Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/27.3
27.3 Bij gebreke van een adequaat verjaringsregime, was rechtsverwerking op grond van louter tijdsverloop aanvaardbaar
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS367793:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik ben het dus, althans wat betreft het oude verjaringsrecht, eens met de minderheidsstem van Van Oven, die overigens wel is bijgevallen door Schoordijk (1991), p. 16 . Van Oven schreef: 'Wij kunnen met de in de wet bepaalde verjarings- en vervaltermijnen niet volstaan, maar moeten daarnaast het vervallen van rechten tractu temporis op grond van billijkheid en goeder trouw aanvaarden, willen wij goed en billijk recht kunnen bedelen.' Van Oven, NJB 1961, p. 6.
Zelfs als we buiten beschouwing laten dat de tuchtklacht van Teemstra in twee instanties was afgewezen; op zichzelf lijkt die omstandigheid mij nog nader bij te dragen aan het oordeel dat de arts mocht verwachten dat de zaak was afgedaan.
Zie uitgebreid § 8.3.
Een regime met een enkelvoudige dertigjaarstermijn, is wat het verbintenissenrecht betreft materieel bijna gelijk te stellen aan het ontbreken van een verjaringsregime. Onder het oude recht was daarom denk ik de brede toepassing van de rechtsverwerking en de daarmee gepaard gaande annexatie van verjaringsterritoir onvermijdelijk. De rechter kon bij gebreke van een voldoende korte termijn weinig anders doen dan vorderingen op grond van louter tijdsverloop afwijzen vóór ommekomst van de verjaringstermijn.1 Het kwade alternatief was dat hij onrecht deed in de individuele rechtsverhouding, ten behoeve van de handhaving van een inadequate termijn.
Met enige verbeelding zou men kunnen zeggen dat de Hoge Raad door zijn brede invulling van de rechtsverwerking een rechterlijke voorloper van de subjectieve verjaringstermijn heeft gecreëerd. De motieven die hem in de geciteerde passages aanleiding geven een vordering op grond van rechtsverwerking af te wijzen, zijn in essentie gelijk aan de motieven voor onze subjectieve termijn — subjectieve verjaring avant la lettre.
Misschien is ter illustratie nuttig de volgende gedachtewisseling met Tjittes. Tjittes bespreekt HR 26 september 1997.2 In 1970 is Teernstra door een vrachtauto aangereden. Op verzoek van de veroorzaker is Teernstra in 1971 onderzocht door de arts Schouwink. Teernstra vindt dat Schouwink in dat kader onzorgvuldig handelt en dient een tuchtklacht in. Het Medisch Tuchtcollege wijst de klacht af, evenals in 1981 het Centraal Medisch Tuchtcollege. Ruim elf jaar na de afloop van de tuchtrechtelijke klacht, stelt Teernstra eind 1992 op dezelfde gronden een vordering tot schadevergoeding tegen de arts in. Rechtbank en Hof oordelen dat sprake is van rechtsverwerking omdat Schouwink erop mocht vertrouwen dat geen vordering meer zou worden ingesteld. De Hoge Raad vindt dat goed.
Tjittes schrijft: "Welke feiten nu precies tot het oordeel hebben geleid dat Schouwink er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat Teernstra hem na al die jaren niet meer in rechte zal betrekken, blijft in het vage." Aldus komt Tjittes tot het oordeel dat een beroep op rechtsverwerking te snel wordt aanvaard.
Tjittes wil het oordeel dat de arts er op mocht vertrouwen na ruim 11 jaar niet meer te worden aangesproken nader geadstrueerd zien. Mij lijkt dat oordeel vanzelfsprekend. Natuurlijk is de arts na verloop van tijd (meer dan een decennium!) gaan denken dat hij niet meer in rechte zou worden betrokken — ik nodig de lezer uit zich in zijn psychische schoenen te stellen3 Precies de gedachte dat in de regel een debiteur na een aantal jaren gaat verwachten niet meer te worden aangesproken, is een van de dragende gronden van onze huidige vijfj aarstermijn.4
Ik meen dat het nodeloze stilzitten van Teernstra ten nadele van de arts verlies van recht tot gevolg moet hebben. Naar huidig recht zou dat ook zo zijn: de vordering van Teernstra is op grond van de subjectieve termijn verjaard. Onder het oude recht stond de rechter om tot die conclusie te komen niets anders dan de rechtsverwerking ter beschikking. De rechter moest aan de rechtsverwerking, wilde hij "goed en billijk recht kunnen bedelen", dus wel een zodanig brede toepassing geven, dat daaronder de facto ook te verstaan viel 'louter tijdsverloop'.
De conclusie luidt dat de rechter, om de veel te lange dertigjaarstermijn te corrigeren, het instituut van de rechtsverwerking wel moest aanwenden.