Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/7.7.1
7.7.1 Interactie bevels- en tenuitvoerleggingsbeslissing
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Overigens is het verband tussen de gronden die aan de bevelsbeslissing ten grondslag liggen en de schorsingsbeslissing in sommige gevallen juist opvallend afwezig (zie onderstaande paragraaf 7.7.2).
Opvallend is de bevinding dat de schorsing onder voorwaarden door rechters niet alleen wordt opgevat als een alternatief voor de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis, maar door sommige rechters ook als een alternatief – met “pedagogisch voordeel” – voor de afwijzing van de vordering c.q. de onvoorwaardelijke invrijheidstelling van de verdachte (zie par. 7.4.2.3 en par. 7.4.4.3).
Dit gaat nog sterker op als rechters de aan een schorsing te verbinden bijzondere voorwaarden opvatten als effectieve instrumenten voor jeugdhulpverlening (zie onderstaande par. 7.7.2).
Een eerste patroon in de rechterlijke besluitvorming betreft de interactie tussen de bevelsbeslissing en de tenuitvoerleggingsbeslissing (waaronder de schorsingsbeslissing). Duidelijk is geworden dat dit niet per se beslissingen zijn die los van elkaar, in chronologische volgorde worden genomen. De interactie tussen beide beslissingen kan allereerst gelegen zijn in de relatie tussen de rechterlijke beoordeling van de ernstige bezwaren en de rechterlijke beoordeling van de (wenselijkheid van de) schorsing onder voorwaarden in het betreffende geval. Zoals uiteengezet in paragraaf 7.4.2.3, zijn sommige rechters bereid ruimhartiger om te gaan met het aannemen van ernstige bezwaren en dus met het bevelen van voorlopige hechtenis als zij voornemens zijn het bevel direct te schorsen onder voorwaarden. Dit geldt temeer als de rechter het opleggen van schorsingsvoorwaarden wenselijker acht dan het onvoorwaardelijk in vrijheid stellen van de minderjarige verdachte. Tegelijkertijd stellen sommige rechters zich op het standpunt dat in een dergelijk geval, vanwege de ‘magere’ ernstige bezwaren, terughoudend moet worden omgegaan met het opleggen van ingrijpende schorsingsvoorwaarden. Op deze wijze kan de tenuitvoerleggingsbeslissing invloed uitoefenen op de bevelsbeslissing en vice versa.
Eenzelfde fenomeen is zichtbaar in de relatie tussen de beoordeling van de gronden voor voorlopige hechtenis en de tenuitvoerleggingsbeslissing. Zo kunnen – indachtig het subsidiariteitsbeginsel; zie onderstaande par. 7.7.2 – de gronden die aan de bevelsbeslissing ten grondslag liggen van invloed zijn op de schorsingsbeslissing. Deze gronden kunnen strafvorderlijke belangen in zich dragen die in de weg staan aan een schorsing of die juist ondervangen kunnen worden door bijzondere voorwaarden aan de schorsing te verbinden (zie par. 7.5.1.2, onder B en D).1 Omgekeerd komt in paragraaf 7.4.3 helder naar voren dat de beoordeling van de wenselijkheid van de schorsing van invloed kan zijn op de beoordeling van de gronden voor voorlopige hechtenis, in die zin dat gronden soms – bewust of onbewust – ruimer worden geïnterpreteerd als de rechter voornemens is de voorlopige hechtenis onmiddellijk te schorsen en de rechter deze uitkomst ook wenselijk vindt. Dit lijkt een belangrijke verklaring te zijn voor de bevinding dat in de 201 geobserveerde voorgeleidingen en raadkamerzittingen, waar is beslist over een vordering tot inbewaringstelling of (verlenging van) gevangenhouding, geen enkele vordering is afgewezen wegens de afwezigheid van gronden.
Een interactie tussen de bevelsbeslissing en tenuitvoerleggingsbeslissing komt tevens naar voren in de relatie tussen de wijze waarop rechters omgaan met het anticipatiegebod (artikel 67a, derde lid Sv) en de schorsingsbeslissing. Zo stellen sommige rechters zich op het standpunt dat artikel 67a, derde lid Sv “als het ware wordt gestuit” als de voorlopige hechtenis wordt geschorst. In deze benadering kan met de beslissing tot schorsing worden voorkomen dat vanwege het anticipatiegebod moet worden afgezien van het bevelen van voorlopige hechtenis. De schorsing lijkt door rechters soms als een soort tussenoplossing te worden gebruikt om tegemoet te komen aan zowel artikel 67a, derde lid Sv – de verdachte zit niet langer in voorlopige hechtenis – als aan de wenselijkheid schorsingsvoorwaarden te kunnen verbinden aan de invrijheidstelling van de verdachte (zie par. 7.4.4.3). Tegelijkertijd is in paragrafen 7.4.4.4 en 7.4.4.5 geconstateerd dat het anticipatiegebod in de praktijk in belangrijke mate bepalend is voor het moment waarop de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis wordt geschorst. Dit is een opvallende bevinding, omdat het anticipatiegebod van artikel 67a, derde lid Sv naar de letter van de wet uitsluitend betrekking heeft op de bevelsbeslissing en niet op de tenuitvoerleggingsbeslissing.
De interacties tussen de bevelsbeslissing en tenuitvoerleggingsbeslissing overziend, valt op dat de rechter nogal eens in de knel lijkt te komen door de systematiek van de wetgeving, waarin een bevel tot voorlopige hechtenis nodig is om minder ingrijpende maatregelen (lees: schorsingsvoorwaarden) te kunnen opleggen. De bevelsbeslissing is klinisch beschouwd een ‘alles-of-niets-beslissing’: óf de voorlopige hechtenis – het meest ingrijpende dwangmiddel in het Nederlandse strafrecht – wordt bevolen, óf de verdachte wordt onvoorwaardelijk in vrijheid gesteld. In de jeugdstrafrechtspraktijk is de door de rechter-commissaris of raadkamer beoogde uitkomst echter veelal minder ‘zwart/wit’: het komt veelvuldig voor dat de rechter-commissaris of raadkamer het weliswaar niet nodig vindt om de minderjarige verdachte op titel van voorlopige hechtenis in een justitiële jeugdinrichting te plaatsen of te houden, maar het ook niet wenselijk en/of verantwoord vindt om de minderjarige verdachte zonder enige vorm van toezicht en begeleiding of andere voorwaarden naar huis te sturen. In dergelijke gevallen zal de rechter-commissaris of raadkamer zich gedwongen voelen om de voorlopige hechtenis te bevelen, omdat de rechter in de huidige wettelijke systematiek pas nadat hij de voorlopige hechtenis heeft bevolen een gedifferentieerd scala aan alternatieven2 (lees: aan een schorsing te verbinden bijzondere voorwaarden) tot zijn beschikbaarheid krijgt. In dit hoofdstuk is duidelijk geworden dat de schorsing onder voorwaarden binnen een dergelijk systeem eenvoudig kan verworden tot een doel op zich3 en dat dit een weerslag kan hebben op de daaraan voorafgaande bevelsbeslissing. In elk geval is duidelijk geworden dat de huidige wettelijke systematiek een praktijk in de hand werkt waarin rechters soms wel erg ruimhartig en creatief (moeten) omgaan met de wettelijke criteria voor het bevelen van voorlopige hechtenis om uiteindelijk de schorsing onder voorwaarden mogelijk te maken. Hiermee vormt deze wettelijke systematiek een belangrijke verklaring voor het zeer geringe aantal afwijzingen van vorderingen tot voorlopige hechtenis en de prominente rol van de schorsing in de Nederlandse jeugdstrafrechtspraktijk.