Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.5.1.1
7.5.1.1 Uitgangspunt of onderzoeksplicht?
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Interview raadkamerrechter J.
Interview raadkamerrechter D.
Interview raadkamerrechter C.
Interview raadkamerrechter C.
Interview raadkamerrechter J.
Desalniettemin valt tijdens de observaties van het raadkameroverleg op dat de rechters het onderling niet vaak oneens lijken te zijn over de uiteindelijke beslissing over de schorsing. Dit zou mogelijk kunnen worden verklaard doordat rechters de schorsingsbeslissing weliswaar op een verschillende wijze benaderen, maar dat zij in concrete zaken desalniettemin tot dezelfde uitkomst komen. Voorts hebben ook andere mechanismen invloed op de uitkomst van de schorsingsbeslissing, zoals de werking van het anticipatiegebod als omschreven in de paragrafen 7.4.4.3 - 7.4.4.5. Daarnaast dwingt de tijdsdruk (lees: de korte tijd die is ingeroosterd per zaak) ertoe dat in raadkamer snel tot een consensus moet worden gekomen. Om deze reden worden in raadkamer nog wel eens compromissen gesloten, bijvoorbeeld met betrekking tot het moment van schorsen of de bijzondere voorwaarden die aan de schorsing worden verbonden.
Artikel 493, eerste lid Sv is als volgt geformuleerd: ‘Indien de rechter de voorlopige hechtenis van de verdachte beveelt, gaat hij na of de tenuitvoerlegging van dit bevel, hetzij onmiddellijk, hetzij na een bepaald tijdsverloop, kan worden geschorst.’ De opvattingen van de geïnterviewde rechters over de betekenis van deze bepaling lopen nogal uiteen. Sommige rechters leiden uit dit voorschrift af dat schorsing van de voorlopige hechtenis het uitgangspunt is in jeugdzaken. Dit uitgangspunt wordt ook wel aangeduid als ‘schorsen, tenzij’. Een raadkamerrechter legt tijdens een interview uit dat hij deze lezing van artikel 493, eerste lid Sv baseert op de rechtspraak van het EHRM in het kader van artikel 5 EVRM:
“Dat baseer ik op de redactie van artikel 493. (…) En overigens ook op de jurisprudentie van artikel 5 EVRM hoor. Zo kleur ik mijn lezing van 493. (…) Dus als er geschorst kan worden, dan moeten we dat doen. Dat is een beetje mijn redenering. Ik heb niet de memorie van toelichting erop nageslagen. Ik vind ook dat ik dat niet hoef te doen, omdat artikel 5 EVRM mij gebiedt om dat op die manier te bekijken.”1
Een andere raadkamerrechter interpreteert het voorschrift van artikel 493, eerste lid Sv daarentegen niet zozeer als een (materieel) uitgangspunt ‘schorsen, tenzij’, maar als een (formele) verplichting van de rechter om de mogelijkheden van een schorsing te onderzoeken.
“Je moet ambtshalve kijken of er reden is tot schorsen. Dus dat is wat je moet doen. Dat betekent niet, vind ik, dat niet-schorsen een uitzondering moet zijn. Je moet heel goed onderzoeken of er een mogelijkheid is tot schorsing.”2
Tijdens een interview met een andere raadkamerrechter komt naar voren dat de interpretatie van artikel 493, eerste lid Sv niet alleen persoonsgebonden is, maar per geval kan verschillen. Zo stelt deze raadkamerrechter dat het (materiële) uitgangspunt ‘schorsen, tenzij’ voor hem in elk geval niet geldt in ernstige zaken en dat dan ook het onderzoek naar de mogelijkheden om te schorsen niet heel grondig wordt verricht, omdat de ernst van het feit in de weg staat aan een schorsing.
“Ik denk dat dat redelijk persoonsgebonden is. Ik heb niet het uitgangspunt ‘schorsen, tenzij’, in ieder geval niet met ‘12-jaarsdelicten’. Soms wel, maar bij het gros niet. Als er geen schorsingsverzoek wordt gedaan, dan kijken we daar nog wel ambtshalve naar, maar niet heel grondig zal ik maar zeggen. Maar eigenlijk strandt het dan gewoon op de ernst van het feit.”3
In dit verband wijst de betreffende raadkamerrechter erop dat in ernstige zaken het doen van een vroegtijdig schorsingsverzoek door de advocaat met een beroep op het uitgangspunt van ‘schorsen, tenzij’ soms gewoonweg “niet realistisch” is, zeker als er ook nog eens problematische persoonlijke omstandigheden zijn en nog geen schorsingsplan is opgesteld door de hulpverlenende instanties. Volgens deze rechter ligt het op de weg van de advocaat om dit ook kenbaar te maken aan de minderjarige, zodat wordt voorkomen dat hij verkeerde verwachtingen krijgt.
“Wees realistisch, zou ik zeggen. Ik denk dat het niet zo veel zin heeft dat als jouw cliënt van ernstige feiten wordt verdacht, dat je dan zegt ‘moeder is zo betrokken en ze wil hem zo graag thuis hebben’. Dan denk ik van ‘ja, dat gaat gewoon niet gebeuren vandaag’. En daar kan je dan wel enorm op inzetten, maar dat is dan prematuur vind ik. In dat soort gevallen vind ik het fijner als een advocaat zegt van ‘het is een ernstig feit, er is nog geen hulpverlening, de Raad weet er nog amper wat van, jeugdreclassering heeft hem nog niet eens gesproken, we weten nog niks’. Dan moet je wel zo reëel zijn om te zeggen: ‘naar zijn moeder gaan, zit er nog niet in, dat is geen reële verwachting’. En dat een advocaat ook schorsingsverzoeken vraagt terwijl de Raad zegt ‘hij is van school gekeild en dat was de derde school op rij, wij zitten met de handen in het haar ’, dan is er dus geen dagbesteding. Dan kun je wel schorsing vragen, maar wat houdt dat dan in? Dat dat kind de hele dag thuis op de bank zit?”4
De uiteenlopende lezingen van artikel 493, eerste lid Sv worden door verschillende geïnterviewde rechters-commissarissen en raadkamerrechters onderkend. De eerder aangehaalde raadkamerrechter – die ook bij ernstige verdenkingen de ‘schorsen, tenzij’ interpretatie aanhangt – stelt in dit verband dat het tijdens het ‘raadkameren’ lastig kan zijn als er tussen de drie raadkamerrechters geen overeenstemming bestaat over de lezing van dit voorschrift.
“Ik weet ook van tevoren als ik zie ‘ik zit met die combinatie’ [in raadkamer, YB], dan heb je dus weer die discussies. Bij ernstige feiten… ja, dan is dat een terugkerende discussie. En bij andere collega’s weet ik gewoon dat ik die discussie niet hoef te voeren, want die kijken ook zo naar het fenomeen voorlopige hechtenis, van het is ‘schorsen, tenzij’. (…) Ja, weet je, die discussie die ik met die collega’s heb, vaak komen wij uiteindelijk wel op hetzelfde uit. Want ik ga echt niet bij de gevangenhouding bij die jongen die aan het verkrachten is geweest zeggen van ‘nou, hij heeft een huis, die moeder zegt ‘ik kan hem echt goed in de gaten houden’ en Bureau Jeugdzorg zegt ‘we denken dat dat wel gaat lukken’, natuurlijk ga ik dan niet schorsen. Want ik weet niet of dat verantwoord is te achten [gelet op het recidivegevaar, YB]. Het resultaat is dan hetzelfde, terwijl mijn collega’s zeggen: ‘met zo’n feit ga ik niet na tien dagen al schorsen’. Maar het wordt interessant op het moment dat we halverwege zijn en we dus nog niet op een pro forma zitten en uit het PO sijpelt al door ‘dit en dit moet je doen en dan is het verantwoord [om te schorsen, YB]’. En dan zeg ik: ‘we gaan het gewoon doen’ [schorsen, YB]. En dan gaan mijn collega’s zeggen: ‘nou, nou, nou, 45 dagen… drie verkrachtingen… ik weet het niet hoor ’. Nou, ik weet het wel. Maar goed, je bent met z’n drieën dus... (…) Maar ik kan soms van tevoren al uittekenen dat combinatie A in die zaak onder die omstandigheden niet zal schorsen en combinatie B in dezelfde situatie en zaak wel.”5
Het huidige artikel 493, eerste lid Sv blijkt aldus multi-interpretabel, hetgeen met zich brengt dat de wijze waarop de schorsingsbeslissing in de praktijk wordt benaderd sterk afhankelijk kan zijn van (de opvattingen van) de betreffende rechter-commissaris of raadkamer-combinatie die de beslissing neemt.6