Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.4.4.2
7.4.4.2 De verwachte strafmaat: richtlijnen en oriëntatiepunten?
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
N.B. Inmiddels heeft het LOVS landelijk oriëntatiepunten voor straftoemeting in jeugdzaken vastgesteld. Zie: ‘Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken 2017’, te raadplegen via www.rechtspraak.nl.
Interview raadkamerrechter Q.
Interview rechter-commissaris K.
Bijvoorbeeld in een zaak waarin een advocaat – van een jeugdige die werd verdacht van diefstal en heling van een scooter – verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis met een beroep deed op ‘67a lid 3’, omdat de medeverdachte inmiddels was veroordeeld tot een korte detentiestraf. Tijdens het raadkameroverleg stelde één van de rechters als reactie op het ‘67a lid 3-verweer ’ dat dit weliswaar kan, maar niet per se hoeft te worden gehonoreerd, omdat iedere zaak anders is. Uiteindelijk ging de raadkamer niet mee met het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis. Wel werd de voorlopige hechtenis geschorst.
Tijdens de observaties werd duidelijk dat rechters verschillend invulling geven aan het gebod te anticiperen op de mogelijk op te leggen sanctie. Binnen één van de onderzochte rechtbanken speelden – intern ontwikkelde – jeugdspecifieke oriëntatiepunten voor straftoemeting een leidende rol bij de invulling van het anticipatiegebod.1 Tijdens het raadkameroverleg werden deze oriëntatiepunten geregeld geraadpleegd en – soms tot op de dag precies – berekend hoe lang de verdachte reeds in voorarrest verbleef en hoeveel ruimte er nog was om de voorlopige hechtenis te verlengen. Ook binnen andere rechtbanken werd bij de invulling van het anticipatiegebod gebruik gemaakt van deze oriëntatiepunten of van de strafvorderingsrichtlijnen van het Openbaar Ministerie. Een aantal rechters geeft tijdens de interviews echter aan geen gebruik te maken van dergelijke oriëntatiepunten en richtlijnen bij de beoordeling van ‘67a lid 3’, omdat straftoemeting in jeugdzaken, volgens de betreffende rechters, te veel afhangt van de specifieke omstandigheden van het geval om hierover op basis van generale richtlijnen een inschatting te kunnen maken.
“Nou 67a lid 3… daar wordt regelmatig een beroep op gedaan. Advocaten zeggen: ‘we praten hier over een bedreiging, wat staat er normaal gesproken op een bedreiging? 200 euro boete. Dus geen reden om hem vast te houden.’ Nou staat er natuurlijk op bedreiging feitelijk maximaal twee á drie jaar gevangenisstraf in het Wetboek van Strafrecht. Er zijn dus bedreigingen denkbaar waar je drie maanden of zes maanden voor vastgezet wordt, bij wijze van spreken. Dus dat begrip ‘67a lid 3’, het is heel moeilijk in te vullen: wanneer is dat nou vervuld? Je kunt niet zeggen na twee weken: ‘oh nu is 67a lid 3 wel aan de orde’. Ja dat kan, maar het hoeft niet. Dat is een lastige afweging.”2
Een rechter-commissaris, die de oriëntatiepunten voor straftoemeting doorgaans wel raadpleegt, bevestigt dat deze oriëntatiepunten niet onverkort uitkomst bieden bij de invulling van het anticipatiegebod:
“Ik kijk wel van tevoren even in de oriëntatiepunten. Al vind ik wel dat als hij een justitieel verleden heeft, dan kan je met die oriëntatiepunten niet zo goed uit de voeten, omdat er niet in staat dat je de straf kunt vermeerderen of andere strafmodaliteiten kunt toepassen. Ook omdat ik weet dat er op de strafzitting veel meer maatwerk wordt geleverd. Als iemand ontkent en lastig is, hup, verhoging van de detentie. En anders, met dezelfde ernst van het feit, maar iemand die net op de beterende hand is en het ook echt goed doet, dan ga je daar heel anders mee om.”3
Ook tijdens de observaties kwam naar voren dat het maatwerk bij de straftoemeting in jeugdzaken maakt dat een exacte inschatting van de sanctie lastig is, hetgeen tot gevolg kan hebben dat de rechter-commissaris of raadkamer in bepaalde gevallen tot de conclusie komt dat een ‘67a lid 3-ver-weer ’ van een advocaat weliswaar gehonoreerd kan worden, maar niet hoeft te worden.4 De rechter-commissaris en raadkamer beschikken hierbij dus over enige discretionaire ruimte.