Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/27.1
27.1 Inleiding
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS366526:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dat is een beetje retorisch gezegd. De vijfjaarstermijn vangt aan als de crediteur in staat is te vorderen en de oude dertigjaarstermijn bij opeisbaarheid van de vordering. Die twee momenten vallen niet altijd samen: de opeisbaarheid kan later gelegen zijn dan het moment waarop de benadeelde in staat raakt te vorderen (denk aan toekomstige schade), maar ook eerder (denk aan het geval waarin de crediteur zijn vordering niet kent). De som 30 minus 5 is dus niet in alle gevallen de juiste. Aan de strekking van mijn opmerking doet die bedenking weinig af.
In dat licht lijkt mij niet juist de opmerking van Schoordijk dat `Rechtsverwerking (...) ook een grotere rol [zal] gaan spelen nu de verjaringstermijnen in het Nieuw BW zo verkort zijn' (1991, p. 22). Die verkorting lijkt de rol van de rechtsverwerking dus juist niet te doen toenemen, integendeel. Zie in deze zin ook Brunner, die onder verwijzing naar de Parlementaire geschiedenis schrijft: 'Door uitbreiding in het nieuwe BW van de gevallen waarin een korte verjaringstermijn geldt, wordt immers het instituut van de rechtsverwerking teruggedrongen ten gunste van het instituut van de verjaring.' (Themis 2001, p. 244).
BR 28 november 2003, NJ 2004, 328.
Is er naast de verjaringsregeling plaats voor rechtsverwerking op grond van tijdsverloop? Volgens vaste rechtspraak is louter tijdsverloop voor rechtsverwerking onvoldoende. Verlies van recht door louter tijdsverloop wordt immers al door de verjaring geregeld; zouden wij rechtsverlies wegens louter tijdsverloop vóór ommekomst van de verjaringstermijn aannemen, dan zou de rechtszekerheid die de vaste verjaringstermijnen beogen te bieden, verloren gaan.
De vraag of er naast de verjaringsregeling plaats is voor rechtsverwerking op grond van tijdsverloop, kent een lange geschiedenis. Het probleem lijkt evenwel met de komst van het nieuwe verjaringsrecht belangrijk aan betekenis te hebben ingeboet. Door de dertigjaarstermijn voor een vijfjaarstermijn te verruilen, straft het nieuwe recht het nodeloze dralen door de crediteur 25 jaar eerder af dan het oude.1 Illustratief in dat verband is dat in de belangrijke arresten over verjaring en rechtsverwerking onder het oude recht de litigieuze periode' bijna steeds langer is dan vijf jaar, zodat naar huidig recht de discussie met het eenvoudige inroepen van de vijfjaarstermijn zou zijn beslecht.2
Het afgenomen belang van de discussie over rechtsverwerking lijkt mij een verdienste van het nieuwe verjaringsrecht. Dat onder het oude recht verschil van mening kon bestaan, bijvoorbeeld, over de status van een vordering die nodeloos meer dan een decennium onaangeroerd was gebleven met ernstig nadeel voor de aangesprokene tot gevolg, is een blijk van onvermogen van dat oude recht: vanzelfsprekend moet aan de crediteur zijn nodeloze dralen worden tegengeworpen.
Met de constatering dat het belang van de vraag naar rechtsverwerking wegens tijdsverloop is afgenomen, is uiteraard nog niet gezegd dat het probleem helemaal uit de wereld is. Ook onder de thans geldende termijn van — in de regel — vijf jaar, kan nog de vraag rijzen of, bijvoorbeeld, de crediteur met het nemen van actie wel viereneenhalf jaar nodeloos mocht wachten ten detrimente van de debiteur. Maar ook in andere gevallen doet het probleem zich nog voor; te denken is aan de zaak waarin de crediteur in een periode van negen jaar tot zes maal toe niet tot dagvaarding overging terwijl zulks op grond van haar in diezelfde periode tot de schuldenaar gerichte brieven wel verwacht mocht worden.3
Nog daargelaten de voortdurende praktische betekenis van het probleem, lijkt mij een proefschrift over verjaring zonder dogmatische beschouwing over de verhouding tot rechtsverwerking incompleet.