Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.7.5:7.7.5 Pedagogische invalshoek
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.7.5
7.7.5 Pedagogische invalshoek
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een vijfde patroon betreft de pedagogische invalshoek die als een rode draad door de rechterlijke besluitvorming loopt. Rechters hebben doorgaans veel aandacht voor het ‘pedagogische effect’ van hun beslissingen. Ook streven rechters er, vooral in het kader van de schorsing, naar zoveel mogelijk ‘maatwerk’ te leveren om tegemoet te komen aan de specifieke pedagogische belangen en behoeften van de minderjarige (zie par. 7.5.2.2). Wel blijkt de pedagogische invalshoek soms lastig te rijmen met het wettelijke kader en andere juridische uitgangspunten. In dit hoofdstuk is duidelijk geworden dat dit er in de praktijk soms toe leidt dat rechters-commissarissen en raadkamers minder strikt – en soms uiterst creatief – omgaan met de wet of andere juridische beginselen om zo de meest ‘pedagogisch wenselijke’ beslissing te kunnen nemen.
Een treffend voorbeeld betreft de door rechters ogenschijnlijk breed gedragen opvatting dat een invrijheidstelling van een minderjarige verdachte in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis ‘pedagogische voordelen’ heeft te opzichte van een invrijheidstelling op basis van een afwijzing van de vordering tot voorlopige hechtenis, omdat aan de schorsing bijzondere voorwaarden kunnen worden verbonden waarmee (onder meer) pedagogische doelstellingen kunnen worden nagestreefd. Dit leidt er in de praktijk soms toe dat rechters-commissarissen of raadkamers soepeler omgaan met het aannemen van ernstige bezwaren (par. 7.4.2.3), de gronden voor voorlopige hechtenis ruimer interpreteren (par. 7.4.3.1) of het voorschrift van artikel 67a, derde lid Sv minder strikt toepassen (par. 7.4.4.3) om te voorkomen dat de vordering moet worden afgewezen en waarmee de pedagogisch wenselijk geachte schorsing onder voorwaarden mogelijk wordt gemaakt. Deze ‘pedagogische wenselijkheid’ van de schorsing ligt in belangrijke mate ten grondslag aan de in paragraaf 7.7.1 beschreven interactie tussen de bevelsbeslissing en de schorsingsbeslissing en vormt een voorname verklaring voor het geringe aantal afwijzingen van vorderingen tot voorlopige hechtenis en de prominente rol van de schorsing in de Nederlandse voorlopige hechtenispraktijk van minderjarigen.
Hierbij moet wel worden benadrukt dat rechters verschillen in hun bereidheid om ten behoeve van pedagogische belangen af te stappen van een strikte toepassing van wettelijke voorschriften en andere juridische standaarden. Dit is eveneens zichtbaar in de uiteenlopende wijzen waarop rechters omgaan met de beslissing over het wel of niet schorsen van de voorlopige hechtenis. Zo stellen sommige rechters zich op het standpunt dat van het schorsen van de voorlopige hechtenis van een minderjarige verdachte die weigert verantwoordelijkheid te nemen voor zijn delictgedrag (lees: zich beroept op zijn zwijgrecht) een vanuit pedagogisch opzicht verkeerd signaal uitgaat, waardoor in die gevallen in beginsel niet tot schorsing zou moeten worden overgegaan, terwijl andere rechters van oordeel zijn dat de proceshouding van de verdachte geen rol mag spelen in de schorsingsbeslissing (zie par. 7.5.1.2, onder E). Voorts is in paragraaf 7.5.2.2 laten zien dat de opvattingen van rechters over (het doel van) het verbinden van bijzondere voorwaarden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis van een minderjarige verdachte kunnen variëren tussen enerzijds de opvatting dat toepassing van bijzondere voorwaarden strikt is gebonden aan juridische regels en uitgangspunten en anderzijds de opvatting dat hulpverlening voorop dient te staan en de hulpverlenende instanties hiervoor zoveel mogelijk de vrije hand moeten worden gelaten.
Bovendien is in dit hoofdstuk duidelijk geworden dat de opvattingen van rechters over welke aanpak pedagogisch verantwoord, wenselijk of effectief is nogal uiteen kunnen lopen. Dit blijkt onder meer uit de verschillende opvattingen van rechters over de ‘pedagogische rechtvaardiging’ van de praktijk waarin met de voorlopige hechtenis een voorschot wordt genomen op de vrijheidsstraf, zoals uitgebreid beschreven in paragraaf 7.4.4.5 en tevens aangehaald in bovenstaande paragraaf 7.7.3. Uiteenlopende opvattingen van rechters zijn er ook over de ‘pedagogische effectiviteit’ van het gebruik van bijzondere voorwaarden om een minderjarige verdachte in het kader van de schorsing te laten deelnemen aan een leerproject of een intensief behandelingstraject (zie par. 7.5.2.1, onder C). Sommige rechters beschouwen het vanuit pedagogisch perspectief effectief dat dergelijke interventies zo snel mogelijk worden gestart. In deze benadering biedt de schorsing van de voorlopige hechtenis een geschikt kader om dergelijke vroegtijdige interventies te faciliteren. Andere rechters stellen zich daarentegen op het standpunt dat dergelijke interventies niet alleen vanuit juridisch oogpunt – gelet op de onschuldpresumptie – gepaster zijn in het kader van een leerstraf of voorwaardelijke straf, maar ook dat het vanuit pedagogisch oogpunt van belang is om dergelijke interventies pas te starten als er een gedegen onderzoek is verricht naar wat voor type interventie passend is bij de problematiek van de betreffende minderjarige.
Het bovenstaande overziend, kan worden geconcludeerd dat de door rechters gehanteerde pedagogische invalshoek en het leveren van ‘maatwerk’ een centrale rol speelt in de voorlopige hechtenispraktijk van minderjarigen, maar dat de implicaties hiervan voor concrete voorlopige hechtenisbeslissingen sterk afhankelijk zijn van de opvattingen van de betreffende rechter(s) over wat een pedagogisch verantwoorde en effectieve aanpak is, welke rol de voorlopige hechtenis en de schorsing onder voorwaarden hierbij kan hebben en wat de grenzen zijn die het juridische kader hieraan stelt. Het is duidelijk geworden dat deze opvattingen van rechters sterk uiteenlopen en dat dit in de praktijk kan leiden tot aanzienlijke verschillen in de wijze waarop met de voorlopige hechtenis en de schorsing onder voorwaarden wordt omgegaan. Hiermee kan worden geconcludeerd dat – paradoxaal genoeg – juist het door rechters gedeelde streven om, waar mogelijk, tot pedagogisch verantwoorde en effectieve beslissingen te komen in sterke mate bijdraagt aan een gedifferentieerde voorlopige hechtenispraktijk, waarin sommige rechters het niet altijd even nauw lijken te nemen met de wettelijke voorschriften en kinder- en mensenrechtelijke uitgangspunten.