Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.4.2.2
7.4.2.2 Tijdsverloop: een glijdende schaal
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Raadkamerzitting 96.
Raadkamerzitting 56
Raadkamerzitting 60.
Interview rechter-commissaris R.
Interessant is de situatie waarin de voorlopige hechtenis noodzakelijk wordt geacht om het onderzoek ongestoord te kunnen verrichten en daarmee de verdenking, en dus de ernstige bezwaren, te kunnen verstevigen, terwijl de ernstige bezwaren op dat moment eigenlijk nog te mager zijn om de voorlopige hechtenis te kunnen bevelen. Uit de interviews volgt dat rechters hier verschillend mee omgaan.
Interview raadkamerrechter J.
Interview raadkamerrechter J.
Raadkamerzitting 109.
Ten tijde van de voorgeleiding en de eerste raadkamerzitting is het politieonderzoek vaak nog in volle gang. Uit de observaties blijkt dat hiermee soms rekening wordt gehouden bij de beoordeling van de ernstige bezwaren. Zo wordt met name door de rechter-commissaris en de eerste raadkamer geregeld het vroege stadium en de tijdelijkheid van de beslissing over de ernstige bezwaren benadrukt: “op dit moment voldoende”,1 “mager, maar voorlopig genoeg”2 of “nog geen bewijs, maar voor nu voldoende”.3 Eén van de geïnterviewde rechters-commissarissen legt uit dat de beoordeling van de ernstige bezwaren in het vroege stadium van de voorgeleiding in wezen neerkomt op een zeer preliminaire inschatting van de kans dat de verdachte veroordeeld gaat worden, waarbij de rechter zich niet alleen baseert op de informatie die op dát moment in het dossier zit, maar ook in ogenschouw neemt dat het onderzoek nog loopt:
“Wij [rechters-commissarissen, YB] zitten nog heel erg in de eerste fase. (…) Dus ik vind bij ons nog niet dat het bijna bewezen moet zijn. Dat kan ook nog niet, want er moet nog allerlei onderzoek worden gedaan. (…) Je probeert wel vooruit te kijken. Je probeert te kijken van: wat er nu op dit moment is, denk ik dan dat hij veroordeeld gaat worden? En dan wel bedenkend dat er nog onderzoek gedaan wordt. Maar goed, je weet ook niet goed wat er nog voor onderzoek gedaan wordt en wat er nog uitkomt. Je weet niet of er ineens een medeverdachte wel gaat bekennen, waardoor het ineens heel anders wordt. Dus dat is toch heel erg met een slag om de arm, dat oordeel. En dat is het lastige ervan.”4
In sommige gevallen worden het Openbaar Ministerie en de politie nog even de tijd gegund om de zaak rond te krijgen. Hierbij kan een rol spelen dat de voorlopige hechtenis noodzakelijk wordt geacht om te voorkomen dat de verdachte het lopende onderzoek verstoort (de onderzoeksgrond, artikel 67a lid 2, onder 5° Sv).5 Wel volgt in dergelijke gevallen veelal een expliciete boodschap aan de officier van justitie dat er “meer bij moet komen” om de toets van de ernstige bezwaren in de (volgende) raadkamer gevangenhouding te kunnen doorstaan. Dit signaal geeft de rechter-commissaris of raadkamer soms ook impliciet door de duur van inbewaringstelling of gevangenhouding aanzienlijk te beperken, om zo de druk op de voortgang van het onderzoek op te voeren.
“Als ik merk dat de ernstige bezwaren, als het kantje boord is, en ik vind wel dat er gronden zijn en ik vind het zeker niet verantwoord om te schorsen, dan wil ik veertien dagen doen in plaats van de verzochte 90. Met de opdracht aan het OM: ‘nu ben je er nog met de ernstige bezwaren, maar ik wil je over veertien dagen weer terugzien en dan kan het zomaar anders zijn’.”6
Tijdens de interviews geven de rechters unaniem aan dat, in gevallen waarin het onderzoek nog loopt, tijdsverloop relevant kan zijn bij de beoordeling van de ernstige bezwaren. Als uitgangspunt geldt dat naarmate het onderzoek langer voortduurt en de jeugdige langer vast zit, steeds hogere eisen worden gesteld aan de ernstige bezwaren. Hierbij wordt door verschillende rechters gerefereerd aan ‘een glijdende schaal’.
“Naarmate het onderzoek langer duurt en ook als er nog dingen in het vooruitzicht gesteld zijn [door het Openbaar Ministerie, YB]: er is onderzoek bezig, maar na 30 of 60 dagen is er eigenlijk niks nieuws in het onderzoek, dan zeggen we ‘jongens, nou is het wel mooi geweest’. Dan heb ik in die gevallen, als er niks meer kwam en niks meer te verwachten viel, gewoon gezegd ‘dan wijs ik de verlenging af, klaar ’. Naarmate de zitting dichterbij komt moet het naar bijna-bewijs gaan. Het is een glijdende schaal en dan moet je ook steeds meer op die zitting kunnen anticiperen.”7
Een andere raadkamerrechter bevestigt dit en geeft aan dat, naarmate de zitting dichterbij komt, het criterium van de ‘ernstige bezwaren’ steeds concreter wordt ingevuld met de vraag: is een veroordeling te verwachten? Dit betekent dat de raadkamer gevangenhouding anticipeert op het oordeel dat de zittingsrechter zal hebben over het bewijs. Toch lijkt de raadkamer in de praktijk niet volledig op de stoel van de zittingsrechter te willen gaan zitten. Zo werd een verweer van een advocaat tijdens een raadkamerzitting, waarin een beroep werd gedaan op noodweer om de ernstige bezwaren te betwisten, terzijde geschoven met de mededeling dat het aan de zittingsrechter is om hierover te oordelen.8