Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/1.6.3.1
1.6.3.1 Rechterlijke besluitvorming als onderzoeksobject
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie: Scholten 1974, p. 1-12 en p. 120-135, Smith 2006, p. 141 e.v.; Hartendorp 2008, p. 25
Ibid.
Scholten 1974, p. 130 en 132.
Volgens rechtssocioloog Van Rossum (2010, p. 2467-2468) hanteren rechters “een geoefende intuïtie die op kennis en ervaring is gebaseerd”, die daardoor niet irrationeel is, maar een eigen rationaliteit kent.
Zie hierover paragraaf 3.3.2.
‘Intuïtie’ is in psychologische literatuur gedefinieerd als: “direct knowing that results from nonconscious holistic information processing”. Zie: Sinclair 2010, p. 378, aangehaald in Richards 2016, p. 248.
Zie o.m.: Feigenson & Park 2006; Deelen 2015; Richards 2016.
Een treffend voorbeeld betreft het in de literatuur veelvuldig aangehaalde Israëlische onderzoek dat aantoont dat als rechters op een zittingsdag een reeks achtereenvolgende beslissingen moeten nemen, het al dan niet nemen van een tussentijdse lunchpauze van invloed is op de uitkomsten van deze beslissingen. Rechters die een reeks achtereenvolgende beslissingen nemen, hebben een vergrote neiging om met hun beslissingen het status quo in stand te laten, hetgeen wordt gerelateerd aan mentale uitputting bij de rechters. Zie Danziger, Levav & Avnaim-Pesso 2011. Vgl. ook de daarin aangehaalde onderzoeken: Guthrie, Rachlinski & Wistrich 2001; Guthrie, Rachlinski & Wistrich 2007; Vidmar 2011.
Beyens 2000, p. 56-60. Toch wordt de invloed van individuele attitudes op besluitvorming ook wel gerelativeerd, zoals in het penologische onderzoek van De Keijser (2000), waaruit volgt dat de persoonlijke voorkeuren van rechters voor bepaalde strafdoelen niet direct sturend zijn voor hun straftoemetingsbeslissingen.
Hogarth 1971, p. 291, aangehaald in Scheirs 2014, p. 20.
Ibid. Zie ook: Beyens 2000, p. 77.
Beyens 2000, p. 77-83; Hutton 2006, p. 173; Wandall 2008, p. 145-146; Scheirs 2014, p. 19-20.
Zie hierover: Dhami & Ayton 2001; Hartendorp 2008, p. 27; Scheirs 2014, p. 265; Holvast & Doornbos 2015.
Beyens 2000, p. 68-77; Wandall 2008, p. 73 e.v.; Van Roeyen & Vander Beken 2014, p. 507-508.
Van der Woude 2016, p. 16-17; Bastard & Dubois 2016, p. 159-174; Hutton 2016, p. 147-150.
Clair & Winter 2016, p. 4-5; Van der Woude 2016, p. 16; Bastard & Dubois 2016, p. 159-174; Hutton 2016, p. 147-150.
Hawkins 2003, p. 194; Scheirs 2014, p. 278; Van der Woude 2016, p. 16-17; Hutton 2016, p. 149.
In verschillende wetenschappelijke disciplines is en wordt onderzoek verricht naar de wijze waarop rechters tot hun beslissingen komen. Dit leidt tot uiteenlopende perspectieven en inzichten die alle bijdragen aan de kennis over het rechterlijke besluitvormingsproces. Rechtswetenschappelijk onderzoek richt zich traditioneel primair op ‘rechtsvinding’ ofwel ‘juridisch redeneren’ (‘legal reasoning’) als basis van rechterlijke besluitvorming: de rechter selecteert en interpreteert rechtsregels, waardeert de feitelijke omstandigheden van het geval (‘fact finding’), weegt belangen af en komt tot een beslissing.1 In rechtswetenschappelijke literatuur is wel onderkend dat het enkel interpreteren en toepassen van rechtsregels, fact finding en afwegen van belangen als zodanig niet volstaat om tot een beslissing te komen.2 Hiervoor is – in de woorden van Scholten – een “sprong” nodig, die “tegelijk èn intellectueel èn intuïtief” zal zijn, maar altijd logisch en op basis van gezaghebbende (juridische) argumenten moet kunnen worden verantwoord.3 Niettegenstaande de erkenning van de rol van intuïtie in de rechtsvinding,4 benadert rechtswetenschappelijk onderzoek de rechterlijke besluitvorming doorgaans als een overwegend rationele en welbewuste aangelegenheid.5
Uit rechtspsychologisch en neurowetenschappelijk onderzoek komt evenwel naar voren dat onbewuste gedachten en gevoelens van de rechter, waaronder onder meer intuïtie6 en emoties worden begrepen, zonder meer van invloed zijn op rechterlijke besluitvorming.7 Het psychologische proces van rechterlijke besluitvorming kan bovendien onbewust worden beïnvloed door factoren die vanuit juridisch oogpunt volstrekt irrelevant zijn.8 Verder wordt aangenomen dat ook achtergrondkenmerken en persoonlijke ervaringen, attitudes en percepties van de rechter – bewust of onbewust – een rol kunnen spelen in rechterlijke besluitvorming.9 In criminologische literatuur is het rechterlijke besluitvormingsproces (over straftoemeting) zelfs bestempeld als per definitie selectief en subjectief: “Magistrates choose selectively certain kinds of information, they interpret it selectively, they selectively ascribe importance to certain features of the case, to the exclusion of others, and they select among the purposes in sentencing those which are most consistent with their personal values and subjective ends.”10 Dit proces wordt volgens deze benadering wel enigszins beperkt en gestuurd door het wettelijke kader, doch vooral door de context waarin de beslissing wordt genomen.11
Een omvangrijk corpus aan rechtssociologisch en criminologisch onderzoek laat zien dat rechterlijke besluitvorming niet los kan worden gezien van de context waarin dit plaatsvindt. Hiermee wordt niet alleen gedoeld op de algemene maatschappelijke en politieke context, maar ook op de organisatorische en culturele context van de betreffende rechtbank,12 waarin niet zelden sprake is van een grote caseload en rechtspreken kan verworden tot een routinematige bezigheid.13 Een ander belangrijk onderdeel van de context van rechterlijke besluitvorming zijn de interacties met en tussen de verschillende betrokken actoren, zowel binnen als buiten de rechtszaal. Hiermee wordt gedoeld op de invloed van persoonlijke interacties tussen bijvoorbeeld de rechter, de verdachte en de overige tijdens de zitting aanwezige actoren,14 maar ook op de invloed van werkprocessen en beslissingen van, en interacties tussen actoren voorafgaand aan de zitting op de besluitvorming van de rechter.15 In dit verband wordt de rechterlijke beslissing in rechtssociologische en criminologische literatuur aangeduid als het resultaat van een ‘collectief proces’.16 Met andere woorden: rechterlijke besluitvorming in het strafproces kan worden beschouwd als een onderdeel van een dynamische keten van beslissingen van, en interacties tussen verschillende actoren waarin de output van de ene actor, input voor een andere actor oplevert.17
Aldus kan het rechterlijke besluitvormingsproces worden beschouwd als een multidimensionaal en complex onderzoeksobject. Tegen deze achtergrond wordt in het onderhavige onderzoek de Nederlandse praktijk van de rechterlijke besluitvorming over voorlopige hechtenis van minderjarigen geanalyseerd. Gelet op het overwegend rechtswetenschappelijke karakter van dit onderzoek en de normatief-juridische vraagstelling die daarin centraal staat, is deze analyse sterk georiënteerd op het ‘juridisch redeneren’ van de rechter, waaronder het inzichtelijk maken van de wijze waarop de rechter de wettelijke criteria voor voorlopige hechtenis interpreteert en toepast en hoe de rechter inhoudelijk invulling geeft aan zijn discretionaire beslisruimte, alsook welke opvattingen en percepties ten aanzien van de voorlopige hechtenis van minderjarigen daaraan ten grondslag liggen. Hierbij wordt onderkend dat ook onbewuste gedachten en gevoelens van de rechter van invloed zijn op de rechterlijke besluitvorming over voorlopige hechtenis, maar het inzichtelijk maken daarvan valt buiten de reikwijdte van dit onderzoek. Hetzelfde geldt voor mogelijke maatschappelijke, politieke en culturele invloeden op voorlopige hechtenisbeslissingen. Wel is in dit onderzoek uitgebreid aandacht voor de dynamische context van interacties waarbinnen de rechterlijke besluitvorming plaatsvindt. Werkprocessen en beslissingen van, en interacties tussen de verschillende professionele actoren die betrokken zijn in de voorlopige hechtenispraktijk van het Nederlandse jeugdstrafrecht worden in beeld gebracht, waarmee inzicht wordt gegeven in het ‘collectieve proces’ dat ten grondslag ligt aan de rechterlijke besluitvorming over voorlopige hechtenis van minderjarige verdachten, dan wel in (een deel van) de keten van beslissingen en interacties waarvan de voorlopige hechtenisbeslissing onderdeel uitmaakt. Hiermee vormen de bovengenoemde rechtssociologische en criminologische inzichten een belangrijke bouwsteen van het verder rechtswetenschappelijke onderzoeksdesign.