Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.5.3.2:7.5.3.2 Voorlopige hechtenis thuis of schorsen?
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.5.3.2
7.5.3.2 Voorlopige hechtenis thuis of schorsen?
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tijdens enkele bijgewoonde raadkamerzittingen en interviews met rechters kwam aan de orde hoe het huisarrest op grond van artikel 493, derde lid Sv zich verhoudt tot de schorsing van de voorlopige hechtenis onder bijzondere voorwaarden. Zo ook in een zaak waarin een 15-jarige first offender, die door de Raad voor de Kinderbescherming werd aangemerkt als bijzonder kwetsbaar, werd verdacht van een zedendelict. Ten tijde van de raadkamerzitting verbleef de verdachte in het kader van de inbewaringstelling in huisarrest. Door de raadkamer werd overwogen of met de gevangenhouding het huisarrest voor 30 dagen zou moeten worden voortgezet of dat de gevangenhouding zou moeten worden geschorst onder strikte voorwaarden. Hierbij werd opgemerkt dat het verschil tussen huisarrest en een schorsing met strikte voorwaarden, zoals een dagprogramma en een avondklok, vooral ‘cosmetisch’ is. Niettemin werd een schorsing, gelet op de ernst van het feit, op dat moment ‘te vroeg’ geacht. Hierbij speelde ook een rol dat de media veel aandacht aan de zaak besteedde, waardoor het maatschappelijk mogelijk niet zou worden geaccepteerd als de voorlopige hechtenis van de verdachte al zo snel zou worden geschorst en er een risico bestond voor repercussies. De raadkamer achtte het om die reden ook in het belang van de verdachte om de voorlopige hechtenis in de vorm van huisarrest voort te zetten. Dit betekende dat de bewegingsruimte van de verdachte feitelijk was beperkt tot het ouderlijk huis en de tuin, ook omdat de verdachte vanwege het incident niet meer welkom was op school en het bovendien (bijna) schoolvakantie was.
Ongeveer een maand later kwam de zaak weer voor de raadkamer, waarin moest worden beslist over de verlenging van de gevangenhouding. Toen overwoog de alleenzittende raadkamerrechter dat het huisarrest lang genoeg had geduurd, mede gelet op de enorme belasting van het huisarrest voor het gehele gezin. De raadkamerrechter besloot de gevangenhouding weliswaar te verlengen, maar wel te schorsen onder de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich zou houden aan alle aanwijzingen van de jeugdreclassering en geen contact zou opnemen met het slachtoffer. De raadkamerrechter motiveerde zijn beslissing over het huisarrest als volgt:
“Het huisarrest heeft nu wel lang genoeg geduurd. Het feit is erg, dat blijft ook zo, maar de geschokte rechtsorde neemt met de tijd wel iets af. Je hoeft niet de hele zomervakantie binnen te zitten.”
Op basis van de observaties en interviews is evenwel duidelijk geworden dat rechters de verhouding tussen huisarrest en de schorsing onder voorwaarden verschillend waarderen. Een raadkamerrechter stelt tijdens een interview dat huisarrest een “steviger signaal” afgeeft richting de verdachte en de samenleving dan een schorsing onder voorwaarden.
“En dan is huisarrest een steviger signaal dan een schorsing denk ik. En het wordt zeker steviger gevoeld. Want het is echt beperkt: om half 9 naar school, om 3 uur thuis zijn en ook in de weekenden. En de ouders die het moeten controleren.”1
Tijdens een geobserveerde raadkamerzitting werd daarentegen door de raadkamer overwogen dat in de praktijk niet veel verschil zit tussen huisarrest en schorsing onder voorwaarden. In deze zaak verbleef de 14-jarige verdachte ten tijde van de raadkamerzitting in huisarrest in het kader van de inbewaringstelling en delibereerden de raadkamerrechters over de vraag of het huisarrest zou moeten worden voortgezet of dat de voorlopige hechtenis zou moeten worden geschorst onder voorwaarden. De raadkamer overwoog dat een schorsing onder strikte voorwaarden zeker zo zwaar is als huisarrest en dat de maatschappij toch al niet snapt dat de verdachte thuis zit. Doordat die stap al is genomen (lees: de beslissing van de rechter-commissaris om de inbewaringstelling niet in een justitiële jeugdinrichting, maar thuis ten uitvoer te leggen), stond volgens de raadkamer de maatschappelijke reactie ook niet in de weg aan een schorsing onder voorwaarden. De raadkamer overwoog dat de schorsing het voordeel heeft dat daar een pakket aan voorwaarden aan kan worden verbonden en dat dit eenvoudiger is te controleren dan huisarrest. De raadkamer besloot uiteindelijk dat het persoonlijke belang om te schorsen in deze zaak zwaarder woog dan het maatschappelijke belang bij voortzetting van het huisarrest.
Ook in een andere zaak waarin in raadkamer werd beraadslaagd over voortzetting van het huisarrest of een schorsing onder voorwaarden speelde het belang dat de verdachte door middel van bijzondere voorwaarden de wenselijke begeleiding zou krijgen een belangrijke rol in de beslissing van de raadkamer om tot schorsing van de gevangenhouding over te gaan. De nuanceverschillen tussen het huisarrest en de schorsing onder voorwaarden worden tevens tijdens een interview onder woorden gebracht door een raadkamerrechter:
“Kijk, in het kader van schorsing kan je natuurlijk alles doen. Je kan een soort huisarrest geven [als voorwaarde, YB]. (…) Wij gebruiken soms de mogelijkheid om de detentie thuis te laten doorbrengen [artikel 493, derde lid Sv, YB]. Dat is natuurlijk heel raar: als je dat doet dan mag het kind dus de deur niet uit. Dan zijn de ouders als het ware aangesteld als bewakers; dan moet er dus altijd iemand thuis zijn. Dus het is voor het hele gezin erg zwaar. En ik denk dat als je vindt dat iemand ondertussen ook allerlei andere dingen moet doen, dan kan je hem op een gegeven moment beter schorsen, want ik vind dat een beetje moeilijk te verenigen dat je zegt: ‘detentie thuis, maar je moet wel naar school, en je mag wel naar fitness’. Dat vind ik meer een situatie waarin je zou moeten schorsen met die voorwaarden.”2
Dat in de feitelijke situatie weinig verschil bestaat tussen huisarrest op grond van artikel 493, derde lid Sv, waarbij het de verdachte soms wel is toegestaan naar school of stage te gaan, en de schorsing onder strikte bijzondere voorwaarden (bijvoorbeeld een dagprogramma en een avondklok) lijkt er in de praktijk nog wel eens toe te leiden dat tijdens de tenuitvoerlegging van het huisarrest onduidelijkheden bestaan over wat wel en niet is toegestaan en wat bijvoorbeeld de rol is van de jeugdreclassering. Dit kwam onder meer naar voren tijdens een raadkamerzitting in een zaak van een 17-jarige verdachte van diefstal en heling, die zijn inbewaringstelling thuis mocht doorbrengen. Tijdens de raadkamerzitting bracht de aanwezige jeugdreclasseerder naar voren dat het huisarrest goed verliep, dat de verdachte naar school en stage ging en elke dag een uurtje mocht “luchten”. Zo was verdachte met toestemming van de jeugdreclassering onder meer een aantal keer met zijn moeder mee geweest naar de supermarkt. De raadkamerrechters toonden zich tijdens het raadkameroverleg verbaasd over het feit dat de jeugdreclasseerder zelfstandig had bepaald dat de verdachte dagelijks een uurtje mocht luchten. Volgens de rechters past dit niet bij huisarrest in de zin van artikel 493, derde lid Sv: bij huisarrest zijn de ouders de “directeur van de JJI”, heeft de jeugdreclassering daarbij geen stem en is het uitgangspunt dat de verdachte, behoudens school en stage, thuis blijft. De raadkamer stelde zich voor het dilemma dat het enerzijds de jeugdreclassering niet dwars wilde liggen, omdat die positief waren over het luchten, maar anderzijds ook geen precedent wilde scheppen en duidelijk wilde maken dat het niet aan de jeugdreclassering is om zelfstandig invulling te geven aan het huisarrest. Uiteindelijk besloot de raadkamer tot schorsing van de gevangenhouding over te gaan, zodat de jeugdreclassering een duidelijkere rol zou krijgen. Aan de schorsing werden de voorwaarden verbonden dat de verdachte zich moest houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, naar school en stage zou gaan en zich moest houden aan een avondklok.
Het onderscheid tussen de alternatieve tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis en schorsing onder voorwaarden vervaagt echter nog sterker nu het binnen sommige rechtbanken vaste praktijk is dat huisarrest niet op grond van artikel 493, derde lid Sv wordt toegepast, maar als bijzondere voorwaarde aan een schorsing wordt verbonden dat de verdachte direct na school naar huis moet komen en ook in de avonden en weekenden thuis moet blijven.
“Huisarrest op deze titel [artikel 493, derde lid Sv, YB] doen we niet. Dat is een beetje kinderrechter oude stijl. Dat kan wel. Maar dan opteren wij schorsing en dan gewoon meteen na school weer naar huis als voorwaarde. En zo’n huisarrest is een beetje een rare constructie. Je legt eigenlijk gewoon de juridische ellende bij de ouders. Daar komt het gewoon op neer. De ouders zitten gewoon de hele dag met dat kind opgescheept. En als er geen school is, dan zitten ze gewoon de hele dag thuis op de bank. En of dat nou pedagogisch zo verstandig is. Ik weet niet wat nou beter is, om te zeggen ‘je zit in een JJI waar er goed op jou gelet wordt en er ook observatieverslagen komen’ om dat af te zetten tegen ‘je zit de hele dag bij je moeder aan de keukentafel’.”3
Rechtbanken blijken dus verschillende juridische titels te gebruiken om (vormen van) huisarrest op te baseren. Dit betekent evenwel dat verdachten die zich feitelijk in een soortgelijke situatie bevinden (lees: in huisarrest), maar daartoe op verschillende juridische titels zijn gehouden, een wezenlijk verschillende rechtspositie kunnen hebben. Zo geldt huisarrest op grond van artikel 493, derde lid Sv als een modaliteit van voorlopige hechtenis, waardoor onder meer de termijnen van artikel 64 en 66 Sv van toepassing zijn, het huisarrest bij veroordeling zal worden verrekend met de op te leggen straf (artikel 27 Sr) en de verdachte, indien uiteindelijk geen straf of maatregel wordt opgelegd, een verzoek tot schadevergoeding zal kunnen doen voor de in huisarrest doorgebrachte tijd (artikel 89 Sv). Deze rechtswaarborgen gelden niet als huisarrest als bijzondere voorwaarde aan de schorsing wordt verbonden. Men zou dan ook kunnen stellen dat verdachten die zich op grond van artikel 493, derde lid Sv in huisarrest bevinden een stevigere rechtspositie hebben dan verdachten die zijn gehouden binnenshuis te blijven op grond van een bijzondere voorwaarde die is verbonden aan de schorsing. Een raadkamerrechter geeft daarentegen tijdens een interview aan dat toepassing van huisarrest als modaliteit van voorlopige hechtenis in de praktijk juist een strafverhogend effect kan hebben, hetgeen verband houdt met de nauwe samenhang tussen voorlopige hechtenis en straf, zoals beschreven in paragraaf 7.4.4.5.
“Het verschil is dat het huisarrest automatisch een strafverhogend effect heeft, want, gek genoeg, dat doen we misschien toch heel automatisch, dat als er zo veel tijd in voorlopige hechtenis is doorgebracht, dan leg je dat automatisch als straf op. (…) En hoe je het ook went of keert: geschorst van voorlopige hechtenis telt niet mee bij de straf.”4
Duidelijk is in elk geval dat de lijn tussen alternatieve tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis in de vorm van huisarrest en de schorsing onder bijzondere voorwaarden in de praktijk flinterdun kan zijn. Er lijkt onder rechters geen eenduidigheid te bestaan over de feitelijke verschillen tussen beide modaliteiten, noch over de juridische titel waarop huisarrest in de voorfase van het strafproces moet worden gebaseerd. De wijze waarop in de praktijk met huisarrest wordt omgegaan, verschilt dan ook per rechtbank (en mogelijk zelfs per rechter).