Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/1.6
1.6 Verantwoording en methoden van onderzoek
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover: Smith e.a. 2008; Smith 2009.
Vgl. Curry-Sumner e.a. 2010, p. 17-18.
Smith e.a. 2008, p. 688-670.
‘Law in the books’ heeft betrekking op hoe het recht formeel behoort te zijn (de norm), ‘law in action’ heeft betrekking op hoe het recht in de praktijk wordt toegepast. Zie Pound 1910. Zie hierover ook: Bell 2016, p. 264.
Empirisch-juridisch onderzoek kent zijn oorsprong in de Verenigde Staten en is tevens in opkomst in Nederland. Eisenberg (2004, p. 1741) verwoordt de behoefte aan empirisch-juridisch onderzoek – in aanvulling op sociaal wetenschappelijk onderzoek naar juridische kwesties – als volgt: “Academic disciplines other than law have a distinct advantage in that some of them have trained many of their members in the methodologies needed to assess law-related programs. But nonlawyers have the distinct disadvantage of often not understanding legal doctrine or the state of the law. (…) The need for legally sophisticated empirical analysts is clear.” Zie voorts: Van den Bos 2014 en meer recent het themanummer ‘Empirisch-juridisch onderzoek’ van Justitiële Verkenningen (Scheepmaker 2016).
Taekema & Van Klink 2009, p. 2559-2561; Taekema & Van Klink 2011, p. 10-11.
Taekema & Van Klink 2009, p. 2560.
Ibid.; Taekema & Van Klink 2011, p. 10. Het onderhavige onderzoek betreft dus geen ‘interdisciplinair ’ onderzoek, daar geen sprake is van (volledige) integratie van wetenschappelijke disciplines in de probleemstelling en onderzoeksvraag, theorie, methoden en conclusies (Ibid., p. 12).
Nadien zijn enkel nog een klein aantal arresten, wetwijzigingen en publicaties van bijzondere relevantie in het onderzoek verwerkt.
Het onderhavige onderzoek heeft een sterk normatief karakter, hetgeen kenmerkend is voor rechtswetenschappelijk onderzoek.1 Dit normatieve karakter is welhaast inherent aan het bestuderen van normenstelsels, zoals het internationale en Europese kader van kinder- en mensenrechten en de Nederlandse wetgeving, en vloeit tevens voort uit de evaluerende en (potentieel) ontwerpende componenten van de centrale onderzoeksvraag.2 Het internationale en Europese kader van kinder- en mensenrechten wordt gebruikt als overkoepelend normenkader op basis waarvan de Nederlandse wettelijke regeling van voorlopige hechtenis van minderjarigen én de toepassing daarvan in de praktijk wordt geëvalueerd (vgl. deelvraag 4) en, indien nodig, richtlijnen voor nieuwe wetgeving en praktijk worden ontworpen (vgl. deelvraag 5). In de literatuur is wel gesteld dat als belangrijkste methodologische eis voor goed rechtswetenschappelijk onderzoek geldt dat normatieve keuzes worden verantwoord om een kritische beoordeling daarvan mogelijk te maken.3 In paragraaf 1.6.1 zal dan ook inzichtelijk worden gemaakt waarom kinder- en mensenrechten in dit onderzoek als overkoepelend normatief kader worden gebruikt en hoe dit analysekader concreet gestalte krijgt (vgl. deelvraag 1). In paragraaf 1.6.2 zal uiteen worden gezet hoe de Nederlandse wettelijke regeling is bestudeerd en geanalyseerd (vgl. deelvraag 2).
Voorts kent het onderhavige onderzoek een substantiële empirische component (vgl. deelvraag 3). Kwalitatieve empirische onderzoeksmethoden – lees: observaties tijdens voorgeleidingen en raadkamerzittingen (N=225) en interviews met rechters en andere betrokken professionele actoren (N=71) – zijn gebruikt om inzicht te geven in de toepassingspraktijk van voorlopige hechtenis van minderjarigen in Nederland. Beoogd wordt inzichtelijk te maken hoe ‘law in the books’ en ‘law in action’ zich tot elkaar verhouden.4 Het betreft empirisch-juridisch onderzoek met een exploratief, beschrijvend en, waar mogelijk, verklarend karakter dat uiteindelijk ten dienste staat van het beantwoorden van de centrale onderzoeksvraag. Ook de empirische component van het onderzoek kan aldus worden bestempeld als onderdeel van ‘rechtswetenschappelijk onderzoek’.5
Toch is het onderhavige onderzoek niet ‘monodisciplinair ’: het betreft rechtswetenschappelijk onderzoek dat gebruik maakt van andere wetenschappelijke disciplines (lees: criminologie en (rechts)sociologie), doch zonder dat sprake is van daadwerkelijke integratie van disciplines.6 Met andere woorden: in het onderhavige onderzoeksdesign vormen methoden en inzichten uit de genoemde disciplines “bouwstenen voor verder rechtswetenschappelijk onderzoek”.7 In het door Taekema & Van Klink ontwikkelde “dynamische model” waarmee mogelijke vormen van interdisciplinair onderzoek naar het recht kunnen worden geplaatst op een schaal, met als ene uiterste strikt monodisciplinair onderzoek en als andere uiterste volledig geïntegreerd interdisciplinair onderzoek, kwalificeert het onderhavige empirische onderzoek hiermee als een tussenvorm die wordt aangeduid als ‘multidisciplinair ’ onderzoek (“research combining disciplines in some way, without aiming at integration”).8 In paragraaf 1.6.3 wordt nader ingegaan op het gehanteerde empirische onderzoekdesign en de invloed die de verschillende disciplines daarop hebben.
In het onderhavige onderzoek wordt de voorlopige hechtenis van minderjarigen aldus op drie niveaus geanalyseerd: (1) het internationale en Europese kader van relevante kinder- en mensenrechten, (2) de Nederlandse wettelijke regeling, en (3) de Nederlandse toepassingspraktijk. Uiteindelijk komen deze niveaus samen in de synthese die leidt tot beantwoording van de centrale onderzoeksvraag (zie hoofdstuk 10). De synthese en conclusies van dit onderzoek zijn afgerond op 1 januari 2017.9
1.6.1 Kinder- en mensenrechten als overkoepelend normatief analysekader1.6.2 Analyse van Nederlandse wet- en regelgeving1.6.3 Analyse van de Nederlandse praktijk