De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/27.9:27.9 Het nieuwe verjaringsrecht en de rechtspraak van de Hoge Raad
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/27.9
27.9 Het nieuwe verjaringsrecht en de rechtspraak van de Hoge Raad
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS366546:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ik heb mij afgevraagd wat van het bovenstaande de implicatie voor de rechtspraak van de Hoge Raad zou kunnen zijn. De onder het oude verjaringsrecht ontwikkelde formule lijkt mij, als gezegd, onder het nieuwe te ruim baan te geven aan het rechtsverwerkingsberoep; hij staat rechtsverwerking op basis van louter tijdsverloop toe en dat is niet langer gewenst.
In de huidige formule staat de debiteur centraal; de 'bijzondere omstandigheden' betreffen zijn vertrouwen en de verzwaring van zijn positie. Op zichzelf kunnen de `bijzondere omstandigheden' gehandhaafd blijven. Wat evenwel zou moeten worden toegevoegd, is een overweging betreffende de 'gedraging' van de crediteur.
Daarvan biedt in concreto, zonder dus dat zij afdoet aan de bedenking over de abstracte formule van de Hoge Raad, de volgende overweging uit het eerder geciteerde HR 28 november 2003 een mooi voorbeeld: "dat Marsman, door in een periode van negen jaar tot zes maal toe niet tot dagvaarding over te gaan terwijl zulks op grond van haar in diezelfde periode tot M. gerichte brieven wel verwacht mocht worden, het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt (...)".