Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/27.11
27.11 Post scriptum; verjaring krachtens de subjectieve termijn is rechtsverwerking, verjaring krachtens de objectieve termijn niet
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS371343:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Brunner, Themis 2001, p. 244.
Pitlo-Hidma IV, p. 228; afwijzend Van Leeuwen, diss., p. 15.
Zie § 9.2 en § 11.3.
Tot steun van die stelling kan onder andere het volgende citaat van Valk dienen (diss., p. 84): 'Rechtsverwerking op grond van tijdsverloop behoort net als verjaring uitgesloten te zijn tot het moment waarop de grechtigde wél in de positie is geweest stuitingsdaden te verrichten.' Tjittes (2007), p. 30 meent dat voor het aannemen van rechtsverwerking niet vereist is dat de rechthebbende kennis heeft van het recht dat hij verwerkt. Misschien is dat inderdaad niet per definitie zo — ik laat dat in het midden — maar in het paradigmatische geval natuurlijk wél. Alleen waar de crediteur zijn recht geldend kon maken, laat rechtsverwerking zich probleemloos rechtvaardigen: het belang van de debiteur (vertrouwen, benadeling positie) wint het, omdat wij de crediteur zijn stilzitten kunnen verwijten. Buiten verwijt heeft men voor het ontnemen van een recht veel zwaardere debiteursbelangen nodig, of men moet het stilzitten van de crediteur op andere grond dan verwijt aan hem kunnen toerekenen. Kiest men die laatste variant, dan neigt men alweer naar het territoir van de subjectieve termijn.
Ik heb dat uiteengezet in § 9.1.
Naar het oordeel van Brunner is verjaring uitsluitend dan aan de orde (zou althans slechts dan aan de orde moet zijn), wanneer de crediteur verweten kan worden dat hij geen actie heeft genomen (Brunner, Themis 2001, p. 248. Neemt men dat tot uitgangspunt, dan zijn verjaring en rechtsverwerking inderdaad per definitie verwant, is verjaring zelfs een verschijningsvorm van rechtsverwerking. Zie overigens voor mijn betoog dat ook buiten nodeloos dralen van de crediteur voor verjaring plaats moet zijn § 9.3.
Het ging in dit hoofdstuk om de vraag naar rechtsverwerking voor ommekomst van de verjaringstermijn. Buiten die vraag, maar binnen het thema van de verhouding tussen verjaring en rechtsverwerking, is er ook nog de kwestie in hoeverre de voltooide verjaring — anders dus dan de in de vorige paragraaf juist onvoltooide verjaring als rechtsverwerking moet worden beschouwd. Brunner schrijft:
"Verjaring is verwant aan rechtsverwerking door de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Dat verjaring en rechtsverwerking verwant zijn, is ook door de wetgever onderkend. Door uitbreiding in het nieuwe BW van de gevallen waarin een korte termijn geldt, wordt immers het instituut van de rechtsverwerking teruggedrongen ten gunste van de verjaring."1
De verwantschap tussen verjaring en rechtsverwerking is in vele andere bronnen bepleit.2
Ik meen dat men bij het denken over de verhouding tussen verjaring en rechtsverwerking moet differentiëren. Mij is de stelling dat rechtsverwerking en verjaring steeds verwant zijn, te algemeen. Verjaring krachtens de korte subjectieve termijn acht ik inderdaad verwant aan de rechtsverwerking. Ik heb bij herhaling betoogd dat naar mijn mening subjectieve termijnen moeten worden gezien als een gestandaardiseerde vorm van rechtsverwerking: de crediteur wordt zijn nodeloze dralen ten koste van de debiteur tegengeworpen.3
Bij verjaring krachtens de objectieve lange termijn daarentegen, spreekt de rechts-verwerkingsgedachte veel minder aan.4 Kenmerkend voor verjaring krachtens de objectieve termijn is immers dat de vordering verjaart, nog voordat de crediteur zijn vordering heeft kunnen geldend maken.5 Dat hier een recht teniet gaat door eigen toedoen, door een gedraging die zich niet verhoudt met een eerdere gedraging, valt daarom niet vol te houden. Er is dus niet het voor rechtsverwerking typische 'contraire gedrag'; er is in feite helemaal geen 'gedraging'. De crediteur heeft nooit stilgezeten terwijl hij had kunnen handelen:6
Ik ben in het debat over de verhouding tussen verjaring en rechtsverwerking het door mij voorgestane onderscheid niet tegengekomen. Dat kan onder andere komen doordat het onderscheid zijn oorsprong mede vindt in ons getrapte verjaringsstelsel (een korte subjectieve en een lange objectieve termijn) en dat stelsel, ook internationaal gezien, betrekkelijk nieuw is.