Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/27.2
27.2 Onder het oude recht werd de facto rechtsverwerking op grond van louter tijdsverloop aanvaard
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS371344:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
BR 29 september 1995, NJ 1996, 89, r.o. 3.3.
HR 30 mei 1997, NJ 1997, 544, r.o. 3.3.4 en 3.3.5.
Houwing (1968), p. 107, verwoordt het zo: 'Wat deze Verwirkung [betekent: rechtsverwerking door louter stilzitten — R,S] voor ons onaanvaardbaar maakt, is dat zij in wezen neerkomt op een tenietgaan van een recht door enkele tijdsverloop, hetwelk volkomen in strijd is met de wettelijke regels omtrent het tenietgaan van rechten door verjaring een verval. En wat zij in de laatste plaats van de wettelijke, algemene, door hun vastheid de rechtszekerheid dienende verjarings- en vervaltermijnen stelt, dat zijn volkomen onvaste en onberekenbare, want van alle bijzonderheden van elk afzonderlijk geval en van de goede trouw afhankelijke termijnen.' Zie in vergelijkbare zin Valk, diss., o.a. p. 83.
Zo bezien is ook de tegenstelling tussen 'enkel tijdsverloop' en 'tijdsverloop met bijzondere omstandigheden' ongelukkig. Als wij in navolging van de Hoge Raad nog zouden aannemen dat bijzondere omstandigheden zijn gelegen in (i) het vertrouwen van de debiteur dat hij niet meer zal worden aangesproken en (ii) de verzwaring van zijn bewijs- en rechtszekerheidspositie, dan kan men niet zeggen dat bijzondere omstandigheden er wél of niet zijn, maar moet men zeggen dat bijzondere omstandigheden er in meer of mindere mate zijn; het vertrouwen dat wel niet meer gevorderd zal worden neemt met het voortschrijden van de tijd toe; de kwaliteit van bewijs neemt met het voortschrijden van de tijd af; het vermogen raakt met het voortschrijden van de tijd minder op nakoming ingericht. Ik verwijs voor een bredere uiteenzetting over de invloed van tijd op de positie van de debiteur naar het eerste deel van dit boek.
Tjittes, NTBR 1999, p. 194. In dezelfde zin Snijders, NTBR 1998, p. 198: 'Ik zou menen dat een beslissing die wel erg zwaar moet leunen op verlies aan anticipatiemogelijkheden in de gestelde zin een nadere motivering vergt, wil zij niet verworden tot een toverspreuk voor rechtsverwerking door enkel tijdsverloop.'
Enkel tijdsverloop is voor rechtsverwerking niet voldoende. De Hoge Raad zegt het als volgt:
"Uitgangspunt (...) is dat enkel tijdsverloop geen toereikende grond oplevert voor het aannemen van rechtsverwerking, immers daartoe vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken.1
Er moeten dus 'bijzondere omstandigheden' zijn. De Hoge Raad verstaat daaronder
(i) gerechtvaardigd vertrouwen bij de debiteur dat geen nakoming meer wordt gevorderd en (ii) onredelijke benadeling van zijn positie als de vordering alsnog geldend wordt gemaakt. Wat de Hoge Raad verstaat onder het tweede criterium, onredelijke benadeling, blijkt bijvoorbeeld uit zijn arrest van 30 mei 1997.
Veertien jaar na het verkeersongeval werd een vordering ingesteld. Het Hof oordeelt dat de benadeelde zijn recht op schadevergoeding heeft verwerkt. De Hoge Raad overweegt:
"het Hof [heeft] voor zijn oordeel dat sprake is van rechtsverwerking vooral betekenis toegekend aan de omstandigheid dat ACN en Joldersma in hun bewijspositie onredelijk zijn benadeeld, maar ook enig gewicht toegekend aan de omstandigheid dat ACN en Joldersma de mogelijkheid is ontnomen om op de financiële gevolgen van de eventueel verschuldigde schadevergoeding te anticiperen. (...) Door aldus te oordelen, heeft het Hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.2
Ik schreef al: rechtsverwerking op grond van tijdsverloop wordt afgewezen, omdat een andersluidend oordeel de rechtszekerheid die verjaringstermijnen beogen te bieden, teniet zou doen. Immers, voor louter tijdsverloop hebben wij de verjaring al; als men nu het beroep van de debiteur op louter tijdsverloop vóór ommekomst van de verjaringstermijn honoreert, is de verjaringstermijn niets meer waard.3
Zou dat het motief zijn voor de regel dat sprake moet zijn van 'tijdsverloop vermeerderd met bijzondere omstandigheden', dan rijst de vraag of in de rechtspraak inderdaad uitsluitend een beroep op rechtsverwerking slaagt als sprake is van omstandigheden die niet voorvloeien uit louter tijdsverloop. Als dat niet zo is, wordt het adagium dat louter tijdsverloop voor rechtsverwerking onvoldoende is door de Hoge Raad slechts in woord beleden. Ik geloof dat die conclusie inderdaad gerechtvaardigd is.
Immers, zijn de verslechterde bewijspositie en de onmogelijkheid financieel te anticiperen bij tijdsverloop werkelijk 'bijzondere omstandigheden'? Dat is toch moeilijk vol te houden. De zaak waarin meer dan een decennium is verstreken en de aangesprokene geen bewijsrechtelijk nadeel ondervindt en hij met de nakoming nog rekening heeft gehouden, lijkt mij bepaald eerder uitzondering dan regel. In de geciteerde uitspraak lag het accent op het 'nadeel' in de zin van een verslechterde bewijs- en rechtszekerheidspositie (de als tweedegenoemde grond voor rechtsverwerking), maar ik maak mij sterk dat de debiteur zaken van vergelijkbaar hoge leeftijd evenzogoed kan aanvoeren dat hij erop is gaan vertrouwen niet meer te worden aangesproken (de eerstgenoemde grond om rechtsverwerking aan te nemen). De bijzondere omstandigheden die de Hoge Raad noemt zijn dus niet bijzonder, maar, integendeel, het typische gevolg van substantieel tijdsverloop. Zij doen zich onherroepelijk in toenemende mate voor.4
Als wij veronderstellen dat inderdaad na substantieel tijdsverloop in de grote meerderheid der gevallen, óf de debiteur erop is gaan vertrouwen dat hij niet meer zou worden aangesproken, óf dat hij is benadeeld doordat zijn bewijspositie is ondergraven en hij met nakoming geen rekening meer hield, dan heeft de Hoge Raad voor die grote meerderheid van gevallen in feite de vaste termijn de deur gewezen. Er is een vloeiende grens voor in de plaats gekomen: gevallen waarin zich louter tijdsverloop heeft voorgedaan, waar zich met andere woorden geen voor tijdsverloop atypische `verscherping' van de casus heeft voorgedaan, worden in plaats van door de rechts-zekere vaste termijn beheerst door de onzekere, want termijnloze, rechtsverwerking.
Het lijkt een krasse stelling: de Hoge Raad neemt tot uitgangspunt dat louter tijdsverloop voor rechtsverwerking onvoldoende is, maar formuleert een regel die tot het diametraal tegenovergestelde resultaat leidt. Twee opmerkingen.
Ten eerste is wellicht niet eerder zo uitgesproken verdedigd dat naar de regel van de Hoge Raad louter tijdsverloop voor rechtsverwerking volstaat, maar twijfel over wat in het criterium van de Hoge Raad 'het meerdere' naast tijdsverloop voorstelt, is niet nieuw. Bijvoorbeeld Tjittes schrijft:
"Enkel tijdsverloop kan er dus toe leiden dat bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen wordt gewekt dat de schuldeiser geen aanspraak (meer) maakt op zijn recht. Het aannemen van rechtsverwerking wordt dan te eenvoudig. Er moeten naar mijn mening hogere eisen gesteld worden aan de motivering van de rechter die op deze grond rechtsverwerking aanneemt."5
Ten tweede: met de constatering dat de Hoge Raad rechtsverwerking op grond van louter tijdsverloop toestaat, is nog niet gezegd dat ik het daarmee oneens ben. Integendeel, onder het oude verjaringrecht was die regel alleszins begrijpelijk. Ik licht deze stelling als volgt toe.