestedingsactiviteit voor de minderjarige verdachte te organiseren. In sommige van deze gevallen wordt de voorlopige hechtenis zelfs gebruikt als een soort ‘sociale bewaring’ van een minderjarige verdachte die naar het oordeel van de rechter-commissaris of raadkamer op dat moment geen veilige plaats heeft om te verblijven (zie wederom par. 7.5.1.2, onder D).
Een andere situatie waarin met name de raadkamer sterk afhankelijk is van een externe instantie is het geval waarin lopende de voorlopige hechtenis een persoonlijkheidsonderzoek wordt verricht door het NIFP, waarvan de uitkomsten moeten worden afgewacht alvorens de raadkamer zich voldoende geïnformeerd acht om een beslissing te kunnen nemen over een eventuele schorsing. Dit betekent dat, zolang het persoonlijkheidsonderzoek niet is afgerond, de raadkamer in zijn voorlopige hechtenisbeslissingen niet zal afwijken van het status quo, namelijk dat de verdachte in voorlopige hechtenis blijft zitten en van een schorsing (nog) geen sprake kan zijn. Zolang het persoonlijkheidsonderzoek loopt, zit de rechterlijke besluitvorming over de voorlopige hechtenis in dergelijke gevallen dus in een impasse, hetgeen voor sommige raadkamers reden is om af te zien van een frequente rechterlijke beoordeling door direct de gevangenhouding voor de duur van 60 of 90 dagen te bevelen. In de Nederlandse jeugdstrafrechtspraktijk is het persoonlijkheidsonderzoek – gelet op de doorgaans lange looptijd daarvan – dan ook één van de voornaamste redenen waarom raadkamers besluiten een langdurige gevangenhouding van een minderjarige verdachte te bevelen. Hier staat tegenover dat andere raadkamers in dergelijke gevallen juist wel een meerwaarde zien in het iedere 30 dagen opnieuw beoordelen van de voorlopige hechtenis om een “vinger aan de pols” te kunnen houden met betrekking tot het lopende persoonlijkheidsonderzoek (zie par. 7.4.5.1).
Een laatste voorbeeld van een in de praktijk voorkomende beperking van de beslismogelijkheden van de rechter-commissaris of raadkamer betreft de praktische belemmeringen rondom het gebruik van de nachtdetentie. In paragraaf 7.5.4 is naar voren gekomen dat verschillende geïnterviewde rechters graag de mogelijkheid zouden willen hebben om (meer) gebruik te kunnen maken van deze modaliteit van voorlopige hechtenis, maar dat dit in de praktijk vaak lastig uitvoerbaar blijkt. Voor toepassing van deze modaliteit van voorlopige hechtenis is allereerst vereist dat de verdachte kan verblijven in een justitiële jeugdinrichting op een dagelijks bereisbare afstand van zijn school of andere dagbestedingsactiviteit. Dit praktische vereiste is in het bijzonder problematisch in arrondissementen waar geen justitiële jeugdinrichting is gevestigd, hetgeen ertoe leidt dat in sommige arrondissementen zelfs in het geheel geen gebruik wordt gemaakt van deze modaliteit. Voorts dient zowel de justitiële jeugdinrichting als de school (c.q. organisatie die de dagbestedingsactiviteit aanbiedt) bereid te zijn medewerking te verlenen aan de nachtdetentie. Ook dit staat in de praktijk soms in de weg aan de mogelijkheid voor de rechter-commissaris of raadkamer om de voorlopige hechtenis van een minderjarige verdachte in de vorm van nachtdetentie ten uitvoer te laten leggen.
De bovengenoemde voorbeelden laten zien dat de beslisruimte van de rechter-commissaris en raadkamer niet alleen wordt begrensd door de wet en overige juridische standaarden, maar soms ook door (praktische problemen binnen) het bestaande stelsel van instanties en voorzieningen waarvan de rechter-commissaris en raadkamer in hun besluitvorming afhankelijk zijn. Dit kan betekenen dat de rechter-commissaris en raadkamer niet altijd de door hem c.q. haar gewenste beslissing kunnen nemen, maar soms zullen moeten zoeken naar een (tijdelijke) alternatieve ‘oplossing’. Soms betekent dit dat de rechter-commissaris of raadkamer geen andere mogelijkheid ziet dan te beslissen tot (voortzetting van) de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis van de minderjarige verdachte.